Visie

Opdrachtgevers en aannemers opgelet. De nieuwe Wet Kwaliteitsborging voor het Bouwen versterkt de positie van de opdrachtgever.

De verwachting is dat de nieuwe Wet Kwaliteitsborging voor het Bouwen (“Wkb”) op 1 juli 2022 in werking treedt. De nieuwe wet bevat ingrijpende wijzigingen voor zowel opdrachtgevers als aannemers binnen de bouwsector.

Wie is er straks aansprakelijk voor gebreken na oplevering?

Op grond van de huidige wet is de aannemer tot het moment van oplevering aansprakelijk voor alle gebreken. Na de oplevering verschuift het risico van de aannemer naar de opdrachtgever. De aannemer is dan niet meer aansprakelijk voor gebreken die de opdrachtgever redelijkerwijs had moeten ontdekken bij de oplevering (artikel 7:758 lid 3 BW). De aannemer is enkel nog aansprakelijk voor zogenoemde verborgen gebreken. Deze gebreken moet de opdrachtgever binnen een redelijke termijn na ontdekking daarvan melden bij de aannemer (artikel 6:89 BW). Wordt een zichtbaar gebrek bij de oplevering over het hoofd gezien door de opdrachtgever dan is de aannemer daarvoor niet meer aansprakelijk.

De Wkb brengt hierin verandering in het kader van bouwwerken. Volgens het nieuwe artikel 7:758 lid 4 BW is de aannemer na de oplevering ook aansprakelijk voor alle gebreken die bij de oplevering van het werk niet zijn ontdekt, tenzij deze gebreken niet aan de aannemer zijn toe te rekenen. Niet langer is bepalend of de opdrachtgever de gebreken had moeten ontdekken. Bepalend wordt de vraag of de gebreken daadwerkelijk zijn opgemerkt. De bewijslast wordt bij de aannemer gelegd. De aannemer is hierdoor aan zet. De aannemer zal proactief de gebreken gedetailleerd moeten (laten) vastleggen bij de oplevering in bijvoorbeeld het proces-verbaal van oplevering met behulp van foto- en video-opnames. Het is niet verplicht om een proces-verbaal van oplevering op te maken, maar het kan wel behulpzaam zijn voor de bewijspositie van de aannemer bij eventuele aansprakelijkheidsclaims. Als het gebrek niet in het proces-verbaal staat, dan dient de aannemer op een andere manier aannemelijk te maken dat het gebrek bij de oplevering toch is opgemerkt of dat het gebrek niet aan hem toe te rekenen is.

Voor professionele partijen geldt dat mag worden afgeweken van het nieuwe aansprakelijkheidsregime op voorwaarde dat dit uitdrukkelijk in de overeenkomst gebeurt. De wetgever geeft aan dat het hierbij niet voldoende is om in een overeenkomst te verwijzen naar algemene voorwaarden waarin een uitsluiting van de aansprakelijkheid is opgenomen. Professionele partijen zullen een afwijking van het regime dus uitdrukkelijk in de overeenkomst zelf moeten opnemen.

Hoe zit het met de waarschuwingsplicht van de aannemer?

Onder de Wkb blijft het de verantwoordelijkheid van de aannemer om de opdrachtgever op de hoogte te stellen van onjuistheden in de opdracht of eventuele gebreken en ongeschiktheid van zaken aan de zijde van de opdrachtgever (artikel 7:754 lid 1 BW). Er worden enkel aanvullende vormvoorschriften geïmplementeerd waaraan een waarschuwing van de aannemer straks moet voldoen in het kader van bouwwerken (artikel 7:754 lid 2 BW).

De waarschuwing moet straks tijdig, schriftelijk en ondubbelzinnig zijn gegeven door de aannemer. Daarnaast moet de aannemer de opdrachtgever zo goed mogelijk wijzen op de potentiële gevolgen die het gebrek of de ongeschikte zaken kunnen hebben in het kader van de nakoming van de overeenkomst. Professionele partijen mogen afwijken van deze nieuwe vormvoorschriften.

Het nieuwe verplichte opleverdossier

Aannemers zijn straks verplicht om bij oplevering een dossier met betrekking tot het bouwwerk te overleggen (artikel 7:757a BW). Het opleverdossier dient tenminste de volgende informatie te bevatten over het bouwwerk: de tekeningen, berekeningen, gebruiksfuncties, onderhoud en een beschrijving van materialen en installaties. In de praktijk wordt nu vaak volstaan met garantieverklaringen in plaats van een opleverdossier. Zodra de Wkb in werking is getreden, is dit niet meer voldoende. De nieuwe bepaling is echter van regelend recht. Dit betekent dat het partijen vrij staat om hiervan af te wijken.

Tips

  • Aannemers doen er goed aan om niet alleen uitgebreid te documenteren bij de oplevering, maar ook gedurende het gehele bouwproces de documentatie goed bij te houden.
  • Wanneer je als professionele partijen wilt afwijken van het nieuwe aansprakelijkheidsregime neem dit dan uitdrukkelijk op in de aannemingsovereenkomst.
  • Onderneem als opdrachtgever tijdig actie wanneer een gebrek wordt ontdekt na de oplevering.
  • Leg als aannemer een waarschuwing aan de opdrachtgever schriftelijk en duidelijk vast.

Advies nodig?

De advocaten van bureau Brandeis hebben jarenlange ervaring met (dreigende) geschillen rond bouwprojecten, en de beslechting daarvan. Wij helpen u graag verder.

Voor vragen of advies kunt u contact opnemen met Michelle Krekels.

Visie

Hoe verkleinen partijen de kans op geschillen bij de realisatie van wind- en zonneparken?

In Nederland worden de laatste jaren steeds meer wind- en zonneparken gerealiseerd. De realisatie van een dergelijk project vraagt jarenlange samenwerking tussen diverse partijen. Denk hierbij aan overheden, vastgoedeigenaren, financiers, ontwikkelaars, netbeheerders, aannemers en (onder)aannemers. Om geschillen zoveel mogelijk te voorkomen, is het voor partijen essentieel om onderling duidelijke afspraken te maken en deze contractueel vast te leggen.

Welke type contract past bij het project?

Allereerst is het van belang om een passende contractvorm bij het project te kiezen. Bij bouwprojecten met Nederlandse partijen wordt veelal gebruikgemaakt van model Basisovereenkomsten en algemene voorwaarden, zoals UAV 2012 en UAV-GC 2005. Een traditionele contractvorm als UAV wordt gebruikt wanneer de opdrachtnemer enkel is belast met de uitvoering van het ontwerp van de opdrachtgever. Dit is anders wanneer gecontracteerd wordt op basis van geïntegreerde contracten als UAV-GC. De toevoeging –GC aan UAV staat voor geïntegreerde contracten. Deze vorm wordt gebruikt wanneer de opdrachtnemer zowel ontwerp- als uitvoeringswerkzaamheden verricht. De opdrachtgever dient dan goed te bepalen welke (ontwerp)werkzaamheden hij zelf wil verrichten dan wel aan de opdrachtnemer wil opdragen.

Bij bouwprojecten met internationale partijen wordt steeds vaker gekozen voor de wereldwijd gebruikte FIDIC voorwaarden. Belangrijk is dat ongeacht voor welke contractvorm wordt gekozen de contractvoorwaarden specifiek moeten worden afgestemd op het betreffende project. Dit zal de kans op geschillen aanzienlijk verkleinen.

Welke verdeling van verantwoordelijkheden en risico’s wordt gemaakt?

In het contract dienen duidelijke afspraken te worden vastgelegd over de verdeling van de verantwoordelijkheden en de risico’s van het project. Het helpt om hierbij te beginnen met het einde van het project voor ogen. Wanneer is het project geslaagd? Waar liggen de risico’s/bedreigingen van het project? Hoe complex is het project? Welke partijen zijn betrokken? Wat is hun kennis ten aanzien van de risico’s? Wanneer gaat het risico over op de andere partij?

Een onderwerp dat op een later moment voor veel discussie tussen partijen kan zorgen, is de vraag wie het risico draagt voor fouten in het ontwerp. Bij een traditionele contractvorm draagt de opdrachtgever in beginsel een groot gedeelte van het ontwerprisico, aangezien hij verantwoordelijk is voor het ontwerp. Bij een geïntegreerde contractvorm wordt de toedeling van de risico’s echter grotendeels bepaald door de ontwerpwerkzaamheden die de opdrachtnemer voor zijn rekening neemt, eventuele ontwerpvrijheden en de aard van het werk. Hoe meer ontwerpvrijheid de opdrachtnemer krijgt, hoe meer het ontwerprisico verschuift van de opdrachtgever naar de opdrachtnemer. Bij welke partij het ontwerprisico in een dergelijk geval ligt, is daarmee met name afhankelijk van de gemaakte afspraken tussen partijen.

Ook het risico rondom de oplevering kan tot discussie leiden tussen partijen. In beginsel draagt de opdrachtnemer totdat een project is opgeleverd het risico voor (technische) gebreken of uitvoeringsfouten. Daarna verschuift het risico naar de opdrachtgever. Nadat het project is opgeleverd, is de opdrachtnemer in beginsel niet meer aansprakelijk voor gebreken die de opdrachtgever redelijkerwijs had moeten ontdekken bij de oplevering. Zakelijke partijen kunnen hier in het contract van afwijken. Het is dus goed om de spelregels in het contract hierop na te slaan.

Let op (!) nieuwe wetgeving zal volgend jaar in werking treden als gevolg waarvan de wettelijke spelregels voor gebreken rondom oplevering gaan veranderen. Ook van deze spelregels kunnen zakelijke partijen in een contract afwijken indien zij dit uitdrukkelijk zijn overeengekomen. In een separate blog zullen wij inzoomen op deze nieuwe wetgeving.

Wie is aansprakelijk voor vertragingsschade en in hoeverre komt deze voor vergoeding in aanmerking?

In de praktijk zien we geregeld dat de opdrachtnemer of de opdrachtgever schade lijdt doordat te laat met de bouw van het wind- of zonnepark wordt begonnen, de uitvoering van het werk langer duurt dan is overeengekomen of gegevens te laat worden verstrekt. De schade die dan ontstaat wordt ook wel vertragingsschade genoemd.

Zowel de opdrachtgever als de opdrachtnemer kan in bepaalde gevallen hiervoor aansprakelijk zijn, afhankelijk van wat partijen zijn overeengekomen. Partijen kunnen daarnaast afspraken maken over eventuele vergoedingen in het geval van vertragingsschade. Zo kunnen partijen een boete/korting overeenkomen in het geval van vertraging. Het is van belang om goed na te gaan welke afspraken hierover zijn vastgelegd in het contract.

Zo kan het voorkomen dat een gefixeerd (boete)bedrag/korting is overeengekomen in het geval van vertraging. De boete/korting komt dan in de plaats van een schadevergoeding voor de te late oplevering. De opdrachtgever kan dan in beginsel enkel nog aanspraak maken op het gefixeerde (boete)bedrag/korting en niet op de daadwerkelijke geleden schade, die al snel bij grotere projecten een veelvoud van het gefixeerde kortingsbedrag zal bedragen.

Wanneer geen heldere afspraken zijn gemaakt over het afhandelen van vertragingsschade, kunnen geschillen ontstaan over welke partij aansprakelijk is en in hoeverre de schade vergoed dient te worden.

Eerste hulp bij geschillen

Hoeveel zaken ook worden vastgelegd in een contract, er kunnen tijdens of na de ontwikkeling van een wind- of zonnepark altijd geschillen ontstaan tussen partijen.

Het is van belang dat in een vroeg stadium juridisch advies over het contract en de juridische positie wordt ingewonnen. Hierdoor kunnen rechten worden veiliggesteld en wordt voorkomen dat een partij in een nadeligere positie terechtkomt. Vervolgens kan een strategie worden bepaald om het geschil in of buiten rechte op te lossen. Tijdige actie is dus gewenst.

De advocaten van bureau Brandeis hebben jarenlange ervaring met (dreigende) geschillen rond wind- en zonneprojecten en bouwprojecten, en de beslechting daarvan. Wij helpen u graag verder.

Voor vragen of advies kunt u contact opnemen met Michelle Krekels.

Visie

Inzicht in de erkenningsprocedure voor de landelijke publieke omroep. Ingezoomd: Ongehoord Nederland en Omroep ZWART

Eens in de vijf jaar kunnen (nieuwe) omroepen een erkenning aanvragen bij de minister van Onderwijs Cultuur en Wetenschap (“OCW”) om toegelaten te worden tot het publieke omroepbestel. Voor de komende concessieperiode, die aanvangt in 2022 is naast de reeds bekende omroepen aan twee aspirant-omroepen een erkenning verleend. Dit zijn Omroep ZWART en Ongehoord Nederland.

Naar aanleiding van de erkenningsprocedure van deze twee omroepen is een verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (“Wob”) ingediend. Via dit verzoek is verzocht om openbaarmaking van documenten bij of onder het ministerie van OCW inzake de erkenningsprocedure van de omroepen Ongehoord Nederland en Omroep ZWART. Het besluit op het Wob-verzoek en de openbaar gemaakte documenten zijn beschikbaar via de website van Rijksoverheid.

In dit blog duiken we door middel van de openbaar gemaakte documenten verder in de erkenningsprocedure van de twee bovengenoemde omroepen.

Voordat we ingaan op de erkenningsprocedure en de drempels die de beide omroepen gedurende deze procedure moesten overkomen, gaan we eerst kort in op de omroepen zelf. Wat voegen de twee nieuwe omroepen toe aan het huidige medialandschap en op welke doelgroep willen zij zich richten?

Ongehoord Nederland

Volgens Ongehoord Nederland is het huidige medialandschap teveel gericht op wereldproblemen, terwijl de problemen dichter bij huis, zoals de woningnood, criminaliteit en het verdwijnen van eigen tradities worden verwaarloosd. Ongehoord Nederland heeft daarom als doel de Nederlander die zich door de publieke omroep chronisch buitengesloten voelt een stem te geven. De doelgroepen van Ongehoord Nederland zijn onder meer de teleurgestelde nieuwsgierigen, de traditionelen en de onbereikbaren.

Omroep ZWART

Omroep ZWART heeft diversiteit en vertegenwoordiging van alle Nederlanders hoog in het vaandel staan. Zij richt zich zowel voor als achter de schermen op de huidige jonge diverse generatie. Omroep ZWART staat naar eigen zeggen voor het vergroten van de bekendheid met elkaar en de verbinding onderling, zodat er een omroep bestaat waar iedereen zich thuis kan voelen. De omroep wil voornamelijk bijdragen leveren op het gebied van opinie, human interest, kunst en expressie, muziek en kennis en educatie.

De erkenningsprocedure: vraag om advies

Na het ontvangen van de erkenningsaanvragen van de beide omroepen heeft de minister van OCW aan het Commissariaat voor de Media (“Commissariaat”), de Nederlandse Publieke Omroep (“NPO”) en de Raad voor Cultuur gevraagd advies uit te brengen over de aanvragen van beide omroepen. De adviesorganen onderzoeken onder meer of de omroep bijdraagt aan de pluriformiteit van de publieke omroep, of het aannemelijk is dat de omroep zich zal houden aan de Mediawet 2008 en andere relevante regelgeving en of de omroep bijdraagt aan de uitvoering van de publieke mediaopdracht.

Voor beide omroepen zijn de adviezen positief, zowel het Commissariaat, als de NPO en de Raad voor Cultuur zijn van mening dat de erkenningsaanvraag aan beide omroepen gehonoreerd moet worden. Echter, plaatsen zij in hun advies eveneens kritische kanttekeningen bij de omroepen.

De drie adviesorganen plaatsen allereerst kanttekeningen bij de journalistieke kwaliteitsstandaarden en integriteit van Ongehoord Nederland. Deze kanttekeningen zien voornamelijk op de website en het YouTube kanaal van de omroep. Zo heeft Ongehoord Nederland een coproductie met Café Weltschmerz op YouTube over de aanpak van het coronavirus. Met een dergelijke samenwerking begeeft Ongehoord Nederland zich aan de rand van desinformatie. Voor alle omroepen geldt dat zij daar van weg moeten blijven, aldus het Commissariaat. Journalistieke kwaliteitsstandaarden zijn juist bedoeld om de verspreiding van desinformatie te voorkomen. Bovendien merken alle drie de adviesorganen op dat, hoewel Ongehoord Nederland heeft bevestigd zich te conformeren aan de relevante regelgeving en loyaal wenst samen te werken met andere partners binnen het publieke bestel, betrokkenen bij Ongehoord Nederland zich hebben bediend van uitingen op internet waarin met name de journalistieke integriteit van de NOS ter discussie werd gesteld. Dergelijke uitingen dragen niet bij aan de gewenste samenwerking binnen de publieke omroep en doen geen recht aan de integriteit van de nieuwsvoorziening van de publieke omroep.

De Raad voor Cultuur plaatst eveneens kanttekeningen bij Omroep ZWART met betrekking tot de journalistieke inzet van de omroep in relatie tot de betrouwbaarheid en onafhankelijkheid van de publieke informatievoorziening. Zo heeft de Raad voor Cultuur onder meer bezorgd kennisgenomen van een incident waarbij een van de oprichters van Omroep ZWART een EO-journalist op onaanvaardbare wijze onder druk heeft gezet om materiaal te verwijderen.

Zelfreflectie van de omroep

Naar aanleiding van de kritische kanttekeningen heeft de minister de beide omroepen gevraagd te reflecteren op deze kanttekeningen.

Ongehoord Nederland stelt voorop dat zij zich te allen tijde zal conformeren aan de Mediawet 2008, gedragscodes en andere relevante regelgeving. Voorts deelt zij de kritiek dat Ongehoord Nederland “de journalistieke integriteit van de NOS ter discussie stelt” niet. Ongehoord Nederland geeft aan dat zij weliswaar kritisch zijn op andere omroepen, maar altijd professioneel. Bovendien is een wederzijde kritische reflectie volgens Ongehoord Nederland een wezenlijk onderdeel van een gezond publiek bestel. Hoewel Ongehoord Nederland hiermee haar bijdrage aan een pluriform medialandschap benadrukt, gaat zij in haar reflectie niet in op de zorgen die zijn geuit door de adviesorganen met betrekking tot de samenwerking tussen de omroepen. Of en op welke wijze Ongehoord Nederland met de andere omroepen gaat samenwerken wordt in de zelfreflectie niet bevestigd.

Omroep ZWART geeft in haar zelfreflectie aan verantwoordelijkheid te nemen voor een betrouwbare en onafhankelijke publieke informatievoorziening. Zo neemt zij onder meer professionele en ervaren journalisten aan, geeft zij talenten training binnen de kaders van de NPO standaarden en vraagt zij advies bij partneromroepen als BNNVARA. Met betrekking tot het voorgevallen incident stelt Omroep ZWART hierover een verbindend gesprek met de EO te hebben gevoerd en haar excuses te hebben aangeboden. Het contact tussen de EO en Omroep ZWART lijkt verder goed te zijn, nu de EO een aanbevelingsbrief voor Omroep ZWART heeft geschreven.

Erkenningsverlening?

Uit de openbaar gemaakte stukken blijkt dat het lastig is de omroepen af te wijzen nu zij elk positieve adviezen van de adviesorganen hebben gegeven, aldus de beleidsstaf van het ministerie van OCW. Uit het verslag van de beleidsstaf volgt dat een interne brainstorm zal worden georganiseerd, waarin mede de zelfreflectie van de omroepen zal worden besproken. Wat tijdens deze brainstormsessie is besproken is helaas niet bekend. Deze documenten lijken niet bij het Wob-verzoek betrokken te zijn, althans zij zijn niet opgenomen in de inventarislijst. De documenten zijn derhalve niet openbaar gemaakt.

De minister lijkt de zelfreflectie van de omroepen echter voldoende te vinden en besluit als bekend de beide organisaties een erkenning te verlenen, mede omdat beide omroepen erkennen zich aan het publieke omroepbestel en de Mediawet 2008 te conformeren na erkenning. Blijkbaar is dit voldoende om de kanttekeningen van de adviesorganisaties weg te nemen. De minister maakt hierbij wel de opmerking dat, hoewel de publieke omroep open en divers moet zijn en veel verschillende doelgroepen dient aan te spreken, er ook grenzen zijn. Binnen de publieke omroep is geen plaats voor het verspreiden van desinformatie en onbetrouwbaar nieuws. De minister geeft aan hier in de toekomst scherp op toe te zien.

Conclusie

In de openbaar gemaakte stukken lijkt de minister, na de ontvangen zelfreflectie van de omroepen, vrij gemakkelijk over de kritische kanttekeningen van de adviesorganen te stappen terwijl, zeker over Ongehoord Nederland serieuze zorgen zijn geuit. Ongehoord Nederland lijkt deze zorgen niet volledig weg te nemen. Weliswaar is toegezegd dat na verlening conform de relevante regelgeving zal worden gehandeld, maar Ongehoord Nederland werkt in haar reflectie niet uit op welke wijze dit zal gebeuren.

Ondanks de kritische kanttekeningen is geen extra toezicht op de twee aspirant-omroepen aangekondigd, zoals in het verleden onder meer bij PowNed is gebeurd. De twee aspirant-omroepen zullen de komende vijf jaar tijdens de concessieperiode moeten aantonen hoe ze aan de beloftes uit hun zelfreflectie gaan voldoen. Zij moeten zich, zoals toegezegd, gaan houden aan de Mediawet en zich volledig committeren aan de Governance Code Publieke Omroep van de NPO.

De start van Ongehoord Nederland gaat in ieder geval niet zonder wat stof te doen opwaaien.

Visie

Meer bescherming voor Europese bedrijven door wetsvoorstellen “meldplicht buitenlandse subsidies” en “veiligheidstoets investeringen bij fusies en overnames”

Binnen de EU bestaat de laatste jaren steeds meer aandacht voor de specifieke risico’s die gepaard gaan met een open investeringsklimaat. Dit heeft onder andere geleid tot Europese en nationale wetsvoorstellen die het toezicht op (buitenlandse) investeerders aanscherpen. De rationale achter deze initiatieven is het voorkomen van concurrentieverstoringen als gevolg van buitenlandse subsidies en de bescherming van belangrijke infrastructuur en sensitieve technologie. Op deze manier kunnen bijvoorbeeld investeringen vanuit de Chinese overheid worden getoetst, alsmede economische invloed vanuit de VS of politieke inmenging vanuit bijvoorbeeld Rusland worden tegengegaan.

Deze blog bespreekt twee wetsvoorstellen die elk leiden tot verscherpt toezicht op investeerders – met name bij fusies en overnames. Het betreft hier in feite een aanvulling op de bestaande meldplicht voor concentraties, zowel op EU-niveau met het Voorstel voor een Verordening betreffende buitenlandse subsidies die de interne markt verstoren; als op Nederlandse niveau met het Wetsvoorstel Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames.

Voorstel voor een Verordening betreffende buitenlandse subsidies die de interne markt verstoren

Op 5 mei 2021 heeft de Europese Commissie (“de Commissie”) het voorstel voor de Verordening betreffende buitenlandse subsidies die de interne markt verstoren (“de Verordening”) gepubliceerd. Het doel van de Verordening is het aanpakken van concurrentieverstoringen op de interne markt als gevolg van niet-EU subsidies (“buitenlandse subsidies”). De Verordening zal van toepassing zijn op directe en indirecte vormen van overheidsondersteuning uit landen buiten de EU die ten goede komen aan ondernemingen die actief zijn op de Europese interne markt.

Tot nu toe zijn alleen subsidies die de Europese lidstaten verlenen onderworpen aan (Europees) toezicht in de vorm van staatssteunregels. (Staats)bedrijven kunnen door het gebruik van buitenlandse subsidies een concurrentievoordeel krijgen ten opzichte van EU-ondernemingen, wat de concurrentie kan verstoren. Volgens de Commissie bieden de bestaande internationale en Europese instrumenten niet genoeg mogelijkheden om deze scheve verhoudingen recht te trekken. De Verordening is bedoeld om deze lacune in de regelgeving te dichten.

Meldingsplicht voor buitenlandse subsidies

De Verordening bevat drie instrumenten waarmee buitenlandse subsidies getoetst kunnen worden. Zo introduceert de Verordening twee nieuwe meldingsplichten, (i) voor ondernemingen die betrokken zijn bij een concentratie en (ii) voor ondernemingen die zich aanmelden voor een aanbestedingsopdracht binnen de EU. De meldingsplicht geldt indien bepaalde meldingsgrenzen worden overschreden.

In het onderstaande overzicht worden de belangrijkste aspecten van de twee instrumenten van de Verordening waarvoor een meldingsplicht geldt, kort weergegeven.

  Meldplicht bij Relevante financiële bijdragen

 

Wie maakt de melding en wanneer Termijnen besluit
Toezicht op concentraties Een omzet van de doelonderneming of ten minste één van de in de EU gevestigde betrokken ondernemingen van > EUR 500 miljoen en buitenlandse financiële bijdragen van >

EUR 50 miljoen

Alle ontvangen financiële bijdragen in de drie jaar vóór sluiting van de overeenkomst De gezamenlijke betrokken ondernemingen, vóór totstand-brenging van de concentratie 25 werkdagen na aanmelding voor een voorlopige beoordeling, 90 werkdagen na inleiding van het diepgaand onderzoek
Toezicht op openbare aanbestedingen Een waarde van de aanbestedingsopdracht van > EUR 250 miljoen Alle ontvangen financiële bijdragen in de drie jaren vóór de inschrijving Ondernemingen geven bij inschrijving aan of/hoeveel financiële bijdragen zij ontvangen – de aanbestedende dienst geeft dit door aan de Commissie 60 dagen na aanmelding voor een voorlopige beoordeling, 200 dagen na aanmelding voor een diepgaand onderzoek

Naast het toezicht op concentraties en aanbestedingen kan de Europese Commissie ook ex officio onderzoek uitvoeren naar bepaalde ondernemingen of sectoren waarvan zij vermoedt dat sprake is van het gebruik van buitenlandse subsidies die de interne markt verstoren.

Begrip buitenlandse subsidies

Het begrip buitenlandse subsidies is breed gedefinieerd als ‘financiële bijdragen’, die – direct of indirect – worden verschaft door overheidsinstanties van een derde land (inclusief een particuliere entiteit indien dit aan het derde land is toe te rekenen). Of sprake is van een financiële bijdrage moet van geval tot geval worden beantwoord, met de nodige aandacht voor verschillende elementen, zoals de kenmerken van de betrokken entiteit en de juridische en economische omgeving in het land waarin de entiteit opereert, met inbegrip van de rol van de overheid in de economie.

Een financiële bijdrage moet een onderneming die op de interne markt een economische activiteit uitoefent een voordeel verlenen. Een financiële bijdrage die ten goede komt aan een entiteit die niet-economische activiteiten uitoefent, is geen buitenlandse subsidie in de zin van deze Verordening.

Toetsingskader en remedies

De Commissie maakt in haar toetsing een afweging tussen de negatieve effecten van de subsidie en de positieve effecten van de subsidie voor de ontwikkeling van de betrokken economische activiteit. Zo kan de investering marktfalen voorkomen zodat activiteiten mogelijk maken waarin voorheen nog niet voorzien was. Indien de positieve effecten van de subsidie opwegen tegen de negatieve effecten zal de buitenlandse subsidie worden goedgekeurd.

Indien sprake is van een verstorende buitenlandse subsidie kan de Commissie structurele en gedragsmaatregelen opleggen voordat een concentratie of aanbestedingsopdracht wordt goedgekeurd. Ook kunnen ondernemingen toezeggingen doen om het verstorende effect van een subsidie weg te nemen. Voorbeelden hiervan zijn het aanbieden van toegang tot de verworven infrastructuur; het inkrimpen van de capaciteit of marktaanwezigheid; het afzien van bepaalde investeringen; het verlenen van licenties; de afstoting van bepaalde activa; of zelfs terugbetaling van de buitenlandse subsidie.

De bevoegdheden die de Europese Commissie heeft strekken relatief ver. Zo kan de Commissie alle noodzakelijke informatie verzoeken van betrokken ondernemingen, maar ook van andere ondernemingen of ondernemersverenigingen. Informatie kan ook verzocht worden van EU-lidstaten én derde landen (niet EU-landen). De Commissie heeft bovendien de bevoegdheid om inspecties binnen én buiten de EU uit te voeren. Bij inspecties buiten de EU moet hiervoor wel toestemming zijn van de betrokken onderneming en de regering van het vestigingsland.

Wetsvoorstel Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames

Het Wetsvoorstel Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames (“de Wet vifo”) volgt op de in 2019 aangenomen Foreign Direct Investment (“FDI”)-screeningsverordening. De FDI-screeningsverordening is een Europese wet die tot doel heeft samenwerking te bewerkstelligen tussen de EU-lidstaten en de Commissie bij directe investeringen uit derde landen die een gevaar kunnen vormen voor de nationale veiligheid. De FDI-screeningsverordening bevat ook een kader met basiseisen waaraan alle nationale screeningsmechanismen dienen te voldoen. Alhoewel Nederland al enkele sectorale screeningsmechanismen kende – zoals te zien in onderstaande tabel – dient de nieuwe Wet vifo tot het creëren van samenhang tussen de bestaande screeningsmechanismen en een vangnet voor andere sectoren die nog niet zijn geregeld met sectorspecifieke wetgeving.

Screeningswetgeving
Doelondernemingen Soort zeggenschap
Artikel 86f Elektriciteitswet 1998 Productie-installaties en ondernemingen die productie-installaties beheren vanaf 250 MW Zeggenschap zoals in het mededingingsrecht
Artikel 66e Gaswet LNG-installaties en -bedrijven Zeggenschap zoals in het mededingingsrecht
Hoofdstuk 14a Telecommunicatiewet Aanbieder van een elektronisch communicatienetwerk of –dienst; een hostingdienst, internetknooppunt, vertrouwensdienst of datacenter Overwegende zeggenschap, bijvoorbeeld > 30% van de stemmen in de AvA; of > 50% van de bestuurders / commissarissen kunnen benoemen of ontslaan
Nieuwe Wet Vifo Ondernemingen actief op het gebied van sensitieve technologie en aanbieders van vitale infrastructuur Zeggenschap zoals in het mededingingsrecht

Het doel van de Wet vifo is het vastleggen van regels waarmee risico’s voor de nationale veiligheid als gevolg van bepaalde verwervingsactiviteiten, zoals investeringen en fusies, gescreend kunnen worden. De verwervende investeerders die betrokken kunnen zijn bij een screening kunnen gevestigd zijn in derde landen, een EU-lidstaat of in Nederland zelf. Hierdoor is de Wet vifo non-discriminatoir.

De Wet vifo is relevant voor ondernemingen die betrokken zijn bij de vitale infrastructuur van Nederland en ondernemingen die sensitieve technologie ontwikkelen. Bij vitale infrastructuur kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de elektriciteitsvoorziening, toegang tot internet, drinkwatervoorziening en het betalingsverkeer. Er zijn tot nu toe 28 vitale processen aangewezen. In het geval van sensitieve technologieën gaat het om technologie die gebruikt kan worden voor militaire goederen en goederen voor tweeërlei gebruik (zogenaamde ‘dual use’ goederen). Bij algemene maatregel van bestuur (“AMvB”) kan bepaalde infrastructuur en bepaalde technologie van de reikwijdte uitgezonderd worden of juist hieraan toegevoegd worden.

Verwervingsactiviteiten in dergelijke ondernemingen kunnen leiden tot risico’s voor de nationale veiligheid. Voorbeelden zijn de aantasting van de continuïteit van vitale processen, de aantasting van de integriteit en exclusiviteit van kennis en informatie en het ontstaan van strategische afhankelijkheden.

Meldingsplicht BTI

Ieder voornemen om verwervingsactiviteiten uit te voeren dient gemeld te worden door de investeerder en de doelonderneming gezamenlijk bij de Minister van Economische Zaken en Klimaat (“EZK”). Het Bureau Toetsing Investeringen (“BTI”) binnen EZK is verantwoordelijk voor het screenen van de voorgenomen verwervingsactiviteiten. Om te beoordelen of een activiteit zou kunnen leiden tot een risico voor de nationale veiligheid, verlangt het BTI inzicht te verkrijgen in de eigendomsstructuur, transparantie, beperkingen krachtens (internationaal) recht, en de veiligheidssituatie in het land van vestiging van de verwerver. De meldingsplichtige zal hierover in de eerste plaats zelf informatie moeten verschaffen.

Op basis van de beoordelingscriteria wordt een risicoanalyse gemaakt. In de risicoanalyse en het (mogelijk) daaropvolgende toetsingsbesluit wordt gekeken of er risico’s zijn voor de (a) democratische rechtsorde; (b) de veiligheid of andere belangen van de staat; of (c) de instandhouding van de maatschappelijke stabiliteit. Als uit de risicoanalyse blijkt dat er geen risico’s zijn voor de nationale veiligheid, wordt normaliter binnen acht weken na melding goedkeuring verleend. Indien uit de analyse blijkt dat een activiteit kan leiden tot risico’s voor de nationale veiligheid, is een toetsingsbesluit nodig. Daarvoor kan de beslistermijn worden verlengd met een maximum van zes maanden. Het uiteindelijke besluit van BTI wordt niet openbaar gemaakt.

Blijkt uit het toetsingsbesluit dat er risico’s zijn voor de nationale veiligheid dan is de Minister bevoegd om aan het verkrijgen of houden van zeggenschap of significante invloed eisen te stellen of voorschriften op te leggen.  Zo kan de Minister van EZK aanvullende interne veiligheidsvoorschriften opstellen die in acht genomen moeten worden. De Minister kan ook eisen dat er direct na de verwervingsactie een veiligheidscommissie of beveiligingsfunctionaris wordt benoemd die toegang tot of de overdracht van informatie kan beperken of geheel kan verbieden.

Vooruitzichten

Zowel de Verordening als de Wet vifo bevinden zich nog in het wetgevingsproces. Op dit moment wordt de Verordening betreffende buitenlandse subsidies besproken door de wetgevende instanties van de EU – de Raad van de Europese Unie (de “Raad”) en het Europees Parlement. Gelet op het belang dat Frankrijk hecht aan de inwerkingtreding van de Verordening wordt verwacht dat tijdens het Franse voorzitterschap van de Raad in het voorjaar van 2022 gestemd zal worden over de Verordening. De Wet vifo is bij de Tweede Kamer ingediend. De vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat is belast met het voorbereidend onderzoek voor het wetsvoorstel Wet vifo. Deze commissie heeft vragen gesteld die door het kabinet beantwoord moeten worden. Hierna zal het debat en stemming plaatsvinden.

Hoewel het dus nog even kan duren voordat de voorstellen zijn aangenomen, en de meldingsplichten daadwerkelijk gaan gelden, is het verstandig om alvast bedacht te zijn op de gevolgen die deze nieuwe wetgeving zal gaan hebben voor bepaalde transacties.

Visie

Inval van de ACM: Do’s & Don’ts bij een Dawn Raid

Door Covid-19 heeft de Autoriteit Consument en Markt (“ACM”) lange tijd geen bedrijfsbezoek uitgevoerd maar de verwachting is dat met de huidige versoepelingen de ACM de komende tijd actief zal zijn in het uitvoeren van onaangekondigde bedrijfsbezoeken (ook ‘Dawn Raids’ of ‘inval’ genoemd).

In Nederland kunnen de ACM en de Europese Commissie (“Commissie”) van deze bevoegdheid gebruik maken indien er een concrete aanwijzing bestaat van een concurrentiebeperkende gedraging of afspraak. Een dergelijke aanwijzing kan voortkomen uit (anonieme) tips van bijvoorbeeld concurrenten, ex-werknemers, naar aanleiding van ambtshalve onderzoek of een marktstudie (zie ook onze blog over de marktstudie van de Commissie naar Internet of Things).

Staat de ACM bij uw bedrijf op de stoep? Dan zal het bedrijfsbezoek van de ACM er in grote lijnen als volgt uitzien:

  • Binnenkomst en openingsgesprek
  • Analoog onderzoek
  • Digitaal onderzoek
  • Verhoor en/of administratief gesprek

Deze blog bespreekt per onderdeel wat u kunt verwachten en geeft de grenzen van de onderzoeksbevoegdheden van de ACM overzichtelijk weer.

Binnenkomst en openingsgesprek

Tijdens een Dawn Raid zijn ambtenaren van de ACM op grond van artikel 5:15 Algemene wet bestuursrecht (“Awb”) bevoegd om, al dan niet onder begeleiding van de politie, onaangekondigd een bedrijf of voertuig te betreden. Ook kunnen zij op grond van artikel 50 Mededingingswet (“Mw”) privéwoningen betreden. Let wel, voor het betreden van een privéwoning hebben zij vooraf een machtiging nodig van de rechter-commissaris.

De ACM zal bij binnenkomst vragen naar een specifiek persoon of functie. Met deze persoon voeren zij het openingsgesprek. De ACM zal doorgaans ook vragen om een IT-er te laten aansluiten bij het openingsgesprek om de IT-infrastructuur in kaart te brengen.

Tijdens het openingsgesprek zal de ACM zich op grond van artikel 5:12 Awb (moeten) legitimeren en de onderzoeksopdracht overhandigen waarin het doel en het voorwerp van het onderzoek staat omschreven. De ACM wijst de onderneming op haar recht op juridische bijstand en zal vaak bereid zijn om maximaal een half uur te wachten op de komst van een externe advocaat.

De ACM geeft aan het begin van een bedrijfsbezoek duidelijk aan dat medewerkers mee moeten werken aan het onderzoek op grond van artikel 5:20 Awb en dat ze geen bewijsmateriaal mogen vernietigen. De medewerkingsplicht brengt mee dat medewerkers toegang moeten verstrekken als dit gevorderd wordt en de ACM niet mogen hinderen. Voor niet-medewerking kan op grond van artikel 12m Instellingswet ACM een boete worden opgelegd van EUR 900.000 (ook voor natuurlijke personen) of 1% van de concernomzet. Het verdient aanbeveling om bij verschil van mening over de reikwijdte van de medewerkingsplicht mee te werken onder protest en een aantekening te laten maken in het verslag. Hierdoor wordt een eventuele boete vermeden maar behoudt de onderneming de mogelijkheid tot rechterlijke toetsing (bijv. via een kortgeding of in een beroepsprocedure tegen een eventueel sanctiebesluit).

Relevantie onderzoeksopdracht

De onderzoeksopdracht bepaalt de grenzen van de onderzoeksbevoegdheden van de ACM. De ACM mag tijdens het digitale of analoge onderzoek geen bestanden die buiten de reikwijdte van het onderzoek vallen of privébestanden bekijken of kopiëren. De ACM mag op grond van artikel 5:17 Awb toegang vorderen tot alle bestanden die binnen de reikwijdte van het onderzoek vallen. Denk daarbij onder meer aan (e-mail) correspondentie, WhatsApp berichten, agenda’s, memo’s, notulen van besprekingen, fotomateriaal, onkostendeclaraties, en reistickets. Contact met advocaten – zogenaamde geprivilegieerde communicatie – is uitgesloten en mag niet worden bekeken of gekopieerd.

De ACM is verplicht om het doel en voorwerp van het onderzoek te verstrekken bij het bedrijfsbezoek. Op grond van de Nexans uitspraak van juni 2014 van het Hof van Justitie van de Europese Unie (“HvJ EU”) hoeft de doelomschrijving echter niet, en zeker niet in de beginfase, een nauwkeurige afbakening van de betrokken markt te bevatten, een nauwkeurige juridische kwalificatie en tijdvak te vermelden. Uit een uitspraak van de Voorzieningenrechter van oktober 2019 van de Rechtbank Den Haag blijkt ook dat de ACM een zekere mate van ruimte heeft in het formuleren van de doelomschrijving. Van belang is vooral dat de onderneming aan de hand van de doelomschrijving de reikwijdte van haar medewerkingsplicht kan vaststellen en haar rechten van verdediging kan bepalen.

De vraag of iets binnen of buiten de reikwijdte van de onderzoeksopdracht valt leidt vaak tot flinke discussies tussen de (advocaten van) het bedrijf en de ACM, zo ook in een recent geschil bij de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag van juni 2021. Een aantal bedrijven spanden een kort geding aan omdat de ACM naar aanleiding van tijdens de bedrijfsbezoeken aangetroffen informatie haar onderzoeksopdracht fors heeft uitgebreid. Initieel zag de opdracht op de inkoop. Tijdens de Dawn Raid kopieerden de ambtenaren echter ook bestanden die afkomstig waren van andere afdelingen. Toen de ambtenaren ten kantore van de ACM deze bestanden vluchtig inzagen kwamen zij tot de conclusie dat niet alleen de inkoop maar ook de verkoopafdeling, de mededingingsregels mogelijk had overtreden. De ACM breidde op basis van deze informatie haar onderzoeksopdracht uit.

De vraag die vervolgens centraal stond was of de ACM deze wel informatie mocht gebruiken om haar opdracht uit te breiden. De Voorzieningenrechter oordeelde dat op grond van de Deutsche Bahn uitspraak van juni 2015 van het HvJ EU dat de informatie die vluchtig wordt ingezien ter verificatie of iets binnen het onderzoeksdoel valt en waarvan de ACM toevallig kennis heeft genomen mag worden gebruikt om het onderzoek uit te breiden. Dit was volgens de rechter ook in de betreffende zaak het geval.

Analoog onderzoek

De ambtenaren kunnen en mogen toegang vorderen tot fysieke bestanden die in afgesloten kamers, kasten of lades liggen. Medewerkers moeten in principe toegang verlenen tot fysieke bestanden zolang de ACM handelt binnen de grenzen van de onderzoeksopdracht.

De grens van de bevoegdheid om analoog onderzoek te doen kwam aan de orde in een uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) in de zogenaamde ‘Autoriteit Financiële Markten (AFM) prullenbakkenzaak’ van oktober 2017. Ambtenaren van de AFM, die net als de ACM Dawn Raids mogen uitvoeren, hadden (tijdens een Dawn Raid) zelfstandig en willekeurig dossiers uit kasten gepakt, lades geopend en prullenbakken en papierbakken doorzocht. Volgens het CBb was dit handelen onrechtmatig.

Het handelen van de ambtenaren van de AFM wordt gekwalificeerd als ‘doorzoeken’. Dit mogen de ambtenaren van de AFM en ACM niet, zij mogen alleen ‘zoekend rondkijken’ en toegang vorderen tot documenten. Als na het vorderen van toegang een discussie ontstaat over de relevantie van bepaalde bestanden mogen de ambtenaren deze ter verificatie slechts vluchtig inzien. In de jurisprudentie over dit onderwerp wordt overigens zelden aangenomen dat ambtenaren zich hebben schuldig gemaakt aan ‘doorzoeken’. Daarnaast maakte het oordeel van onrechtmatigheid van het CBb in de prullenbakkenzaak ook praktisch weinig uit; de boete van de AFM bleef overeind omdat er voldoende rechtmatig bewijs voor was gevonden.

Digitaal onderzoek

In de hedendaagse praktijk zal veel van het onderzoek plaatsvinden op grond van digitale bestanden. De ACM is bevoegd om digitale bestanden van mobiele telefoons, laptops, PC’s en andere gegevensdragers te kopiëren. Om het digitale onderzoek in goede banen te leiden heeft de ACM in 2014 de Digitale Werkwijze gepubliceerd. Hier in staat beschreven hoe de ACM te werk gaat bij het verzamelen en verwerken van digitale gegevens die worden meegenomen tijdens een Dawn Raid. De ACM wijkt in haar Werkwijze af van de praktijk van de Commissie.

Mobiele telefoons

De ACM mag op grond van artikel 5:17 Awb mobiele telefoons inzien indien zij voldoende aanwijzingen heeft dat de mobiele telefoon zakelijk wordt gebruikt. De inzage van mobiele telefoons zal vaak op locatie plaatsvinden in het bijzijn van de werknemer die de telefoon gebruikt. De ACM dient kort te kunnen vaststellen of bijv. WhatsApp berichten een zakelijk karakter hebben. De ACM dient op basis van het proportionaliteitsvereiste inzage te staken indien de chat (gedeeltelijk) privé is. Een meningsverschil zal worden voorgelegd aan de verschoningsfunctionaris van de ACM. De grens van de bevoegdheid van de ACM ten aanzien van het veilig stellen en onderzoeken van mobiele gegevens leidt regelmatig tot een juridisch geschil.

In een geanonimiseerde uitspraak in een kort geding van november 2017 voerde een onderneming aan dat de ACM mobiele gegevens niet mag inzien, omdat hier ook privégegevens van de werknemer tussen zitten. De rechter oordeelde echter dat op de telefoon veel gegevens stonden en de ACM daarom niet ter plekke de zakelijke en privégegevens kon scheiden. De ACM mocht daarom eventuele privégegevens kopiëren. Wel moet de ACM voldoende waarborgen om te voorkomen dat zij geen inzage krijgt in niet-zakelijke gegevens en/of gegevens die buiten de reikwijdte van het onderzoek vallen. Volgens de rechter biedt de Digitale Werkwijze hiervoor voldoende waarborgen.

Het wissen van gegevens uit mobiele telefoons nadat de ACM de onderneming heeft gewezen op haar medewerkingsplicht kan leiden tot forse boetes. Recent heeft de ACM een boete opgelegd van EUR 1,84 miljoen euro voor het verwijderen van WhatApp chats tijdens een Dawn Raid.

Andere digitale bestanden

De ACM en de Commissie zullen tijdens een Dawn Raid veel digitale bestanden meenemen voor nader onderzoek. Dit gaat vaak om miljoenen individuele bestanden zoals e-mail, notulen, contracten die de ACM kan meenemen door integrale kopieën te maken van (meerdere) volledige computers. De bestanden die de ACM en of de Commissie meenemen noemen zij de ‘Veiliggestelde dataset’.

Vervolgens zal de ACM zoektermen gebruiken om documenten uit de Veiliggestelde dataset te filteren en te komen een ‘binnen-de-reikwijdte’ dataset en worden de geprivilegieerde en niet-zakelijke gegevens hieruit verwijderd. Uit een geanonimiseerd arrest van maart 2019 van het Hof Den Haag blijkt dat de ACM een zekere mate van beoordelingsruimte heeft om ‘algemene’ zoektermen te hanteren. Op grond van artikel 1 van de Digitale Werkwijze zijn gegevens binnen de reikwijdte als het naar de aard en/of inhoud redelijkerwijs binnen het doel en voorwerp van het onderzoek kan vallen. De zoekvragen moeten dus voldoende gericht zijn om te kunnen stellen dat de hits redelijkerwijs binnen het doel en voorwerp van het onderzoek vallen.

Daarna zal een speciaal daartoe aangewezen ambtenaar de dataset filteren op geprivilegieerde bestanden en privécommunicatie om zo de ‘Onderzoeksdataset’ creëren. De onderzoekende ambtenaren van de ACM gebruiken deze dataset vervolgens om een dossier tegen het bedrijf in kwestie op te bouwen. Ten aanzien van de onderzoeksdataset heeft de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Rotterdam in een uitspraak van september 2020 bepaald dat een bedrijf recht heeft op inzage in de onderzoeksdataset die de ACM heeft samengesteld en die de ACM ter beschikking heeft gestaan tijdens het onderzoek. De ACM kan deze toegang verlenen door een dataroom (op verzoek van het bedrijf) open te stellen te kantore van de ACM.

Verhoor of administratief gesprek – zwijgrecht

Ambtenaren zijn op grond van artikel 5:16 Awb ook bevoegd om in het kader van het onderzoek inlichtingen in te winnen bij medewerkers. Medewerkers zijn op grond van de medewerkingsplicht gehouden om antwoord te geven op vragen tenzij zij zelf persoonlijk worden verdacht van het overtreden van de mededingingsregels. De verhorende ambtenaar dient voor aanvang van de bevraging de verdachte medewerker te wijzen op zijn/haar zwijgrecht (de “cautie”) op grond van artikel 5:10 Awb. De medewerker is daardoor niet verplicht om antwoord te geven op vragen waarmee hij/zij zichzelf of de onderneming zou (kunnen) beschuldigen.

Verzegelen

Dawn Raids duren vaak langer dan één dag. Om te voorkomen dat er in de tussenliggende nacht(en) wordt geknoeid met bewijs zijn ambtenaren van de ACM bevoegd om een ruimte of kast te verzegelen. Ook bij een discussie over de relevantie of de geprivilegieerde status van bepaald materiaal kan het verzegelen een uitkomst bieden. Zo kan de discussie later, in het bijzijn van een advocaat, in alle rust worden gevoerd.

Het risico van het doorbreken van een zegel rust vrijwel volledig op de onderneming in kwestie. De ACM kan een zeer hoge boete opleggen als een zegel wordt doorbroken vrijwel ongeacht of de onderneming daar wat aan kan doen. De uitzondering die de regel bevestigt in dit kader is de Landelijke huisartsenvereniging-zaak. In deze zaak kwam de landelijke huisartsenvereniging (LVH) onder een zegelbreukboete van € 51.000 uit. Omdat LHV haar kantoor deelde met meerdere bedrijven en de bewaker die de zegel per ongeluk had verbroken niet in dienst was bij de LHV vernietigde het CBb haar boete.

Na de Dawn Raid

Tegen het einde van de Dawn Raid maakt de ACM en/of de Commissie een inventarislijst met alle (digitale)documenten die zij meenemen of hebben gekopieerd. Ondernemingen kunnen het beste zelf ook een document opstellen waarin wordt bijgehouden hoe het bedrijfsbezoek is verlopen.

Checklist in geval van Dawnraid

  • Stel binnen uw bedrijf een Dawn Raid specialist aan, en zorg dat die op voorhand de contactgegevens van een vertrouwde mededingingsrecht advocaat heeft
  • Lees ook onze voorbereidingen op een ACM inval met onder meer een handleiding voor:
    • Instructies inval ACM Receptie
    • Instructies inval ACM medewerkers, en
    • Juridisch kader inval ACM
  • Maak een ‘legal privilege’ map waar alle (e-mail) correspondentie met advocaten in wordt opgeslagen
  • In het geval van een inval stuur de ACM naar een lege kamer
  • Maak formeel bezwaar tegen het bedrijfsbezoek, zonder daarbij een inbreuk te maken op uw medewerkingsplicht en vraag om een bewijs van uw bezwaar
  • Maak bij het analoog onderzoek ook een kopie van alle documenten die de ACM kopieert
  • Noteer altijd of en zo ja wanneer en aan wie er cautie is gegeven
  • Maak een foto van een eventuele zegel
  • Huur een bewaker in om zegel te bewaken
  • Vraag bij vertrek van de ACM om een kopie van de inventarislijst

Staat de ACM bij uw bedrijf op de stoep? Wilt u graag meer informatie over de do’s en don’ts tijdens een Dawn Raid? Of bent u geïnteresseerd in een compliance training waarbij medewerkers ook voorbereid worden op een Dawn Raid? Het Dawn Raid team van Bureau Brandeis heeft veel ervaring met invallen van de ACM. Neem gerust contact op met Bas Braeken, Jade Versteeg, Lara Elzas, Timo Hieselaar, Demi van den Berg en/of Berend Verweij

 

Visie

Open toegang, 5G, zero-rating, roaming en de Telecomcode: telecomsector blijft sterk gereguleerd

Op 21 december 2020 werd het eerste deel van het Europees wetboek voor elektronische communicatie (“Telecomcode”) geïmplementeerd in de Nederlandse Telecommunicatiewet. Met deze richtlijn werd het Europese regelgevingskader voor de telecomsector gemoderniseerd en in lijn gebracht met de strategie voor een digitale eengemaakte markt van de Europese Commissie (“Commissie”). Zo vallen anno 2020 ook communicatiediensten die via het internet geleverd worden (zogenaamde ‘Over-The-Top’ (“OTT”) diensten) zoals Skype, WhatsApp en Facebook Messenger binnen de reikwijdte van de telecomregulering. De Telecomcode stelt een reeks bijgewerkte regels vast voor elektronische communicatienetwerken en –diensten om de mededinging te bevorderen en de connectiviteit van alle burgers en bedrijven te vergroten. Deze blog bespreekt de (nieuwe) economische regulering en andere mededingingsrechtelijke ontwikkelingen op telecomgebied.

Toegangsregulering telecomnetwerken

Een van de belangrijkste wijzigingen die de Telecomcode meebrengt is de verruiming van bevoegdheden van nationaal regelgevende instanties (“NRI’s”) om toegangsverplichtingen op te leggen aan netwerkaanbieders. Voorheen was de oplegging van dergelijke verplichtingen afhankelijk van een marktanalyse en de vaststelling van (gezamenlijke) aanmerkelijke marktmacht (“AMM”). Zo heeft de Autoriteit Consument en Markt (“ACM”) op 27 september 2018 het marktanalysebesluit Wholesale Fixed Access (“WFA”) vastgesteld. De ACM stelde vast dat KPN en VodafoneZiggo zonder regulering gezamenlijke AMM hebben op de markt voor vaste netwerken. Vanwege dit duopolie moesten zij alternatieve aanbieders zonder eigen netwerk toegang verlenen tot hun netwerken. Op 17 maart 2020 oordeelde het College van Beroep voor het bedrijfsleven (“CBb”) echter dat de ACM het bestaan van gezamenlijke AMM niet voldoende had gemotiveerd en vernietigde het besluit. De ACM laat weten dat VodafoneZiggo haar toegangsaanbod na de uitspraak heeft ingetrokken. KPN is wel toegang blijven bieden tot haar netwerk, maar heeft verschillende toegangsvoorwaarden aangepast.

Nieuwe bevoegdheden ACM

De Telecomcode continueert en specificeert de bestaande bevoegdheden, maar creëert ook extra bevoegdheden. De gewijzigde Telecommunicatiewet biedt de ACM ten eerste de mogelijkheid ambtshalve verplichtingen op te leggen ten aanzien van de door de netwerkaanbieders gehanteerde toegangsvoorwaarden en -prijzen, bijvoorbeeld inzake transparantie en non-discriminatie.

Daarnaast kan de ACM op redelijk verzoek verplichtingen opleggen aan netwerkaanbieders om toegang te verlenen tot hun netwerken. Artikel 6.3 Telecommunicatiewet bepaalt dat toegang kan worden gelast tot kabels of bijbehorende faciliteiten binnen gebouwen, of, indien het dichtst bij het netwerkaansluitpunt gelegen punt van samenkomst buiten het gebouw ligt, de kabels of bijbehorende faciliteiten tot dat punt. De toegang moet het mogelijk maken voor efficiënte aanbieders op economisch haalbare wijze hun diensten aan te bieden. Indien deze passieve toegang onvoldoende blijkt voor het waarborgen van de belangen van eindgebruikers kunnen ook actieve of virtuele toegangsmogelijkheden worden opgelegd. Het begrip toegang wordt derhalve ruim geïnterpreteerd en kan verschillende vormen omvatten. Te denken valt aan het bieden van een ruimte voor het plaatsen van apparatuur, het leveren van stroom voor en koeling van de apparatuur, maar ook het doorverkopen van bepaalde diensten zoals het gebruik van ongecodeerde zenders of een tv-platform.

Regulering in geval van replicatiebelemmeringen: oude wijn in nieuwe zakken

Bij de implementatie van de Telecomcode overwoog de Nederlandse wetgever dat een verzoek noodzakelijk moet zijn om te kwalificeren als redelijk. De netwerkelementen moeten daadwerkelijk nodig te zijn om zelf de diensten aan te kunnen bieden. Artikel 6.1 van de Telecommunicatiewet bevat daarbij ook een verplichting voor aanbieders om eerst zonder overheidsingrijpen tot een onderhandelde oplossing te komen. De ACM zal dus ook rekening moeten houden met het bestaan van reeds vrijwillig aangeboden toegang en de daarbij gestelde voorwaarden.

Daarnaast vereist het nieuwe artikel 6.3 Telecommunicatiewet dat het aanleggen van een nieuw netwerk naast het bestaande netwerk (replicatie) in economisch opzicht inefficiënt of fysiek onuitvoerbaar zou zijn. De Telecomcode wijst NRI’s en het Orgaan van Europese regelgevende instanties voor elektronische communicatie (“BEREC”) aan om verdere invulling te geven aan dit criterium. In zijn richtsnoeren beschouwt BEREC replicatiebelemmeringen als risico-creërende obstakels die efficiënte netwerkaanbieders ervan weerhouden (een deel van) een netwerk te repliceren, en waarvan het onwaarschijnlijk is dat deze op de korte termijn verdwijnen of significant afnemen. Zulke obstakels kunnen volgens BEREC met name bestaan uit:

  • significante (mogelijk verzonken) kosten voor het aanleggen van civiele werken, gepaard met een lage kans op uiteindelijke kostendekking;
  • technische, juridische of administratieve voorwaarden en restricties; en
  • geen fysieke toegang hebben tot de grond of tot gebouwen.

Aangezien KPN en VodafoneZiggo de enige twee beheerders zijn van een vast netwerk met landelijke dekking is het denkbaar dat de replicatiebelemmeringen aanzienlijk kunnen zijn. De aanleg van een aansluitnetwerk is erg kostbaar en replicatie kan dus moeilijk en economisch inefficiënt zijn. Eventuele regulering van aanbieders zoals KPN en VodafoneZiggo via deze nieuwe mogelijkheden is dus zeker denkbaar.

Lopend onderzoek ACM

Een verzoek tot toegang blijkt eerder dit jaar al te zijn gedaan door T-Mobile. De ACM heeft daaropvolgend onderzoek verricht naar de prijs-kwaliteitverhoudingen voor internet, televisie, vaste telefonie en dataverbindingen. Op basis van deze onderzoeken erkent de ACM dat de toegangsvoorwaarden van KPN een concurrentierisico vormen voor haar concurrenten. De ACM heeft daarom bekendgemaakt een nieuw marktanalysebesluit op te gaan stellen om te beoordelen of de vaste netwerken moeten worden gereguleerd en zo ja, op welke manier. De publicatie van het ontwerpbesluit staat op de planning voor najaar 2021, waarna telecomaanbieders hun zienswijzen kunnen inbrengen. ACM nodigt (telecom)bedrijven met vergelijkbare wensen uit zich te melden.

Ook door de uitrol van nieuwe glasvezelnetwerken te stimuleren beoogt ACM nieuwe en/of kleine aanbieders zoals Fiber, Tele2 en XS4all te laten concurreren. In haar marktstudie van mei 2021 benadrukt de ACM dat open toegang tot nieuw aan te leggen glasvezelnetwerken van groot belang is. Ze geeft aan de markt voor de uitrol van glasvezel te blijven volgen en in te grijpen bij mededingingsbeperkend gedrag.

Verlagen overstapdrempels bij bundels

De Telecomcode beoogt daarnaast de concurrentie tussen aanbieders te bevorderen door het verlagen van overstapdrempels. Aangezien consumenten steeds vaker een bundel van internet, telefonie en televisie (alles-in-één pakket) afnemen, worden de drempels om over te stappen naar een andere aanbieder groter. Bij bundels is het namelijk vaak niet mogelijk om voor één dienst over te stappen. NRI’s worden in artikel 106 van de Telecomcode verplicht de efficiëntie en eenvoud van het overstapproces voor internetdiensten voor de eindgebruiker te waarborgen. Zo is in artikel 7.2c van de Telecommunicatiewet opgenomen dat de overdragende en ontvangende aanbieders samen zorg moeten dragen voor de continuïteit van de internetdienst, bijvoorbeeld door de consument aan te bieden het contract met de oude aanbieder op te zeggen. Deze regels zouden het voor kleine en/of nieuwe aanbieders relatief makkelijker moeten maken te concurreren met de vaste/mobiele bundels van KPN en VodafoneZiggo.

Eindapparatuur; meer keuzevrijheid

Ook door keuzevrijheid in eindapparatuur beoogt de ACM overstapdrempels voor consumenten te verlagen. De Telecomcode spreekt summier over het bundelen van diensten en eindapparatuur. Regels omtrent eindapparatuur zoals telefoontoestellen, satellieten en modems, werden al eerder uitgewerkt in Richtlijn 2008/63/EG en zijn sinds 2016 geïmplementeerd in Nederlandse wetgeving. Deze regelgeving heeft tot doel de mededinging op de markten van eindapparaten te bevorderen. In dat kader heeft de ACM op 27 juli 2021 de Beleidsregel Handhaving Besluit Eindapparaten gepubliceerd, waarin zij duidelijkheid verschaft over welk deel van het netwerk eigendom is van de telecomaanbieder en welk deel vrije keuze is van de consument. Dit zorgt er in de praktijk voor dat consumenten en bedrijven voortaan hun eigen modem en/of router kunnen kiezen. Door vrije modemkeuze aan te bieden verwacht de ACM de concurrentie tussen aanbieders en fabrikanten van eindapparaten te stimuleren. Hierin volgt zij het oordeel van de Geschillencommissie Telecommunicatiediensten, die al eerder bepaalde dat klanten hun eigen modem of router moeten kunnen gebruiken. VodafoneZiggo heeft zich verzet tegen dit oordeel van de Geschillencommissie en heeft de zaak inmiddels aanhangig gemaakt bij de rechtbank.

Netneutraliteit; nuancering toelaatbaarheid nultarief

Een ander hot topic rondom telecomregulering is netneutraliteit. Sinds 2016 is de Europese Netneutraliteitsverordening van kracht. De verordening waarborgt dat internetaanbieders vrij en open toegang bieden tot het internet. Zo mogen internetaanbieders niet discrimineren in het internetverkeer en mogen zij de toegang tot internetdiensten niet blokkeren of onnodig beperken. Naar aanleiding van een openbare raadpleging publiceerde BEREC vorig jaar haar nieuwe richtsnoeren voor de toepassing van de Netneutraliteitsverordening. Hierin besteedt zij veel aandacht aan het hanteren van zogenaamde nultarieven (‘zero-rating’) voor bepaalde diensten, hetgeen mogelijk in strijd is met het in de verordening neergelegde discriminatieverbod. In dat kader bepaalde rechtbank Rotterdam in 2019 dat de dienst Datavrije muziek van T-Mobile, dat bepaalde muziekstreamingsdiensten uitsloot van het datagebruik, niet in strijd was met de Europese netneutraliteitsregels.

Het Hof van Justitie lijkt daar in recente uitspraken echter anders over te denken. In september 2020 deed het Hof een interessante uitspraak met betrekking tot netneutraliteit en nultarieven. Bij het aanbieden van databundelpakketten hanteerde de Hongaarse aanbieder Telenor een nultarief voor het gebruik van Facebook, Facebook Messenger, WhatsApp, Instagram, Viber en Twitter, zodat klanten deze diensten ook na het verbruiken van het datavolume onbeperkt konden blijven gebruiken. Andere toepassingen en diensten werden na het volledige dataverbruik geblokkeerd of vertraagd. Het Hof oordeelde dat dergelijke databundelpakketten met een selectief nultarief in strijd kunnen zijn met de netneutraliteitsregels indien daar commerciële overwegingen aan ten grondslag liggen.

Op 2 september 2021 leek het Hof nog een stapje verder te gaan. In drie vergelijkbare uitspraken bepaalde het Hof dat zero-rating tariefopties voor bepaalde partnerdiensten, zoals die van ‘Vodafone Pass’ en de dienst ‘Stream On’ van Deutsche Telekom, wel degelijk gebaseerd zijn op commerciële overwegingen. Omdat het verkeer naar toepassingen van bepaalde partnerondernemingen niet wordt aangerekend op het basistarief handelen de aanbieders in strijd met het in artikel 3 van de verordening neergelegde discriminatieverbod, aldus het Hof. Het selectief aanbieden van gratis internetdiensten is dus zeker niet altijd verenigbaar met de Netneutraliteitsverordening.

Vaste en mobiele telefonie; 5G, roaming en tariefregulering

Ook op het gebied van de kwaliteit en (tarief)regulering van mobiele netwerken zijn de ACM en de Commissie actief geweest het afgelopen jaar.

  • Eerder dit jaar heeft de ACM besloten dat telecomaanbieders mogen gaan samenwerken voor de snelle uitrol van mobiele netwerken. Om de capaciteit, kwaliteit en dekking van mobiele netwerken te vergroten en de uitrol van 5G te versnellen mogen telecomaanbieders samenwerken bij het delen van infrastructuur. In de Leidraad delen mobiele netwerken bepaalt de ACM dat telecomaanbieders via (nationale) roaming gebruik mogen maken van het netwerk van een andere aanbieder. Met een bovengrens van 40% voor de maximale hoeveelheid frequenties die één aanbieder kan gebruiken is de ACM van oordeel dat de concurrentie tussen aanbieders niet in gevaar komt.
  • In februari 2021 heeft de Commissie een nieuwe roamingverordening voorgesteld. Dankzij de huidige Roamingverordening, die in 2022 afloopt, zijn de roamingtarieven binnen de EU afgeschaft. In dat kader oordeelde het Hof van Justitie vorig jaar dat alle roamingaanbieders vanaf dat moment het gereguleerde roamingtarief automatisch moeten toepassen, ook met betrekking tot klanten die voordien een ander roamingtarief hadden gekozen. Het nieuwe voorstel beoogt de kwaliteit en snelheid van mobiele netwerken te verhogen door een versterking van de ‘roam like at home’-ervaring. Consumenten zullen bijvoorbeeld beter worden ingelicht over mogelijke extra kosten van het bellen naar nummers die toegang geven tot diensten. Ook worden de plafonds voor wholesaletarieven verlaagd zodat exploitanten kostendekkend kunnen opereren.
  •  Op 1 juli 2021 is daarnaast de Gedelegeerde Europese Verordening inzake vaste en mobiele gespreksafgifte in werking getreden. Daarbij stelt de Commissie één uniform maximumtarief vast dat aanbieders elkaar in rekening kunnen brengen om een verbinding tot stand te brengen. De nieuwe verordening hanteert een maximumtarief van 0,2 eurocent per minuut voor mobiele gesprekken en 0,07 eurocent per minuut voor vaste gesprekken in de gehele Unie. De verordening voorziet in een aanloopperiode om geleidelijke aanpassing mogelijk te maken. Voor vaste aanbieders zal het maximumtarief van 0,07 eurocent per minuut al vanaf 2022 gelden.

Conclusie

Al zeker meer dan een decennium wordt gerept over het einde van (ex ante) regulering in de telecomsector. De hierboven besproken selectie van recente ontwikkelingen maakt echter duidelijk dat de telecomsector tot op de dag van vandaag één van de meeste gereguleerde sectoren blijft. Wel is duidelijk een verschuiving zichtbaar. Naast een toenemende rol van het mededingingsrecht bij de uitrol van glasvezel en 5G-netwerken, krijgen regels ter bescherming van consumenten (roaming, netneutraliteit) steeds meer de overhand. De toegangsregels uit de Telecomcode vormen hierop een opvallende en belangrijke uitzondering. De mogelijkheid om via een geschilbeslechtingsprocedure (en dus niet op basis van een marktanalysebesluit) toegang te krijgen tot een netwerk zal bij menig telecomadvocaat oude herinneringen oproepen aan de vele tientallen interconnectiegeschillen die destijds werden beslecht. Zo’n vaart zal het waarschijnlijk niet lopen, al was het maar omdat de markt in de afgelopen twintig jaar aanzienlijk is geconsolideerd.

Bas Braeken   Jade Versteeg   Demi van den Berg

Visie

Internet of Things: risico’s voor eerlijke mededinging liggen op de loer

Internet of Things (hierna: “IoT” of “slimme apparaten”) brengt een wereldwijde revolutie teweeg in uiteenlopende sectoren. IoT apparaten kenmerken zich doordat zij verbonden zijn met een netwerk en op afstand kunnen worden bediend onder meer via spraakassistentie en/of mobiele apparaten en gegevens kunnen uitwisselen. De voorbeelden van slimme apparaten zijn haast oneindig: zelf rijdende auto’s; een smartwatch die inzicht geeft in je sportieve prestaties en tips geeft om de prestaties te verbeteren; een patiënt die eerder het ziekenhuis mag verlaten omdat hij vanaf een afstand gemonitord wordt en rechtstreeks met het ziekenhuis kan communiceren; de slimme meter voor elektriciteit, water en gas; autonome landbouwmachines die het land bewerken en de boer informeert over de oogst. Het is duidelijk dat IoT bijna niet meer is weg te denken uit ons dagelijks leven.

Nu IoT steeds meer deel uit maakt van ons dagelijks leven is het onderwerp ook hoog op de agenda van de Europese Commissie (“Commissie”) gezet. Eén van de speerpunten van de Commissie op het gebied van IoT is het creëren van een interne markt voor IoT. Om dit te kunnen bewerkstelligen startte de Commissie in 2020 onder meer een marktstudie naar de concurrentie in de consumenten-IoT sector.

Op 9 juni jl. heeft de Commissie een voorlopig rapport (“het rapport”) gepubliceerd. In het rapport worden de eerste bevindingen besproken over de concurrentieparameters, de belangrijkste ontwikkelingen en de gesignaleerde mededingingsrisico’s in de IoT sector. De bevindingen van de Commissie zijn relevant voor kleinere marktpartijen die IoT producten (willen) aanbieden en zullen in deze blog worden besproken.

Aanleiding tot het starten van een marktstudie en de omvang

De verwachting is dat de wereldwijde IoT omzet van consumenten zal stijgen van 107 miljard euro in 2019 tot ongeveer 408 miljard euro in 2030. De markt is duidelijk nog in ontwikkeling maar toch zijn er reeds indicaties dat sprake is van toetredingsdrempels en dat sommige ondernemingen mogelijk de concurrentie beperken. De marktstudie brengt deze problemen in kaart. Daarnaast past de keuze voor de marktstudie goed binnen de 2019-2024 strategie van de Commissie onder de noemer “Een Europa dat klaar is voor het digitale tijdperk”.

De voorlopige bevindingen van het marktonderzoek zijn gebaseerd op de informatie van meer dan 200 verschillende belanghebbenden uit Europa, China en de Verenigde Staten die actief zijn in de IoT-consumentensector, waaronder fabrikanten van slimme apparaten, aanbieders van spraakassistentes en IoT-diensten voor consumenten en brancheorganisaties. Verder hebben deze ondernemingen meer dan 1000 overeenkomsten met de Commissie gedeeld.

IoT voor industriële producten en connected cars vallen buiten de reikwijdte van het marktonderzoek. Eén van de specifieke kenmerken van IoT voor consumenten is dat de data die door de slimme apparaten wordt verzameld doorgaans ook persoonsgegevens bevat.

Toetredingsdrempels

Volgens de respondenten zijn de belangrijkste toetredingsdrempels in de markt:

  • Investering in technologie. Volgens de respondenten zijn de kosten voor investeringen in technologie hoog en in het bijzonder op de markt voor spraakassistenten.
  • Huidige concurrentiesituatie. Ten aanzien van de concurrentiesituatie wordt opgemerkt dat het moeilijk is te concurreren met verticaal geïntegreerde ondernemingen die hun eigen ecosystemen hebben opgebouwd binnen en buiten de sector van consumenten-IoT (bijv. Google, Amazon of Apple). Tevens wordt het niet aannemelijk geacht dat er op korte termijn nieuwe toetreders komen op het gebied van spraakassistenten, de kosten voor de ontwikkeling van spraakassistenten zijn namelijk hoog.
  • Interoperabiliteit. De verschillende IoT apparaten hebben vaak pas nut als de verzamelde data gecombineerd kan worden met andere data. Hiervoor is interoperabiliteit van data nodig. De belangrijkste aanbieders van spraakassistenten en mobiele apparatuur zijn doorgaans ook de partijen beschikken over eigen technologie die de interoperabiliteit tussen de verschillende IoT producten mogelijk maken. Aanbieders van IoT producten zijn daarom vaak afhankelijk van deze partijen voor de interoperabiliteit. Respondenten geven aan dat de verschillende integratie eisen bij technologieplatforms tot extra complexiteit voor IoT aanbieders leidt bij de integratie van hun producten.
  • Toegang tot data. Aanbieders van IoT-producten en -diensten verzamelen veel data. Zo verzameld een smartwatch bijvoorbeeld informatie over de gezondheid, locaties en bewegingspatroon van de consument. Met de verzamelde data kan de kunnen aanbieders van IoT apparaten inspelen op de behoeften van hun consumenten en het product verder ontwikkelen. Respondenten merken op dat zij belemmeringen ondervinden bij de toegang tot data. Dit wordt onder meer veroorzaakt door verschillen in formats waarin gegevens worden verzameld en vanwege beperkingen van de portabiliteit van data.

Opvallend is verder dat de prijs van de producten als minder belangrijke concurrentieparameter werd aangemerkt, al wordt de prijs nog steeds relevant geacht.

Gesignaleerde mededingingsrisico’s

Besturing op afstand is essentieel voor slimme apparaten. Om besturing op afstand te bewerkstelligen maken fabrikanten van slimme apparaten vaak gebruik van spraakassistentie en/of een mobielapparaat. De belangrijkste spraakassistenten in de EU zijn Alexa van Amazon, Google Assistant en Siri van Apple. Voor mobiele apparaten zijn Google’s Android en Apple’s iOS de meest vooraanstaande besturingssystemen. Uit het marktonderzoek komt naar voren dat IoT aanbieders doorgaans afhankelijk zijn van aanbieders van spraakassistenten en (de besturingssystemen) van mobiele apparaten en dat het aanbod beperkt is. Dit levert de volgende mededingingsrisico’s op:

  • Exclusiviteit en koppelverkoop bij spraakassistenten. Uit het marktonderzoek komt naar voren dat de belangrijkste aanbieders van spraakassistenten pogingen doen om exclusiviteit van spraakassistenten op bepaalde IoT apparaten te bewerkstelligen. Ook worden praktijken gemeld waarbij de mogelijkheid wordt beperkt om verschillende spraakassistenten op hetzelfde slimme apparaat te gebruiken. Fabrikanten van slimme apparaten maken zich daarnaast zorgen over het feit dat aanbieders van spraakassistenten verschillende soorten software en technologie, waaronder spraakassistenten, gebundeld aanbieden.
  • Pre-installatie, standaardinstellingen en prominentie. De respondenten geven aan dat de vooraanstaande aanbieders van spraakassistenten en/of mobiele apparaten hun eigen diensten of de diensten van grote internationale spelers voorinstalleren, als standaard instellen of anderszins een prominente plaats geven op het slimme apparaat. Dit kan een concurrentievoordeel opleveren voor de aanbieder van een dienst die voorgeïnstalleerd is ten nadele van vaak kleinere en/of lokale spelers.
  • Spraakassistenten staan centraal bij het verzamelen van gegevens in de IoT-consumentensector. Dit stelt de vooraanstaande aanbieders van spraakassistenten in staat om grote hoeveelheden gegevens te verzamelen, waardoor ze niet alleen gegevensstromen en gebruikersrelaties kunnen beheren, maar ook een hefboomeffect kunnen creëren op aangrenzende markten. Met de toegang tot grote hoeveelheden data kunnen de toonaangevende leveranciers voor spraakassistentie hun technologie verbeteren via algoritmische training en machine learning. Dit leidt tot verbetering van de kwaliteit van spraakassistentie. Het niet hebben van deze grootschalige toegang tot gegevens kan drempels opwerpen voor nieuwe toetreders op de markt voor spraakassistenten.
  • Standaardisering en interoperabiliteit. De belangrijkste aanbieders van spraakassistenten en mobiele apparatuur beschikken over de technologie die interoperabiliteit mogelijk maakt. Deze aanbieders kunnen eenzijdig controle uitoefenen over de interoperabiliteits- en integratieprocessen. Zij zijn daarmee in staat om de functionaliteiten van IoT-apparaten en –diensten te beperken ten voordelen van hun eigen diensten.

Wat kunnen we verwachten van de Commissie op het gebied van IoT?

De uitkomsten van marktonderzoeken van de Commissie leiden vaak tot formele mededingingsonderzoeken naar individuele bedrijven. Zo heeft het sectoronderzoek naar E-commerce tot miljoenenboetes voor onder meer Asus, Philips, Pioneer, Guess, Sanrio, Nike, NBC Universal Studio en kregen diverse uitgevers van videogames een boete opgelegd. Ook heeft het sectoronderzoek naar de farmaceutische industrie tot forse boetes geleid op Europees niveau voor onder meer Lundbeck, Jansen-Cilag en Servier en op nationaal niveau tot boetes voor onder meer GlaxoSmithKline en Pfizer/Flynn (Verenigd Koninkrijk), Aspen (Italië) en CD Pharma (Denemarken).

Het ligt in de lijn der verwachtingen dat de Commissie formele onderzoeken zal starten naar aanleiding van haar bevindingen in de IoT sector. De Commissie noemt, bij het beschrijven van de gesignaleerde mededingingsrisico’s in het rapport, de partijen die mogelijk de mededinging beperken niet expliciet bij naam. De Commissie heeft het onder meer over de ‘vooraanstaande partijen op het gebied van spraakassistenten en/of mobiele apparaten’ en ‘IoT technologie platformen’. Het is echter geen breinbreker dat de Commissie hiermee doelt op de grote spelers als Google, Amazon en Apple aangezien zij veruit de grootste partijen zijn die de diensten aanbieden en de Commissie ook vaker in het rapport naar deze partijen verwijst. Het meest voor de hand ligt dat de Commissie een formeel onderzoek start naar misbruik van machtspositie naar één of meerdere van deze partijen wegens bijvoorbeeld exclusiviteit, koppelverkoop en/of self-preferencing.

Het is ook goed denkbaar dat het definitieve rapport van de marktstudie – dat in de eerste helft van 2022 wordt verwacht –het lopende debat over het voorstel van de Digital Markets Act (“DMA”) en ex ante regulering zal beïnvloeden. De voorgestelde verplichtingen in de DMA zien grotendeels ook op de gesignaleerde mededingingsrisico’s in de IoT sector. Mochten Google, Amazon en Apple onder de DMA worden aangemerkt als poortwachter dan zullen de in de DMA opgelegde verplichtingen als verbod op bundeling, toegang tot niet openbare gegevens en self-preferencing de gesignaleerde mededingingsrisico’s deels kunnen wegnemen. Zie voor meer informatie over ex-post handhaving en ex ante regulering in de voorgestelde Digital Markets Act onze blog van 24 juni “De Digital Markets Act (DMA): een effectief middel om Big Tech te reguleren?”

Hoewel IoT voor industriële producten en connected cars buiten de reikwijdte van de marktstudie valt is het niet uitgesloten dat in deze sectoren soortgelijke mededingingsproblemen spelen als bij consumenten-IoT. Ook in deze sectoren spelen technologie, toegang tot data en interoperabiliteit een belangrijk rol. Of hierbij sprake is van partijen die domineren moet per markt worden beoordeeld. Ten aanzien van connected cars zijn er indicaties dat onder meer Nokia een vooraanstaande speler is. Sinds 2018 zijn er door diverse partijen al vijf formele klachten wegens misbruik van machtspositie tegen Nokia ingediend bij de Commissie, maar is tot op heden nog geen formele onderzoek gestart. Zo richtte onder meer autofabrikant Daimler zich tot de Commissie met de klacht dat Nokia haar machtspositie misbruikt vanwege de licentiering van patenten die essentieel zijn voor de technologiestandaarden voor connected cars. Daimler startte tevens een civielrechtelijke procedure in Duitsland en in dat verband stelde de Duitse rechter prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. De prejudiciële vraag werd uiteindelijk weer ingetrokken omdat de partijen de zaak in juni jl. hebben geschikt.

We adviseren kleinere marktpartijen die IoT producten (willen) aanbieden om alert te zijn op de mededingingsrisico’s die in het rapport staan beschreven. Marktpartijen hebben tot 1 september 2021 de tijd om opmerkingen te geven op het rapport. Mochten marktpartijen mededingingsproblemen ondervinden in de IoT-consumenten sector of daarbuiten dan kunnen zij tevens een klacht indienen bij de Commissie of een nationale mededingingsautoriteit. Ook is het raadzaam om juridisch advies in te winnen bij een mededingingsadvocaat.

Bij vragen kunt u contact opnemen met Bas Braeken of Lara Elzas

Visie

Of apples and oranges – the similarity test in Dutch collective actions

Dutch law allows for foundations and associations to file claims on behalf of a class of third parties if their position is ‘sufficiently similar’ and provided certain other criteria are met. The mechanism of collective redress is applied in the Netherlands in cases where substantial financial interests are at stake, such as in securities cases and cartel damages cases, in data breaches cases under GDPR, as well as fundamental rights cases. In all of these cases, the question comes up to what extent the interests of the represented class are sufficiently similar, such that litigating the matter on a collective basis is more efficient than litigating this on an individualized basis.

A question of what is ‘sufficiently similar’ is topical for several reasons:

  • The Dutch courts have had to decide on this in a flurry of collective claims over the past 6 months.
  • Internationally, and in particular in the UK, courts or at least litigants have struggled with the same matter resulting in relevant guidance for the Dutch practice.
  • Collective actions are on the rise in Europe[1], and the question of which cases are, and which are not suitable for collective action will come into play in all European jurisdictions.
  • Practically: failing to meet this test will result in a rejection of certification of the claim, and the claimant being found to have no standing. Considering that it may take a year or more of costly litigation, and even longer to prepare the case, not passing the certification test is a huge budgetary blow for the claimant. Claimants who are dependent on external funding will find that often time, adverse costs orders are not covered under the funding agreement. In particular ‘ad hoc’ claimants who have not accrued a war chest through previous cases may run a risk of bankruptcy as they are unlikely[2] to have access to any other source of funding. By the same token, the willingness to settle on the part of the defendant may increase dramatically with certification.

A little background

As of 1 January 2020, the Dutch regime for collective actions was overhauled when WAMCA[3] entered into force. WAMCA applies to facts after 15 November 2016 and brought before the court after 1 January 2020. Unlike the former regime referred to as WCAM[4], allows for the class action vehicle to claim specified damages on behalf of the represented class.

At the same time, the law was changed in the following respects, which are relevant to the topic of similarity:

  1. Under WAMCA, the case will be litigated on the merits only after the court has confirmed that the claimant has standing to bring the case, and after the court will have defined what the claim will be exactly, and for the benefit of whom. In line with Anglo-Saxon practices, this confirmation is often referred to as ‘certification’.
  2. Under WAMCA, damages can be claimed on an opt-out basis for, briefly put, residents of The Netherlands only. Others can choose to participate in the case, on an opt-in basis. This domestic scope rule did not exist under WCAM and indeed, under WCAM the represented class could and often did consists of members from a global background.
  3. The fact that damages can be claimed under WAMCA brings into play the issue of damages assessment on a group level whilst properly including individual circumstances, and the principle that the defendant should be found liable to compensate the actual damage (proven by the claimant or estimated by the court), and nothing more.

To date, approx. 30 cases have been filed under WAMCA, not all of which are aimed at seeking damages, but none of which have come to a resolution in first instance. Nevertheless, the Dutch court has ruled on the ‘sufficiently similar’ requirement under WAMCA in one instance, which will be discussed below.

At the same time, several WCAM cases were still pending in the courts after introduction of WAMCA, and indeed: some cases can only be tried under WCAM as the relevant facts predate the temporal scope of WAMCA. Over the past six months or so, the courts have ruled in a handful of cases on the similarity test under WCAM. All of these will be discussed below, in respect of the similarity test.

The applicable standard of similarity under Dutch law.

Art. 3:305 of the Dutch Civil Code (DCC) holds that a foundation or association can file a claim in the interest of protecting similar interests of other persons, if this is in furtherance of the statutory purpose of such foundation or association and to the extent the interests of those persons are sufficiently protected[5].

A landmark decision for the definition of the similarity test, is the Baas in Eigen Huis v. Plazacasa case[6]. In this case, it was set out that the similarity test holds that the interest which are meant to be protected by the collective action, must lend themselves for bundling, such that efficient and effective protection of the interested persons is promoted. If this is the case, the issues can be resolved in one case, without having to involve the specific circumstances relating to the individual interested parties. A sufficient similarity of interests does not necessarily imply that the positions, backgrounds and interests of those on whose behalf a collective action is brought are identical or even essentially the same. In a collective action, therefore, a certain abstract test is appropriate. Whether or not (a substantial part of the) interested persons agrees with the collective action, or even takes an adverse position, in itself is not an obstacle for finding that the case does serve the protection of similar interests. A sufficient level of similarity in position, background and interest of the group members suffices. These do not need to be identical or even predominantly the same. The norm is whether an abstract assessment of the issues a stake and the claims, is possible.

Similarly, and only just preceding the Baas in Eigen Huis case, in the World Online case, the Dutch Supreme Court confirmed[7] the finding of the court of appeals that ‘even if there are great differences between the investors in terms of, amongst other, level of professionalism, level of information, care that was applied when taking the investment decision and the amount of the loss, and the fact that some are not a natural person but a corporation’ this does not stand in the way of finding that the interests are sufficiently similar. The court held that these circumstances can be taken into account if and when damages are assessed for each of the individual investors, in follow on proceedings.

The similarity test applied over the past six months.

Stichting Volkswagen Car Claim v. Volkswagen AG et al. (WCAM)

On 14 July 2021, the Amsterdam District court ruled in respect of the ‘diesel fraud’ case against a group of Volkswagen dealers, largely in favor of the claimant. The foundation in this case is seeking compensation for a class of persons who have bought new and second hand cars from several Volkswagen dealers.

The court held that the fact that the case was filed on behalf of several classes of interested parties, against several groups of defendants, did not mean that the case did not lend itself for bundling, as these distinctions were made sufficiently clear in the claim, and the common denominator for the claimants was that all possessed or had leased a Volkswagen car, and that all defendants had either sold or procured Volkswagen cars.

In the preceding interim decision from 2019[8], the court had also ruled that the claim for nullification of the contracts with the car dealers on grounds or error, lent itself for bundling: although the decision on the merits would require an assessment of all facts and circumstances which may have had an influence on the decision-taking process of the members of the represented class, the case deals with in essence the same issue, being the presence of software which manipulates the outcome of emissions tests, which was not known to any of the class members. The court said it did not want to rule out in advance that this circumstance would be so relevant, that irrespective of other facts and circumstances, this can be decisive for the outcome of the case and the possible awarding of the declaration of law.

The court in this case had previously also ruled that the claim on the basis of unfair businesses lent itself to bundling in respect of the installation of the software mentioned above. The court did not find this to be so in respect of the information provided by the defendants, as this may vary from case to case.

In the recent 2021 decision, the court contemplates that one of the defendants argued that the claims against it had not been tolled by the claiming foundation, and that they had become time barred under applicable German law. The court finds that indeed, claims of individual car owners have become time barred, and that therefore the claims do not serve to protect ‘similar interests which lend themselves for bundling’. It seems, however, that the court could have sufficed by stating that there simply is no interest whatsoever, and that similarity of the (lacking) interests was not the issue.

FNV v. Wibra Supermarkt BV (WCAM)

On 5 July 2021, the Amsterdam district court ruled in the matter brought before it by the labor union FNV against Wibra supermarkets.

FNV is an association which can bring claims on the basis of art. 3:305a DCC. It filed a claim against Wibra for making workers compensate certain working hours, during which the shops had not been able to retain their services due to Covid-19 related restrictions.

The court ruled that the interest of the workers represented by FNV were sufficiently similar, in the way that the collective labor agreement had been applied in respect of the matter at stake, regardless of how this played out in practice for individual workers.

Data Privacy Stichting v. Facebook (WCAM)

On 30 June 2021, the Amsterdam district court issued an interim decision in the case brought by the Data Privacy Stichting against Facebook on the matter of (amongst other) admissibility of the case. The case relates to facts which only to a limited extent fall within the temporal scope of WAMCA. However, in view of Section 119a Transition Act New Civil Code in conjunction with Section III paragraph 2 WAMCA, the WAMCA does not apply to this case, because the legal actions in this case were instituted before the date of entry into force of the WAMCA (1 January 2020). The case is therefore covered (largely) by WCAM.

The Foundation is seeking a declaration that Facebook acted unlawfully against the class represented by the Foundation by, amongst other:

  1. not complying with the information obligations of art. 12, 13 and 14 GDPR and its equivalents under the national law that preceded the GDPR;
  2. By giving third parties access to personal data of the class members without properly and timely informing them thereof;

and several other breaches, including the Unfair Business Practises Act.

The represented class constitutes of all natural persons who, in a non-commercial capacity, are or were on Facebook in the period 1 April 2010 through 1 January 2020, whilst residing in the Netherlands.

According to Facebook, the claims of the Foundation do not lend themselves to collective proceedings, because the factual and legal questions are not the same, or at least not sufficiently similar, and the interests of the individual interested parties differ. Facebook contends that there are various factual allegations that cover almost a decade; there are different groups of users and different legal provisions apply; the use of the Facebook service involves a considerable amount of fine-tuning at individual level, as different user agreements, policies and information provisions apply to users, depending on the time period during which each of them used the Facebook service.

The court considered that the question of whether the interests involved in the claims lend themselves to bundling also depends on the nature of the claims made. The claims of the Foundation are limited to declarations for law that there is unlawful act, unfair trade practices and unjustified enrichment. Unlike in, for instance the Elco Foundation v. Rabobank et al. case (see below) the Foundation does not claim a declaratory judgment relating to error, in the assessment of which individual circumstances are rather important. The court finds that the claims of the Foundation relate to various sufficiently narrowly defined actions of Facebook. These claims are essentially based on the fact that Facebook has violated the privacy of its users by processing personal data without the necessary consent. With the claims, the Foundation seeks a judgment on the question of whether the personal data of (certain) users of the Facebook service have been processed in accordance with the applicable regulations. Such a judgment on the lawfulness or otherwise of the actions of Facebook et al. with regard to the processing of personal data lends itself to a collective action. This is not altered by the fact that over time there have been different terms of use and different statutory regulations.

Milieudefensie et al. v. Royal Dutch Shell (WCAM)

On 26 May 2021, the district court of The Hague ruled in the case of environmental NGO Milieudefensie and various other Dutch and foreign environmental NGO’s and individuals, against Royal Dutch Shell (‘RDS’e). Milieudefensie filed claims on a collective basis against RDS, seeking an order for it to bring its CO2 emissions policies in line with Paris Climate Agreement.

The court held that the interests of ‘current and future generations of the world’s population’, as served principally with the class actions, is not suitable for bundling. It held that although the entire world population is served by curbing dangerous climate change, there are huge differences in the time and manner in which the global population at various locations will be affected by global warming caused by CO2 emissions. Therefore, this principal interest does not meet the requirement of ‘similar interest’.’

The court held, however, ‘that interests of current and future generations of Dutch residents and [with respect to one of the Dutch NGO’s the Waddenvereniging, aimed at protecting the interests of (those living on) the Dutch group of Wadden-islands, FMP] of the inhabitants of the Wadden Sea area, a part of which is located in the Netherlands, as served in the alternative with the class actions, are suitable for bundling, even though in the Netherlands and in the Wadden region there are differences in time, extent and intensity to which the inhabitants will be affected by climate change caused by CO2 emissions. However, these differences are much smaller and of a different nature than the mutual differences when it concerns the entire global population and do not stand in the way of bundling in a class action.’

The court therefore declared not admissible the claims insofar as they serve the interest of the world’s population, except for the interest of Dutch residents and the inhabitants of the Wadden region.

It is interesting to see that the court finds that the interests of anyone outside the Netherlands, is not sufficiently similar to the interests of those living within. The court does not explain why this is so, other than that it finds that the differences within the Netherlands are ‘much smaller and of a different nature’. Considering that the merits of the case have been decided on a global scale, and on the basis of an abstract reasoning (impact of CO2 emissions on global warming, statistical models, activities of RDS all over the world), and if anything: the interests of those living in countries which are less well-off than those in the Netherlands are even more affected by global warming, it seems that the interests of all would benefit from this case. At the same time, the fact that the case has formally been decided for the benefit of Dutch nationals only, does not seem to have had any bearing on the actual decision, in the sense that it is not apparent in what way the decision would have been different if the court would have allowed the case to be heard for the wider class.

Stichting Elco Foundation v. Rabobank et al. (WCAM)

The Stichting Elco v. Rabobank et al. case[9] related to the scandal of manipulation by a group of panel banks of the interbank interest rates LIBOR and EURIBOR. The foundation, according to its articles of association, represented all financial institutions in the EU, to the extent they had had exposure to LIBOR or EURIBOR in non US transactions, excluding from the class those parties which participated in the LIBOR and EURIBOR determination process, such as the defendants themselves. Defendants included the Dutch anchor defendant Rabobank, and four other, foreign panel banks.

The court held that the interests of the represented group, met the similarity test:

“The represented class, according to the articles of association, is a wide group of persons who have in common – briefly put – that they have a place of establishment or office in the EU and who have engaged in transactions outside the US which in one way or the other are related to the interest benchmarks. The fact that a multitude of laws may apply to the claims of the foundation, in itself does not stand in the way of giving a judgement on the issues raised by the foundation, considering that the foundation has asked for declaratory relief only. These issues are, as the foundation rightly argued, in general separate from the specific circumstances relevant to the interested persons. That means that, [the claims] lend themselves for bundling.”

This seems to be in line with existing case law under WCAM. As damages assessment is a matter for the court to deal with after certification, it seems that the outcome would not have been different under WAMCA.

The court finds, however, that in this case, to the extent the claims are based on the legal theory of unjust enrichment, these are not suitable for collective redress, as an individual assessment is required of both enrichment and impoverishment.

Considering that declaratory relief was sought, it is understandable that the court finds that it cannot give a relevant declaration for each of the individual situations imaginable for this very wide group of both interested parties, but also defendants.

However, the court declines to allow the case as a whole to proceed, on the basis in particular that the claim relates to such a variety of facts over a very long period of time, that it will not be able to give a meaningful declaration in the end, meaning that the interests of the interested persons are not served by proceeding on a collective basis. The facts of the LIBOR and EURIBOR case, as presented to the court, related to a pattern of behavior covering a period of 10 years. For individual parties to claim damages, however, they would need to show individual transactions and the specific effects of individual manipulations of these interbank rates, for them to be able to prove they suffered a loss. The court expressly considers that the facts of this case deviate from the World Online situation discussed above, where the legal matters could be decided abstract of the specific circumstances of individual investors.

In addition, the court deemed relevant that the interested parties were all professional parties, who, if substantial financial interests are at stake, are capable of filing individual claims, meaning that collective redress is not necessary to allow access to an effective remedy.

As said, the case was decided under WCAM. The reasoning may also have applied under WAMCA (apart from that the class in that case cannot consist of non-Dutch financial institutions), considering the typical circumstances of this case: an enormous variety of possible individual positions.

Conclusion as to Dutch law

The standard as developed in the Baas in Eigen Huis and World Online cases under WCAM stand and it seems that it will continue to be the standard under WAMCA. The standard is not a high threshold, nor is it meant to be a high threshold.

A quick look at the UK provides a similar picture: Merricks v. Mastercard

On 11 December 2020, the U.K. Supreme Court handed down its ruling in Merricks v Mastercard[10], dismissing Mastercard’s appeal against the English Court of Appeal’s April 2019 decision. Class representative Merricks commenced follow-on damages litigation after the EC’s Decision in respect of breaches of competition law, by commencing a U.K. class action in September 2016 on behalf of approximately 46.2 million U.K. consumers. The action seeks approx. GBP 14 billion in damages for the inflated prices paid by U.K. consumers. Collective competition claims must be certified to be able to continue as a collective action. Certification requires that the claims are brought on behalf of an identifiable class of persons, raise common issues, and are suitable to be brought in collective proceedings.

At first glance, the ‘common issues’ and ‘suitable for collective proceedings’ tests are not unlike the ‘similarity test’ applied by the Dutch courts. The UK Supreme Court’s majority decision was that the applicable test whether or not claims are “suitable” to be brought in collective proceedings is a relative judgement, meaning one needs to determine whether the claims are more appropriately brought as collective proceedings rather than individual proceedings. This is also decisive when contemplating whether the claim is “suitable for an award of aggregate damages”. In essence, what is required is that an aggregate damages award is more suitable than “a multitude of individually assessed claims for damages”. This is much more efficient than going through the burden of thousands of individual claims.

Conclusion

The question as to whether or not claims are suitable for collective redress, because they are sufficiently similar, seems to be approached benevolently by the Dutch courts, be it in labour cases, GDPR damages cases or cartel damages cases, or whatever the nature of the collective action. In the UK this does not appear to be any different. Cases where individual circumstances are decisive for a finding of legal wrongdoing, nevertheless are not suitable for collective action. The distinction becomes blurred in cases where claims are based on grounds of error or unjust enrichment, but in all events: the facts of the particular case will be decisive.

NOTES:

[1] Directive (EU) 2020/1828 of the European Parliament and of the council of 25 November 2020 on representative actions for the protection of the collective interests of consumers and repealing Directive 2009/22/EC.

[2] This may be different of the class action vehicle has charged members of the represented class a fee for signing up to the class action. However, for various reasons, this is no longer common in the Dutch market of collective actions.

[3] Wet Afwikkeling Massaschade in Collectieve Actie, or WAMCA for short.

[4] Wet Collective Afwikkeling Massaschade, or WCAM for short. Under WCAM, it was not possible for a claim vehicle to claim specified damages. In liability cases, this meant that the vehicle would seek a declaration of liability, so that either members of the represented class could commence follow on litigation, to claim specific, individualized damages on the basis of the general finding of liability, or that a collective settlement would be reached between the vehicle and the defendant. The collective settlement can be submitted to the court by the claimant and the defendant jointly, for the court to approve the settlement and declare it binding on the entire represented class, on an opt-out basis.

[5] This last requirement was introduced in the WAMCA, which entered into force on 1 January 2020 and which applies to cases dealing with facts which occurred after 15 November 2016.

[6] HR 26 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK5756 (Baas in Eigen Huis/Plazacasa).

[7] Hoge Raad 27 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2162, NJ 2014/201.

[8] 20 November 2019, Amsterdam district court, C/13/647072 / HA ZA 18-432.

[9] District Court of Amsterdam, 9 December 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:6122.

[10] Mastercard Incorporated and others (Appellants) v Walter Hugh Merricks CBE (Respondent) [2020] UKSC 51

Visie

Autoriteit Persoonsgegevens legt boete op aan gemeente Enschede wegens wifitracking

In maart 2021 legde de Autoriteit Persoonsgegevens een boete op aan de gemeente Enschede wegens wifi-tracking. In het boetebesluit gaat de Autoriteit Persoonsgegevens onder meer in op de kwalificatie van de verzamelde gegevens als persoonsgegevens, anonimisatie, het volgen van burgers en het verwerken van persoonsgegevens op grond van een publieke taak. Het Tijdschrift voor Internetrecht vroeg ons een noot te schrijven bij het boetebesluit. Lees de noot hier.

Vragen?

Neem gerust contact op met Silvia van Schaik.

Visie

Competition Flashback Q2 2021

Dit is de Competition Flashback Q2 2021 van bureau Brandeis met daarin een selectie van enkele belangrijke mededingingsrechtelijke ontwikkelingen over het afgelopen kwartaal (klik hier voor het origineel).

Wilt u graag voortaan de Competition Flashback van bureau Brandeis per e-mail ontvangen? Dat kan! Het aanmeldformulier vindt u hier.


Overzicht Q2 2021

  • Notarieel aktepapier kartel; boete verlaagd van € 2 miljoen naar € 10.000,-
  • HvJ Recyclex: immuniteit bij kartelovertreding alleen bij uitbreiding inbreuk
  • Miljoenenboete NS definitief onderuit wegens ontbreken dominantie
  • Private equity kan kartelboete verhalen bij onjuiste informatie tijdens due diligence
  • Staatssteun aan KLM en Condor op losse schroeven door gebrekkige motivering
  • Nieuw ACM concentratiebesluit Sanoma/Iddink op komst na beroep Noordhoff
  • Tussenstand Truckkartelschadezaak: seinen voorlopig op groen
  • Europese Commissie gaat strijd aan met Apple na klacht Spotify

 


ACM publiceert vier jaar later notarieel aktepapier kartel; boete verlaagd van € 2 miljoen naar € 10.000,-

ACM, persbericht van 1 juli 2021 | rechtbank Rotterdam, uitspraak van 11 mei 2021

Bijna vier jaar na het eerste boetebesluit is met de publicatie van een nieuwsbericht en een aantal besluiten van de ACM voor het eerst openbaarheid gegeven aan een langlopende kartelzaak. Tegelijkertijd heeft ook de rechtbank Rotterdam twee uitspraken in deze kartelzaak gepubliceerd (uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 6 december 2018 en 11 mei 2021, zoals gepubliceerd op 30 juni en 1 juli 2021).

Centraal in deze zaak stonden (vermeende) prijs- en marktverdelingsafspraken op het gebied van de verkoop van notarieel aktepapier. Concreet ging het om afspraken tussen één producent (waarvan de dochteronderneming die uitvoering gaf aan de kartelafspraken gedurende de inbreukperiode werd afgesplitst van de moederonderneming) en twee distributeurs. Alle drie partijen leverden aktepapier aan notariskantoren. Voor de afspraken omtrent deze verkoop legde de ACM bij besluit van 17 februari 2017 een boete van bijna € 2,8 miljoen op aan de producent (waarbij de moeder hoofdelijk aansprakelijk werd gesteld voor de gehele som en de dochteronderneming voor € 2,06 miljoen). Eén feitelijk leidinggevende werd (aanvankelijk) beboet voor € 200.000,- (in bezwaar verlaagd naar € 80.000,-). Eén distributeur kreeg een boete van € 3.000,- en de derde distributeur ontving volledige boete-immuniteit overeenkomstig de clementieregeling.

Aanvankelijk schorste de Voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam het met het boetebesluit verband houdende openbaarmakingsbesluit (uitspraak nog niet gepubliceerd). De Voorzieningenrechter overwoog daartoe dat de contentieuze afspraken verticaal van aard waren en niet horizontaal. De rechtbank Rotterdam ziet dit anders en oordeelt dat artikel 2 lid 4 sub a van de Groepsvrijstelling Verticale Overeenkomsten niet van toepassing is. Op basis van deze bepaling kunnen afspraken tussen concurrerende ondernemingen (dus afspraken met een horizontaal karakter) ook onder de Groepsvrijstelling vallen indien sprake is van een “niet-wederkerige verticale overeenkomst”, waarbij de leverancier zowel producent en distributeur is en de afnemer uitsluitend een distributeur. Volgens de rechtbank zijn de afspraken echter (louter) horizontaal van aard.

Ook overweegt de rechtbank dat bij doelbeperkingen geen analyse van de counterfactual is vereist. De counterfactual verwijst naar de marktsituatie zoals die zou hebben bestaan zonder de vermeende afspraken. De producent had beargumenteerd dat zonder de door hem aangegane distributie-overeenkomsten er überhaupt geen concurrentie zou zijn geweest. Tot voor kort was de markt voor notarieel aktepapier namelijk streng gereguleerd op basis van regels van de Koninklijke Notariële Broederschap.

De rechtbank gaat dus niet mee in deze redenering. Wel meent de rechtbank dat de ACM de ernstfactor te hoog heeft vastgesteld en verlaagt deze van 2,75 naar 1. Uiteindelijk stelt de rechtbank de boete voor de producent vast op € 1 miljoen en voor de feitelijk leidinggevende op € 60.000,-. Uit een reeds eerder gepubliceerde uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (“CBb”) blijkt dat de boete voor de producent uiteindelijk is verlaagd naar € 10.000,-. De moeilijke financiële situatie waarin het bedrijf als gevolg van de Covid 19-crisis verkeerde, lag mede ten grondslag aan deze verlaging.


HvJ Recyclex: (gedeeltelijke) immuniteit bij kartelovertreding alleen bij uitbreiding reikwijdte van inbreuk

Hof van Justitie, arrest van 3 juni 2021

Het Hof van Justitie heeft op 3 juni 2021 een arrest gewezen over de uitleg en toepassing van de voorwaarden uit punt 26, derde alinea van de Mededeling betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken uit 2006 (“Mededeling”).

Recyclex heeft in het kader van de clementieregeling informatie verschaft over een bijeenkomst binnen het Car battery recycling kartel waaraan zij zelf deelnam. Recyclex stelt dat de Europese Commissie (“Commissie”) deze bijeenkomst niet voldoende kon bewijzen en dat zij daarom aanspraak maakt op gedeeltelijke immuniteit. Daarbij is het volgens Recyclex irrelevant dat de Commissie al bekend was met het feit dat de bijeenkomst had plaatsgevonden.

Het Hof gaat hier niet in mee en oordeelt dat betrokken ondernemingen alleen aanspraak kunnen maken op gedeeltelijke immuniteit wanneer zij de Commissie bewijzen overleggen “die de feiten waarvan de Commissie reeds kennis had vervolledigen of aanvullen, en die de materiële of temporele omvang van de inbreuk zoals vastgesteld door de Commissie uitbreiden.”

Om als karteldeelnemer een succesvol beroep te doen op (gedeeltelijke) immuniteit uit de Mededeling, moet hij de Commissie dus informatie verschaffen over nieuwe feiten die de oorspronkelijke reikwijdte van de inbreuk wijzigen.


Miljoenenboete NS definitief onderuit wegens ontbreken dominantie

CBb, uitspraak van 1 juni 2021

Het CBb heeft in zijn uitspraak van 1 juni jl. de ACM in het ongelijk gesteld met betrekking tot een boete van ruim € 40 miljoen die zij bij besluit van 22 mei 2017 aan de NS had opgelegd voor het misbruiken van diens economische machtspositie.

De NS had in 2016 een volgens de ACM een verlieslatend bod ingediend bij de aanbesteding van een vijftienjarige concessie voor openbaar vervoer in Limburg. Volgens de ACM gebruikte de NS haar economische machtspositie op het hoofdrailnet (“HRN”) van Nederland om haar concurrenten Arriva en Veolia te hinderen in Limburg.

De rechtbank Rotterdam oordeelde bij uitspraak van 27 juni 2019 dat de ACM niet overtuigend heeft bewezen dat de NS daadwerkelijk een economische machtspositie had. Daarnaast was volgens de Rechtbank het verband tussen de positie van de NS op het hoofdrailnet en de concessie in Limburg onzeker na 2024 (de concessie voor het HRN loopt in 2024 af).

Het CBb bevestigt grotendeels de uitspraak van de rechtbank. De ACM heeft ook in hoger beroep niet buiten redelijke twijfel aan weten te tonen dat de NS een economische machtspositie heeft. Volgens het CBb is er namelijk sprake van (potentiële) concurrentie en is de toetredingsdrempel tot het HRN niet te hoog. De boete van ruim € 40 miljoen aan de NS is daarmee van tafel.


Private equity kan kartelboete verhalen bij onjuiste informatie tijdens due diligence

Rechtbank Rotterdam, uitspraak van 26 mei 2021

Private equity onderneming Bencis hield tussen november 2004 en juli 2011 92% van de aandelen in meelproducent Meneba (inmiddels overgenomen door Dossche Mills). Meneba is in 2010 beboet door de ACM voor haar deelname aan het meelkartel. Dit besluit is zowel in bezwaar, als in beroep bij de rechtbank Rotterdam als in hoger beroep bij het CBb bevestigd.

Bijna vier jaar na het eerste besluit en onder invloed van Europese ontwikkelingen legt de ACM (ook) een kartelboete van ruim € 1,2 miljoen op aan Bencis vanwege de deelname van Meneba aan het meelkartel. De grondslag daarvoor was dat Bencis vanwege nauwe economische, organisatorische en juridische banden beslissende invloed heeft gehad op Meneba. Daarom kan volgens de ACM de overtreding mede worden toegerekend aan Bencis.

Bencis beoogt die boete later te verhalen op Meneba. Daartoe voert zij aan dat alleen Meneba feitelijk heeft deelgenomen aan de kartelafspraken. De rechtbank Rottterdam overweegt dat er geen ruimte is voor regres op basis van artikel 6:10 BW aangezien Bencis en Meneba niet hoofdelijk beboet zijn. Ook voor een vordering op basis van onrechtmatige daad is geen ruimte. Deze stuit af op basis van het relativiteitsvereiste, aangezien het recht op schadevergoeding wegens kartelovertredingen (zie Courage/Crehan) niet strekt tot bescherming van andere karteldeelnemers.

Toch is de kous daarmee nog niet helemaal af. Ter zitting betoogt Bencis dat Meneba, in het kader van een due diligence onderzoek voorafgaand aan de overname van de aandelen door Bencis, desgevraagd zou hebben gesteld dat er geen overtredingen, waaronder overtredingen van het mededingingsrecht, hebben plaatsgevonden. Als Bencis erin slaagt dit met stukken te bewijzen, dan zou dit volgens de rechtbank een onrechtmatige daad van Meneba kunnen opleveren ten opzichte van Bencis.


Staatssteun aan KLM en Condor op losse schroeven door gebrekkige motivering

Gerecht, arresten van 19 mei 2021 en 9 juni 2021

Het Gerecht in Luxemburg heeft op 19 mei jl. geoordeeld dat de Commissie de aan KLM verleende staatssteun van € 3,4 miljard onterecht heeft goedgekeurd op grond van artikel 107(3)(b) VWEU. Dit artikel voorziet in de mogelijkheid tot het verlenen van steun om een ernstige verstoring in de economie van een lidstaat, zoals de COVID-19 crisis, tegen te gaan. De Commissie heeft in haar besluit onvoldoende meegewogen dat KLM en Air France, beide onderdeel van dezelfde groep, reeds twee steunmaatregelen toegekend hebben gekregen.

In haar besluit stelt de Commissie dat Nederlandse autoriteiten haar zouden hebben “bevestigd” dat de aan KLM toegekende financiering niet zou worden gebruikt door Air France. Volgens het Gerecht heeft de Commissie echter onvoldoende gemotiveerd waaruit dit zou blijken. In dat kader zijn de verhoudingen tussen KLM en Air France binnen de groep – en de aan hen verleende steun – niet voldoende meegewogen. Hoewel het besluit nietig is verklaard, behoeft de verleende steun niet direct te worden teruggevorderd. KLM mag dit geld houden in ieder geval tot er een nieuw besluit van de Commissie komt.

Ook het besluit waarin de Commissie de Duitse steunmaatregel aan luchtvaartmaatschappij Condor goedkeurt, is door het Gerecht vernietigd wegens een gebrekkige motivering. De steunmaatregel, gebaseerd op artikel 107(2)(b) VWEU, was bedoeld om de schade te herstellen die rechtstreeks is veroorzaakt door de COVID-19 pandemie.

De Duitse overheid had echter ongeveer € 17 miljoen aan extra kosten meegenomen in de steunverlening aan Condor, omdat laatstgenoemde in een insolventieprocedure verkeerde na de vereffening van diens moedermaatschappij (Thomas Cook). Dit was echter al geruime tijd voor de uitbraak van de COVID-19 pandemie. De Commissie lichtte niet toe hoe (de kosten rondom) de mislukte verkoop van Condor in de insolventieprocedure verband houden met de COVID-19 pandemie.

In deze zaak wordt de verleende steun evenmin direct teruggevorderd. Om directe schadelijke gevolgen voor de Duitse economie te voorkomen, mag Condor het bedrag houden tot de Commissie een nieuw besluit heeft genomen.


Nieuw ACM concentratiebesluit in Sanoma/Iddink op komst na geslaagd beroep van Noordhoff

ACM, aankondiging van 17 mei 2021

Op 28 augustus 2019 besloot de ACM dat uitgever Sanoma Learning (uitgever van Malmberg schoolboeken) onder voorwaarden schoolboekendistributeur Iddink Group mag overnemen. Iddink Group is eigenaar van Magister, een elektronische leeromgeving die veel middelbare scholen gebruiken. De voorwaarden moeten ervoor zorgen dat concurrenten na de overname onder gelijke voorwaarden toegang krijgen tot Magister en tot data uit Magister. Daarnaast moeten de fuserende partijen garanderen dat er geen commercieel gevoelige informatie van concurrerende uitgevers via Iddink bij Malmberg terecht komt.

Noordhoff, een concurrent van Malmberg, was het niet eens met het besluit van de ACM en ging hiertegen in beroep. In de uitspraak van 4 maart 2021 vernietigt de rechtbank Rotterdam het besluit van de ACM.

Volgens de rechtbank had de ACM onvoldoende gemotiveerd dat Sanoma/Iddink geen mogelijkheid heeft om concurrenten af te schermen door middel van bundeling en om die reden geen sprake was van conglomeraateffecten. De ACM heeft aangekondigd een nieuw besluit te nemen en is tevens in beroep gegaan tegen de uitspraak van de rechtbank.


Tussenstand Truckkartelschadezaak: seinen voorlopig op groen

Rechtbank Amsterdam, uitspraak van 12 mei 2021

Op 12 mei 2021 heeft de rechtbank Amsterdam een tussenvonnis gewezen in de schadeclaim procedure die is ingesteld door onder meer CDC tegen deelnemers aan het Truckkartel. Dit vonnis beperkt zich tot (i) een beoordeling van de reikwijdte van het boetebesluit van de Commissie en (ii) het verweer van de truckfabrikanten dat van het delen van informatie geen prijsopdrijvend effect is uitgegaan en de inbreuk dus niet tot wat voor schade dan ook heeft geleid.

Ten aanzien van het eerste punt oordeelt de rechtbank dat zij gebonden is aan (het dispositief van) de beschikking van de Commissie, wat betreft (de temporele en geografische omvang van) de inbreukmakende gedragingen alsook de personen die hiervoor aansprakelijk zijn. Eén en ander sluit echter niet uit dat het eisers vrij staat nadere feitelijke invulling te geven aan het inbreukmakend gedrag.

Voor wat betreft het tweede punt, overweegt de rechtbank dat de truckfabrikanten moeten aantonen dat het zonneklaar is dat het in zijn algemeenheid onmogelijk is dat de inbreuk tot schade kan hebben geleid. Op basis van de deskundigenrapporten oordeelt de rechtbank dat zulks niet is komen vast te staan. Het is daarmee – voor het vervolg van de procedure – aan de eisers om aannemelijk te maken dat zij door het onrechtmatig handelen van de truckfabrikanten mogelijk schade hebben geleden. Daarmee is voldaan aan de drempel voor verwijzing naar de schadestaatprocedure.


Europese Commissie gaat strijd aan met Apple na klacht Spotify – nationale autoriteiten volgen

Europese Commissie, persbericht van 30 april 2021

In maart 2019 heeft Spotify een klacht bij de Commissie ingediend waarin zij Apple ervan beschuldigt de concurrentie op de markt voor muziekstreamingsdiensten die via de App Store worden aangeboden te verstoren. Spotify stelt dat Apple haar volledige controle over het mobiele iOS-besturingssysteem en de App Store misbruikt om oneerlijke voorwaarden op te leggen aan concurrenten, zoals Spotify, en haar eigen muziekstreamingdienst Apple Music te bevoordelen.

Op 16 juni 2020 startte de Commissie een onderzoek naar het beleid van de App Store. In haar persbericht van 30 april 2021 stelt de Commissie dat zij in de Statement of Objections tot het voorlopig oordeel is gekomen dat Apple misbruik maakt van haar dominante positie. De Commissie verwijt Apple dat zij het concurrerende muziekstreamingdiensten verplicht om het ‘in-app’ aankoopmechanisme van de App Store te gebruiken en daarvoor een commissie rekent van 30%.

Daarnaast zien de bezwaren van de Commissie op zogenaamde ‘anti-steering provisions’ die appontwikkelaars beperken in de mogelijkheden om klanten te informeren over alternatieve aankoopmogelijkheden. Ook nationale autoriteiten zoals de ACM en de Britse CMA zijn onderzoeken naar deze praktijken van Apple gestart.

 


Voor al uw vragen met betrekking tot (EU) mededingingsrecht helpt bureau Brandeis u graag verder. U kunt ons bereiken via onderstaande links.

Bas Braeken, Jade Versteeg, Lara Elzas, Timo Hieselaar en Berend Verweij

Visie

Strenger regime voor telemarketing – bel-me-niet wordt opt-in

Per 1 juli 2021 gelden er strengere eisen voor telemarketing. Tot die datum was het voor het bellen van particulieren voor marketingdoeleinden voldoende om te controleren of de particulier zich niet had ingeschreven in het zogenaamde “bel-me-niet” register. Door een wetswijziging is dit vanaf 1 juli niet langer genoeg. In beginsel is vanaf dat moment toestemming vereist.

 

Opt-out wordt opt-in

Artikel 11.7 van de Telecommunicatiewet bevat de regels voor ongevraagde commerciële, ideële en charitatieve communicatie via onder meer e-mail en telefoon. Per 1 juli worden de daarin opgenomen regels voor het overbrengen van dergelijke communicatie per telefoon aangescherpt.

Momenteel is het nog voldoende om voor het bellen van particulieren (dit zijn consumenten, maar ook eenmanszaken, vennootschappen onder firma, commanditaire vennootschappen of maatschappen waar zzp’ers vaak gebruik van maken) het bel-me-niet register te raadplegen. Heeft de particulier zich geregistreerd dan mag hij, behoudens een paar uitzonderingen, niet gebeld worden. Dit wordt ook wel een “opt-out”-systeem genoemd, omdat je gebeld mag worden zolang je je niet hebt afgemeld. Vanaf 1 juli wordt dit “opt-in”. Voor het bellen van particulieren is vanaf die datum voorafgaande toestemming vereist. Voor e-mail gold al een toestemmingsvereiste dat nu dus ook voor marketing per telefoon gaat gelden.

De toestemming moet voldoen aan de vereisten van de Algemene verordening gegevensbescherming. Dat betekent dat de toestemming vrij, specifiek en geïnformeerd moet zijn en moet blijken uit een ondubbelzinnige wilsuiting. De particulier moet dus vrij zijn om zijn toestemming te geven of weigeren, moet goed weten aan wie en waarvoor hij precies toestemming geeft en er is een actieve handeling nodig. Vooraf aangevinkte hokjes of een bepaling in de algemene voorwaarden of privacy statement zijn onvoldoende.

Verder is nieuw dat het bellen met een afgeschermd telefoonnummer niet is toegestaan.

 

Uitzonderingen

Op het toestemmingsvereiste zijn een paar uitzonderingen, namelijk voor:

  • bestaande klanten en donateurs, vrijwilligers en deelnemers aan manifestaties van ideële of charitatieve organisaties (zoals goede doelen en politieke partijen) voor zover het telefoontje gaat over eigen, gelijksoortige producten en diensten, indien zij bij het verkrijgen van de gegevens in de gelegenheid zijn gesteld om bezwaar te maken;
  • rechtspersonen die handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf indien zij hun telefoonnummer specifiek voor dergelijke communicatie bekend hebben gemaakt;
  • abonnees die gevestigd zijn buiten de Europese Economische Ruimte (de EU, Liechtenstein, Noorwegen en IJsland) indien voldaan wordt aan de daar toepasselijke regels voor telemarketing.

Van bestaande klanten is sprake wanneer een persoon eerder een product of dienst heeft aangeschaft of nog gebruik maakt van een dienst. De vraag is echter hoe lang de gegevens in dit kader bewaard en gebruikt mogen worden. Dit geldt ook voor donateurs, vrijwilligers en deelnemers aan manifestaties van goede doelen en politieke partijen. Om die reden is in de wet opgenomen dat hiervoor een termijn kan worden bepaald. De Autoriteit Consument & Markt (ACM) hanteert hiervoor vooralsnog een termijn van 3 jaar na het einde van de klantrelatie, maar mogelijk wordt dit nog aangescherpt.

Verder is niet geheel duidelijk wat wordt verstaan onder “deelnemers aan manifestaties”. In de Memorie van Toelichting wordt gesproken over personen die “aantoonbaar met een goed doel sympathiseren” en de ACM geeft aan dat het kan gaan om personen die bij een demonstratie zijn geweest. Wat dit precies inhoudt, zal nog moeten blijken.

Wat betreft de uitzondering voor rechtspersonen die handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf geldt dat de ACM deze uitzondering strikt interpreteert. Dat een telefoonnummer is opgenomen in het KvK-register is in ieder geval onvoldoende.

 

Aanleiding en gevolgen

Aanleiding voor de aanscherping is volgens de Memorie van Toelichting het grote aantal klachten over telemarketing bij ConsuWijzer (het klachtloket voor consumenten van de ACM). Ook zouden consumenten geen prijs stellen op telemarketing, zoals blijkt uit het feit dat er bijna 10 miljoen telefoonnummers geregistreerd staan in het bel-me-niet register. Daarnaast speelt mee dat de Europese Commissie in het voorstel van de ePrivacy Verordening uitgaat van een toestemmingsvereiste voor alle vormen van marketing, maar dat die Verordening nog op zich laat wachten terwijl een snelle oplossing gewenst is.

De wijziging heeft evident gevolgen, met name voor telemarketeers en hun klanten. Zij zullen zich vanaf 1 juli moeten vergewissen of zij zich kunnen beroepen op toestemming of een van de uitzonderingen. Dat is gezien de eisen die gelden voor toestemming en voor de uitzonderingen meestal niet eenvoudig, en zeker een stuk ingewikkelder dan het controleren van het bel-me-niet register. De bewijslast rust daarbij bovendien op de partij die gebruikmaakt van telemarketing. Wij raden daarom aan om goed vast te leggen wie, wanneer en waarvoor toestemming verleent of wanneer een persoon zijn laatste aankoop of donatie verrichtte. Daarbij moet er uiteraard ook rekening mee worden gehouden dat er niet onnodig veel gegevens worden vastgelegd. Wij denken graag mee over hoe een organisatie dit het beste in kan richten.

Het is vervolgens de vraag wat er gebeurt wanneer telemarketeers dit niet goed controleren en bellen zonder een beroep te kunnen doen op verkregen toestemming of een uitzondering. De ACM houdt toezicht op de naleving van de verplichtingen die volgen uit artikel 11.7 Telecommunicatiewet en heeft in het verleden regelmatig boetes opgelegd aan partijen die de regels overtraden. Zij heeft aangekondigd consumenten actief te informeren over de strengere regels en roept hen op te klagen zodat zij kan handhaven. Daarnaast kan de Autoriteit Persoonsgegevens handhaven wanneer het gaat om een onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens (in het Samenwerkingsprotocol tussen ACM en de Autoriteit Persoonsgegevens is dit nog niet specifiek geregeld). Bij het gebruik van telefoonnummers van particulieren zonder de vereiste toestemming zal veelal sprake zijn van een dergelijke verwerking. Bij het bellen van particulieren loopt men na 1 juli dus een groter en (mogelijk) dubbel handhavingsrisico.

 

Vragen?

Neem gerust contact op met Silvia van Schaik of Marieke Berghuis.

Visie

De Digital Markets Act (DMA): een effectief middel om Big Tech te reguleren?

De opkomst van techreuzen als Google, Amazon, Facebook, Apple en Microsoft (ook wel “Big Tech” genoemd) en hun integratie in het alledaagse leven is op vele niveaus interessant. Met name in de context van eerlijke en concurrerende digitale markten roept dit veel vragen op. De meest prangende daarvan is of de ex-post handhaving van het EU mededingingsrecht effectief genoeg is om de snel ontwikkelende (digitale) markten en Big Tech bedrijven bij te houden.

Ten behoeve van een effectievere handhaving heeft de Europese Commissie (“Commissie”) in december 2020 een voorstel voor een Digital Markets Act (“DMA”) gepubliceerd. Het voornaamste doel is het ingrijpen in het concurrentiespeelveld in digitale markten en deze aan te vullen met ex-ante regelgeving. Bepaalde platforms die als “poortwachters” kwalificeren, moeten zich dan aan een reeks verplichtingen houden, zonder dat daarvoor een overtreding van het mededingingsrecht is vastgesteld.

Deze blog behandelt de recente ontwikkelingen in de strijd tegen Big Tech. Vervolgens wordt een analyse van de DMA en de implicaties hiervan voor zogeheten poortwachters gegeven.

Klassieke mededingingstoezicht op Big Tech bedrijven

De handhaving van het mededingingsrecht jegens Big Tech bedrijven heeft zowel de Commissie als de nationale mededingingsautoriteiten de afgelopen jaren flink bezig gehouden.

Hoewel de Commissie zich aanvankelijk relatief passief opstelde tegenover Big Tech, lijkt haar Google Android besluit uit 2018 een belangrijk startschot te zijn geweest voor de handhaving van (EU) mededingingsrecht ten opzichte van Big Tech. De Commissie concludeerde in deze zaak dat Google misbruik had gemaakt van haar machtspositie door de Google Search-app te koppelen aan de Android appstore. Niet alleen legde de Commissie een gigantische boete op aan Google van € 4,3 miljard (de hoogste boete die de Europese Commissie ooit heeft opgelegd), maar zij stelde ook richtsnoeren vast voor de beoordeling van dominantie in het mobiele ecosysteem.

Margrethe Verstager, Eurocommissaris voor Mededinging, gaf aan dat het haar missie werd om de opkomst van steeds machtigere digitale platforms tegen te gaan. Het duurde vervolgens ook niet lang voordat de Commissie twee formele onderzoeken naar Amazon startte.

Het eerste onderzoek betrof het gebruik door Amazon van data van marktplaatsverkopers. Volgens de Commissie kan Amazon door dergelijke niet-openbare data te gebruiken, de normale risico’s van concurrentie in detailhandel omzeilen. Zo verstevigt Amazon haar machtspositie op de markt. Het tweede onderzoek betrof de praktijken van Amazon met betrekking tot haar “Buy Box” en “Prime” label. Hiermee kan het haar eigen detailhandelsaanbiedingen voortrekken alsook de aanbiedingen van andere marktplaatsverkopers die de logistieke en bezorgservice van Amazon afnemen. Deze kunnen dan worden bevoordeeld ten opzichte van derde verkopende partijen. Wanneer digitale platforms een dergelijke dubbele rol hebben – zowel als platformaanbieder voor zakelijke gebruikers als detailhandelaar die concurreert met die zakelijke gebruikers – hebben zij een prikkel om zichzelf voor te trekken.

In juni 2020, nadat Spotify een klacht had ingediend over de regels die Apple hanteert voor de distributie van apps via de App Store, startte de Commissie een formeel onderzoek. Op 30 april 2021 publiceerde de Commissie de voorlopige bevinding dat Apple haar machtspositie misbruikt door app-ontwikkelaars verplicht gebruik te laten maken van Apple’s eigen systeem voor in-app-aankopen.

De Commissie startte daarnaast een parallel onderzoek naar Apple Pay, Apple’s mobiele betaalapp. De Commissie vreest dat de voorwaarden van Apple met betrekking tot de integratie van Apple Pay kunnen leiden tot concurrentieverstoring en beperking van keuze en innovatie. Andere betaaloplossingen kunnen namelijk geen toegang krijgen tot de technologie voor betaalchips die in mobiele iOS-apparaten is ingebouwd.

Ten slotte heeft Epic Games, de maker van het wereldwijde hit-spel Fortnite, dit jaar officieel een klacht ingediend bij de Commissie. Eerder heeft Epic Games al procedures tegen Apple gestart in de VS, Australië en het VK. Epic Games meent dat Apple de markt voor app-distributie en de markt voor iOS in-app betalingsverwerking afschermt, waardoor Apple een hogere commissie kan vragen.

Ook op nationaal niveau zijn digitale platforms het voorwerp geweest van mededingingsrechtelijke onderzoeken. Het Bundeskartellamt (“Bka”) was hierin erg actief. Zo heeft het Bka in 2015 een besluit genomen waarin het Booking.com verbiedt om nog langer “Best price”-clausules toe te passen (zie voor meer informatie over dit besluit van het Bka onze blog over MFNs).

Een andere zaak van het Bka met betrekking tot Big Tech dateert uit 2019. In dit besluit kwam de Duitse mededingingsautoriteit tot de conclusie dat Facebook haar dominante positie op de markt van sociale netwerken misbruikt door het excessief verzamelen en combineren van gebruikersdata zonder toestemming van haar gebruikers.

In april 2021 heeft het Bka een klacht over Apple ontvangen van negen verenigingen uit de Duitse media-, internet- en reclame-industrie. Zij stellen dat de iPhone-maker misbruik maakt van haar dominante positie met haar onlangs geïntroduceerde App Tracking Transparency-programma. Deze functie op iOS verplicht apps om toestemming te vragen aan gebruikers voor het verzamelen van hun data. De klagers menen echter dat Apple zelf daarentegen wel nog steeds aanzienlijke hoeveelheden gebruikersgegevens kan verzamelen.

Daarnaast heeft de Autoriteit Consument en Markt (“ACM”) een diepgaand onderzoek verricht naar de markt voor mobiele appwinkels en de implicaties daarvan voor de mededinging. Uit dit onderzoek blijkt dat het gebrek aan alternatieven voor Apple’s App Store en Google’s Play Store hen – in ieder geval in theorie – in een positie brengt om oneerlijke voorwaarden te kunnen stellen. De ACM onderzoekt nu of Apple via haar App Store haar machtspositie misbruikt door het hanteren van bepaalde voorwaarden voor app-aanbieders die niet met apps van Apple concurreren.

Ex-ante interventie nodig?

Mededingingsautoriteiten in de EU blijken dus welwillend te zijn om op te treden tegen concurrentieverstoringen door Big Tech. Gezien de (juridische en feitelijke) complexiteit en lengte van de onderzoeken, duurt het echter vaak lang voordat een sanctie kan worden opgelegd. De (gepercipieerde) schade al is dan al vaak aangericht. De vraag rijst dus of deze maatregelen de concurrentie tijdig en effectief kunnen herstellen. In het licht van ‘voorkomen is beter dan genezen’, is in december 2020 de DMA voorgesteld. Hiermee wil de Commissie voorkomen dat concurrentiebeperkende effecten op de digitale markt tot uiting komen.

Definitie van “Poortwachters”

De werking van de DMA is beperkt tot poortwachter-platforms. Een poortwachter is een aanbieder van een kernplatformdienst met een significante impact op de interne markt, zoals onder andere online bemiddelingsdiensten (bv. appwinkels, Amazon), online zoekdiensten (bv. Google), sociale netwerken (bv. Facebook), platformdiensten voor het delen van video’s (bv. TikTok), nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten (bv. WhatsApp) en besturingssystemen (bv. iOS, Android).

De DMA is alleen van toepassing op poortwachters die aan de volgende cumulatieve drempels voldoen:

  • Een jaaromzet in de EER die gelijk aan of hoger is dan € 6,5 miljard in de laatste drie boekjaren of een gemiddelde marktkapitalisatie die in het laatste boekjaar ten minste € 65 miljard bedroeg.
  • Meer dan 45 miljoen maandelijks actieve eindgebruikers in de EU en meer dan 10.000 jaarlijks actieve zakelijke gebruikers (bv. adverteerders en/of retailers) in de EU – gerekend over het verloop van het laatste boekjaar.

Het platform moet de Commissie zelf informeren als het aan deze drempels voldoet en dus mogelijk als poortwachter kan worden aangemerkt (notificatieplicht). De Commissie behoudt het recht om aanbieders van kernplatforms proactief als poortwachter aan te wijzen wanneer zij aan de bovengenoemde voorwaarden voldoen, ook indien zij (nog) geen formele kennisgeving van het platform heeft ontvangen.

Verplichtingen voor poortwachters

Zodra een platformaanbieder als poortwachter kwalificeert (al dan niet als zodanig wordt aangewezen door de Commissie), moet het voldoen aan bepaalde verplichtingen zoals opgesomd in artikel 5 en 6 van de DMA. Sommige van deze verplichtingen zien op (soortgelijke) gedragingen die de afgelopen jaren aanleiding vormden voor veel mededingingszaken met betrekking tot Big Tech. In de DMA is ook een bepaling opgenomen die de bevoegdheid voor de Commissie creëert om de lijst van verplichtingen te updaten naar aanleiding van marktonderzoeken (artikel 10 DMA). Dit maakt de DMA flexibel en daarmee geschikt om in te zetten in dynamische en door innovatie gedreven markten.

Een aantal voorgestelde verplichtingen zijn:

  • Persoonsgegevens van derden: Poortwachters moeten afzien van het zonder toestemming van gebruikers combineren van persoonsgegevens afkomstig van hun eigen diensten met persoonsgegevens afkomstig van andere aangeboden diensten, ofwel van henzelf ofwel van derden (Artikel 5(a) DMA). Het Bka besloot dit al in 2019 na haar onderzoek naar Facebook.
  • MFN/pariteitsclausules: Poortwachters moeten zakelijke gebruikers in staat stellen dezelfde producten of diensten aan eindgebruikers aan te bieden via online platformen van derden onder afwijkende voorwaarden dan die van het platform van de poortwachter (artikel 5(b) DMA). De zaken omtrent de Amazon e-books en Booking.com zagen op dit soort gedragingen.
  • Anti-sturingsverbod: Poortwachters moeten het mogelijk maken voor zakelijke gebruikers om hun producten te promoten in apps die zijn aangeschaft via de kerndienst van het platform, zoals de App Store van Apple (artikel 5(c) DMA). Zakelijke gebruikers moeten contracten met hun gebruikers kunnen afsluiten ongeacht of zij de kernplatformdiensten van de poortwachter gebruiken. Dit zorgt er bijvoorbeeld voor dat Epic Games in-app producten kan aanbieden en verkopen via haar eigen kanaal, in plaats van uitsluitend via het Apple in-app-aankoopsysteem.
  • Openstellen van besturingssystemen voor derden: Poortwachters moeten apps en appstores van derden toelaten binnen het besturingssysteem van het toestel. Dergelijke plannen staan tevens centraal in het onderzoek van de Commissie naar de Apple App Store. Volgens de ACM’s marktstudie hebben appstores van derden momenteel te maken met vele technische en financiële belemmeringen. De DMA laat het wel toe dat poortwachters proportionele maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat softwaretoepassingen van derden de integriteit van het besturingssysteem van de poortwachter niet in gevaar brengen.
  • Verbod op bundeling: Poortwachters mogen hun verschillende platformdiensten niet langer bundelen (artikel 5(f) DMA). Tot deze conclusie kwam de Commissie ook in de Google Android zaak.
  • Niet-openbare gegevens: Poortwachters moeten zich, in concurrentie met zakelijke gebruikers, onthouden van het gebruik van niet-openbare gegevens die gegenereerd worden door activiteiten van hun zakelijke gebruikers (artikel 6(a) DMA). Zulke gedragingen worden door de Commissie onderzocht met betrekking tot de Amazon Marketplace.
  • Zelf-voorkeur: Poortwachters mogen eigen producten en diensten geen gunstigere behandeling geven dan die van derden (artikel 6(d) DMA). Het lopende onderzoek naar Amazon’s “Buy Box”-optie is hier een voorbeeld van.

Indien poortwachters zich niet aan deze verplichtingen houden, kan de Commissie boetes opleggen van maximaal 10% van de wereldwijde jaaromzet van de poortwachter. Tevens kunnen dwangsommen opgelegd worden van 5% van de gemiddelde dagelijkse omzet van de poortwachter. Tot slot heeft de Commissie de bevoegdheid om structurele en gedragsmaatregelen te nemen wanneer zij na een marktonderzoek vaststelt dat een poortwachter systematische haar verplichtingen uit de DMA schendt. Denk bijvoorbeeld aan het verplicht afstoten van (een deel van) een onderneming.

Bevoegdheden voor nationale mededingingsautoriteiten

De handhaving van de DMA zal in principe bij de Commissie komen te liggen. Nationale mededingingsautoriteiten willen echter ook een (grotere) rol hierin krijgen. De voorzitters van de nationale mededingingsautoriteiten in de EU stellen in hun zienswijze dat zij een complementaire handhavingsrol moeten krijgen onder de DMA. Zij stellen dat hun kennis en kunde de handhaving van de DMA effectiever en sneller zal maken. Of de nationale mededingingsautoriteiten uiteindelijk ook een rol krijgen toebedeeld in de handhaving van de DMA is op dit moment nog onduidelijk.

Conclusie

De DMA zal, als eenmaal in werking getreden, de belichaming vormen van de verschuiving van ex-post handhaving naar een ex-ante regulerende aanpak. Hiermee poogt de Commissie de concurrentie in het Big Tech landschap te verbeteren. Dit kan een significante impact hebben op de bedrijfsvoering van poortwachters binnen de EU.

De DMA is op dit moment echter nog slechts een wetsvoorstel. Gezien de reikwijdte en verwachte impact van de DMA, zal er nog veel over gediscussieerd worden. Het is dus nog onzeker hoe de DMA er uiteindelijk, bij zijn inwerkingtreding na 2023, uit komt te zien.

Bij vragen kunt u contact opnemen ment Bas Braeken, Jade Versteeg, of Timo Hieselaar.

 

Visie

Update on the transposition of the EU Directive on representative actions for consumers into Dutch law

At the beginning of the year, we published an article with regard to the ‘Directive on representative actions for the protection of the collective interests of consumers’. This Directive aims to ensure that Member States put in place at least one effective and efficient collective redress procedure that allows ‘qualified entities’ to bring representative actions to protect the collective interests of consumers.

Qualified entities are representative organizations (in particular consumer organisations) or public bodies which have been designated as a ‘qualified entity’ by a Member State. To be designated as a qualified entity, a representative organization must meet the criteria as laid down in the Directive. The qualified entities are written down on a list held by the European Commission. Inclusion on this list serves as proof that a representative organization is qualified to bring a case before a court in another Member State.

The Netherlands already has an effective system of collective redress with the Act on Redress of Mass Damages in Collective Action (“WAMCA”). As we predicted in our previous article, the preliminary draft of the proposed transposition of the Directive in the Netherlands showed that the WAMCA will only need slight amendments. This draft was presented by the Minister for Legal Protection on May 1, 2021. In this blog we will highlight a few of the proposed amendments from the preliminary draft.

Informed consumers

Representative organizations must provide information, in particular on their website, about ongoing representative actions (Article 13(1, 2) Directive). With this information, consumers are able to make a better informed decision about whether they wish to participate in a representative action and to take the necessary steps in a timely manner.

The WAMCA already obliges representative organizations to publish information on their website about the status of pending proceedings (Article 3:305a(2)(d) DCC). The Directive adds the requirement that representative organizations need to publish information about the results of any pending actions (Article 13(1)(c) Directive). The draft incorporates this requirement in Article 3:305a(2)(d) DCC).

Conflict of interest restrictions

A substantial number of collective actions are funded by commercial third parties. Third party litigation funding enables consumers to obtain redress when they do not have the financial means to do so. The good news is that funding by third parties is not excluded by the Directive. The Directive, however, does impose restrictions to avoid conflicts of interest between a funder and the representative organization (Article 10(2)(b) Directive). For example, Member States must ensure that class actions cannot be brought against a defendant that is a competitor of the funder or against a defendant on whom the funder is dependent. This restriction is now included in Article 3:305a(2)(c) DCC.

Cross-border actions before the Dutch Court

If a qualified entity in another Member State brings a case before the Dutch court, the court is not allowed to review all WAMCA requirements of Article 3:305a DCC. The court is only allowed to review the requirements that relate to the claim and the specific procedure (Article 6 Directive). The court can for example still assess whether the statutory purpose of the representative organization allows it to institute a specific collective action (Article 6(3) Directive). The court is also allowed to test whether the qualified entity has sufficient means to bear the costs of initiating a specific collective action (Article 10 Directive). These requirements for a specific collective action cannot be assessed in advance. At the time of the designation of the representative organization as ‘qualified entity’ by another Member State, it may not be clear which specific actions will be initiated. The draft proposes to amend Article 3:305c DCC to reflect the foregoing.

Cross-border actions in another Member State

A Dutch qualified entity can also bring an action in another Member State. For a representative organization to be designated as a qualified entity for the purpose of bringing cross-border representative actions, that entity must comply with the following criteria of the Directive (Article 4(3) Directive):

  1. it can demonstrate 12 months of actual public activity in the protection of consumer interests prior to its request for designation;
  2. it is not the subject of insolvency proceedings and is not declared insolvent;
  3. it makes publicly available certain information, in particular on its website;
  4. it is a legal person that is constituted in accordance with the national law of its Member State;
  5. it has a legitimate interest in consumer protections according to its articles;
  6. it has a non-profit-making character; and
  7. it is independent and not influenced by persons other than consumers.

The first three requirements were not (all) included in the WAMCA. For this situation Article 3:305e DCC is introduced. Article 3:305e DCC adds these three requirements from the Directive.

Firstly, the representative organization must prove that it has been publicly active in the area of protection of consumer interests for 12 months (Article 4(3)(a) Directive, Article 3:305e(2)(a) DCC). The Minister of Legal Protection explicitly states this requirement is not applicable with regard to domestic actions. This means that representative organizations that have been set up especially for the purpose of a specific action (ad hoc entities) are still permitted in domestic actions in the Netherlands. This is positive news as ad hoc entities make an effective contribution to access the right to collective actions for consumers.

Secondly, an additional requirement is placed on the representative organization to not be the subject of insolvency proceedings and not to be declared insolvent (Article 4(3)(d) Directive, Article 3:305e(2)(b) DCC).

Thirdly, information about the sources of the funding of a representative organization in general must be made publically available (Article 4(3)(e) Directive, Article 3:305e(2)(c) DCC). For example, the standard annual contribution that is paid to a representative organization by its members that is separate from a specific collective action, or a government subsidy. The WAMCA already included other information that needed to be publicly available on the website of the representative organization in line with the Directive (Article 3:305a(2) DCC).

Opt-in for foreign consumers

The Directive stipulates that Member States should provide for an opt-in mechanism, or an opt-out mechanism, or a combination of the two. Consumers domiciled in a Member State other than the Member State in which the collective action is brought, can however only be bound by the outcome of a collective action if they explicitly agree to it (opt-in). The present Article 1018f(5) DCCP formulates an exception to this opt-in rule. The Directive does not allow this exception (Article 9(3) Directive). The Minister of Legal Protection therefore proposed to amend Article 1018f(5) DCCP in line with the Directive.

We foresee some complications with this amendment and the opt-in mechanism. It could for instance be difficult to reach out to foreign consumers as it would take a lot of effort and investments from a representative organization to get into contact with these consumers and help them to join the collective action in a Member State other than the Member State in which they are domiciled. This could lead to the outcome that the group of foreign consumers is smaller than under an opt-out mechanism. With an opt-out model foreign consumers will be included in the procedure, unless they opt-out, so that the defendant is better confronted with the losses he has caused. An opt-out regime also reduces the barriers for consumers to participate in a collective action allowing them to receive compensation.

Contact

For questions or comments, please contact Michelle Krekels.

Visie

Life Sciences: Contracts and Dispute Resolution

Manufacturing and distributing products in the life sciences sector is complex and challenging. Life sciences companies frequently engage in cross-border partnerships and collaborations. Under these circumstances, international disputes often arise. Supply chain interruptions, differences in expectations, changes in direction and environment, can affect long-term collaboration. However, there are various options for resolving disputes.

Renegotiation and Settlement

If there is a long-term collaboration between parties, it might be preferred to reach an amicable settlement. Most companies in the life sciences industry include some form of negotiation in their contracts as a first dispute resolution step. Parties can try to find an amicable solution for the remainder of the term of the contract, before escalating the dispute to ligation or arbitration.

Also the need to keep disputes confidential (if inventions, know-how and reputation reasons are involved) can be an incentive to renegotiate the contract and reach a settlement. If a settlement is found, this can preserve the business relationship and provide a sustainable solution for the future.

Mediation

Mediation is a useful tool when the dispute involves some kind of long-term business relationship. Parties may be close competitors, partners in a long-term project or parties to a long-term contract. An increasing number of life sciences companies provide for mediation in their contracts as a dispute resolution step. Mediation is private and confidential, which is often the reason why parties choose for mediation.

Mediation is a similar process to negotiating a settlement. The key difference between negotiation and mediation is that the latter is conducted with the assistance of a neutral third party (the mediator). The mediator assists the parties in reaching a voluntary settlement.

Arbitration

For disputes in the life sciences industry, the most common form of dispute resolution is arbitration. One of the advantages of choosing arbitration for the resolution of disputes is that the parties to the dispute can provide that the procedure and result of the proceedings remain confidential. This is critical for life sciences disputes that often involve commercially sensitive information. Arbitration also tends to be quicker than court proceedings.

Furthermore, arbitration is useful when the dispute is technically complex and has to be decided by an expert. Business relationships in the life sciences industry often involve complex scientific, technological, or regulatory issues. Effective dispute resolution therefore requires special expertise. This is particularly true for contracts relating to the production and marketing of products, and licensing. In such case, arbitration provides a solution as an arbitrator generally has a professional background in the same field as the dispute.

Another advantage that arbitration may present for the resolution of disputes in the life sciences sector is that multinational litigation can be prevented. Life sciences contracts often involve parties from different countries, which increases the risk of multinational litigation. Companies may need to seek the enforcement of decisions in several foreign countries. This is not necessary if the parties involved choose to solve their dispute through arbitration. The dispute can then be settled by one arbitration instead of several proceedings spread over several countries.

Litigation

Litigation is more familiar to many companies than arbitration and has several advantages for the resolution of life sciences disputes. Litigation is preferable if a party wants to establish a legal precedent or obtain a public decision for future disputes. In the Netherlands, litigation is also a good choice for disputes, as courts generally have procedures in place to deal with disputes quickly and effectively.

Contact

For questions, please contact Michelle Krekels.

Visie

Healthcare Litigation Update

Today, 26 May 2021, is an important day for the medical technology sector, as the new European regulation on medical devices comes into force. This Healthcare Litigation Update sets out these and other regulatory and enforcement developments that may impact healthcare and life sciences business in the Netherlands. In addition to the MDR, we discuss topical subjects such as actions against COVID-19 related off-label prescriptions, a proposal to lay down the Healthcare Transparency Register in an Act, and the setting of fines by the Dutch Healthcare Authority.

Entry into force of European regulation on medical devices

On 5 May 2017 the new European Regulations on Medical Devices (Regulation (EU) 2017/745) and In-Vitro Diagnostics (Regulation (EU) 2017/746) were published. Both regulations entered into force on 25 May 2017. The transitional period of the Regulation on In-Vitro Diagnostics ends next year on 26 May 2022. The transitional period of the Regulation on Medical Devices ends today on 26 May 2021 and the new rules will enter into force.

The new rules will affect manufacturers, importers and distributors of medical devices but also healthcare institutions, healthcare providers and (indirectly) patients.

Together with the new Regulations, the European resource database EUDAMED will be expanded. Manufacturers, importers and other market participants must register with EUDAMED in order to receive a unique registration number (SRN). This SRN number is required for example request a conformity assessment from a notified body or to make mandatory reports of incidents or corrective actions on.

The Regulations will have direct effect in the Netherlands. Additional rules such as those regulating enforcement authority will be laid down in the Medical Devices Act (Wet medische hulpmiddelen) that replaces the old Medical Devices Act (Wet op de medische hulpmiddelen) and also enters into force today, on 26 May 2021.

The Inspectorate for Health and Youth Care (Inspectie Gezondsheidszorg en Jeugd ‘IGJ’) is appointed as the regulatory authority to supervise the Medical Devices Act. The IGJ is authorized to impose fines up to an amount of € 870.000 or if higher max. 10% of the company’s revenue in the previous year for non-compliance with the regulations on medical devices. The actual amount of a fine will be based on different factors, such as the nature of the product/risk class of the medical device or IVD, severity, duration and scope of the violation and whether or not inducements were involved.

One of the subjects that is not regulated as such in the new European Medical Devices Regulation, but for which the Dutch legislator has determined to lay down rules, concerns the improper influence of healthcare professionals, or in other words inducements. These rules on gifts, hospitality, bonuses, contributions to meetings and remuneration of services were already part of the old Medical Devices Act and will also remain anchored under the new (and now present) Dutch Medical Devices Act.

In addition a Dutch Regulation on Medical Devices will be implemented, containing i.a. rules about the language used in certain documents, the cost of an export declaration and the requirement for manufacturers of custom-made devices to submit a list of the types of custom-made devices they provide.

Fines for treating Covid-19 with hydroxylchloroquine and ivermectin

Since the start of the pandemic, the Inspectorate for Health and Youth Care (Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd “IGJ”) that supervises the quality and safety of the healthcare market continues to receive notifications about medical practitioners who prescribe hydroxychloroquine and ivermectin, medicinal products for i.a. malaria and rheumatism.

The IGJ intends to impose administrative fines on these practitioners as these medicines are considered to be ineffective against Covid-19 and can cause serious side effects such as cardiac arrhythmias. Such fines can amount to a maximum of € 150,000.

In principle, medicines may only be prescribed for the condition for which they have been authorized or for scientific clinical research. Any off-label prescription of medicines is pursuant to the Medicines Act (Geneesmiddelenwet) only allowed if provided for by professional guidelines and must meet a number of strict requirements.

According to the IGJ, a medical practitioner:

  • must prescribe for an individual patient;
  • must follow the clinical practice guidelines of the profession. If there is no guideline, the medical practitioner must consult with the pharmacist about prescribing the medicine off-label;
  • must determine whether another acceptable treatment is possible with a medicine that is registered for the specific complaints;
  • must make a good assessment between any risks and the usefulness of the off-label medicine;
  • must inform the patient that he is being prescribed an off-label treatment. The patient must also consent to this treatment, and
  • the prescribing medical practitioner should also consult with the primary doctor before prescribing off-label.

It is expected that fines will be imposed in relation to (hydroxy)chloroquine and ivermectin to treat Covid-19, as the IGJ finds that these medicinal products do not meet the conditions for off-label prescription.

An Act on the Healthcare Transparency Register?

On 9 February 2021, the Dutch Council of State (Raad van State) published a critical opinion on the legislative proposal to lay down the Healthcare Transparency Register by law. This proposal was submitted to the House of Representatives in 2020.

The Healthcare Transparency Register that is currently based on self-regulation of the pharmaceutical and medical device industry, collects information on payments that healthcare providers, healthcare institutions and patient organizations receive from suppliers of medicines and medical devices. This concerns, for example, reimbursements for knowledge input in specific care questions or care projects. If as supplier pays more than €500 to a healthcare provider or healthcare institution in a year, the supplier must report this to the Register.

The legislative proposal provides for more information to be included in the Register and more financial relationships to be reported including all transactions over € 50. The Central Information Unit on Healthcare Professions (Centraal Informatiepunt Beroepen Gezondheidszorg ‘CIBG’) is to manage the Register and the Inspectorate for Health and Youth Care (Inspectie Gezondsheidszorg en Jeugd ‘IGJ’) will enforce it.

According to the Council of State’s opinion, the proposal provides insufficient justification why it is necessary to lay down the self-regulatory register by law. Furthermore, it doubts the usefulness of the obligation to notify all transactions over € 50, because there will be such a large increase in information that there will be actually less insight into the transactions that do pose a considerable risk of undesirable influence. Also sufficiently substantiated regulation for the processing of personal data is missing according to the Council of State.

Only after consultation and adjustment of the legislative proposal, the Council of State advises to discuss the proposal in the House of Representatives. So for now, the industry is to provide transparency on financial relations through the self-regulatory register.

Dutch Healthcare Authority imposes € 270,000 fine

The number of regulatory measures that the Dutch Healthcare Authority (Nederlandse Zorg autoriteit) imposes is relatively limited. The first measure of this year is a fine of € 270,000 for a healthcare provider in Utrecht for incomplete administration and thus a breach of the Health Care Market Regulation Act (Wet marktordening gezondheidszorg).

The fine was solely imposed on the actual director of the care provider (100% owner and sole shareholder), because the care provider and the holding company were dissolved by the director two days after he became aware of the unannounced investigation of the NZa.

Administrative fines in the medical sector are set with a view to the statutory maximum, fining policy rules and the general principles of good governance.

Based on the policy rules, the amount of the fine will relate to a few factors:

  • Gravity of the offence (i.a. extent, duration, scope);
  • Context of the offence (i.a. economic context, significant market power, irreversibility of the consequences, damages consumer);
  • Financial capacity of the offender.

Also potential fine-reducing or fine-increasing circumstances will be taken into consideration.

  • Fine-reducing circumstances can among other things be:
    • Ending of the offence on the offender’s own accord (especially before announced investigation);
    • Report of the offence on the offender’s own initiative;
    • Offer compensation to the injured party on the offender’s own initiative;
    • Extensive cooperation with investigation of the authority.
  • Fine-increasing circumstances can among other things be:
    • Repetition of an offence by the same offender;
    • Incitement to an offence;
    • Obstruction of the investigation.

Whether or not the NZa imposed the fine with good reason and correctly applied these various factors in determining the fine, may be submitted to a court to review.

 

 

Visie

Mededingingsrecht en M&A: navigeren door een mijnenveld

Het (Europees) concentratietoezicht is in volle ontwikkeling. De Europese Commissie (“Commissie”) treedt de laatste jaren hard op tegen overtredingen van de Concentratieverordening (“CoVo”).

Indien concentraties aan bepaalde omzetdrempels voldoen, hebben de betrokken ondernemingen een meldplicht (artikel 4 CoVo). De betrokken ondernemingen mogen vervolgens geen uitvoer geven aan de concentratie totdat de bevoegde autoriteit goedkeuring heeft verleend voor de concentratie. Dit is de standstillverplichting (artikel 7 CoVo).

Er wordt streng gehandhaafd op schendingen van de meld- en standstillverplichting – het zogeheten ‘gun-jumping’. Het is dus van belang om te weten wat mededingingsrechtelijk wel en niet toegestaan is bij (de voorbereiding van) een concentratie. Deze blog geeft een overzicht van recente rechtsontwikkelingen en maakt duidelijk wat fuserende partijen kunnen doen voorafgaand aan een transactie om gun-jumping te voorkomen.

Onverwacht zeggenschap?

Indien een onderneming het voornemen heeft om zeggenschap te verkrijgen over een andere onderneming, dient de verkrijgende partij dit te melden mits aan de omzetdrempels is voldaan. Het is echter niet altijd duidelijk wanneer er sprake is van zeggenschap. Zo verkreeg de Noorse viskweker Marine Harvest (nu Mowi) in 2012 48,5% van de aandelen in haar concurrent Morpol. Dit werd aan de Commissie gemeld met de mededeling dat de stemrechten door Marine Harvest niet zouden worden uitgeoefend totdat goedkeuring zou zijn verleend door de Commissie. Voorafgaand aan de melding deed Marine Harvest een openbaar bod op de resterende aandelen in Morpol. Deze transactie werd gemeld bij de Commissie, die vervolgens oordeelde dat de meld- en standstillverplichting waren geschonden omdat Marine Harvest al de facto zeggenschap had verkregen bij de overname van 48,5% van de aandelen in Morpol. De Commissie kwam tot deze conclusie door de gebruikelijke aanwezigheid van aandeelhouders bij eerdere aandeelhoudervergaderingen te controleren. Op basis daarvan stelde de Commissie vast dat Marine Harvest met 48,5% een meerderheid vormde onder de aandeelhouders en dus zeggenschap kon uitoefenen.

Marine Harvest kreeg een boete opgelegd van €10 miljoen voor het schenden van de meldingsplicht en nog eens €10 miljoen wegens schending van de standstillverplichting. Hoewel dit twee kanten van dezelfde medaille lijken, betreft het twee te onderscheiden verplichtingen waarvoor de Commissie afzonderlijke boetes kan opleggen. Er is dus geen sprake van een schending van het ne bis in idem-beginsel. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (“HvJEU”) hield de boetes in stand en oordeelde dat het in dit geval niet uitmaakte dat Marine Harvest de stemrechten niet had uitgeoefend omdat er al vóór het openbare bod de facto uitsluitende zeggenschap was verkregen.

Zeggenschap of gebruikelijke beschermingsrechten?

In februari 2015 meldde het telecombedrijf Altice een voorgenomen overname van PT Portugal, waarvoor de Commissie in april 2015 voorwaardelijke goedkeuring verleende. Later bleek echter dat Altice al beslissende invloed kon uitoefenen vóórdat de overname was goedgekeurd. De overnameovereenkomst gaf het telecombedrijf namelijk al vetorechten ten aanzien van het aanstellen van het senior management, prijsbeleid en diverse belangrijke contracten.

Hoewel de verkrijgende onderneming de waarde van de (aandelen in de) doelonderneming mag beschermen, mag zij geen zeggenschap uitoefenen die buiten de normale bedrijfsvoering gaan voordat goedkeuring voor de concentratie is verleend. Factoren die relevant zijn bij de beoordeling of het gaat om de normale bedrijfsvoering zijn (i) de mate van betrokkenheid van de verkrijgende partij bij de dagelijkse bedrijfsvoering, (ii) de aard van de maatregelen in de overeenkomst ten gunste van de verkrijgende onderneming, en (iii) de geldelijke drempels voor het uitoefenen van een veto ten opzichte van de waarde van de target of aankoopprijs. Wanneer deze drempels erg laag zijn, zal sneller sprake zijn van de uitoefening van zeggenschap.

In dit geval oefende Altice al voorafgaand aan de melding zeggenschap uit door haar betrokkenheid bij de onderhandelingsstrategie van PT Portugal en de keuze voor leveranciers en bepaalde tv-kanalen. Op basis daarvan legde de Commissie in april 2018 een boete van €124,5 miljoen aan Altice op voor gun-jumping, waarvan €62,25 miljoen voor het schenden van de meldingsplicht van artikel 4 CoVo en €62,25 miljoen voor het schending van de standstillverplichting van artikel 7 CoVo.

Op 8 november 2016 kreeg Altice opnieuw een boete opgelegd van €80 miljoen voor gun-jumping, ditmaal door de Franse mededingingsautoriteit. Altice meldde in 2014 de voorgenomen overname van twee telecombedrijven, SFR en OTL, door haar dochteronderneming Numericable. De Franse mededingingsautoriteit was een onderzoek gestart naar gun-jumping, waaruit bleek dat Altice al voor de goedkeuring van de concentratie toegang had tot strategische informatie van en beslissende invloed kon uitoefenen over beide bedrijven. Altice had dus al zeggenschap verkregen voorafgaand aan enige goedkeuring van de concentratie, waardoor zij zich schuldig maakte aan gun-jumping.

Onlosmakelijke stap voor transactie leidt niet per se tot zeggenschap

Een voorbeeld van een situatie waarin géén zeggenschap was verkregen door de kopende onderneming betrof de voorgenomen concentratie tussen KPMG Denemarken en EY. De consultancykantoren sloten op 18 november 2013 een fusieovereenkomst. Aangezien de Deense vestiging van KMPG nog een samenwerkingsovereenkomst had met de KPMG groep, werd deze – nota bene op diezelfde dag –opgezegd. De Deense mededingingsautoriteit keurde de concentratie eind mei 2014 vervolgens goed, maar stelde (in december 2014) dat het onvoorwaardelijk en onherroepelijk opzeggen van de samenwerkingsovereenkomst met de KPMG Groep voordat de concentratie was goedgekeurd kon worden beschouwd als een handeling in strijd met de standstillverplichting. Het HvJEU was het hier niet mee eens en concludeerde dat de opzegging van de samenwerkingsovereenkomst niet leidt tot een wijziging in de zeggenschap van KPMG Denemarken, zelfs niet indien deze opzegging onlosmakelijk verband houdt met de concentratie en een voorbereidende of neventransactie van deze concentratie kan vormen. Volgens het HvJEU vallen transacties die niet leiden tot een wijziging van de zeggenschap, niet onder artikel 7 CoVo.

Transacties bestaande uit meerdere stappen

Uit het Commissiebesluit inzake de overname van Toshiba Medical Systems Corporation (“TMSC”) door Canon blijkt dat de meld- en standstillverplichting ook geldt voor zogeheten ‘special purpose vehicles’. Canon wilde TMSC overnemen door middel van een ‘warenhuisconstructie’. Er werd een special purpose vehicle opgericht dat 95% van de aandelen in TMSC verwierf voor €800. Canon verwierf vervolgens 5% van de aandelen voor €5,28 miljard en verkreeg een aandelenoptie op de overige aandelen. De voorgenomen overname werd vervolgens op 12 augustus 2016 gemeld bij de Commissie. Na goedkeuring van de Commissie werden de overige 95% van de aandelen overgenomen. De Commissie startte in juli 2017 een onderzoek naar deze constructie. Zij kwam tot de conclusie dat een transactie waarbij een tussentijdse koper – het special purpose vehicle – zeggenschap verkrijgt totdat de onderneming verkocht zal worden aan de uiteindelijke verkoper, kan worden gezien als de eerste stap van de (uiteindelijke) transactie. De voorbereidende stap droeg immers als zodanig bij aan de zeggenschapsverkrijging van Canon over TMSC, waardoor voorafgaand aan deze eerste stap al diende te worden gemeld. Nu dit niet was gebeurd, legde de Commissie een boete op aan Canon van €28 miljoen.

Een andere type tweetrapsraket werd gebruikt door het Franse bedrijf Veolia. Veolia, actief in de water, afvalverwerking en energiesector, wilde zeggenschap over Suez verkrijgen door middel van twee stappen. Eerst verkreeg zij op 6 oktober 2020 29,9% van de aandelen in Suez van energiebedrijf ENGIE. De tweede stap zag op het doen van een openbaar bod op de overige aandelen in Suez. Suez meende dat deze twee stappen als één transactie moesten worden beschouwd en dat daarom Veolia de transactie voor de verkrijging van de aandelen had moeten melden. De Commissie ging mee in de stelling dat het één transactie betrof en dat de twee stappen afhankelijk van elkaar waren; het openbare bod zou nooit gekomen zijn zonder de voorgaande aandelenverwerving van ENGIE. De Commissie stelde echter dat beide stappen onder de uitzondering artikel 7(2) CoVo vielen.

Artikel 7(2) CoVo voorziet in een uitzondering op deze standstillverplichting voor twee soorten transacties: een openbaar bod en een reeks aandelentransacties waarbij zeggenschap wordt verkregen van meerdere verkopende partijen. De concentratie moet dan echter wel direct worden gemeld bij de Commissie en de verkrijger mag de stemrechten niet uitoefenen. De Commissie beschouwde dat de uitzondering van artikel 7(2) CoVo ten aanzien van het openbaar bod óók van toepassing was op de eerste stap van de concentratie – de verkrijging van 29,9% van de aandelen in Suez.

Het besluit van de Commissie is in lijn met het oordeel van het Europees Gerecht in Marine Harvest. Het Gerecht concludeerde namelijk dat het mogelijk is dat de verwerving van een minderheidsbelang, waarbij nog geen zeggenschap over de doelonderneming wordt verkregen, gevolgd door een openbaar overnamebod, deel uitmaakt van één concentratie die binnen de werkingssfeer van artikel 7(2) CoVo valt.

Het verschil tussen Marine Harvest en Veolia/Suez is dat in de eerstgenoemde situatie al de facto zeggenschap was verkregen bij de eerste stap, namelijk door de overname van 48,5% van de aandelen in Morpol. Daarvan was met een belang van 29,9% geen sprake bij Veolia. De standstillverplichting is dus alleen geschonden indien de eerste stap al leidt tot een zeggenschapsverkrijging. Hoewel Suez beroep heeft ingesteld tegen het besluit van de Commissie, lijkt dit geen doorgang te vinden nu Veolia en Suez op 12 april tot een fusieovereenkomst zijn gekomen.

Lessen voor de toekomst

Uit bovenstaande jurisprudentie blijkt dat de volgende punten van belang zijn bij de voorbereiding van fusies:

  • Ook de facto zeggenschapsverkrijging leidt tot een meld- en standstillverplichting.
  • Dit geldt ook voor ‘special purpose vehicles‘ die (tijdelijk) zeggenschap verkrijgen.
  • Meld stappen/transacties ter voorbereiding van een concentratie indien deze als zodanig bijdragen aan de wijziging van zeggenschap.
  • Oefen vóór de goedkeuring van een concentratie geen zeggenschap uit voor zover dit niet nodig is voor het beschermen van de waarde van de doelonderneming.
  • De zeggenschap mag geen betrekking hebben op de dagelijkse bedrijfsvoering.
  • Bij een pre-closing vetorecht mag de geldelijke drempel voor het uitoefenen daarvan niet te laag zijn ten opzichte van de transactiewaarden

Clean Teams

Naast de meld- en standstillverplichting voor concentraties geldt ook nog steeds het kartelverbod onverkort. Met name het uitwisselen van concurrentiegevoelige informatie speelt een rol bij de voorbereiding van fusies. In dat kader is het onder omstandigheden verstandig om clean teams in te stellen, zodat het risico op een schending van het kartelverbod wordt beperkt. Clean Teams zijn met name raadzaam bij transacties tussen twee concurrenten.

  • De uitwisseling van informatie mag niet het commerciële marktgedrag van partijen kunnen beïnvloeden.
  • Stel het Clean Team zo mogelijk samen uit een besloten groep personen die (vanaf dat moment) niet (meer) betrokken zijn bij de dagelijkse bedrijfsvoering van de partijen.
    • Bijvoorbeeld onafhankelijke consultants of speciaal aangewezen werknemers
  • Behandel informatie binnen het Clean Team als strikt vertrouwelijk.
    • Stel (interne) protocollen op ten aanzien van welke informatie toegankelijk is en voor wie.
    • Vraag om juridisch advies bij twijfel.
    • Laat personen uit het Clean Team een geheimhoudingsverklaring ondertekenen en controleer de naleving hierop.

Tot slot verdient het opmerking dat de Commissie een nieuw beleid heeft ingevoerd waarmee zij haar toezichthoudende rol met betrekking tot concentraties heeft uitgebreid. Lees hiervoor onze blog over artikel 22 CoVo.

Voor al uw vragen in het kader van fusiecontrole helpt bureau Brandeis u graag verder. U kunt ons bereiken via onderstaande links.

Bas Braeken, Jade Versteeg en Timo Hieselaar

Visie

Concurrent en afnemer kunnen zich voortaan wapenen tegen ‘killer acquisities’

Wat te doen als een dominante concurrent een veelbelovende start-up overneemt

Tot voor kort stonden concurrenten en afnemers met lege handen bij een zogenaamde ‘killer acquisitie’. Dit zijn overnames waarbij een grote gevestigde onderneming een kleiner, innovatieve en startende concurrent overneemt met als doel of gevolg de innovatie af te zwakken en/of potentiële concurrentie uit te sluiten. De reden hiervoor was dat veel van deze overnames, niet bij een mededingingsautoriteit hoeven te worden gemeld omdat de omzetdrempels niet worden gehaald. Killer acquisities konden daarom niet beoordeeld worden door de nationale mededingingsautoriteit of de Europese Commissie. Dat is nu veranderd.

De Commissie heeft op 26 maart 2021 nieuwe richtsnoeren gepubliceerd over de toepassing van het verwijzingsmechanisme van artikel 22 van de Europese concentratieverordening (“EU-verordening”). Naast concentraties die meldingsplichtig zijn bij de nationale autoriteiten kunnen op grond van artikel 22 van de EU-verordening ook concentraties die niet meldingsplichtig zijn naar de Commissie worden verwezen voor een beoordeling.

De Commissie is met name geïnteresseerd in doorverwijzingen van concentraties waarbij de omzet van partijen geen juist beeld geeft van hun actuele of toekomstige potentie. In de praktijk zal het met name gaan om concentraties waarbij beginnende concurrenten en innoverende ondernemingen betrokken zijn. Dit zal zich onder meer voordoen in digitale, farmaceutische, biotechnologische en bepaalde industriële sectoren. Het nieuwe beleid zal naar verwachting minder effect hebben op overnames in de meer traditionele markten.

Achtergrond

Op 26 maart 2021 kondigde de Commissie een ingrijpende hervorming aan van de EU verordening. Eén van die grote veranderingen ziet op een nieuwe beleid ten aanzien van de toepassing van artikel 22 van de EU-verordening.

Oude en nieuwe beleid artikel 22 EU-verordening

Op grond van artikel 22 van de EU-verordening kunnen één of meer nationale mededingingsautoriteiten een concentratie naar de Commissie verwijzen om deze te onderzoeken wanneer die de concurrentie op de interne markt significant zou kunnen beïnvloeden.

Het artikel stamt uit 1989 toen veel lidstaten nog geen nationale concentratiecontrole regime hadden en hierdoor toch de mogelijkheid hadden om potentieel concurrentieverstorende concentraties te laten onderzoeken door de Commissie. Artikel 22 wordt ook wel de ‘Dutch clause’ genoemd omdat het op verzoek van Nederland, dat destijds nog geen concentratiecontrole had, werd ingevoerd. In het artikel wordt expliciet gesproken over concentraties waar geen aanmelding voor vereist is. Maar nadat bijna alle lidstaten een fusiecontroleregime hadden ingevoerd nam het belang van artikel 22 sterk af. Het beleid van de Commissie was zelfs om doorverwijzingen van niet-meldingsplichtige concentraties te ontmoedigen met als reden dat de concentraties de mededinging op de interne markt doorgaans niet significant zou beïnvloeden.

Het nieuwe beleid van de Commissie zorgt voor een sterke koerswijziging in de toepassing van artikel 22 van de EU-verordening. De Commissie moedigt de lidstaten voortaan aan om bepaalde concentraties naar de Commissie te verwijzen, zelfs in gevallen waarin de verwijzende lidstaat op grond van de omzetdrempels geen bevoegdheid heeft om de concentratie te beoordelen. De Commissie mag zelf beslissen of zij een verwijzingsverzoek accepteert.

Het nieuwe beleid komt niet volledig uit de lucht vallen. Er bestond al enige tijd een wens bij mededingingsautoriteiten om killer acquisitions te kunnen beoordelen. De discussie werd in 2014 aangewakkerd door de overname van Whatsapp door Facebook. De overname was in veel lidstaten niet meldingsplicht vanwege de lage omzet van Whatsapp. Uiteindelijk werd de overname wel beoordeeld door de Europese Commissie omdat de overname in drie lidstaten wel meldingsplichtig was en de overname daarom in aanmerking kwam voor een verwijzing op grond van artikel 4 lid 5 van de EU-verordening. De Commissie heeft de overname goedgekeurd. Deze zaak is mede aanleiding geweest voor Duitsland en Oosterrijk om nieuwe wetten aan te nemen die een extra meldingsdrempel introduceren op basis van de waarde van de transactie. De Autoriteit Consument en Markt (“ACM”), de Luxemburgse Conseil de la Conucurrence en de Belgische Mededingingsautoriteit (“BMA”) schreven een Benelux memorandum over het toezicht van de mededinging in de digitale sector. Hierin werd onder meer gepleit voor een wijziging van de meldingsdrempels, bijvoorbeeld door de invoering van een extra drempel op basis van marktmacht en/of op basis van de waarde van de transactie.

Testcase: Illumina-Grail

Vlak na de communicatie van de Commissie over de hervormingen van het EU fusiecontroleregime werd bekend dat de overname van Grail door Illumina een testcase is voor de toepassing van het nieuwe beleid van de Commissie. Voor de eerste keer sinds 1999 werd een artikel 22 verzoek zonder dat één van de verwijdende lidstaten bevoegd was de concentratie te beoordelen.

Illumina is één van de grootste spelers ter wereld actief op het gebied van gen-sequenzing. Grail is een jong bedrijf dat een bloedtest ontwikkelt om ongeveer vijftig soorten kanker in een vroeg stadium op te sporen met behulp van DNA-sequenzing. Het bedrijf heeft geen omzet in de EU waardoor de concentratie in beginsel niet meldingsplichtig is bij de Commissie noch bij de mededingingsautoriteiten van de EU-lidstaten. De overname moest wél gemeld worden bij de Amerikaanse Federal Trade Commission en ligt daar ook onder vuur.

De Commissie heeft in februari haar bezorgdheid geuit over de mogelijk concurrentiebeperkende gevolgen van de voorgenomen concentratie op het gebied van kankertests en moedigde de nationale mededingingsautoriteiten aan om in lijn met het nieuwe beleid een verwijzingsverzoek in te dienen. De Franse Autorité de la concurrence heeft gehoor gegeven aan de oproep en de ACM, de BMA en de Griekse Competition Commission steunden het verzoek. De overname was in geen van die lidstaten meldingsplichtig. De Commissie heeft de doorverwijzing geaccepteerd en zal de overname gaan onderzoeken.

Het verwijzingsverzoek heeft flink wat stof doen opwaaien. Illumina heeft in Nederland en Frankrijk een rechtszaak aangespannen tegen het verzoek maar beide zaken verloren. De zaak zal ongetwijfeld nog aangevochten worden bij het Hof van justitie van de Europese Unie. Het nieuwe beleid leidt tot veel rechtsonzekerheid bij overnames waarin een dominante concurrent een veelbelovende start-up overneemt. Het is dan ook van belang om hier al rekening mee te houden bij de (contract)onderhandeling van de overname. Zo moet onder meer bij het opstellen van de opschortende voorwaarden in de overeenkomst rekening gehouden worden met een mogelijke doorverwijzingen naar de Commissie, zelfs als de mededingingsautoriteiten in de betrokken lidstaten zelf niet bevoegd zijn om de concentratie te beoordelen. Anderzijds biedt het ook meer mogelijkheden voor derde-belanghebbende, zoals concurrenten en afnemers, om te klagen.

Wat te doen bij killer acquisitie

Neemt een dominante concurrent of leverancier van u een veelbelovende start-up over? Neem dan de volgende acties.

  1. Bedenk of de omzet van de start-up een juist beeld geeft van haar actuele of toekomstige potentie. Het kan zijn dat een start-up nog weinig tot geen omzet behaalt maar wel van grote betekenis is voor de concurrentie op de markt of dat op korte termijn wordt. Dit kan zich onder meer voordoen in de volgende situaties:
    • de target is een belangrijke innovator of verricht potentieel belangrijk onderzoek
    • de target is een belangrijke (potentiële) concurrent
    • de target heeft toegang tot belangrijke activa (zoals grondstoffen, infrastructuur, data of intellectuele eigendomsrechten)
  1. Neem zo spoedig mogelijk contact op met de Autoriteit Consument en Markt en/of andere lidstaten waar de dominante concurrent actief is. De mededingingsautoriteit heeft een termijn van 15 werkdagen om een concentratie door de verwijzen naar de Europese Commissie nadat de transactie ‘kenbaar gemaakt werd aan de betrokken lidstaat’. De termijn begint pas te lopen als aan de lidstaat voldoende informatie wordt verstrekt om een voorlopige beoordeling te maken of is voldaan aan de criteria van artikel 22 EU-verordening. De lidstaten lijken een vrij ruime discretie te hebben bij het bepalen wanneer de termijn begint te lopen.
  1. Beargumenteer waarom de concentratie de handel tussen de lidstaten beïnvloedt. Dit is bijvoorbeeld het geval als de dominante concurrent in meerdere lidstaten actief is en/of (potentiële) afnemers in verschillende lidstaten zijn gevestigd.
  1. Beargumenteer ook waarom een reëel risico bestaat dat de concentratie de mededinging op het grondgebied van de betrokken lidstaat (of lidstaten) significant zal belemmeren. Een reëel risico dreigt wanneer door de overname:
    • een belangrijke (potentiële) concurrent wordt uitgeschakeld;
    • er sprake is van een fusie tussen twee belangrijke innovatieve ondernemingen;
    • concurrenten minder prikkels of mogelijkheden hebben om te concurreren onder meer omdat markttoetreding of uitbreiding lastig wordt of zelfs onmogelijk;
    • er een prikkel of mogelijkheid ontstaat dat een sterke markpositie op de ene markt kan worden ingezet op een andere markt door middel van koppelverkoop, bundeling of andere uitsluitingspraktijken.
  1. Neem contact op met de Commissie. De Commissie kan de lidstaten aanmoedigen om de overname door te verwijzen.

Bas Braeken, Lara Elzas en Jade Versteeg

Visie

Kwartaalbericht Kartelschade #3 2020

Hierbij presenteren wij u het derde kwartaalbericht van 2020 over ontwikkelingen op het gebied van cartel damage litigation van bureau Brandeis. U kunt het kwartaalbericht hier inzien.

Ontvangt u de volgende editie van ons kwartaalbericht graag per e-mail? Meld u zich dan aan door een mail te sturen via deze link of dit formulier.

Visie

Nieuw EU sanctieregime: Bedrijfsleven voelt druk van sancties meer dan schenders van mensenrechten

De Europese Unie heeft vorige week voor het eerst gebruik gemaakt van haar nieuwste sanctie-instrument. Tegen vier Russische functionarissen zijn sancties afgekondigd omdat zij betrokken waren bij ernstige mensenrechtenschendingen tegen Alexei Navalny, de oppositieleider die onlangs bij terugkeer naar Rusland werd gearresteerd en veroordeeld tot een gevangenisstraf van tweeënhalf jaar.

Mensenrechtensancties passen bij de groeiende aandacht voor maatschappelijke verantwoordelijkheid. Maar het nieuwe sanctiebeleid zou het bedrijfsleven wel eens meer hoofdpijn kunnen bezorgen dan betrokken mensenrechtenschenders.

Wereldwijde sanctieregeling voor de mensenrechten

De EU kent al een uitgebreid pakket aan financiële en sectorale sancties gericht op bepaalde landen zoals Syrië, Libië, Noord-Korea. Met het zogeheten Global Human Rights Sanctions Regime heeft de EU er een nieuw middel bij om waar dan ook in de wereld op te treden tegen individuele personen en bedrijven die zich schuldig maken aan ernstige schendingen van mensenrechten, zoals willekeurige arrestaties of detenties en inbreuken op de vrijheid van meningsuiting. Een belangrijke stap in de bescherming van fundamentele rechten en vrijheden.

Wat er na afkondiging van nieuwe sancties gebeurt, krijgt weinig aandacht. Dit terwijl de uitdaging dan werkelijk begint. Niet alleen voor de gesanctioneerden en de internationale betrekkingen maar ook voor alle banken en bedrijven die er praktisch invulling aan moeten geven. Net als controles op witwassen hebben zij de taak sanctie-onderzoek te doen. Ook cliënten en relaties ondervinden daar de gevolgen van.

De vier Russen krijgen een reisverbod naar de EU opgelegd en financiële instellingen en eventuele anderen moeten hun banktegoeden bevriezen. Sinds dinsdag is het iedereen in de EU en alle Europese bedrijven verboden aan hen en hun eventuele ondernemingen – direct en indirect – economische middelen of inkomstenbronnen beschikbaar te maken. Je moet als internationaal opererende organisatie dus goed weten met wie je zaken doet.

Ook al is het politieke compromis hier dat er ‘slechts’ vier personen op de sanctielijst worden geplaatst, van wie er twee eerder al door de Verenigde Staten waren gesanctioneerd onder de zogeheten Magnitsky Act, iedere onderneming moet haar checks opnieuw doen en maatregelen nemen als zij met een betrokkene zaken blijkt te doen.

Aanzienlijke sanctierisico’s voor het bedrijfsleven

Het is voor veel ondernemingen een enorme opgave om steeds al hun zakelijke relaties in kaart te hebben. Banken, bedrijfsleven en non-profits zijn niet voor niets kritisch op de opeenstapeling van controleverplichtingen, kosten van klantonderzoek en transactiemonitoring en de bureaucratie die het meebrengt. Hun klanten worden op hun beurt steeds vaker geconfronteerd met opzegging vanwege onduidelijkheid over risico’s of algehele terugtrekking van de financier uit een bepaalde sector.

Tegelijk doen toezichthouders als DNB en AFM meer compliance-uitvragen in de markt, verrichten Fiod en OM grote onderzoeken naar mogelijke misstanden, volgen hoge boetes bij missers en neemt de roep om aanpak van bestuurders daarbij toe.

Als de Nederlandse overheid en de Europese instanties van hun ingezetenen dusdanige inzet bij de toepassing van sancties verlangen en onjuiste of onvolledige naleving daarvan bestraffen, mag ook van hen worden verwacht dat zij stevig achter hun mensenrechtenstandpunt gaan staan. Niet alleen in de handhaving van bedrijven die sanctiecontroles moeten uitvoeren, maar juist ook in het uitdragen van het belang van sancties en het optreden naar partijen en overheden die verantwoordelijk zijn voor mensenrechtenschendingen. Anders is de balans zoek.

Bescherming van mensenrechten is essentieel. In de kamer of het parlement iets bestempelen als mensenrechtenschending of genocide is één ding, maar harde gesprekken voeren over de consequenties daarvan is iets anders. Dat laatste wordt nu wat al te eenzijdig op het bord van burgers en bedrijfsleven gelegd. Een uitgesproken opstelling van de EU zou het draagvlak voor sancties, de naleving van sanctieregels en daarmee de bescherming van mensenrechten echt ten goede komen.

Vragen over deze ontwikkelingen in sanctiewetgeving of hoe sanctierisico’s te managen? Neem contact met bureau Brandeis – Financial Services Litigation

 

Visie

Development in the Netherlands

Since our previous blog the Gaming Authority (Kansspelautoriteit; “Ksa”) published the (preliminary) final version of the Policy rules licensing remote gambling (Beleidsregels vergunningverlening kansspelen op afstand).

Most important points:

  • The Policy rules Koa confirm the new timelines, start application process by 1 April 2021 and the extension of the cooling off to 2 years and 9 months.
  • The requirements for the outsourcing of activities have been simplified: applicants must provide an overview of the work that will be contracted out and to whom, including an overview of the agreements concluded for this purpose. However, the agreements no longer have to be submitted directly with the application. The Ksa can, however, request these later.
  • Player funds can now also be secured by the use of a third party bank account.
  • The 3 forms to be submitted in connection with the audit of the gaming system have been included. The Ksa also published an updated version of the inspection calendar.
  • A new Article 19 on the use of existing personal data, which incorporates the ban on the use of existing customer data acquired by unregulated operators before obtaining a license. This clause prohibits the use of an existing customer database for (b) marketing and advertising plus for (c) the registration of players. These restrictions will also be included in the license terms as was illustrated by the draft license as published.

The Ksa also published a new version of the Policy Rules on Responsible Playing (Beleidsregels verantwoord spelen).

Compared to the version of 19 October 2021, it includes:

  • A more general elaboration of what players qualify as vulnerable groups.
  • A further specification of the risk analysis of the gaming offer and the reporting thereof to the Ksa.
  • A further elaboration of the scope of the investigation of possible problematic gaming behavior.

The Ksa also published a new version of the Guidelines for the Prevention of Money Laundering and Terrorist Financing Act (Leidraad Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme). Most important change is the fact that matchfixing is now integrated as an AML risk.

Should you have any questions on the above, please contact Machteld Robichon or Fransje Brouwer 

Visie

Update Remote Gambling in the Netherlands: opening market 1 October 2021 and publication of final lower legislation

Last month the Minister for Legal Protection confirmed in line with previous speculations that the Remote Gambling Act (Wet Kansspelen op afstand, “Act”) will take effect on 1 April 2021 instead of 1 March 2021. This leaves the first group of applicants that can apply for a license as of on 1 April 2021 with a little less than 8 weeks before filling the application. The processing of the applications is expected to take 6 months. The market for online gambling is therefore expected to open on 1 October 2021.

Now that the entry into force is delayed with one month delay, the so called  ‘cooling-off period’, the waiting period for unlicensed operators, has also been extended to 2 years and 9 months.

Last week marked an important step: the publication of the final versions of the lower legislation, consisting of:

With this the formal legislation for the introduction of online gambling licenses is now finalized. That is good news!

Around mid-February 2021, we also expect that the Gaming Authority (Kansspelautoriteit; “Ksa”) will publish the amended policy rules, including the Policy rules license remote gambling and the Policy rules responsible gaming.

Also good news is that the changes in the final versions is very limited.

Below we highlight the most important changes in the lower legislation.

Decree

The amendments in the Decree are very limited.

  • Registration: as part of the registration the ‘gender’ of a player is no longer registered.
  • Payment transactions: some wording in Article 4.27 Dree has been deleted so that corrections of payments are no longer limited to “the consequences of a technical malfunction of the gaming system“, which indicates that a general reservation applies for corrections of payments.
  • The time slot for advertising for online gambling on television and radio from 6 am to 9 pm has been deleted in the Decree. However the time slot will still be effective, but it will apply on the basis of the Media Act (Mediawet 2oo8).
  • A new Article, Article 7.1, introduces a basis for the temporary exemption for the formal appointment of inspection bodies by the Minister. This exemption was already announced earlier and is now implemented in artikel 6.1 of the Regulation and applies for maximum two years after the Act takes effect.
  • The entry into force of the player exclusion register (Centraal register uitsluiting kansspelen; “Cruks”) is postponed with six months. It will only take effect on 1 October 2021. This means that all licensed providers will have to implement CRUKS as of 1 October 2021.

Regulation

The amendments in the Regulation are also limited.

  • Article13 on the retention of (personal) data has been slightly amended.
  • There is no obligation to report match-fixing to the Ksa if the FIU has already been notified; this follows from the new Article 3.15a.
  • A few amendments have been made regarding match fixing, including appendix 2 and the applicable categories/matches. This also applies to appendix 1 of the Implementing regulation.

Explanatory memorandum to the Decree

The explanatory memorandum to the Decree has been adjusted on a number of aspects, partly in response to the legislative advice from the Council of State. The scope of these adjustments is also restricted.

Below we highlight the most relevant parts of the additional clarification:

  • Further substantiation was provided on the control database and why it should be located in the Netherlands for reasons of effectiveness of compliance monitoring and enforcement.
  • Further guidance was provided regarding the representation by a representative in the Netherlands:“The purpose of that representative is to ensure the effectiveness of the licensee’s addiction prevention policy for players in the Netherlands as much as possible. The effectiveness of such prevention policy is not optimal if it is not constantly well connected to (the practice of) the Dutch healthcare system, the assistance needs of Dutch (problem) players and the assistance actually available to them in the Netherlands.”“The representative’s task is to maintain, on behalf of the license holder, those contacts with the relevant parties in the Netherlands that are necessary for the continuous and effective connection of the addiction prevention policy to the Dutch healthcare system and the healthcare needs of the Dutch player, to make arrangements in that respect, and to advise the license holder in this regard with a view to the continuous maintenance of its addiction prevention policy. The actual implementation of the prevention policy towards individual players is not part of his duties. That is the task and responsibility of the licence holder. It is also up to the license holder to incorporate the information from his representative(s) in his addiction prevention policy. This may relate, for example, to the (further) development of the addiction prevention courses for its employees, the general information on addiction prevention for Dutch players, the personal intervention talks with such players and their referral to the appropriate care in the Netherlands.”“For example, it is not required that the representative must be established or resident in the Netherlands. However, he does have to be actually present in the Netherlands to a sufficient extent to be able to carry out his activities properly. Nor are any other requirements set for language skills than that he must be able to communicate in the Netherlands in a language that the relevant Dutch discussion partners sufficiently master. This is a less far-reaching restriction than the obligation to use only Dutch. It follows that the requirement of proportionality is met. The effect of the representative in the Netherlands in practice shall be closely monitored and the effectiveness for the prevention of addiction in the Netherlands shall be included in the evaluation of the regulation of remote gambling. If necessary, the requirements will be adjusted accordingly.”
  • A brief justification regarding the processing of personal data has been added:“These include the obligation to register data on gambling behaviour, including the frequency with which the player visits a gambling website or a land-based gambling casino or amusement arcade. Such data may include health data, which may reveal problematic or addictive behaviour. The purpose of these regulations is, pursuant to Article 5(1)(a) of the GDPR, well-defined and explicit as the prevention of unauthorised participation in games of chance or of gambling addiction.”“The various registration requirements, including visitor registration, are necessary in order to gain a good insight into the playing behaviour of players, to assess whether there is excessive participation and then to be able to intervene in time.”“The personal data that is recorded and stored must be limited to what is necessary for those purposes and may not be stored for longer than is strictly necessary. The retention periods are laid down by Ministerial Regulation.”
  • Enforcement against unlicensed operators is discussed in more detail, including the new powers that will be introduced in the Act for the Ksa:
    • Mystery shopping: this enables the Ksa to participate in games of chance under a false name;
    • Binding instructions to be issued to service providers, including payment service providers, to cease providing services to providers that illegally offer games of chance;
    • The international cooperation through memorandums of understanding (MoU’s) with foreign regulators within the EEA in order to share information regarding (potential) unlicensed operators and to cooperate in the area of supervision and enforcement.
  • More guidance is given how license holders will be supervised:
    • Through the inspection of the game system by accredited testing bodies;
    • Via the control database;
    • Through the necessary reporting requirements;
    • By demanding information:”The Dutch Gaming Authority can also demand information and inspection of business data and documents from license holders established outside the Netherlands. Within the framework of international cooperation in the field of supervision and enforcement, it can also request information about such license holders from the relevant foreign regulators.”“Compliance monitoring by the Dutch Gaming Authority is risk-driven and carried out on the basis of risk analyses, thematic research, signals and random sampling. To this end, data from the reports of the license holder, from the control database, from inspection reports and from any reports about the licensee are considered in relation to the behaviour of that licensee on the gambling market, reports from other licensees and other available information, for example from foreign gambling supervisors. If there is any doubt about the correctness of the data supplied by a licensee, the Gaming Authority will in any case proceed to further investigate that licensee. In this respect it can demand further information and substantiation.
      If necessary, it shall demand that data or documents are provided or explained in person by an officer of the licensee whom it shall determine. If necessary, it may order an additional inspection of certain parts of the gaming system. It shall also have direct access to the primary systems of the licensee.”“With this, the chance of knowingly and systematically providing incorrect data is very high. It is also not in the interest of the licence holders – whose reliability and suitability has already been assessed prior to the granting of the licence – to provide incorrect data, as they would then run the risk of substantial financial penalties, damage to their reputation, loss of customers and turnover and, if their online gaming licence is revoked, also the loss of their investments.”
  • The market entrance of small(er) providers is discussed in more detail following criticism from the Council of State. According to the Minister small providers can make use of white-label services. Reference is made to surrounding countries where ten large providers control more than 90% of the legal online gaming market. Based on that experience, the Minister assumes that granting licences to smaller providers is not decisive for achieving the channelization objective of 80%.
  • Some wording has been added concerning the placement of electronic means and the establishment thereof within the European Union (article 4.42 Decree):“The complex reality of online games of chance involves the use of electronic services from a wide range of suppliers. The technology and range of such services change rapidly and constantly. The configuration of virtually every gaming system is unique. The licensee must have a complete and up-to-date description of it in terms of the various components that make up the system (Article 4.41, subsection 2). In the interest of the responsible, reliable and verifiable organisation of the online games of chance, that system, supported electronically by the necessary hardware and software, must meet the requirements of Dutch regulations. It is conceivable that, in the framework of its risk-based supervision, the gaming authority will set priorities with respect to the licensee’s obligation to place the electronic means in the EU/EEA.”

The changes to both the articles and the explanatory memorandum of both the Decree and the Regulation are as noted limited. This is good news for operators that are busy in the preparation of their applications. We note that operators applying for a license before 15 April 2021, will also have some extra time to have the gaming system tested and certified. This should be done by 1 July 2021.

For questions, more information or assistance with an application for online gambling in the Netherlands, you can contact Machteld Robichon or Fransje Brouwer.

Visie

Het mededingingsrecht in verticale relaties: spelbreker of reddingsboei?

In vrijwel iedere productieketen worden overeenkomsten tussen leveranciers en afnemers gesloten om de samenwerking efficiënter te laten verlopen. Hoewel verticale overeenkomsten in veel gevallen zijn vrijgesteld van het kartelverbod ex Artikel 101 Werkingsverdrag van de Europese Unie (“VWEU”) en artikel 6 Mededingingswet (“Mw”), op basis van de Groepsvrijstelling inzake verticale overeenkomsten (“GVO”), is niet elke beperking toegestaan. De GVO geldt namelijk niet voor een aantal hardcore beperkingen van de mededinging, of bij marktaandelen van meer dan 30%. Het onderscheid tussen toegestane en verboden beperkingen is niet altijd duidelijk voor bedrijven. Dit blijkt bijvoorbeeld uit een onderzoek van het Secretariaat-Generaal van de Benelux waarbij zeker 89% van de ondervraagde bedrijven aangaf geconfronteerd te zijn met verboden territoriale beperkingen. Deze blog geeft een overzicht van de handhaving en rechtspraak uit 2019 en 2020, en bespreekt de meest recente ontwikkelingen.

Handhaving door ACM

In september 2020 maakte de Autoriteit Consument en Markt (“ACM”) bekend dat zij haar onderzoek naar geneesmiddelenfabrikant AbbVie had afgerond. AbbVie bood vanaf eind 2018 aanzienlijke kortingen aan ziekenhuizen voor het reumageneesmiddel Humira. Het octrooi op de werkzame stof in Humira verliep in oktober 2018, waardoor andere fabrikanten een generiek product op de markt konden brengen. Om te voorkomen dat haar marktpositie hierdoor afnam, gaf Abbvie kortingen aan ziekenhuizen indien zij voor alle patiënten Humira inkochten. ACM meende dat AbbVie feitelijk een exclusieve inkoopverplichting oplegde aan de ziekenhuizen, wat de concurrentie voor nieuwe producten beperkt. AbbVie zegde toe geen exclusieve inkoopbedingen meer op te nemen in haar overeenkomsten met ziekenhuizen.

Rechtspraak met betrekking tot verticale overeenkomsten

In maart 2019 oordeelde het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over de rechtmatigheid van een uittredingsregeling van Avebe. De statuten van Avebe, een coöperatie van landbouwers, bepaalden dat, indien leden bij opzegging van hun lidmaatschap de aandelen wensten over te dragen aan Avebe, zij een bedrag van €681 per aandeel dienden te betalen aan de coöperatie. Zes akkerbouwers waren het niet met deze uittredingsregeling eens. Het gerechtshof ging mee met de rechtbank en oordeelde dat de uittredingsregeling weliswaar een beperking van de mededinging vormde, maar dat de regeling noch de markt verdeelt noch prijsrestricties of andere hardcore beperkingen oplegde en dus toch was toegestaan.

Eind 2019 heeft het gerechtshof Amsterdam in een (nog niet gepubliceerd) tussenarrest in de zaak tussen Prijsvrij en Corendon geoordeeld dat het opzeggen van een overeenkomst een instrument kan zijn om verticale prijsbinding te bereiken. Consumenten konden reizen van Corendon boeken via Prijsvrij, die kortingen op haar website hanteerde op de reizen van Corendon. De touroperator wilde dit niet en zegde de agentuurovereenkomst uiteindelijk op. Prijsvrij meende dat deze opzegging als een vorm van verboden verticale prijsbinding moet worden beschouwd. Het gerechtshof ging hier in mee en achtte het (voorshands) bewezen dat de oorzaak van de opzegging van de overeenkomst met Prijsvrij met name was gelegen in de door Prijsvrij aan consumenten aangeboden kortingen.*

Advocaat-Generaal Drijber concludeerde op 12 juni 2020 – naar aanleiding van het cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag – dat een schikkingsregeling ten aanzien van een octrooi niet in strijd was met het mededingingsrecht. Jet Set en Brielle Industrie Services (“BIS”) in deze zaak, beide actief op het gebied van schoonmaaktechnieken voor olietanks, hadden een schikkingsregeling getroffen die volgens BIS een non-concurrentiebeding en niet-aanvechtingsclausule bevatte. BIS meende dat dit een licentieovereenkomst was met hardcore beperkingen in de zin van de Groepsvrijstelling inzake technologieoverdracht (“GVTO”). Advocaat-Generaal Drijber concludeerde echter dat het noch om een licentieovereenkomst, noch om een non-concurrentiebeding ging. Een verbod om de technologie van Jet Set te gebruiken volgt immers direct uit het octrooi dat op deze technologie rust. Een toetsing aan de GVTO of artikel 6, lid 3, Mw was derhalve niet aan de orde. Hoewel een niet-aanvechtingsclausule in de regel niet onder de GVTO valt, was ook daarvan geen sprake in deze zaak. BIS had namelijk het octrooi (succesvol) aangevochten. De Hoge Raad kwam niet tot een inhoudelijk oordeel.

Een zaak waarin wel een verticale licentieovereenkomsten speelde betrof een geschil tussen Dromenjager, het bedrijf achter de bekende kinderfiguren Woezel & Pip, en speelgoedfabrikant International Bon Ton Toys (“IBTT”). IBTT produceert en verkoopt knuffels waarbij zij gebruik mag maken van het (beeld)merk Woezel & Pip. In de licentieovereenkomst was een bepaling opgenomen op basis waarvan goedkeuring van Dromenjager vereist was voor de verkoop door de licentienemers aan een bepaald aantal retailers, waaronder Kruidvat. IBTT wilde haar restvoorraad Woezel & Pip producten aan Kruidvat verkopen en beklaagde zich dat de vereiste goedkeuring in strijd was met het mededingingsrecht. De rechter kwam tot het voorlopige oordeel dat de goedkeuringsbepaling uit de licentieovereenkomst een hardcore beperking van het mededingingsrecht is. Tegen de uitspraak van de kort gedingrechter is hoger beroep ingesteld.**

Ook in de geneesmiddelenmarkt spelen verticale overeenkomsten vaak een belangrijke rol. In haar uitspraak van 8 juni 2020 oordeelde de rechtbank Midden-Nederland dat zorgverzekeraar Zilveren Kruis een ‘afslagenbeleid’ mocht gebruiken om ziekenhuizen te stimuleren geneesmiddelen in te kopen bij een voor Zilveren Kruis goedkopere producent. Zilveren Kruis sloot samen met andere zorgverzekeraars een overeenkomst met Janssen-Cilag, de producent van een geneesmiddel tegen leukemie (met de naam Imbruvica). Op basis van die overeenkomst leverde Janssen-Cilag het geneesmiddel aan de ziekenhuizen, waarbij de zorgverzekeraars (op basis van nacalculatie) kortingen kregen. Zilveren Kruis hanteerde een afslag van 49% indien ziekenhuizen Imbruvica bij andere leveranciers dan Janssen-Cilag inkochten. Eureco-Pharma, een concurrent van Janssen-Cilag, stelde dat Zilveren Kruis hiermee het aanbod van Imbruvica kanaliseerde naar Janssen-Cilag. De rechter concludeerde echter dat Zilveren Kruis met haar afslagenbeleid het doel nastreeft altijd de laagste prijs te betalen. Deze ruimte heeft een concurrerende onderneming. Bovendien kon Eureco-Pharma een vergelijkbare overeenkomst afsluiten met Zilveren Kruis. Er was derhalve geen sprake van een verboden verticale beperking.

Ten slotte oordeelde de rechtbank Amsterdam eind 2020 dat Trek Benelux – leverancier van snelle, lichtgewicht fietsen – een overeenkomst met haar distributeur moest voortzetten. Trek Benelux zegde de overeenkomst op toen de distributeur een korting hanteerde bovenop de adviesprijs. Dit deed volgens Trek Benelux afbreuk aan haar merkimago. In de overeenkomst was tevens een verplichting opgenomen om de fietsen geassembleerd af te leveren bij klanten. De distributeur stelde dat de adviesprijs feitelijk een minimumprijs vormt, en dat de assemblageverplichting haar passieve (online) verkopen beperkt. De kort gedingrechter oordeelde in lijn met de GVO dat het verplichten van distributeurs om zich aan de adviesprijs houden, een hardcore beperking van het mededingingsrecht vormt. Bovendien was gesteld noch aangetoond dat sprake was van een rechtvaardiging hiervoor. De overeenkomst moest derhalve worden voortgezet. Trek Benelux heeft wel aangetoond dat de assemblageverplichting gerechtvaardigd is ter bescherming van de kwaliteit van de fietsen, waarvoor nauwkeurige montage en afstelling noodzakelijk is. Deze bepaling was niet strijdig met het mededingingsrecht.

Evaluatie van de GVO

De huidige GVO, die sinds 2010 in werking is, verloopt op 31 mei 2022. De Europese Commissie (“Commissie”) is voornemens de GVO aan te passen. In dat kader heeft de Commissie een evaluatie gehouden, waarvan haar bevindingen op 8 september 2020 gepubliceerd.

Uit de evaluatie blijkt dat de GVO, hoewel nog steeds relevant, niet meer adequaat is voor toepassing op online verkoop. Het retail-landschap is de afgelopen jaren namelijk enorm veranderd, met name door de digitalisering en de daarmee samenhangende toename van e-commerce (e-tailing). Zo worden de laatste jaren geheel nieuwe beperkingen op online verkopen gehanteerd, zoals een verbod op het gebruik van Google AdWords door Guess of het (door)verkopen van producten op online marktplaatsen door Coty. Tevens heeft de Commissie boetes opgelegd aan onder andere Asus, Philips en Pioneer voor het opleggen van verticale prijsbinding aan hun online retailers. De interpretatie van de regels omtrent online verkoopbeperkingen loopt sterk uiteen in Europa. De nieuwe GVO zal voor verduidelijking moeten zorgen. Ook over het gebruik en de rechtmatigheid van ‘across-platforms parity agreements’ (APPAs) is nu nog te veel onzekerheid volgens de Commissie. Lees voor de achtergrond en recente ontwikkelingen omtrent APPAs onze eerdere blog.

Daarnaast is het verzamelen en gebruiken van data de afgelopen jaren cruciaal geworden voor de bedrijfsvoering van (online) ondernemingen. In dit kader is de Commissie tevens een onderzoek gestart naar Amazon. Het Amerikaanse bedrijf zou data van verkopers op Amazon – die zij verkreeg in haar hoedanigheid als platform – gebruiken ter bevoordeling van haar verkoopkanaal op datzelfde platform. Voor dit ‘self-preferencing’ heeft de Commissie eerder al een boete van ruim €2,4 miljard opgelegd aan Google, dat haar eigen diensten boven dat van concurrenten zette in de zoekresultaten binnen Google.

Conclusie

Verticale overeenkomsten kunnen vaak profiteren van de vrijstelling op het kartelverbod, maar niet elke beperking mag worden opgelegd. De Nederlandse en Europese rechtspraak over de afgelopen twee jaar bevestigt dit. Het is dus essentieel om te weten wat wel en niet mag worden opgenomen in een verticale relatie. Hierbij is het bovendien van groot belang wat de nieuwe GVO zal behelzen, met name ten aanzien van online verkopen. De verduidelijkingen die de Commissie voor ogen lijkt te hebben, zullen echter pas na mei 2022 in de praktijk gaan gelden. Wat sowieso geldt is dat zowel de civiele als bestuursrechtelijke handhaving van het mededingingsrecht ten aanzien van verticale relaties de afgelopen jaren een enorme toevlucht heeft genomen. Het is aannemelijk dat deze trend zich de komende jaren zal voortzetten.

* Bas Braeken en Jade Versteeg staan Prijsvrij bij in deze procedure.

** Bas Braeken en Timo Hieselaar zijn (eerst) in hoger beroep betrokken geworden als advocaat van Dromenjager.

 

 

 

 

Visie

Nieuwe Europese Richtlijn geeft tanden aan consumentenrechten (en dat zijn er veel…!)

Nederland loopt in Europa voorop met de mogelijkheden om class actions in te stellen. Zo kunnen grootschalige inbreuken op rechten van mensen en bedrijven, efficiënt aan de kaak gesteld worden.

Dit gaat nu in alle Europese landen mogelijk worden, althans voor consumenten. Voor een consument alleen is het vaak te duur of onpraktisch om schade te verhalen op een bedrijf, zeker als dat bedrijf in het buitenland is gevestigd. Veel efficiënter is het om de krachten te bundelen. Er zijn diverse belangenorganisaties, zoals de Consumentenbond, Vereniging Eigen Huis en de ANWB, die zich daar structureel voor inzetten. Indien zich een geval van massaschade voordoet, ontstaan er ook spontaan opgerichte organisaties die dit doen. Deze zogenoemde ‘ad hoc’ opgerichte organisaties worden doorgaans gefinancierd door een procesfinancier.

Het Europees Parlement heeft op 24 november 2020 ingestemd met de ‘Richtlijn betreffende representatieve vorderingen ter bescherming van de collectieve belangen van consumenten’. De Richtlijn maakt onderdeel uit van de new deal voor de consument om de Europese consumentenrechten en handhaving daarvan te versterken. Daaronder vallen rechten die voortvloeien uit Europese verordeningen en richtlijnen op het gebied van onder meer oneerlijke handelspraktijken, toerisme, productveiligheid, energie, financiële diensten, telecommunicatie, productaansprakelijkheid en gegevensbescherming.

Vanaf 24 december 2020 hebben de lidstaten, voor zover ze nog niet voldoen aan de richtlijn, twee jaar de tijd om hun wetgeving aan te passen. De nieuwe nationale bepalingen dienen vervolgens vanaf zes maanden daarna te worden toegepast.

Nederland heeft al een ontwikkeld, en onlangs met de introductie van de WAMCA, uitgebreid wettelijk systeem op dit gebied en ingrijpende aanpassingen lijken niet nodig. Nieuw is dat de Richtlijn nagenoeg geen ruimte biedt voor nieuwkomers in deze praktijk, de zogenoemde ‘ad hoc’ opgerichte belangenbehartigers voor het instellen van grensoverschrijdende vorderingen. De Richtlijn werkt met een lijstsysteem voor belangenbehartigers die over de grens willen opereren en consumentenclaims willen indienen. Lidstaten moeten een publiek toegankelijke lijst opstellen van belangenbehartigers (‘bevoegde instanties’) voor grensoverschrijdende vorderingen. De lidstaten moeten de lijst met belangenbehartigers met betrekking tot grensoverschrijdende vorderingen doorgeven aan de Europese Commissie. De bevoegde instanties moeten voldoen aan de criteria van de Richtlijn. Een van deze criteria is dat de bevoegde instanties voor grensoverschrijdende vorderingen in beginsel dienen aan te tonen dat zij twaalf maanden daadwerkelijk openbaar actief geweest zijn op het gebied van de bescherming van consumentenbelangen (artikel 4 lid 3 sub a Richtlijn).

Voor wat betreft binnenlandse vorderingen geldt dat lidstaten wel ‘ad hoc’ opgerichte belangenbehartigers mogen aanwijzen voor het instellen van binnenlandse vorderingen (overweging 28). Deze instanties moeten worden opgenomen in nationale elektronische gegevensbanken die publiek toegankelijk zijn via websites die informatie verschaffen over de aangewezen bevoegde instanties (overweging 63). De vereisten voor het aanwijzen van belangenbehartigers die opkomen voor binnenlandse vorderingen kunnen de lidstaten zelf invullen aan de hand van het nationaal recht. Wel dienen deze vereisten in lijn te zijn met de doelstellingen van de Richtlijn. De lidstaten mogen ervoor kiezen de vereisten die gesteld worden aan belangenbehartigers ten aanzien van grensoverschrijdende vorderingen ook toe te passen op belangenbehartigers die opkomen voor binnenlandse vorderingen.

Alhoewel ook onder de WAMCA inmiddels strengere eisen worden gesteld aan claimstichtingen, is het vooraf aanwijzen van claimstichtingen als bevoegde instanties en het opnemen van de claimstichtingen in een openbare database of een lijstsysteem tot op heden geen hard vereiste.

Op nagenoeg alle rechtsgebieden doen zich collectieve acties voor. Het collectieve acties-team van bureau Brandeis beschikt over specialisten in collectieve acties en schikkingen van massaschadezaken. Voorbeelden zijn de diesel-fraude zaken en de zaak tegen Oracle en Salesforce vanwege schending van de privacy regels. bureau Brandeis werkt vaak samen met toonaangevende belangenorganisaties en procesfinanciers. Ook treedt het team op in massaschadezaken die hoofdzakelijk in de Verenigde Staten worden gevoerd, maar die in Nederland uitlopers kennen.

Voor vragen of opmerkingen kunt u contact opnemen met Frank Peters, Michelle Krekels en Louis Berger

Visie

ACM als hoeder van de belangen van de consument? Een overzicht van ACM’s handhavingspraktijk en rechtspraak in 2019 en 2020

De afgelopen twee jaar hebben de ACM alsook de Europese Commissie, ondanks de COVID-19 crisis, hun handhavingsinspanningen op het gebied van consumentenbescherming flink opgevoerd. Opvallend is daarbij de focus op digitale producten en diensten.

Zo heeft ACM handelaren en online platforms – zoals bol.com, Marktplaats en Amazon – opgeroepen om misbruik van de COVID-19 crisis door verkopers aan te pakken. Daarnaast heeft de Nederlandse toezichthouder verschillende leidraden en handvatten gepubliceerd om de belangen van consumenten te waarborgen.

Dit overzichtsblog behandelt de belangrijkste handhavingspraktijken en rechtspraak met betrekking tot consumentenrecht in Nederland van 2019 en 2020.

Consumentenrechtbeleid ACM

De ACM heeft het afgelopen jaar verschillende leidraden opgesteld met het oog op een betere consumentenbescherming. In september publiceerde de ACM haar consultatie Leidraad Duurzaamheidsclaims. Deze leidraad bevat vuistregels om bedrijven te helpen bij het formuleren van claims over de duurzaamheid van hun producten. Van belang is vooral dat de claims duidelijk en feitelijk juist zijn, zodat geen misleidende informatie over de duurzaamheid van een product wordt verspreid.
Ook op het gebied van de digitalisatie heeft de ACM stappen gezet. De ACM heeft onderzocht of (online) verkopers consumenten voldoende informeren bij de aankoop van ‘slimme apparaten’. Dit zijn apparaten die gebruik maken van software en van het internet om bepaalde functies aan te bieden, bijvoorbeeld een digitale assistent als Google’s Alexa of Apple’s Siri, of een slimme thermostaat. De ACM heeft verschillende verkopers aangesproken en aangespoord om consumenten beter over de eigenschappen en risico’s van slimme apparaten te informeren. Grotere winkelketens zoals bol.com, Coolblue en Mediamarkt hebben dit nu aangepast.
Daarnaast heeft de ACM duidelijkheid gegeven over online misleiding in haar Leidraad Bescherming online consument. Bedrijven moeten consumenten voorafgaand aan de verkoop van een product op een complete, juiste, en begrijpelijke manier informeren. Verkopers mogen bovendien niet inspelen op de kwetsbaarheid van bepaalde groepen in de online wereld, zoals ouderen en kinderen. Als supplement bij deze leidraad heeft de ACM tevens Vuistregels voor online platforms gepubliceerd ten aanzien van informatie- en transparantieverplichtingen alsook organisatorische en controleverplichtingen voor online platforms.
Ook de Europese Commissie is actief op het gebied van consumentenbescherming. Met haar Consumer Agenda stelt de Europese Commissie vijf doelen vast waar zij zich de komende jaren op focust, namelijk een (i) digitale en (ii) duurzame transitie, (iii) soepelere internationale samenwerking, (iv) krachtigere handhaving en (v) betere bescherming voor kwetsbare groepen.

Beschikkingspraktijk ACM

De hierboven genoemde leidraden en onderzoeken gebruikt de ACM ter invulling van haar handhavingsbeleid. De ACM trad de afgelopen twee jaar meermaals op tegen schendingen van het consumentenrecht. Mede doordat de online verkoop van producten door COVID-19 sterk is toegenomen, is de ACM strenger gaat handhaven op online winkels. Zo heeft de toezichthouder opgetreden tegen Stay Healthy Products. Deze online aanbieder van voedingssupplementen en verzorgingsproducten profileerde zich met producten die gratis zouden zijn. De producten waren echter alleen gratis indien deze tijdig en op eigen kosten terug werden gestuurd. De ACM heeft het bedrijf op de vingers getikt voor deze misleidende praktijk. Consumenten hoeven het product nu niet terug te sturen of er voor te betalen. Daarnaast klaagden veel consumenten bij de ACM over We Love Musthaves. Het bedrijf leverde niet of te laat en betaalde – in strijd met de wettelijke bedenktijd – niet (tijdig) terug. Tevens was de webwinkel slecht bereikbaar voor vragen en klachten. De ACM heeft het bedrijf een last onder dwangsom opgelegd. De webwinkel moest de website aanpassen en klanten terugbetalen. Ook de eigenaar van de websites Goedkoper.nl en Euroknaller.nl is door de ACM gedwongen om aanpassingen te maken nadat de toezichthouder klachten ontving met betrekking tot niet (tijdig) leveren en terugbetalen aan klanten. Consumenten die hun bestelling niet geleverd hebben gekregen, hebben het aankoopbedrag inmiddels terugbetaald gekregen. Consumenten die gebruik maken van hun bedenktijd krijgen nu het aankoopbedrag binnen de wettelijke termijn van 14 dagen terugbetaald.

Daarnaast heeft de ACM eind 2019 vier telecomaanbieders beboet voor het weergeven van onjuiste en onvolledige informatie over de door hen aangeboden telefoonabonnementen. Veel consumenten klaagden op de ConsuWijzer over onverwachte kosten en hoge rekeningen voor hun abonnementen bij KPN, Tele2, T-Mobile of Vodafone. De ACM had reeds een aantal uitgangspunten opgesteld en deze met de telecomaanbieders besproken. Een aantal maanden later bleek echter dat de bedrijven nog steeds onduidelijke en onjuiste informatie gaven op hun websites. Op de websites werd onduidelijk vermeld dat er eenmalige kosten betaald dienden te worden bij het afsluiten van een abonnement. Ook werd onterecht vermeld dat de data-, bel- en sms-bundels onbeperkt waren, terwijl dit niet het geval was. Vodafone vermelde niet bij de getoonde abonnementsprijs dat deze alleen gold voor consumenten die reeds klant waren bij Ziggo. De boetes voor deze overtredingen varieerde van EUR 2.715.000 tot EUR 3.907.000.

De ACM heeft ook het consumentenrecht gehandhaafd ten aanzien van platforms. Zo is bol.com aangesproken om consumenten duidelijk(er) te informeren wie de daadwerkelijker verkoper is op het platform. Het moet de consument duidelijk zijn met wie zij te maken heeft en bij wie zij terecht kan met eventuele klachten. Knaek, het bedrijf achter de Knaek-app waarmee studenten in Nederland en Vlaanderen korting kunnen krijgen bij verschillende bedrijven en supermarkten, is door de ACM erop aangesproken dat zij duidelijker in haar voorwaarden moet opnemen dat het abonnement maandelijks opzegbaar is na het verlopen van de eerste vaste abonnementsperiode. Dit heeft het bedrijf nu aangepast. Daarnaast pakt de ACM vanaf dit jaar ook neplikes en nepreviews aan. De ACM heeft vastgesteld dat Nederlandse bedrijven dergelijke nepreviews al dan niet tegen betaling aanbieden op platforms al Facebook, Instagram, YouTube en Google om zo het beeld van een bedrijf te verbeteren. De toezichthouder gaat de aanbieders van deze diensten opsporen en hen opdragen de praktijken te stoppen, waarbij klantbestanden gevorderd kunnen worden. Bij weigering mee te werken, kunnen boetes worden opgelegd.

Rechtspraak

Het strengere handhavingsbeleid van de ACM met betrekking tot consumentenrecht heeft veelal geleid tot waarschuwingen en een aantal lasten onder dwangsom. Hieruit zijn ook een aantal rechtszaken voortgevloeid. Dit overzicht bespreekt de belangrijkste bestuursrechtelijke uitspraken in Nederland ten aanzien van consumentenbescherming uit 2019 en 2020.

Dit jaar legde de ACM aan Netflix een last op om de overtreding binnen drie maanden te beëindigen op straffe van een dwangsom van EUR 15.000 per dag, omdat Netflix – in strijd met artikel 3:15d BW – geen elektronisch postadres voor consumenten beschikbaar stelde op haar website. Netflix beschikte namelijk alleen over een LiveChat op haar website. Het streamingplatform stelde dat deze LiveChat voldeed aan de informatieplicht uit artikel 3:15d BW. De rechtbank Rotterdam benadrukt dat op grond van artikel 3:15d BW slechts de contactgegevens, waaronder het elektronisch postadres, van de dienstverlener gemakkelijk, rechtstreeks en permanent toegankelijk moeten zijn. Naar het oordeel van de rechtbank vormt LiveChat op de website van Netflix een snelle en effectieve vorm van communicatie, die bovendien 22 uur per dag in het Nederlands en 24 uur per dag in het Engels beschikbaar is. De LiveChat voldoet dus aan de informatieplicht van artikel 3:15d BW.

Ondeugdelijke informatievoorziening

In september van dit jaar legde de ACM een bestuurlijke boete op van EUR 1.250.000 aan een energieleverancier wegens het niet in de overeenkomsten vermelden van redelijke opzegvergoedingen. De energieleverancier hanteerde – op basis van richtsnoeren van de ACM – een verschillend bedrag voor consumenten en kleinzakelijk verbruikers, maar onderzocht onvoldoende in welke hoedanigheid een klant de overeenkomst afsloot. Bovendien nam het bedrijf in de overeenkomsten zowel de opzegtarieven voor consumenten als zakelijke kleinverbruikers op, met daarbij in welke hoedanigheid de klant het contract afnam. De voorzieningenrechter oordeelt in haar uitspraak dat het in contracten enkel verwijzen naar standaardvoorwaarden voor verschillende groepen afnemers niet kan gelden als het vermelden van redelijke opzegtarieven. Ook oordeelt de voorzieningenrechter dat de leverancier een vergewisplicht heeft om de hoedanigheid van de klant afdoende te controleren.

De ACM heeft tevens een boete opgelegd aan Vodafone voor het misleiden van consumenten omtrent een abonnementsprijs. In kleine letters stond dat het getoonde maandbedrag slechts gold indien de consument reeds klant was bij Ziggo. De ACM meende dat dit een misleidende omissie was. In haar uitspraak van 24 december 2019 ging de voorzieningenrechter bij de toetsing van de misleidende praktijk uit van wat de gemiddelde consument als duidelijk ervaart of kan ervaren. Het ging hier om informatie waardoor de consument een besluit over een overeenkomst neemt dat anders niet genomen werd. Het was voor de gemiddelde consument niet direct duidelijk dat de vermelde prijs op de homepagina alleen gold voor abonnees van Ziggo, waardoor sprake was van misleidende informatie.

Gelijkheidsbeginsel en handhaving

De rechtbank Rotterdam oordeelde op 23 mei 2019 dat de ACM terecht een boete had opgelegd aan Seats and Sofas van EUR 350.000. De meubelverkoper adverteerde met zogenaamde ‘van-voor-prijzen’ waarmee de consument het beeld krijgt dat een product duurder is geweest maar inmiddels is afgeprijsd. De meubelverkoper had de hogere prijzen echter nooit gehanteerd, waardoor deze handelspraktijk als misleidend werd beoordeeld. Daarnaast waren de meubels niet voorzien van prijskaarten, maar werd de prijs pas bekend gemaakt wanneer de consument hier naar vroeg. Dit is in strijd met de Prijzenwet omdat consumenten onafhankelijk de prijs van producten moeten kunnen vaststellen. Seats and Sofas meende dat de ACM met het opleggen van haar boete het gelijkheidsbeginsel had geschonden. Volgens Seats and Sofas waren er ook andere meubelverkopers die zich schuldig hebben gemaakt aan dergelijke handelspraktijken, die niet zijn beboet. Het CBb oordeelde in hoger beroep dat het gelijkheidsbeginsel niet zover strekt dat een boete onrechtmatig is opgelegd puur omdat een (mogelijk) andere overtreder niet is beboet. Dat zou slechts anders zijn indien sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen. De ACM had in deze zaak echter voldoende inzichtelijk gemaakt dat Seats and Sofas zich onderscheidde van andere verkopers door haar misleidende advertenties en door het onderwerp te zijn van een grote hoeveelheid klachten op ConsuWijzer. Het gelijkheidsbeginsel is derhalve niet geschonden.

De ACM schond het gelijkheidsbeginsel evenmin toen het op 7 juni 2019 een dwangsom oplegde aan Duinzigt Wonen B.V., dat voor haar werkzaamheden als bemiddelaar zowel aan de consument-huurder als aan de verhuurder courtage vroeg. Dit is in strijd met het verbod op dubbele courtage uit artikel 7:417, vierde lid, BW. Duinzigt Wonen B.V. stelde dat de ACM in strijd handelde met het verbod op willekeur en het gelijkheidsbeginsel door alleen haar een boete dan wel last onder dwangsom op te leggen, terwijl andere vermeende overtreders onbestraft bleven. De rechtbank Rotterdam meende dat de toezichthouder keuzes moet maken gelet op haar handhavingscapaciteit. Het is daarbij niet aan de rechter om te bepalen op welke wijze de ACM haar beperkte handhavingscapaciteit dient in te zetten. Er was derhalve geen sprake van een schending van het gelijkheidsbeginsel.

 

Oneerlijk terugbetalingsbeleid

Het CBb heeft in haar uitspraak van 5 februari 2019 een door de ACM opgelegde boete van EUR 500.000 aan TOM B.V. – waarvoor haar twee directeuren hoofdelijk aansprakelijk waren tot een bedrag van EUR 125.000 – aangepast en gematigd. TOM B.V. verkocht via meerdere webwinkels fietsen, sportkleding en accessoires aan consumenten. De webwinkels schonden structureel het consumentenrecht bij annulering en retournering van bestellingen door het hanteren van een “piepsysteem”. Klanten werden slechts na herhaaldelijk aandringen terugbetaald, waarbij zij bovendien eerst een waardebon kregen in plaats van het aankoopbedrag. Het CBb bevestigde dat de ACM correct had vastgesteld dat dit een oneerlijke handelspraktijk is. De hoofdelijke aansprakelijkheid van de bestuurders hield het CBb echter niet in stand. Deze constructie past volgens het CBb niet in het systeem van de Algemene wet bestuursrecht.

Op 27 januari 2019 heeft de rechtbank Rotterdam een boete van EUR 375.000 van de ACM aan incassobureau Credit Invest lichtelijk gematigd. Het incassobureau incasseerde niet-geldige overeenkomsten. Consumenten die om opheldering vroegen werden vaak genegeerd. Daarnaast hanteerde het incassobureau een beleid om consumenten onder druk te zetten onder meer door te dreigen met dure gerechtelijke procedures. Hoewel de ACM de duur van de overtredingen deels incorrect had vastgesteld, was de boete terecht opgelegd volgens het CBb.

Conclusie

Het consumentenrecht is het afgelopen jaar een hot topic geweest. De ACM zal ongetwijfeld ook het aankomende jaar meer en strenger optreden tegen schendingen van het consumentenrecht. De nadruk lijkt hierbij vooral te liggen op het beter en eerlijker informeren van de consument. Deze informatieplicht strekt zich uit van informatie met betrekking tot de karakteristieken van de producten alsmede de achterliggende verkopers. Hiermee zal de rechtspraak met betrekking tot het consumentenrecht hoogstwaarschijnlijk ook toenemen. Niet alleen wil de ACM (en de Europese Commissie) het gerechtvaardigd vertrouwen van de consument in producenten beschermen, ook wordt hiermee een grote stap gezet in de beoogde duurzame en digitale transitie. Het consumentenrecht past zich dus snel aan de huidige tijdsgeest aan.

Bas Braeken, Jade Versteeg en Timo Hieselaar 

Visie

Markets in Crypto-Asset Regulation: wat zijn de gevolgen van toenemende regulering voor de Europese Crypto-markt?

De Europese Commissie (EC) heeft een voorstel gedaan tot nieuwe wetgeving op het gebied van crypto-assets. Dit is vastgelegd in de ontwerp Markets in Crypto-Assets Regulation (MiCA) en beoogt een positief effect te hebben op de crypto-assetindustrie. Voor ieder bedrijf dat zich bezighoudt met crypto-assets is een goede voorbereiding essentieel.

Onlangs benadrukte Ursela von der Leyen, voorzitter van de EC, het belang van ‘een gemeenschappelijke samenwerking tussen de lidstaten op het gebied van crypto-assets zodat we begrijpen hoe we de mogelijkheden optimaal benutten en tegelijkertijd de risico’s effectief kunnen aanpakken’. In lijn hiermee wordt in de ontwerp MiCA van 24 september 2020 een ambitieus regelgevend kader voor de gehele EU vastgesteld. Dit voorstel reguleert in de eerste plaats de momenteel ongereguleerde crypto-assets. Dit zijn met name de zogenaamde stablecoins, die als ruilmiddel kunnen dienen omdat ze een stabiele waarde behouden.

De ontwerp MiCA wordt gezien als welkome regulering van de crypto-markt. Deze markt heeft in het verleden regelmatig te maken gehad met negatieve berichtgeving door een gebrek aan regulering en juridische onduidelijkheid. Bovendien was oplichting door middel van een Initial Coin Offering (ICO) een voorkomend probleem. Dit voorstel is bedoeld om veel van deze negatieve aspecten te verhelpen en tegelijkertijd meer beleggersbescherming te bieden. Voor iedereen die actief crypto-asset gerelateerde diensten aanbiedt is een goede voorbereiding van belang.

Waarom wordt MiCA geïntroduceerd?

MiCA maakt deel uit van de ‘Digital Finance Package’ van de EC. Dit pakket bevat een aantal wetgevingsvoorstellen die beogen om de digitale transformatie van de financiële sector in de EU vorm te geven. Daarnaast is het bedoeld om ervoor te zorgen dat het regelgevingskader voor financiële diensten binnen de EU geschikt is voor innoverende FinTech-toepassingen. Een van de belangrijke voorbeelden hiervan is de Distributed Ledger Technology (DLT), een digitaal systeem dat wordt gedeeld, gerepliceerd en gesynchroniseerd tussen de leden van een gedecentraliseerd netwerk. Bepaalde transacties, waaronder de uitwisseling van activa, worden geregistreerd op het netwerk en zijn in principe voor iedereen zichtbaar.

Dit voorstel streeft vier doelstellingen na: (i) zorgen voor rechtszekerheid door een regelgevend kader voor alle crypto-assets te bieden, (ii) innovatie en eerlijke concurrentie in de EU te ondersteunen, (iii) het niveau van de bescherming van consumenten en beleggers alsmede de marktintegriteit te verhogen, en (iv) specifiek aandacht te besteden aan de stablecoins, die een bedreiging kunnen vormen voor de financiële stabiliteit door de potentiële globale invoering.

De verwachting is dat dit ontwerp een volledig geharmoniseerd regime binnen de EU zal creëren. Daarnaast heeft de ontwerp MiCA raakvlakken met het bestaande regelgevingskader voor (het aanbieden van) financiële diensten. Zo zullen aanbieders van crypto-assetdiensten zich onder andere moeten voorbereiden op het verkrijgen van autorisatie, regels inzake marktmisbruik en het opstellen van een whitepaper dat vergelijkbaar is met een prospectus.

Op wie is MiCA van toepassing?

MiCA bevat een definitie van “Crypto-Asset Service Provider” (CASP). Deze definitie is afgeleid van “Virtual Asset Service Providers” van de Financial Action Task Force (FATF), de wereldwijde waakhond voor het tegengaan van witwassen en terrorismefinanciering. Een CASP is iedereen wiens beroep of bedrijf bestaat uit het op professionele basis leveren van crypto-assetdiensten aan derden. Deze diensten omvatten onder andere: het verstrekken van advies, bewaring en administratie van crypto-assets namens derden, crypto-fiat omwisselingen en uitvoering van crypto-asset orders voor derden. Een gevolg is dat het aantal actoren op de crypto-markt dat te maken krijgt met de MiCA hierdoor aanzienlijk kan zijn.

De ontwerp MiCA biedt tevens een raamwerk voor specifieke categorieën van crypto-assets die op dit moment buiten de bestaande regulering vallen. Het conceptwetsvoorstel is daarom niet van toepassing op crypto-assets die al reeds gereguleerd zijn. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn indien de crypto-asset reeds als een financieel instrument, elektronisch geld, (gestructureerde) deposito’s of securitisaties worden aangemerkt.

MiCA reguleert voorts drie nieuwe categorieën crypto-assets en bevat een catch-all-bepaling. Hieronder volgt een weergave van deze tokens gevolgd door hun definitie.

De ‘Electronic money token’, of ‘e-money token’: ‘the main purpose is to be used as a means of exchange and that purports to maintain a stable value by referring to the value of fiat currency that is legal tender’. Deze categorie crypto-asset is specifiek gericht op een type stablecoin, namelijk die wordt ondersteund door één type fiat valuta. Voorbeelden hiervan zijn USD Tether, USD Coin en (mogelijk ook) de Libra van Facebook.

De ‘Asset-referenced token’, is tevens een soort stablecoin. De definitie luidt: ‘which purports to maintain a stable value by referring to the value of several fiat currencies that are legal tender, one or several commodities or one or several crypto-assets, or a combination of such assets’. In tegenstelling tot de e-money token kan dit type crypto-asset worden gedekt door meerdere verschillende onderliggende activa (anders dan één fiatvaluta), terwijl de waarde stabiel blijft. Enkele voorbeelden hiervan zijn DAI (Ether-backed) en Money on Chain (Bitcoin-backed).

De ‘Utility token’, is een token ‘that is intended to provide digital access to a good or service, available on DLT, and is only accepted by the issuer of that token’. Utility tokens worden vaak uitgegeven via een ICO en verlenen toegang tot een goed of dienst van diezelfde uitgever. Voorbeelden van populaire van utility tokens zijn Golem (marktplaats voor rekenkracht) en Basic Attention Token (reclameplatform).

De catch-all-bepaling van ‘Crypto-asset’ is geformuleerd als ‘a digital representation of value or rights which may be transferred and stored electronically, using distributed ledger technology or similar technology’. Deze definitie is ruimer dan de FATF-definitie van ‘virtuele activa’, aangezien in de MiCA-definitie de specifieke functies van een crypto-asset buiten beschouwing worden gelaten. Als gevolg vallen alle overige en toekomstige crypto-assets naar verwachting onder het MiCA-regime.

Wat zijn de verplichtingen onder MiCA?

Vergelijkbaar met bestaande verplichtingen omtrent de uitgifte van effecten, moeten crypto-assets aangeboden worden aan het publiek (onder andere beleggers en consumenten) tezamen met een whitepaper die voldoet aan bepaalde vereisten. Hierbij kan gedacht worden aan een beschrijving van het project en de token.

In het geval van asset-referenced tokens en de e-money tokens moet de whitepaper eerst worden goedgekeurd door de nationale toezichthouder van de desbetreffende EU-lidstaat. Het is nog onduidelijk welke toezichthouder in Nederland deze taak krijgt toegewezen.

De uitgifte van e-money tokens is alleen toegestaan mits de uitgevende instelling een erkende kredietinstelling is onder de kapitaalrichtlijn (2013/36/EU) of kwalificeert als een instelling voor elektronisch geld in het kader van de E-money-richtlijn (2009/110/EG).

Bovendien mag een CASP pas crypto-assetdiensten aanbieden als zij daartoe door de desbetreffende bevoegde nationale instantie zijn gemachtigd. Om in aanmerking te komen voor een dergelijke machtiging moet zij een aanvraag indienen. Na een goedkeuring kan de CASP gebruikmaken van het Europees Paspoort. Een gevolg hiervan is dat de CASP geen fysieke aanwezigheid in een andere EU-lidstaat nodig heeft bij het verlenen van grensoverschrijdende diensten.

Alle crypto-assets die zijn toegelaten om te verhandelen op handelsplatformen zijn tevens onderworpen aan regelgeving om marktmisbruik tegen te gaan. Deze maatregelen omvatten onder andere de verplichting om zo snel mogelijk koersgevoelige informatie openbaar te maken en het verbod op marktmanipulatie. Dit moet de marktintegriteit waarborgen en uiteindelijk leiden tot een hoger niveau van beleggersvertrouwen.

Wanneer treedt MiCA in werking?

Het is de bedoeling dat het gehele Digital Finance Package, waaronder MiCA, uiterlijk in 2024 volledig van kracht wordt. Allereerst moet zij echter nog worden goedgekeurd door de Europese Raad en het Europees Parlement.

Zoals bij veel innovatie op het gebied van FinTech en de opkomst van nieuwe toepassingen zoals Decentralized Finance (DeFi), een experimentele vorm van peer-to-peer financiering, zal de regelgeving vaak enkele stappen achterlopen.

Voor wie zich bezighoudt met crypto-assets zal MiCA hoogstwaarschijnlijk impact hebben. MiCA brengt namelijk verschillende compliance verplichtingen met zich mee en inbreuken hierop kunnen mogelijk een forse boete opleveren.

Om bovenstaande redenen kan het van belang zijn om voorbereidingen te treffen op de aankomende regelgeving. In dat kader zou het nuttig kunnen zijn om na te gaan of uw bedrijf eventueel wordt aangemerkt als een CASP in de zin van MiCA en daardoor in de toekomst autorisatie nodig heeft. Voorts, in het geval dat u van plan bent om asset-referenced tokens uit te geven, kan het nadenken over het opstellen van een whitepaper van pas komen.

Indien u daarbij hulp nodig heeft, of als u andere vragen heeft over de ontwerp MiCA, neem dan gerust contact met ons op; bureau Brandeis – Financial Services Litigation.

 

Naar
boven