Visie

Cyberbeveiligingswet in de praktijk: de zorgplicht, ISO-certificering en de rol van het bestuur

Op 23 maart besprak de Tweede Kamer de Cyberbeveiligingswet (“Cbw”), de Nederlandse implementatie van de Network and Information Security Directive (EU 2022/2555; “NIS2-richtlijn”). Streven is nog steeds om de wet dit kwartaal in te voeren.  De hack op Odido en de recente hack bij Ajax laten zien dat het beveiligen van je informatievoorziening geen overbodige luxe is, maar noodzakelijk om incidenten te voorkomen. Bij de Odido hack zijn van veel mensen persoonsgegevens op het dark web gepubliceerd. Deze persoonsgegevens kunnen worden gebruikt om phishing mails te sturen, bestellingen of abonnementen op uw naam af te sluiten of een poging te doen uw bankaccount over te nemen. Dergelijke cyberincidenten kunnen voorkomen worden met een goede cybersecurity. Daarom zoomen we in deze blog in op de zorgplicht onder de Cbw.

Inmiddels is er vanuit verschillende instanties informatie gedeeld over de Cbw, zoals het Nationaal Cyber Security Centrum en de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur (“RDI”), die voor veel partijen onder de Cbw als toezichthouder zal optreden. De Rijksoverheid adviseert dan ook aan organisaties om nu alvast te beginnen met implementatie van de regels uit de Cbw, omdat de risico’s op cyberincidenten nu al aanwezig zijn.

Zorgplicht

Een van de verplichtingen onder de Cbw is de zorgplicht uit artikel 21 Cbw. De zorgplicht onder de Cbw houdt in dat essentiële en belangrijke entiteiten passende en evenredige technische en organisatorische maatregelen moeten treffen. Of aan de zorgplicht wordt voldaan wordt door de aangewezen toezichthouders gecontroleerd, onder andere door entiteiten te verplichten schriftelijk vast te leggen wat de entiteit doet na een attendering van de toezichthouder, het Computer Security Incident Response Team (“CSIRT”) of een andere overheidsinstantie.

In de Cbw zijn een aantal minimummaatregelen opgenomen om invulling te geven aan de zorgplicht:

  • Beleid inzake risicoanalyse en beveiliging van informatiesystemen
  • Incidentenbehandeling
  • Bedrijfscontinuïteit, zoals back-upbeheer, herstelplannen en crisisbeheer
  • De beveiliging van de toeleveringsketen, met inbegrip van beveiligingsgerelateerde aspecten met betrekking tot de relaties tussen de entiteit en haar rechtstreekse leveranciers of dienstverleners
  • Basispraktijken op het gebied van cyberhygiëne en opleiding op het gebied van cyberbeveiliging
  • Beveiliging bij het verwerven, ontwikkelen en onderhouden van netwerk- en informatiesystemen met inbegrip van de respons op en bekendmaking van kwetsbaarheden
  • Beveiligingsaspecten ten aanzien van personeel, toegangsbeleid en beheer van assets
  • Wanneer gepast, het gebruik van multifactor-authenticatie- of continue-authenticatieoplossingen, beveiligde spraak-, video- en tekstcommunicatie en beveiligde noodcommunicatiesystemen binnen de entiteit
  • Beleid en procedures inzake het gebruik van cryptografie en, in voorkomend geval, encryptie
  • Beleid en procedures om de effectiviteit van maatregelen voor het beheersen van cyberbeveiligingsrisico’s te beoordelen.

Het Nationaal Cyber Security Centrum in Nederland heeft op haar website inmiddels een aantal adviesproducten ontwikkeld die kunnen helpen bij het implementeren van deze maatregelen.

ISO-certificering als handvat voor compliance

Een ander handvat bij de implementatie van de Cbw zijn de ISO 27001 normen. ISO 27001 is de internationale standaard voor informatiebeveiliging. Een ISO-certificering toont aan dat de informatiebeveiliging van een organisatie goed beveiligd is. Een ISO-certificaat kan NIS2 compliance ondersteunen. Mede daarom heeft zowel het Europese agentschap voor Cyber Security (“ENISA”) als De Baseline informatiebeveiliging Overheid een tabel gemaakt waarin de ISO-normen vergeleken worden met de Cbw. De Baseline informatiebeveiliging Overheid bevat basisnormen voor informatiebeveiliging binnen de overheid (Rijk, gemeenten, waterschappen en provincies). ENISA bekommert zich over de cybersecurity in Europa. Verschillende maatregelen, zoals multi-factor authenticatie of incidentenbehandelingen, vallen onder de normen van ISO 27001 en zijn verplicht onder de zorgplicht van de Cbw. Het bezitten van ISO 27001 certificering kan dus helpen bij het voldoen aan de verplichtingen uit de NIS2, maar is niet voldoende om aan de verplichtingen onder de NIS2 te voldoen.

Grotere verantwoordelijkheid voor het bestuur

Waar de ISO-normen enkel eisen stellen aan de techniek en de organisatie daarvan, stelt de Cbw ook eisen aan het bestuur van een entiteit. Zoals ook in een eerdere blog beschreven, bepaalt artikel 24 van de Cbw dat bestuurders eindverantwoordelijk zijn voor de naleving van de Cbw verplichtingen. De NIS2, gaat niet in op de definitie van ‘het bestuur’. In de memorie van toelichting bij de Cbw wordt voor ‘bestuur’ aanknoping gezocht bij de Digital Operational Resilience act (“DORA”), een verordening met het doel de digitale weerbaarheid van financiële instellingen te verhogen. Uit deze verordening wordt afgeleid dat onder het bestuur wordt verstaan:

  • Het dagelijks bestuur en niet een toezichthoudend orgaan (zoals een RvC)
  • En in het geval van een one-tier board, de uitvoerende bestuurders en niet de niet-uitvoerende bestuurders.

Het bestuur is bij rechtspersonen dus de gebruikelijke term uit boek 2 van het Nederlands Burgerlijk Wetboek (“BW”). De zorgplicht uit artikel 24 van de Cbw rust dus op het bestuur van een rechtspersoon in de zin van boek 2 BW. De memorie van toelichting verwijst in lijn hiermee naar de taak van het bestuur voor de N.V.  en B.V. in respectievelijk artikel 2:129 en artikel 2:239 BW.

Aansprakelijkheid feitelijk leidinggevende onder Algemene wet bestuursrecht

Naast bestuurders kunnen ook andere natuurlijke personen aansprakelijk gesteld worden voor schending van verplichtingen onder de Cbw. Het gaat hier om personen die, hoewel ze geen bestuurder zijn, in feite de besluiten nemen en controle uitoefenen over de naleving van de verplichtingen uit de Cbw. Deze aansprakelijkheid is dus niet beperkt tot bestuurders, maar kan ook zien op andere personen binnen een organisatie. In NIS2 is niet uitgewerkt hoe deze aansprakelijkheid vormgegeven moet worden. In Nederland wordt dit ingevuld met bestuursrechtelijke handhaving waarop de Algemene wet bestuursrecht (“Awb”) van toepassing is. Op basis van artikel 5:1 van de Awb geldt dat indien een rechtspersoon een overtreding begaat, degene die tot het feit opdracht gegeven heeft of degene die feitelijk leiding heeft gegeven ook een sanctie opgelegd kan krijgen, zoals een bestuurlijke boete. Dit wel onder de voorwaarde dat voldaan is aan het leerstuk feitelijk leidinggeven in de zin van de Awb.

Conclusie

De zorgplicht onder de Cbw brengt dus veel nieuwe verplichtingen en verantwoordelijkheden voor bestuurders van entiteiten mee. De ISO-normen kunnen steun bieden bij het voldoen aan de technische en organisatorische maatregelen die uit de Cbw volgen.

Wilt u meer weten over de verplichtingen die gelden voor u als bestuurder en hoe u uw organisatie en positie kunt beschermen? Neem dan contact op met Machteld Robichon of Bente van Kan.

Met dank aan Maartje Nelemans

Lees daarnaast onze andere blogs, waaronder:

Visie

Hervorming van de publieke omroep: update 2026

Hervormingen binnen het publieke omroepbestel

In het coalitieakkoord ‘Aan de slag’, dat op 30 januari jl. is gepresenteerd, wordt opnieuw stilgestaan bij de toekomst van het publieke omroepbestel. Tegelijkertijd vinden binnen de sector gesprekken plaats over de concrete uitwerking van deze plannen. In deze blog bespreken we de meest recente ontwikkelingen rondom de hervorming van de publieke omroep.

Coalitieakkoord 2026–2030: hoofdlijnen voor het publieke omroepbestel

In hoofdlijnen heeft het kabinet het volgende voorgesteld voor de inrichting en financiering van de publieke omroep:

  • Het kabinet wil dat de dertien publieke omroepen worden samengevoegd tot vier organisaties. Daarnaast moet er een taakomroep komen voor de NOS en NTR.
  • Er moet meer worden ingezet op digitalisering om jongere doelgroepen te bereiken, met meer aandacht voor samenwerking met commerciële partijen en coproducties. Ook zal de NPO een meer transparante en efficiënte rol als coördinator vervullen.
  • De bestuurlijke inrichting zal worden vereenvoudigd door dubbelfuncties uit te sluiten en bestuurstermijnen te maximeren op tweemaal vier jaar.
  • De regionale en lokale omroepen worden versterkt door meer samenwerking met de NPO.
  • Om het gelijke speelveld voor commerciële en publieke omroepen en media te beschermen, compenseert het kabinet de opgave die de NPO heeft voor extra reclame-inkomsten.
  • Het kabinet stelt structureel 50 miljoen euro beschikbaar voor intensiveringen in de media.

Reclameruimte, bezuinigingen en het gelijke speelveld

Met de jaarlijkse investering van 50 miljoen euro lijkt het kabinet het zogeheten amendement-Bontenbal deels terug te draaien. Dit amendement verhoogde de eerder aangekondigde bezuiniging op de NPO van 106 miljoen euro met een extra 50 miljoen euro, die deels zou moeten worden opgevangen door extra reclame-inkomsten van de Ster. Door de investering die het huidige kabinet beschikbaar wil stellen voor de media, is de NPO in mindere mate afhankelijk van inkomsten uit reclame en beoogt het kabinet het gelijke speelveld tussen de publieke omroepen en de commerciëlen, die volledig afhankelijk zijn van reclame-inkomsten, te waarborgen. Helemaal zeker is dit nog niet: het is nog onduidelijk welk gedeelte van het bedrag naar de NPO gaat. Daarnaast moeten de plannen uit het regeerakkoord nog door de Tweede Kamer te worden goedgekeurd.

De demissionaire BBB-minister van OCW, Gouke Moes, kondigde in november 2025 aan dat hij de reclametijd op lineaire televisie wilde verruimen van 8 procent naar 10 procent van de totale zendtijd. Daarmee zou de eerdere beperking van reclametijd, die onder voormalig minister Arie Slob werd ingevoerd, gedeeltelijk worden teruggedraaid. Voor online reclame werd geen structurele uitbreiding voorzien; alleen ideële campagnes, zoals campagnes van goede doelen of overheidscampagnes, blijven mogelijk. Ook riep Moes op om te onderzoeken of binnen de bestaande regelgeving meer reclame-inkomsten kunnen worden gerealiseerd, bijvoorbeeld bij podcasts. Volgens Moes zou dit de Ster ongeveer 11,7 miljoen euro extra inkomsten kunnen opleveren.

In het huidige regeerakkoord en in het wetgevingsoverleg van 26 januari 2026 over de OCW-begroting Media klinkt een ander geluid: houd de publieke omroep publiek. Zo zijn er in het wetgevingsoverleg over de OCW-begroting Media verschillende moties aangenomen die beogen de reclameruimte niet te verhogen omdat dit zowel afbreuk zou doen aan het publieke karakter van de publieke omroep, als tot gevolg zou hebben de balans tussen publieke en commerciële media te verstoren.

Het kabinet lijkt voornemens het gelijke speelveld tussen publieke en commerciële media te willen beschermen. Wat dit concreet zal betekenen, en welke invloed dit zal hebben op de beschikbare reclameruimte, is nog niet duidelijk.

Vooruitblik: wat betekent dit voor mediapartijen?

De NPO heeft aangegeven blij te zijn met de vermindering van de bezuinigingen op de media, maar is ook in afwachting van hoe het bedrag wordt verdeeld.  Een bewogen periode voor de publieke omroep, die voorlopig niet rustiger lijkt te worden. De hervorming naar vier omroephuizen, de discussie over de financiering van de publieke omroep en de balans tussen publieke en commerciële media staan centraal in het gesprek over de toekomst van de publieke omroep.

Of de sector zelf tot een gezamenlijke oplossing komt of dat het kabinet uiteindelijk zelf knopen moet doorhakken, zal afhangen van de uitkomsten van de lopende gesprekken tussen omroepen, NPO en het ministerie van OCW.

Het doel is om in 2029 de hervormingen van de nieuwe omroephuizen door te voeren. Om dit doel te halen moet er vaart worden gemaakt omdat het gehele wetgevingstraject nog moet starten. Volgens de minister zou hiertoe de behandeling van het wetsvoorstel uiterlijk in de zomer van 2027 door het parlement behandeld moeten zijn.

Naar aanleiding hiervan is een motie aangenomen en wel om het wetsvoorstel uiterlijk voor 1 juni 2026 in internetconsultatie te brengen en de Tweede Kamer voor het zomerreces te informeren over het verdere tijdpad van parlementaire behandeling is aangenomen. De internetconsultatie zal dus vermoedelijk binnen afzienbare tijd starten.

We blijven de ontwikkelingen volgen! Heeft u intussen vragen over dit onderwerp, neem gerust contact op met  Machteld RobichonBente van Kan of Sophie Mostert.

Visie

Mededinging en regulering van de energietransitie

In 2050 wil Nederland alleen nog energie uit duurzame bronnen gebruiken. De transitie van fossiele brandstoffen naar duurzame energiebronnen neemt daarmee een prominente plek in het politieke debat en beleid. Dit heeft reeds geleid tot verschillende wijzigingen in regelgeving en een toenemende actieve rol van de Autoriteit Consument en Markt (“ACM”) op dit gebied. De ACM heeft, als mededingingsautoriteit en toezichthouder op de energiemarkt, de energietransitie onlangs (weer) als één van de speerpunten op haar agenda voor 2026 geplaatst.

Om de energietransitie in goede banen te leiden en waar mogelijk te versnellen, strekt het toezicht van de ACM zich uit over tal van onderwerpen. Van tariefmethodes tot consumentenbescherming en van algoritmehandel tot warmtenetten. Uit het recente beleidsdocument ‘Focus op Energie 2026’ blijkt dat de ACM aankomende tijd haar pijlen vooral richt op het versnellen van de transitie, het veiligstellen van voorzieningszekerheid (inclusief weerbaarheid) en het waarborgen van betaalbaarheid voor consumenten.

In deze blog bespreken wij een kleine greep uit het bredere energietoezicht van de ACM, en focussen op de kaders voor netwerkcongestie, de ontwikkeling van waterstofinfrastructuur en handhaving van de REMIT-verordening. Tot slot zal kort worden ingegaan op toepassing van het meer traditionele mededingingsrechtelijke kader op duurzaamheidssamenwerkingen tussen (energie)bedrijven.

Nieuwe energiewetgeving

Vanwege de vele ontwikkelingen op nationaal maar ook op Europees niveau op het gebied van duurzame en hernieuwbare energie, is per 1 januari 2026 de nieuwe Energiewet gaan gelden in Nederland. De Energiewet strekt tot implementatie van Richtlijn 2024/1711 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2024 (wijziging van de Richtlijnen 2018/2001 en 2019/944 inzake de verbetering van de opzet van de elektriciteitsmarkt van de Unie). De hervorming van de Europese energiemarkt (Electricity Market Design) is onderdeel van de welbekende European Green Deal. De nieuwe Nederlandse wetgeving voegt de oude Gaswet en de Elektriciteitswet 1998 samen en kent als één van de doelstellingen ‘de transitie naar een schonere, betrouwbare, veilige en betaalbare energievoorziening’. Het bevat dan ook nieuwe regels voor onder meer de versterking van consumentenbescherming, verbetering van het recht op energiedeling, efficiënter gebruik van het transportnet, een systeem voor gegevensuitwisseling en bescherming van de groothandelsmarkt voor energie.

Congestiemaatregelen

De voor het bereiken van de doelstellingen benodigde overstap van fossiele brandstoffen naar elektriciteit leidt logischerwijze tot een toename in elektriciteitsverbruik. Tegelijkertijd wordt er steeds meer duurzame (maar minder controleerbare) energie opgewekt. Deze ontwikkelingen zorgen voor een toenemende druk op het elektriciteitsnet (in de nieuwe Energiewet wordt er gesproken over ‘systemen’ voor elektriciteit), wat in gevallen kan leiden tot een capaciteitstekort. Dit tekort wordt aangeduid als ‘congestie’ en heeft gevolgen voor zowel de afname- als de opwekkant van elektriciteit.

Op basis van de (voorheen) Elektriciteitswet en (huidige) Energiewet is de ACM de bevoegdheid om regels op te stellen voor de energiemarkt, zogenaamde codes. De ACM heeft die mogelijkheid onder meer ingezet om de ‘Netcode elektriciteit’ aan te nemen met verschillende congestiemaatregelen om flexibiliteit te bevorderen.

Flexibele contracten

Vanwege de krapte in het systeem is de ACM op zoek gegaan naar mogelijkheden om het net beter te benutten. In haar in juli 2025 geüpdatete overzicht en inzicht congestiemaatregelen bespreekt de ACM verschillende mogelijkheden voor een alternatief transportrecht. Dit houdt in dat een aangeslotene ervoor kan kiezen niet langer te allen tijde recht te hebben op toegang tot het net.

De ACM heeft verschillende mogelijkheden gecreëerd in het “Codebesluit non-firm aansluit- en transportovereenkomst” (ATO), waaronder een volledig variabel transportrecht, een tijdsduur gebonden transportrecht (85% van het jaar recht op transport) en een tijdblok gebonden transportrecht (toegang tot het net op van tevoren afgesproken dagdelen). Een reeds aangeslotene kan bovendien met de netbeheerder een capaciteitsbeperkingscontract sluiten. In zo’n overeenkomst stemt de aangeslotene ermee in om tijdelijk geen of slechts beperkt gebruik te maken van het gecontracteerde transportvermogen, in ruil voor een vergoeding. Ook op deze manier kan er extra ruimte op het transmissiesysteem beschikbaar komen voor andere gebruikers.

Om ervoor te zorgen dat de inzet van congestiemaatregelen daadwerkelijk toeneemt, heeft de ACM netbeheerders opgedragen verbeterplannen op te stellen die beter inzicht geven in het netgebruik. Ook hebben netbeheerders en (organisaties voor) netgebruikers onlangs een akkoord ondertekend over een nieuwe reguleringsmethode. De ACM meent dat door het wegnemen van juridische geschillen over de methode, er adequater kan worden gefocust op de implementatie van de nodige maatregelen.

Verder gaat de ACM in 2026 naar eigen zeggen besluiten nemen over tijdsafhankelijke nettarieven (op regionale netten) en onderzoekt de ACM nog hoe bedrijven die beschikken over batterijsystemen (die extra stroom kunnen afnemen of juist terugleveren op piekmomenten) of elektrolysers (die een overschot aan stroom omzetten in waterstof) kunnen bijdragen aan een aan efficiënter gebruik van het net, en welke korting/beloning hier tegenover dient te staan.

Vormen van energiedeling

Ook door gezamenlijk gebruik te maken van een netaansluiting kan congestie worden verminderd. In december 2025 heeft de ACM de mogelijkheid geïntroduceerd om als grootverbruiker een groepstransportovereenkomst aan te gaan met andere grootverbruikers. In deze overeenkomst kunnen zij vraag en aanbod van de transportcapaciteit verdelen. Door deze lokale onderlinge afstemming is er voor de groep in totaal minder capaciteit nodig en wordt de druk op het net verlaagd.

Een andere optie die de ACM geschikt acht is ‘cable-pooling’. In dat geval delen twee of meer aangeslotenen die in elkaars onmiddellijke nabijheid liggen, een fysieke aansluiting waardoor deze efficiënter wordt benut. Deze mogelijkheid is vooral ontwikkeld met het oog op een combinatie van een zonnepark en een windpark (als complementaire opwekkers), een batterij en/of een afnemer. Om gebruik te kunnen maken van deze regeling dienen de ‘cable-poolers’ een aanvraag te doen bij de desbetreffende systeembeheerder en een overeenkomst te sluiten. Vervolgens dient de ACM op de hoogte te worden gebracht van de gedeelde aansluiting.

Tot slot publiceerde de ACM vorig jaar een paper met kansen en aandachtspunten voor energiedeling. Energiedelen is het gelijktijdig verbruiken van elektriciteit door een ‘energieontvanger’ op het moment dat een ‘energiegever’ duurzame elektriciteit opwekt (en deze niet zelf verbruikt). Hierover zal een overeenkomst moeten worden gesloten waarbij het tarief onderling wordt bepaald. Energiedeling kan plaatsvinden binnen een energiegemeenschap of andere groep van consumenten (buren). Het delen van energie wordt een recht dat gefaciliteerd moet worden door energieleveranciers en netbeheerders.

Recht op (nieuwe) aansluiting

In beginsel volgt uit artikel 23 van de Elektriciteitswet 1998 dat een systeembeheerder verplicht is om degene die daarom verzoekt op redelijke termijn te voorzien van een aansluiting op het elektriciteitsnet. Voor iedere onroerende zaak (WOZ-object) moet ten minste één aansluiting worden gerealiseerd. In de praktijk is (snelle) toegang tot het systeem echter niet meer vanzelfsprekend. Door de toenemende congestie en een overbelast net heeft de ACM daarom nieuwe regels opgesteld omtrent het vergeven van aansluitingen. Wanneer er sprake is van congestie, heeft de systeembeheerder bijvoorbeeld meer flexibiliteit ten aanzien van de aansluittermijn voor grootgebruikers. De ACM gaat in 2026 ook een besluit nemen over (langere) aansluittermijnen voor kleingebruikers.

Omdat nieuwe aansluitingen niet meer zomaar uitgegeven kunnen worden, belanden nieuwe aanvragen op een wachtrij. Dit vormt een probleem wanneer essentiële bedrijven een nieuwe aansluiting nodig hebben. Daarom heeft de ACM een maatschappelijk prioriteitskader opgesteld op basis waarvan bedrijven voorrang kunnen krijgen. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft onlangs uitspraak gedaan over het ‘Codebesluit prioriteitsruimte’. Hierin oordeelt het CBb dat de ACM de bevoegdheid heeft om dit prioriteitskader op te stellen en dat dit ook van belang is met het oog op congestieproblemen, maar dat de ACM beter moet onderzoeken en motiveren welke partij voorrang krijgt.

Waterstof

Naast de klassieke energiesystemen, zal (duurzame) waterstof een belangrijke rol gaan spelen bij het behalen van de klimaatdoelen in 2050 met name als brandstof voor transportmiddelen en de verwarming van gebouwen als vervanging voor aardgas. Vanwege de belangrijke rol die (blauwe en groene) waterstof kan spelen in het behalen van de klimaatdoelen heeft het Europees Parlement en de Raad richtlijnen opgesteld om een goede werking van de interne markten voor aardgas en waterstof te waarborgen. De ‘Richtlijn (EU) 2024/1788 betreffende de gemeenschappelijke regels voor de interne markten voor hernieuwbare gassen, aardgas en waterstof’ stelt onder meer dat het van belang is dat gebruikers van waterstof dezelfde rechten hebben als aardgasafnemers, en onnodige belemmeringen op de markt moeten worden weggenomen.

Dit idee ligt nu ook verankerd in de Nederlandse wetgeving: de nieuwe Energiewet geldt ook expliciet voor waterstof (hetgeen nog niet het geval was in de oude Gaswet). Een belangrijke wijziging is dat de Energiewet een verplichting kent voor de transmissiesysteembeheerder om waterstof toe te laten tot het gasnetwerk, mits aan bepaalde voorwaarden is voldaan.

Ondanks de hoge verwachtingen van groene waterstof voor de energietransitie blijven de grote ontwikkelingen achter. De onzekerheden aan zowel de vraag- als aanbodkant van de waterstofmarkt zorgen voor een vertraging van de ontwikkeling van de markt. Door onzekerheden over volumes, prijzen en infrastructuur blijft het doen van grote investeringen risicovol. De ACM onderstreept de noodzaak van duidelijke overheidsregulering om een stimulans te geven aan de waterstofmarkt en heeft hier recent gehoor aan gegeven door beleid op te stellen voor derdentoegang en tariefregulering.

Derdentoegang waterstofterminals

Potentiële gebruikers moeten op basis van Europese regelgeving toegang kunnen krijgen tot de capaciteit van een waterstofterminal op basis van objectieve, transparante, niet-discriminerende voorwaarden. De ACM heeft een systeem voor onderhandelde derdentoegang ontwikkeld. Het is dus aan de waterstofterminalbeheerder en (potentiële) gebruikers zelf om onderling afspraken te maken waarbij gebruikers in beginsel gelijk moeten worden behandeld maar er objectieve rechtvaardigingen kunnen bestaan om gunstigere voorwaarden af te spreken met een launching customer (een eerste afnemer die een belangrijke rol heeft gespeeld in de ontwikkeling van de infrastructuur). Regels voor derdentoegang kunnen bijdragen aan de mogelijkheid tot opschalen van de markt en aan de investeringszekerheid. De ACM zal in 2026 verdere duidelijkheid bieden over derdentoegang in vervolgpublicaties, aldus de toezichthouder.

Tariefregulering

Verder onderzoekt de ACM verschillende reguleringsinstrumenten om hoge waterstofnettarieven te voorkomen. Zo biedt Europese regelgeving de mogelijkheid om het terugverdienen van kosten van waterstoftransportnetten over de tijd te spreiden (intertemporele kostentoerekening), opdat toekomstige gebruikers bijdragen aan de initiële kosten. Ook kan de Nederlandse overheid directe subsidies verstrekken aan Gasunie/Hynetwork, of indirecte steun bieden via garantstellingen. Europese wetgeving biedt eveneens ruimte voor een tijdelijke kruissubsidie waarbij een extra heffing bij gebruikers van gastransportnetten in rekening wordt gebracht om waterstoftarieven te verlagen.

De ACM zal in 2026 een verdiepend paper opstellen met een uitwerking van de tariefregulering waterstof. Mogelijk dat zij hierin specifieke keuzes zal maken over hoe efficiënte kosten over de tijd dient te worden verdeeld (bijvoorbeeld door aanpassing van afschrijvingsmethoden of het WACC-stelsel) en over de tariefstructuur, zoals de verdeling van kosten tussen invoeders en afnemers (bijvoorbeeld 50/50 of 40/60 split), tussen locatieonafhankelijke versus afstandsgebonden tarieven, en tussen capaciteits- of volumetarieven.

Tot slot is de ACM voornemens om in de tweede helft van dit jaar haar visie te geven op regulering van CO2-transport en CCS (het afvangen, transporteren en opslaan van CO2).

Groothandelsmarkten: REMIT

Het toezicht van de ACM op de groothandelsmarkten voor elektriciteit en gas is de afgelopen tijd verscherpt. Dit toezicht vindt plaats op basis van de Verordening betreffende de integriteit en transparantie van de groothandelsmarkt voor energie (REMIT). Gedurende het jaar publiceert de ACM updates over indicatoren van haar toezichtwerk op grond van deze Verordening. Hieruit blijkt dat de ACM in de eerste helft van 2025 17 signalen heeft ontvangen van mogelijke verboden handel (vergelijkbaar met de periode ervoor). De meeste signalen hadden betrekking op mogelijke marktmanipulatie, zoals marking the close, layering/spoofing, off market orders, erroneous orders, capacity hoarding, quote stuffing, en wash trades.

De ACM kan ingrijpen met een waarschuwing of een boete. Een jaar geleden is bijvoorbeeld een internationale marktdeelnemer gewaarschuwd vanwege aanwijzingen op marktmanipulatie. Het ging hierbij om handelsgedrag dat bekend staat als marking the close. Dit houdt in dat een marktdeelnemer de referentieprijs op de markt beïnvloedt door vlak voor het moment dat de slotprijs wordt vastgesteld bewust koopt of verkoopt waardoor de prijs omhoogschiet. Contracten die eerder zijn afgesloten worden dan afgerekend tegen deze kunstmatig verhoogde slotprijs.

De ACM ziet ook voor 2026 een actieve rol voor zichzelf om integere, transparante en toenemende grensoverschrijdende handel op de groothandelsmarkten voor energie in goede banen te blijven leiden. Zo kondigt de ACM aan dat zij zal optreden bij signalen over marktmisbruik, zoals het frustreren van eerlijke prijsvorming of het niet of niet tijdig openbaar maken van voorwetenschap. Bij het prioriteren tussen de verschillende signalen weegt de ACM expliciet mee wat de invloed is van het gedrag op de energietransitie.

Voorts heeft de ACM de bevoegdheid om informatie over algoritmische handel op te vragen bij bedrijven die hier gebruik van maken. Het gebruik van algoritmische handel neemt toe omdat de opwekking van hernieuwbare energiebronnen minder voorspelbaar is voor handelaren. Dit verhoogt risico’s op bijvoorbeeld algoritmische collusie of marktmanipulatie. De ACM onderzocht in 2025 of er adequate systemen worden gebruikt en bedrijven risicocontroles uitvoeren. Volgens de ACM heeft het onderzoek geleid tot meer bewustwording en zichtbare verbetering in de naleving.

Mededingingsrecht in de energietransitie en verduurzaming

Mededingingsrecht speelt ook een rol bij het aangaan van samenwerkingen tussen bedrijven die actief zijn op het gebied van energietransitie in de breedste zin van het woord. Juist in opkomende en nog ontwikkelende markten met relatief hoge toetredings- of groeibarrières zijn er mogelijkheden om samen te werken tussen concurrenten of tussen leveranciers en afnemers indien dit noodzakelijk is of (duidelijke) efficiëntievoordelen met zich brengt. Ook valt er nog veel winst te behalen op het gebied van duurzaamheid door intensievere samenwerking tussen (andere) bedrijven (die actief zijn buiten de energiesector), zo blijkt uit een onderzoek van de ACM. De afgelopen jaren wordt er al steeds meer samengewerkt door grote bedrijven, maar nog minder binnen het midden- en kleinbedrijf. Volgens de ACM zou dit te maken kunnen hebben met een tekort aan kennis over de concurrentieregels.

Het mededingingsrecht biedt verschillende generieke en duurzaamheidgerichte kaders waarbinnen samenwerking is toegestaan. Zo bieden de horizontale groepsvrijstellingen en richtsnoeren opties voor bedrijven die een beperkt marktaandeel vertegenwoordigen om samen op te trekken, bijvoorbeeld door af te spreken gezamenlijk te produceren of duurzame producten te vermarkten. Grofweg is daarbij van belang dat de voordelen opwegen tegen de nadelen, en dat de mededingingsbeperking niet verder gaat dan noodzakelijk om de (duurzaamheids)voordelen te verwezenlijken. Ook in verticale relaties kunnen duurzaamheidsafspraken worden gemaakt. Daarnaast bestaan er specifieke regimes voor duurzaamheidsnormen en (alleen in Nederland ook) voor milieuschadebeperkingen.

Informele beoordelingen

De ACM heeft zich in het verleden positief uitgelaten over verschillende initiatieven waarbij bedrijven samenwerken in de energiesector. Zo stelde de ACM in 2022 dat bedrijven gezamenlijk meerjarige contracten mochten sluiten voor de inkoop van elektriciteit uit een (nog te bouwen) windmolenpark: bedrijven kunnen op die manier hun prijs voor groene stroom voor langere tijd vastleggen, terwijl ontwikkelaars verzekerd zijn van afname. Ook systeembeheerders mochten afspreken bij investeringskeuzes een CO₂-prijs te hanteren, om schonere keuzes aantrekkelijker te maken. De ACM heeft beide initiatieven beoordeeld op basis van haar (destijds concept) Leidraad duurzaamheidsafspraken.

Een ander voorbeeld uit 2022 is de informele beoordeling van een samenwerking tussen Shell en TotalEnergies voor grootschalige CO2-afvang en -opslag (CCS) op de Noordzee. De ACM meende dat de voordelen van deze samenwerking ruimschoots opwegen tegen de mogelijke concurrentiebeperkingen. De samenwerking werd als cruciaal gezien voor de haalbaarheid van het project (dat wil zeggen: het verminderen van de financiële en operationele risico’s voor de betrokken partijen en zekerheid over een minimumafname). Hoewel er in de opstartfase sprake zou zijn van gezamenlijke prijsstelling, blijft er volgens de ACM toch voldoende concurrentie bestaan omdat de samenwerking betrekking heeft op slechts een deel van de totale capaciteit, en derden eerlijke en non-discriminatoire toegang krijgen tot de resterende capaciteit.

Verder heeft de ACM afgelopen jaren zich regelmatig positief uitgesproken over tal van duurzaamheidsafspraken in andere sectoren, waaronder duurzaamheidsnormen (asfalt, e-commerce), ESG-rapportages (bancaire sector), afspraken tussen concurrenten inzake recycling (afval, koffiecapsules) alsmede verduurzaming van de productie(keten) (metaal, natuursteen, kleding en textiel).

Heeft u of wilt u afspraken maken met één of meer andere bedrijven op het gebied van duurzaamheid dan assisteren wij u graag bij de mededingingsrechtelijke beoordeling van de samenwerking. Wij kunnen ook adviseren over de nut of noodzaak om de ‘self-assessment’ informeel voor te leggen aan de ACM via het speciale portaal dat de ACM daartoe heeft ontwikkeld.

 

Visie

Verordening Transparantie en Gerichte Politieke Reclame

Met de gemeenteraadsverkiezingen in zicht, heeft u vermoedelijk de volgende boodschap voorbij zien komen: “Hier volgt een politieke reclameboodschap voor de gemeenteraadsverkiezingen.”  Of deze tekst gelezen: “Dit is een politieke reclameboodschap in het kader van de gemeenteraadsverkiezingen.”

Dat komt omdat op 10 oktober 2025 de Verordening (EU) 2024/900 betreffende transparante en gerichte politieke reclame (“VPR”) in werking is getreden. De VPR is rechtstreeks van toepassing wanneer een politieke reclameboodschap wordt gericht op burgers in de EU.  Hierdoor gelden er veel nieuwe verplichtingen voor aanbieders, opdrachtgevers en uitgevers van politieke reclame. In deze blog bespreken we het doel en de achtergrond is van de VPR, welke verplichtingen deze met zich meebrengt en wat dit in de praktijk voor u betekent.

Doel en context

Het Europees Parlement sloeg alarm na systematische pogingen van buitenlandse actoren om Europese verkiezingen en andere democratische processen te beïnvloeden. Al in 2019 signaleerden de parlementsleden een sterke toename van Russische propaganda in Europa. Deze inmenging kan bestaan uit zogenoemde “desinformatiecampagnes” of uit content die ten goede komt aan extremistische of populistische kandidaten. De aanvallen zijn bedoeld om de democratie in Europa te ondermijnen en worden gefinancierd door partijen die daar baat bij hebben. Een recenter voorbeeld zijn de verkiezingen in Roemenië in 2024, die door het Roemeens Constitutioneel Hof van Roemenië ongeldig waren verklaard nadat een pro-Russische kandidaat plotseling won door een agressieve verkiezingscampagne op sociale media, afkomstig uit Rusland.

Een van de belangrijkste pijlers van onze democratie zijn vrije verkiezingen. Om deze zo eerlijk mogelijk te laten verlopen is het onwenselijk dat kiezers niet weten of hetgeen zij zien politieke reclame is, of van wie het afkomstig is.  De VPR heeft als doel om:

  • meer transparantie te bieden aan burgers over politieke reclame, zodat zij beter in staat zijn om deze als zodanig te herkennen;
  • inzage te krijgen in de herkomst en financiering hiervan; en
  • te weten of én waarom ze persoonlijk gerichte politieke reclame hebben ontvangen.

Ook stelt de VPR extra regels om buitenlandse beïnvloeding van stemgedrag tegen te gaan. Hierdoor zouden EU-burgers beter bestand moeten zijn tegen onbewuste beïnvloeding en mogelijke verkiezingsmanipulatie worden tegengegaan.

Wat valt er onder de definitie van politieke reclame?

Veel, de definitie van politieke reclame is vrij breed. Het kan gaan om allerlei vormen van reclame: zowel online als fysieke boodschappen, waarbij de hele keten van productie tot verspreiding ervan wordt gereguleerd. De activiteiten die voorafgaan aan de publicatie of verspreiding op uw scherm of in de krant, vallen dus evenzo onder de VPR.

Belangrijk is dat de productie, plaatsing, promotie, publicatie, aanlevering of verspreiding van de boodschap gewoonlijk tegen een vergoeding geschied (geldelijk of in natura) of via interne activiteiten van een organisatie. Denk aan situaties waarin een organisatie zelf berichten ontwikkelt en plaatst zonder betaalde promotie. Tot slot kan de boodschap onderdeel vormen van een politieke reclamecampagne, waardoor het als politieke reclame kan worden aangemerkt.

Van wie is de politieke reclame afkomstig?

Een politieke reclameboodschap valt onder de definitie als deze is overgebracht:

  • Door, voor of namens een politieke actor. Denk aan politieke partijen, kandidaten maar ook influencers. Andere partijen of personen die worden ingezet namens een politieke partij of kandidaat om een politieke reclameboodschap te verspreiden vallen hier eveneens onder.
  • Door een organisatie die invloed probeert uit te oefenen op verkiezingen, referenda of wet- en regelgevingsprocessen. Ook wel ‘social issue ads’ genoemd. Hiermee kunnen boodschappen afkomstig van ngo’s zoals Amnesty onder de VPR vallen.

De partijen hoeven zelf niet in de EU gevestigd te zijn om onder de scope van de VPR te vallen. Doorslaggevend is dat de politieke reclame wordt gericht aan EU-burgers.

Wanneer is iets géén politieke reclame?

De VPR zondert de volgende categorieën uit van de definitie:

  • Redactionele inhoud, zoals columns of artikelen, zolang er niet voor wordt betaald.
  • Zuiver particuliere of commerciële boodschappen door, voor of namens een politieke actor, zolang er niet voor wordt betaald.
  • Officiële communicatie vanuit overheidsinstellingen of de EU die tot doel heeft burgers te informeren.
  • De presentatie van kandidaten in openbare ruimte of media, die kosteloos is, bij wet is voorzien en de gelijke behandeling van kandidaten waarborgt.

Op de website van het Commissariaat staat een nuttige beslisboom om te bepalen of er sprake is van een politieke reclameboodschap.

Verplichtingen: voor wie, wat en wanneer?

Hoofdstuk 2 van de VPR bevat de verplichtingen voor opdrachtgevers, aanbieders en uitgevers van politieke reclame. Dan rijst de kwalificatievraag: onder welke categorie valt welke partij?

  • Opdrachtgevers zijn de partijen op wiens verzoek of namens wie een politieke boodschap wordt geproduceerd, geplaatst, gepromoot, gepubliceerd, aangeleverd of verspreid. Denk hierbij weer aan de politieke partijen of ngo’s.
  • Aanbieders van politieke reclame zijn de partijen die zich bezighouden met het aanbieden van politieke reclame. Dit zijn vaak de partijen die de politieke reclame maken of ontwerpen, zoals marketingbureaus.
  • Uitgevers van politieke reclame zijn de partijen die politieke reclame publiceren, aanleveren of verspreiden. De VPR bevat geen aparte definitie van de categorie ‘uitgevers’. Deze categorie valt namelijk onder de juridische definitie van ‘aanbieders’, maar houdt zich alleen bezig met het aanbieden van reclame aan het einde van de keten. Voorbeelden hiervan zijn sociale media, influencers, kranten of tv- of radiokanalen.

Stel je voor dat je als opdrachtgever, aanbieder of uitgever aan de verplichtingen van de VPR moet voldoen, wat zijn dan de belangrijkste verplichtingen?

  • De politieke reclameboodschap moet door middel van een label herkenbaar zijn als zodanig. De VPR bevat specifieke vereisten voor het label, zoals waar de transparantieverklaring te vinden is en wie de opdrachtgever is. Ook bevat het verplichtingen hoe het label eruit moet zien die verschillen per type medium.

Daarnaast moet de politieke reclameboodschap verwijzen naar een transparantieverklaring. De VPR bevat specifieke vereisten wat in deze verklaring moet staan. Denk aan informatie over de opdrachtgever, het totale bedrag of waarde dat aan de boodschap of campagne is uitgegeven en met welke verkiezingen deze heeft te maken. Daarnaast gelden er verplichtingen over hoe deze eruit moet zien. Meer informatie over de verplichtingen voor het label en de transparantieverklaring vindt u hier.

Drie-maandenregel: bescherming tegen externe beïnvloeding

Ter voorkoming van gemanipuleerde verkiezingen zoals zich in Roemenië hebben voorgedaan, stelt de VPR strenge regels om beïnvloeding van buiten de EU te voorkomen. Drie maanden voorafgaand aan een verkiezing of referendum is het verboden politieke reclamediensten te verlenen aan opdrachtgevers die buiten de EU zijn gevestigd of worden aangestuurd.

Targeting

De VPR bevat specifieke regels voor opdrachtgevers die persoonsgegevens verwerken ten behoeve van gepersonaliseerde politieke reclameboodschappen. Het gebruik van zogenoemde ‘technieken die worden gebruikt om een politieke reclameboodschap alleen op een specifieke persoon of groep personen te richten of om deze op basis van de verwerking van persoonsgegevens uit te sluiten’ (hierna: targeting) om onbewuste, gerichte manipulatie te voorkomen is geregeld in hoofdstuk 3 van de VPR.

Het targeten van politieke reclameboodschappen is alleen toegestaan als:

  • De organisatie persoonsgegevens gebruikt die zij zelf heeft verzameld en de organisatie verwerkingsverantwoordelijke is voor die persoonsgegevens (en dus het doel en de essentiële middelen van de verwerking bepaalt). Voor verwerkers gelden alleen verplichtingen om de opdrachtgever te informeren.
  • De organisatie uitdrukkelijke toestemming (vrij, specifiek, geïnformeerd en ondubbelzinnig door een actieve handeling of verklaring) heeft gekregen voor het gebruik van hun persoonsgegevens.
  • Er geen gebruik is gemaakt van bijzondere persoonsgegevens. Deze mogen nooit worden gebruikt voor gerichte politieke reclame.
  • De targeting ziet op een kiesgerechtigde betrokkene. Als de verwerkingsverantwoordelijke met redelijke zekerheid weet dat de betrokkene minderjarig is, is de verwerking van de persoonsgegevens ten behoeve van targeting volledig verboden.

Organisaties die politieke reclameboodschappen targeten moeten inzichtelijk maken dát er gebruik is gemaakt van targeting, waarom deze betrokken persoon de getargete reclame te zien krijgt en welke persoonsgegevens daarvoor worden gebruikt. Daarnaast moeten zij duidelijk informeren over hoe de targeting werkt en over de rechten van de betrokkene, zoals het recht om toestemming in te trekken. Kortom: wie gebruikmaakt van gepersonaliseerde politieke reclameboodschappen, moet aan aanvullende transparantievereisten voldoen.

Toezicht en handhaving: waar staat de VPR op dit moment?

De regels van de VPR zijn als genoemd sinds 10 oktober 2025 van kracht en dienen daarom door marktpartijen te worden nageleefd. Het toezicht is verdeeld onder:

  • het Commissariaat voor de Media, die toezicht houdt op de transparantie over de herkomst van politieke advertenties;
  • de Autoriteit Persoonsgegevens, die toeziet op de verplichtingen met betrekking tot targeting; en
  • de Autoriteit Consument en Markt, die een coördinerende rol heeft en hiertoe onder meer toezicht houdt op de DSA-regels in Nederland en met de Europese Commissie en toezichthouders in binnen- en buitenland schakelt.

Zodra de Uitvoeringswet is aangenomen zullen de toezichthouders over de benodigde toezicht- en handhavingsbevoegdheden beschikken. In afwachting daarvan ontvangt het Commissariaat al meldingen over politieke reclames die niet in lijn zijn met de verplichtingen uit de VPR. Het Commissariaat zal bij grote tekortkomingen  de betrokken partijen daarop aangespreken. Marktpartijen doen er dus goed aan om hun compliance op orde te hebben.

Impact VPR

Intussen heeft de VPR de nodige impact: grote platforms als Meta en Google weren sinds de inwerkingtreding van de VPR politieke reclame, waaronder in Nederland. Meta verspreidt ook geen advertenties meer van maatschappelijke organisaties, met verstrekkende gevolgen voor organisaties als goede doelen of andere ngo’s. Deze zijn hierdoor aangewezen op de traditionele media.

Wij houden u via deze website op de hoogte over de ontwikkelingen rondom de VPR en de Uitvoeringswet.

Hebt u intussen vragen over politieke reclame en de toepassing van de VPR op uw organisatie? Neem dan gerust contact op met Machteld Robichon, Christiaan Alberdingk Thijm, Minke Gommer of Sophie Mostert.

Visie

Geen ontkomen aan de DSA: Europees Gerecht verwerpt alle bezwaren van Amazon tegen aanwijzing als VLOP

Op 19 november 2025 heeft het Gerecht van de Europese Unie een belangrijke uitspraak gedaan over de Digital Services Act (“DSA”). Amazon verzette zich tegen haar aanwijzing als Very Large Online Platform (“VLOP”) en de bijbehorende verplichtingen uit de DSA. Het Gerecht verwerpt alle bezwaren.

Waar ging het om?

Amazon publiceerde in februari 2023 cijfers waaruit bleek dat het Amazon Store-platform meer dan 45 miljoen maandelijks actieve gebruikers in de EU heeft. Op grond van artikel 33 DSA wees de Europese Commissie Amazon daarom aan als VLOP. Dat brengt aanvullende verplichtingen met zich mee (artikelen 34–43 DSA), zoals het uitvoeren van risicobeoordelingen, het bijhouden van een openbaar advertentieregister en het bieden van een niet-gepersonaliseerd aanbevelingssysteem.

Amazon stelde dat deze verplichtingen in strijd zijn met zes fundamentele rechten uit het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (“Handvest”), waaronder de vrijheid van ondernemerschap, het recht op eigendom, gelijke behandeling en privacy.

Het oordeel: grondrechten zijn niet absoluut

Het Gerecht toetst de VLOP-verplichtingen aan artikel 52 lid 1 van het Handvest. Dat artikel bepaalt dat grondrechten mogen worden beperkt, mits de beperking bij wet is gesteld, een erkend algemeen belang dient, de kern van het recht respecteert en evenredig is. De DSA dient consumentenbescherming (een expliciet erkende doelstelling van algemeen belang) en is vastgelegd in een EU-verordening. Daarmee is aan de eerste voorwaarden voldaan.

De kern van het geschil lag bij de evenredigheid. Het Gerecht benadrukt in dit verband dat de EU-wetgever een ruime beoordelingsvrijheid heeft bij complexe sociaaleconomische afwegingen. Een maatregel die door de Uniewetgever is ingesteld is pas onrechtmatig als deze kennelijk ongeschikt is. Dit is pas aan de orde als het voor eenieder duidelijk is dat de wetgever een verkeerde afweging heeft gemaakt of een maatregel heeft gekozen die evident ongeschikt is om het beoogde doel te bereiken.

De belangrijkste conclusies op een rij

Geen onevenredige inmenging vrijheid van ondernemerschap (artikel 16 Handvest)

Amazon betoogde dat de VLOP-verplichtingen een aanzienlijke last voor het bedrijf vormen en daarmee een onevenredige inmenging in de vrijheid van ondernemerschap opleveren.

Amazon betoogde dat er minder belastende alternatieven mogelijk zijn die even effectief zouden zijn om deze doelstellingen te bereiken. Een voorbeeld hiervan is het hanteren van kwalitatieve criteria in plaats van de drempel van 45 miljoen gebruikers voor de kwalificatie als VLOP. De voorgestelde alternatieven worden allen verworpen door het Gerecht omdat zij ongeschikt of minder geschikt zijn om de doelstellingen te bereiken.

Volgens Amazon brengt artikel 33 DSA aanzienlijke kosten voor aanbieders van online  marktplaatsen met zich mee. De kosten zijn echter niet kennelijk onevenredig gezien de omvang van de te beschermen groep. Zo worden met de DSA-verplichtingen duidelijke doelstellingen van algemeen belang nagestreefd: beperken van systeemrisico’s en bijdragen aan een hoog niveau van consumentenbescherming, aldus het Gerecht.

Systeemrisico’s bij marktplaatsen

Het argument dat alleen onderling verbonden sectoren systeemrisico’s kunnen veroorzaken, werd verworpen. Onder de DSA gaat het om risico’s die een aanzienlijk deel van de Europese bevolking kunnen treffen en dat kan ook bij een grote marktplaats het geval zijn, bijvoorbeeld door verspreiding van namaak- of onveilige producten.

Geen onevenredige inmenging op recht op eigendom (artikel 17 Handvest)

Amazon betoogde dat de VLOP-verplichtingen een aanzienlijke invloed hebben op haar activiteiten en daarmee een inmenging vormen op het recht op eigendom. De verplichtingen leggen weliswaar administratieve lasten op, maar ontnemen platforms niet het eigendom van hun diensten, aldus het Gerecht. Van een aantasting van de wezenlijke inhoud van het eigendomsrecht is daarom geen sprake.

Gelijke behandeling is niet geschonden (artikel 20 Handvest)

Volgens Amazon wordt het beginsel van gelijke behandeling geschonden door de VLOP-verplichtingen. Het Gerecht concludeert: het onderscheid tussen marktplaatsen en detailhandelaren is gerechtvaardigd; marktplaatsen verspreiden informatie van derden en hebben daar niet altijd kennis van, terwijl websites van detailhandelaren alleen hun eigen informatie verspreiden. Dat verschil rechtvaardigt andere regels.

Geen onevenredige inmenging commerciële vrijheid van meningsuiting (artikel 11 Handvest)

Het Gerecht erkent dat artikel 38 DSA (dat platforms verplicht om naast gepersonaliseerde aanbevelingen ook een niet op profilering gebaseerd aanbevelingssysteem aan te bieden) een inmenging vormt in de commerciële vrijheid van meningsuiting, maar oordeelt dat de wezenlijke inhoud van dit recht niet wordt aangetast. De bepaling verbiedt gepersonaliseerde aanbevelingen namelijk niet; zij vereist enkel dat platforms daarnaast een alternatief zonder profilering aanbieden. De maatregel gaat niet verder dan noodzakelijk en dient een duidelijke doelstelling van algemeen belang: consumentenbescherming.

Bescherming vertrouwelijke gegevens (artikel 7 Handvest) en persoonsgegevens (artikel 8 Handvest)

Het openbare advertentieregister (artikel 39 DSA) maakt slechts beperkte informatie openbaar. Commercieel gevoelige gegevens, zoals het succes van campagnes, hoeven niet te worden gedeeld. Natuurlijke personen die hun privacy willen beschermen, kunnen via een rechtspersoon adverteren. Daarnaast bevat artikel 40 DSA waarborgen: alleen erkende onderzoekers krijgen toegang en zij zijn gebonden aan vertrouwelijkheidsverplichtingen.

Wat betekent dit voor uw bedrijf?

Deze uitspraak bevestigt dat de VLOP-verplichtingen uit de DSA niet in strijd zijn met de fundamentele verplichtingen zoals vastgelegd in het Handvest. Voor bedrijven die een groot online platform exploiteren, is het essentieel om:

  • de DSA-classificatie van uw platform te kennen en tijdig te voldoen aan de toepasselijke verplichtingen;
  • risicobeoordelingen serieus te nemen;
  • advertentie- en transparantieverplichtingen op orde te hebben, inclusief het advertentieregister en datatoegang voor onderzoekers;
  • alternatieve aanbevelingssystemen aan te bieden naast gepersonaliseerde opties.

De DSA is geen papieren tijger. Het Europese Gerecht heeft nu bevestigd dat de grondrechtelijke bezwaren van een van de grootste online platforms ter wereld niet slagen. Bedrijven doen er dus goed aan hun compliance op orde te hebben.

Heeft u vragen over de impact van de DSA op uw organisatie? Neem gerust contact op met het DSA-team van bureau Brandeis. We denken graag met u mee.

Met dank aan Mathijs Borchardt

Visie

Update recente uitspraken Reclame Code Commissie – februari 2026

In deze blog praten we jullie bij over enkele interessante uitspraken van de Reclame Code Commissie (“RCC”) van de afgelopen maanden. De blog bevat uitspraken waarin de RCC zich uitspreekt over verschillende thema’s, zoals reclame voor cosmetische behandelingen, (misleidende) voedselclaims en (de grenzen van) reclame voor het aanprijzen van denkbeelden.

Anti-abortusreclame overschrijdt niet de grens van het toelaatbare

In een uitspraak van 27 januari 2026 behandelt de RCC een klacht tegen een radioreclame voor de ‘week van het leven’. Deze reclame bevat de volgende uitingen: “Wist je dat bijna één op de zes zwangerschappen eindigt in een abortus? Dat zijn er zevenhonderd per week! Wat vind jij daar eigenlijk van? Sta stil bij de waarde van het ongeboren kind op weekvanhetleven.nl.”

Er werd geklaagd dat de radioreclame onnodig kwetsend en stigmatiserend en in strijd met de goede smaak en/of het fatsoen is, zoals bedoeld in artikel 2 Nederlandse Reclame Code (“NRC”). Voorts zou de reclame nodeloos kwetsend zijn, zoals bedoeld in artikel 4 NRC.

De RCC wijst de klacht af, en oordeelt dat de reclame moet worden aangemerkt als reclame voor een denkbeeld. Dat denkbeeld is in dit geval dat men stil zou moeten staan bij de waarde van het ongeboren kind. Beoordeeld wordt of de wijze van aanprijzen van de denkbeelden van dien aard is dat daardoor, naar de huidige maatschappelijke opvattingen, de grenzen van het toelaatbare worden overschreden.

De RCC concludeert dat dit niet het geval is. Daarbij neemt de RCC in aanmerking dat terughoudendheid is geboden bij de beantwoording van de vraag of een reclame-uiting nodeloos kwetsend is of in strijd is met de goede smaak en/of het fatsoen, gelet op het subjectieve karakter van deze criteria. De klacht wordt daarom afgewezen.

Botox stapelkorting

In een uitspraak van 8 januari 2026 spreekt de RCC zich uit over een gesponsord bericht op Instagram, waarin op een afbeelding drie op elkaar gestapelde gele dozen te zien waren met de prijzen voor Botoxbehandelingen per zone (€79, €89 en €99) en een banner met de tekst “FAIRDAY STAPELKORTING”, inclusief een link met “Nu boeken”.

Geklaagd werd dat tijdelijke kortingen of promotionele acties klanten kunnen stimuleren meer behandelingen af te nemen dan nodig, wat financiële druk kan veroorzaken bij een medische beslissing. Dit is in strijd met de Code Medische Cosmetische Behandelingen uitgevoerd door Artsen (“CCBA”).  De artikelen 2a en 2b van de CCBA verbieden namelijk expliciet het gebruik van tijdelijke kortingen of acties die klanten stimuleren tot een grotere aankoop van medisch cosmetische behandelingen.

De adverteerder voerde aan dat het om een vaste prijsstructuur gaat die het hele jaar geldt, dat er geen sprake is van een tijdelijke actie of aanzet tot extra behandelingen, en dat er uitgebreide zorgvuldigheidsmaatregelen bestaan, zoals consulten door BIG-geregistreerde artsen, leeftijdscontroles en duidelijke medische informatie.

De RCC oordeelt dat de afbeelding de aandacht volledig richt op de prijs, zonder enige informatie over de aard, werking of risico’s van de behandeling. Hierdoor is de reclame niet primair gericht op goede informatievoorziening en kwaliteit, maar wordt de prijs als enig verkoopargument gebruikt. De RCC komt daarmee tot de conclusie dat dit strijdig is met artikel 2 CCBA. De RCC beveelt adverteerder aan om niet meer in strijd met dit artikel te handelen.

Misleidende before- en afterfoto’s

In een uitspraak van 22 december 2025 behandelt de RCC een klacht over een advertentie op Facebook met before- en afterfoto’s van een buik met de begeleidende teksten dat een cryolipolyse behandeling een snelle, pijnloze en niet-chirurgische oplossing voor vetvermindering zou zijn.

Geklaagd werd dat de gebruikte foto’s nep zijn en afkomstig van andere websites, waaronder websites over plastische chirurgie. De foto’s worden gepresenteerd alsof ze het resultaat zijn van behandelingen van adverteerder. Er is niet weersproken door adverteerder dat de afbeelding die is gebruikt niet een lichaam laat zien dat het resultaat is van een behandeling van adverteerder. De RCC komt daarmee tot het oordeel dat de adverteerder geen juiste informatie verstrekt over de te verwachten resultaten van de door adverteerder aangeprezen dienst, zoals bedoeld in artikel 8.2 aanhef en onder d NRC. Omdat dit belangrijk is voor de beslissing van de consument om de behandeling te ondergaan, is de uiting misleidend en oneerlijk in de zin van artikel 7 NRC. De RCC beveelt de adverteerder daarom aan om niet meer op deze manier reclame te maken.

Vegan truffelmayonaise?

In een uitspraak van 19 december 2025 behandelt de RCC een klacht tegen de aanduiding van truffelmayonaise als vegan product. Geklaagd wordt dat het product echte truffels bevat en dat honden worden ingezet om de truffels te vinden. Volgens klager is een product daardoor niet volledig vegan, omdat veganisme niet alleen ingrediënten maar ook dierlijke arbeid uitsluit. De aanduiding vegan op het product zou de gemiddelde consument, in het bijzonder de veganistische consument, misleiden.

De adverteerder stelde daartegenover dat truffels zelf plantaardig zijn en dat het product een ICEA vegan-certificaat heeft. Dit certificaat eist geen afwezigheid van dieren in het productieproces, alleen dat geen dierlijke ingrediënten worden gebruikt. Het internationaal erkende V-label hanteert een soortgelijke uitleg.

De RCC gaat uitgebreid in op het feit dat het begrip vegan niet eenduidig is. Zo hanteert de Nederlandse Vereniging voor Veganisme (“NVV”) als definitie voor veganisme: “Veganisme is een levenswijze waarbij wordt afgezien van alle gebruik van en wreedheid naar dieren”. Anderzijds vereisen het Italiaanse keurmerk ICEA, waarover het product beschikt, en het internationaal erkende keurmerk V-label geen van beiden dat er bij het productieproces geen dieren betrokken zijn in de vorm van arbeid.

Nu de bestreden uitingen zijn gericht op de Nederlandse consument, acht de RCC het gebruik van de begrippen ‘vegan’, ‘veganistisch’ en ‘vgn’, zonder toelichting onvoldoende duidelijk. Meer in het bijzonder is onvoldoende duidelijk dat honden zijn gebruikt voor het zoeken naar truffels, ten behoeve van het product. Daarom is de uiting in strijd met artikel 2 van de NRC. De RCC beveelt adverteerder daarom aan om niet meer op deze manier reclame te maken.

Wijn door de brievenbus

In een uitspraak van 3 december 2025 behandelt de RCC een klacht over een door adverteerder meegestuurde attentie: bij een levering van inktpatronen ontving klager een zakje wijn en een kaartje waarop onder meer stond: “Alstublieft, een kleine attentie!” en “Proost en graag tot de volgende keer!”.

Klager maakte bezwaar tegen het ongevraagd versturen van alcohol, die via de brievenbus is bezorgd zonder leeftijdscontrole. Volgens klager had een minderjarige het zakje kunnen openen. Ook wijst klager op de problematiek rond alcoholgebruik. De adverteerder voert aan dat het gaat om een zakelijke bestelling (B2B), waarvan klager de contactpersoon is. De leeftijd van de contactpersoon was zodoende bij adverteerder bekend. De wijn is bedoeld als relatiegeschenk en niet als commerciële promotie van alcohol, aldus adverteerder. Er is verder geen sprake van aanprijzing of aanzet tot consumptie, adverteerder verkoopt namelijk geen wijn. Volgens adverteerder was daarom geen sprake van reclame in de zin van de NRC.

De RCC oordeelt dat de combinatie van het zakje wijn en de begeleidende kaart wél als reclame moet worden aangemerkt. Door de positieve boodschap over klanttevredenheid en de afsluitende uitnodiging “graag tot de volgende keer” heeft de uiting een aanprijzend oogmerk ten aanzien van de diensten en producten van adverteerder. Daarmee is sprake van (indirecte) aanprijzing in de zin van artikel 1 NRC.

Vervolgens toetst de RCC aan artikel 16 van de Code Brievenbus Reclame, Huissampling en Direct Response advertising (“CBR”). Dit artikel bepaalt dat materiaal dat bij gebruik gevaar kan opleveren voor de lichamelijke gezondheid uitsluitend persoonlijk aan volwassenen mag worden overhandigd. Alcohol valt hieronder, omdat consumptie door minderjarigen gezondheidsrisico’s oplevert.

Nu het pakket via de brievenbus is bezorgd en dus niet persoonlijk aan een volwassene is overhandigd, is artikel 16 CBR overtreden. Dat het om een zakelijke bestelling ging en dat de leeftijd van de contactpersoon vooraf was geverifieerd, maakt dit niet anders. De RCC beveelt adverteerder daarom aan om voortaan niet meer op deze wijze reclame te verspreiden.

‘Plantaardige’ rundergehakt met suikerbiet

In een uitspraak van november 2025 behandelt de RCC een klacht over de verpakking van rundergehakt met suikerbietenvezel. De verpakking vermeldt naast de productnaam ook het woord ‘plantaardig’ en het logo van een koe met de woorden ‘rund/plantaardig’.

Geklaagd werd dat de verpakking misleidend is, omdat het gebruik van het woord ‘plantaardig’ de indruk wekt dat het product een volledig plantaardige vleesvervanger betreft, terwijl het in werkelijkheid 76% rundvlees en 21% suikerbietenvezel bevat.

Volgens de adverteerder maken de naam, de ingrediëntenlijst en de visuele aanduidingen op de verpakking duidelijk dat het product geen volledig plantaardig product is, maar een combinatie van rundvlees en een plantaardig bestanddeel.

In de beoordeling wordt door de RCC uitgegaan van de verwachting van de normaal geïnformeerde en redelijk oplettende gemiddelde consument, die eerst de lijst met ingrediënten raadpleegt. Gelet op alle elementen van de verpakking komt de RCC tot het oordeel dat er geen sprake is van misleidende voedselinformatie. De klacht wordt daarom afgewezen.

Vragen over deze onderwerpen? Neem graag contact op met Bente van Kan of Machteld Robichon.

Met dank aan Manar el Amrani

Visie

Dawn raids in het mededingingsrecht: recente ontwikkelingen en juridische grenzen

Inleiding

Na een tijdelijke terugval tijdens de COVID-19-pandemie zijn dawn raids, ook wel invallen of onaangekondigde bedrijfsbezoeken genoemd, inmiddels met hernieuwde intensiteit teruggekeerd in het handhavingsarsenaal van toezichthouders. Waar wij in 2021 nog schreven over de praktische do’s en don’ts tijdens een onaangekondigde inval, zien we nu een sterke juridische ontwikkeling rond de rechtmatigheid, reikwijdte en procedurele waarborgen van invallen en de daaropvolgende boetebesluiten. Recent hebben meerdere baanbrekende uitspraken van onder meer het Hof van Justitie van de Europese Unie (“HvJEU”) en het Gerecht van de Europese Unie (“Gerecht”) de spelregels aangescherpt.

In deze blog analyseren we de meest recente juridische ontwikkelingen rond een inval en wat deze betekenen voor ondernemingen. We behandelen onder meer wanneer een inval gerechtvaardigd is, welke waarborgen gelden tijdens een inval, en hoe het staat met de rechten van verdediging tijdens en na een inval. Dit alles aan de hand van spraakmakende recente zaken zoals die van Red Bull, Michelin, Symrise, Qualcomm, Nuctech, en de Franse supermarktenzaak.

Inhoudsopgave

Wanneer is een inval gerechtvaardigd?

Juridische grondslag en voorwaarden

Invallen mogen alleen plaatsvinden wanneer er concrete aanwijzingen bestaan van mededingingsbeperkende gedragingen. De juridische basis voor een inval door de Autoriteit Consument & Markt (“ACM”) is verankerd in de Algemene wet bestuursrecht (“Awb”) en de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt. Voor de Europese Commissie (“Commissie”) vloeien deze bevoegdheden voort uit Verordening 1/2003. De bevoegdheden worden nader gedefinieerd en afgebakend door nationale en Europese jurisprudentie.

Invallen door de ACM (al dan niet ter ondersteuning van de Commissie) mogen alleen plaatsvinden bij concrete aanwijzingen van gedragingen zoals:

  • Misbruik van een economische machtspositie;
  • Verboden prijs- of andere kartelafspraken tussen ondernemingen;
  • Gun jumping’ (het voortijdig implementeren van een meldingsplichtige concentratie zonder goedkeuring);
  • Overtreding van de Digital Markets Act; of
  • Overtreding van de Foreign Subsidies Regulation (“FSR”).

Deze concrete aanwijzingen kunnen voortkomen uit diverse bronnen:

  • (Anonieme) meldingen van concurrenten, leveranciers of afnemers;
  • Tips van ex-werknemers of andere betrokkenen; en/of
  • Marktstudies van de ACM of Commissie.

De ACM heeft bijvoorbeeld begin 2025 aangekondigd vijf nieuwe marktonderzoeken te starten naar onder meer digitale leermiddelen en dierenartspraktijken, die uiteindelijk aanleiding kunnen geven tot nader onderzoek en mogelijk zelfs tot onaangekondigde bedrijfsbezoeken.

Rechtmatigheid van invallen: nieuwe accenten in de rechtspraak

De drempel voor het uitvoeren van een inval ligt betrekkelijk laag. Er bestonden tot voor kort relatief weinig uitspraken van Europese en Nederlandse rechters over de rechtmatigheid van invallen, aangezien de mogelijkheden voor beroep tot nietigverklaring bijzonder beperkt zijn. Desondanks tonen recente ontwikkelingen in de rechtspraak aan dat het aanvechten van (de besluiten die de basis vormen voor) invallen wel degelijk succesvol kan zijn. Dit komt doordat er op grond van (Europese) jurisprudentie in toenemende mate aandacht bestaat voor procedurele waarborgen die ondernemingen beschermen tegen te vergaande onderzoeksbevoegdheden.

České dráhy-zaak: ruime maar begrensde bevoegdheden van de Commissie bij mededingingsinvallen

Op 30 januari 2020 bevestigde het HvJEU in de České dráhy-zaak de ruime bevoegdheden van de Commissie om onaangekondigde invallen uit te voeren in mededingingsonderzoeken. De zaak betrof een inval bij de Tsjechische spoorwegmaatschappij České dráhy, naar aanleiding van informatie die de Tsjechische mededingingsautoriteit aan de Commissie had verstrekt over mogelijk misbruik van machtspositie door middel van het hanteren van roofprijzen (predatory pricing).

De Commissie voerde op basis van deze aanwijzingen een eerste inval uit. Naar aanleiding van informatie die tijdens deze eerste inval werd verkregen, besloot de Commissie een tweede inval te doen. Het HvJEU oordeelde echter dat voor die tweede inval onvoldoende concrete aanwijzingen bestonden om te voldoen aan de vereisten van noodzakelijkheid en proportionaliteit. Het besluit werd daarom gedeeltelijk vernietigd.

Het HvJEU benadrukte in deze uitspraak verder een aantal belangrijke principes ten aanzien van invallen. Ten eerste hoeft de Commissie bij het besluit tot een inval geen ontlastend bewijs te onderzoeken, zolang er voldoende belastende aanwijzingen zijn. Ten tweede kan informatie van een nationale mededingingsautoriteit al voldoende grondslag bieden voor een inval. Tot slot moet de reikwijdte van het besluit om een inval uit te voeren concreet en niet te ruim geformuleerd zijn, opdat het onderzochte bedrijf zijn rechten goed kan begrijpen en uitoefenen.

Deze uitspraak bevestigt enerzijds de brede bevoegdheden van de Commissie om invallen uit te voeren ter handhaving van het mededingingsrecht, maar stelt daar anderzijds duidelijke grenzen aan om willekeur en disproportionele inbreuken op het verdedigingsrecht te voorkomen.

Franse supermarktenzaak: duidelijke eisen aan documentatie concrete aanwijzingen voor een inval

Een belangwekkende uitspraak die de procedurele vereisten voor invallen heeft verscherpt, zijn de zogenaamde Franse supermarktenzaken. De Commissie voerde in 2017 onaangekondigde invallen uit bij verschillende Franse supermarktketens, waaronder Casino en Intermarché, op basis van een verdenking van mededingingsbeperkende afspraken.

De supermarkten in kwestie beargumenteerden dat de Commissie interviews, die dienden als basis voor de onaangekondigde invallen, niet correct had vastgelegd. Voor haar dossier had de Commissie enkel samenvattingen opgesteld van interviews met derden, zonder volledige verslagen van deze gesprekken op te nemen. Het Gerecht had eerder ten onrechte geoordeeld dat deze verplichting niet zou gelden vóór de formele opening van een onderzoek. Het HvJEU maakt in dit arrest duidelijk dat dit standpunt onjuist is.

Het HvJEU oordeelt dat de verplichting om interviews vast te leggen niet afhangt van de fase waarin de procedure zich bevindt, maar van het doel van de gesprekken. Volgens het HvJEU moeten interviews die worden afgenomen om informatie te verzamelen over het onderwerp van onderzoek – zoals het onderbouwen van een redelijk vermoeden voor een inval – correct gedocumenteerd worden door de Commissie. Deze uitspraak versterkt de procedurele waarborgen voor bedrijven die met mededingingsonderzoek te maken krijgen en stelt grenzen aan de onderzoeksmethoden van de Commissie, ook in de voorbereidende fase.

Telemarketing: bij welke onderneming voor de deur?

Deze formele aanpak wordt ook in Nederland gevolgd. In het kader van een onderzoek naar de naleving van het consumentenrecht bij de telefonische verkoop van energiecontracten besloot de ACM in november 2021 een bedrijfsbezoek uit te voeren bij Global Marketing Bridge B.V. (“GMB”), een intermediair die voor energieleveranciers telefonisch klanten werft. Hoewel de ACM op basis van informatie van verhuurder Regus had vernomen dat de activiteiten mogelijk zouden zijn voortgezet onder de bedrijfsnaam Sales Innovators B.V. (“SI”), nam zij in haar doelomschrijving slechts GMB en daaraan gelieerde ondernemingen op. Bij aankomst op het adres informeerde de betrokken personen de ACM dat niet langer GMB, maar SI op deze locatie gevestigd was. De ACM besloot desalniettemin het onderzoek voort te zetten en uiteindelijk een boete op te leggen aan SI, alsmede haar feitelijk leidinggevende, voor een overtreding van het consumentenrecht.

De voorzieningenrechter bepaalde in december 2023 dat voor de doelomschrijving niet de feitelijke verbondenheid (of SI de activiteiten van GMB heeft overgenomen) doorslaggevend is. Aangezien SI simpelweg buiten de kring viel van de (groep van) vennootschappen waar het onderzoek zich op richtte, was het bedrijfsbezoek onrechtmatig wegens strijd met artikel 8 EVRM en artikel 7 van het Handvest. Nu het dragende bewijs voor de overtreding was verkregen tijdens deze bedrijfsbezoeken, schorste de voorzieningenrechter het boete- en publicatiebesluit. Na een intrekking van het boetebesluit door de ACM, oordeelde rechtbank Den Haag in mei 2025 echter dat de ACM niet gehouden was een schadevergoeding te betalen wegens het onrechtmatige bedrijfsbezoek, aangezien de ACM zonder deze procedurele fout waarschijnlijk ook een onderzoek naar SI zou zijn gestart.

Red Bull: uitgebreide klacht van concurrent biedt voldoende aanwijzingen

Los van de strenge eisen aan de meer formele aspecten aan de voorkant, bevestigt het Gerecht in recente rechtspraak dat niet snel sprake is van een onrechtmatige inval op inhoudelijke gronden, zoals het ontbreken van voldoende aanwijzingen of een te ruime doelomschrijving.

In maart 2023 voerde de Commissie een onaangekondigde inval uit bij Red Bull wegens vermeende mededingingsbeperkende praktijken om concurrerende energiedrankproducenten te weren. Red Bull stelde vervolgens beroep in tegen het inspectiebesluit en verzocht de Commissie om een schadevergoeding wegens de vermeend onevenredige omvang en duur van het onderzoek. Volgens Red Bull nam de Commissie tijdens de inval een buitensporige hoeveelheid bedrijfsgegevens in beslag en was de inval slechts gebaseerd op de klacht van haar grootste concurrent Monster Energy. In beroep klaagde Red Bull daarom onder andere over een gebrekkige motivering van het inspectiebesluit en de schending van haar materiële verdedigingsrechten.

Het Gerecht stelde de Commissie in het gelijk en oordeelde dat het inspectiebesluit voldoende precies omschreven en gemotiveerd was. De Commissie beschikte over voldoende concrete aanwijzingen, waaronder een 80-pagina tellende klacht van een concurrent, aangevuld met e-mails, gespreksverslagen en meerdere aanvullende informatieverzoeken. Anders dan Red Bull betoogde, achtte het Gerecht het in dit geval niet noodzakelijk deze ontvangen informatie bij andere marktspelers te verifiëren. Dat de Commissie in haar inspectiebesluit gebruikmaakte van open formuleringen en voorzichtige termen is volgens het Gerecht inherent aan het vroege stadium van het onderzoek.

De inval was ook niet disproportioneel, omdat alleen langs deze weg informatie kon worden verkregen die Red Bull naar verwachting niet vrijwillig zou verstrekken. Bezwaren over de uitvoering van de inval, zoals het doorzoeken van mobiele telefoons en het gedrag van de ambtenaren in kwestie, hebben volgens het Gerecht geen betrekking op de rechtmatigheid van het inspectiebesluit als zodanig. Red Bull heeft inmiddels beroep ingesteld bij het HvJEU.

Symrise v. Michelin: ruime beoordelingsmarge om aanwijzingen te combineren mits voldoende specifiek

Ook geurstoffenleverancier Symrise had in de loop van 2025 geen succes met haar vordering tot nietigverklaring van het invalbesluit. Het Gerecht oordeelde op 30 april 2025 dat de Commissie zich mocht baseren op een samenstel van aanwijzingen, waaronder antwoorden op informatieverzoeken van derden en inlichtingenrapporten, zelfs indien (een deel van) het bewijsmateriaal uit één bron afkomstig was. Daarbij bevestigde het Gerecht dat aanwijzingen in onderlinge samenhang moeten worden beoordeeld en dat de Commissie ook mocht steunen op informatie uit eerdere ambtshalve onderzoeken. Dat Symrise niet met naam werd genoemd in de ontvangen informatieverzoeken deed, gelet op haar marktpositie, geen afbreuk aan de gerechtvaardigde vermoedens van de Commissie. Het Gerecht bevestigde daarmee de bestaande lijn dat mededingingsautoriteiten over een ruime beoordelingsmarge beschikken bij het nemen van dergelijke besluiten.

Voor Michelin liep het daarentegen anders. Op 10 januari 2024 voerde de Commissie een inval uit bij verschillende bandenproducenten, waaronder Michelin, wegens vermoedens van verboden prijsafstemming op de groothandelsmarkten voor nieuwe en vervangingsbanden voor personenauto’s en vrachtwagens. De Commissie baseerde zich daarbij onder meer op een grootschalige analyse van zogenaamde openbare ‘earnings calls’ en andere publieke aankondigingen waarin mogelijk signalen werden gegeven over toekomstige prijsverhogingen. Michelin stelde in maart 2025 beroep in tegen het inspectiebesluit, en betoogde dat de Commissie haar verdenkingen onvoldoende concreet had onderbouwd, met name voor het begin van de vermeende kartelperiode, en dat openbare earnings calls geen plausibele basis konden vormen voor (verdenking van) verboden kartelafspraken.

Het Gerecht oordeelde dat de Commissie wel degelijk beschikte over voldoende concrete aanwijzingen om de inval te rechtvaardigen en achtte de inval niet disproportioneel. Anders dan Michelin had aangevoerd, mocht de Commissie daarbij wel degelijk waarde hechten aan de earnings calls, nu de informatie daaruit daadwerkelijk kon bijdragen aan het staven van de vermoedelijke prijscoördinatie tijdens de onderzochte periode. Voor een eerdere periode echter had de Commissie geen specifiek bewijs geleverd waaruit de mogelijke coördinatie bleek. Het Gerecht vernietigde het besluit daarom ten aanzien van dat deel van de vermeende inbreukperiode.

Deze recente uitspraken onderstrepen het belang voor ondernemingen om de doelomschrijving van de inval en de rest van een (eventueel) inspectiebesluit (in geval van de Commissie) kritisch te analyseren en hun rechten en plichten te kennen. Hoewel de Commissie in een inspectiebesluit over het algemeen een redelijk ruime doelomschrijving kan hanteren en zich kan baseren op uiteenlopende soorten informatie als ‘aanwijzing’, is het raadzaam alert te zijn op zowel de inhoud en reikwijdte van als mogelijke procedurele missers gedurende het onderzoek.

Waarborgen tijdens en na een inval

Medewerkingsplicht en bevoegdheden van toezichthouders

Bij een inval door de Commissie of de ACM geldt voor bedrijven een wettelijke medewerkingsplicht. Ondernemingen zijn verplicht volledige en juiste informatie te verstrekken; het niet meewerken of geven van misleidende informatie kan leiden tot boetes tot 1% van de jaaromzet. Deze plicht is beperkt tot het doel en voorwerp van het onderzoek, zoals bij aanvang medegedeeld.

De bevoegdheden van de toezichthouders tijdens een inval zijn verstrekkend:

  • Gebouwen, terreinen en vervoermiddelen van de organisatie betreden, eventueel begeleid door de politie;
  • Met toestemming van de rechter-commissaris ook derdenlocaties en privéwoningen betreden;
  • Administratie inzien en kopieën maken;
  • Verzegelingen aanbrengen;
  • Verklaringen afnemen van personen die daarmee instemmen; en
  • Toelichting vragen op feiten of documenten, mits binnen het onderzoeksdoel.

Gevolgen van niet-medewerking

Toezichthouders treden hard op tegen bedrijven die tijdens een inval informatie achterhouden of verwijderen. Een zwaar gesanctioneerde vorm van niet-medewerking is het wissen van relevante communicatie, zoals berichten op mobiele telefoons of via chatdiensten.

In maart 2023 deden de Commissie en mededingingsautoriteiten uit de VS, het VK en Zwitserland invallen bij bedrijven in de geurstoffenindustrie. Hoewel het onderzoek nog loopt, legde de Commissie inmiddels al een boete van € 15,9 miljoen op aan International Flavors & Fragrances, nadat een medewerker tijdens de inval berichten van zijn mobiele telefoon had verwijderd.

Ook in andere landen wordt deze gedraging streng beboet. In september 2023 kregen twee bedrijven in Polen gezamenlijk een boete van circa € 2,6 miljoen van de Poolse mededingingsautoriteit wegens het wissen van WhatsApp-berichten tijdens een onderzoek naar vermeende prijsafspraken rond koffiemachines. De Autoriteit Consument & Markt (ACM) legde in 2019 ook nog een boete van € 1,84 miljoen op aan een onderneming wegens het verwijderen van WhatsApp-berichten tijdens een lopende inval.

Nuctech: ook medewerking vereist indien informatie op niet-EU servers staat

In een voorzieningenprocedure bij de Europese rechter is Nuctech, een Chinese producent van detectieapparatuur, opgekomen tegen het inspectiebesluit van de Commissie die Nuctech verplichtte mee te werken aan invallen. De Commissie deed in het voorjaar van 2024 invallen bij dochterondernemingen van Nuctech gevestigd in Nederland en Polen wegens verdenkingen van concurrentieverstorende buitenlandse subsidies (op basis van de FSR). Nuctech verzocht om een schorsing van het Commissieonderzoek met als argument dat de territoriale onderzoeksbevoegdheden van de Commissie niet uitstrekken tot mailboxen die zich op servers in China bevinden. Het Chinese strafrecht zou het verlenen van toegang tot dergelijke informatie verbieden en sanctioneren, aldus Nuctech.

Het Gerecht en daarna het HvJEU achtten deze argumenten onvoldoende onderbouwd en stelde in het kader van de belangenafweging voorop dat Nuctech – door activiteiten uit te oefenen in de EU – ervoor heeft gekozen zich te onderwerpen aan EU-recht. Nuctech is daarom in beginsel gehouden mee te werken aan een inspectiebesluit waarin de Commissie toegang verlangt tot informatie op zakelijke mailboxen die worden gebruikt voor het dagelijkse uitoefenen van activiteiten in de EU.

Rechtsbescherming tijdens een inval: drie essentiële rechten

De bevoegdheden van de ACM en de Commissie tijdens een inval zijn begrensd. Ondernemingen en hun medewerkers hebben drie essentiële rechten tijdens een inval:

Recht op bijstand

Een onderneming heeft recht op bijstand tijdens een inval van de Commissie of de ACM. Uit het arrest van 6 september 2024 van de Hoge Raad volgt daarnaast dat op grond van het EVRM, bestuursorganen zoals de ACM verplicht zijn om betrokkene tijdig en actief te informeren over dit recht, zodra duidelijk is dat er een punitieve sanctie in het spel kan zijn. In dit licht rijst ook de vraag of het bestendige beleid van de ACM – waarbij bij een inval maximaal 30 minuten wordt gewacht op een advocaat – nog in overeenstemming is met het EVRM. Indien de betrokkene niet feitelijk gebruik kan maken van zijn recht op bijstand vóór de inval begint, bestaat het risico dat het recht op een eerlijk proces wordt geschonden. Dit roept mogelijk vragen op over de houdbaarheid van die werkwijze onder het huidige mensenrechtenkader.

Zwijgrecht

De toezichthouders zijn bevoegd om in het kader van het onderzoek inlichtingen in te winnen bij medewerkers. Medewerkers van een onderneming die wordt verdacht een inbreuk te hebben gemaakt op de mededingingsregels, zijn niet verplicht om antwoord te geven op vragen waarmee zij zichzelf of de onderneming zouden (kunnen) beschuldigen. De verhorende ambtenaar dient voor aanvang van de bevraging de medewerker te wijzen op zijn/haar zwijgrecht (de ‘cautie’). Zij kunnen dus niet worden gedwongen om incriminerende verklaringen af te leggen. De cautie geldt niet voor feitelijke informatie.

Legal privilege

De communicatie tussen een bedrijf en een externe advocaat valt onder het zogeheten verschoningsrecht (ook wel: legal privilege). Er mag geen inzage worden gevorderd in correspondentie, documenten en adviezen die zijn uitgewisseld tussen het bedrijf en externe advocaten. Van deze informatie mogen ook geen kopieën worden gemaakt door ambtenaren.

Voorheen was het beleid van de ACM dat ACM-medewerkers geprivilegieerde communicatie vluchtig mochten inzien om te verifiëren of iets onder legal privilege valt, maar dit beleid is na het arrest van de Hoge Raad van 12 maart 2024 aangepast. Sindsdien kan het materiaal worden gevorderd en wordt het voorgelegd aan een privacyfunctionaris van de ACM. Dit blijft controversieel aangezien nog steeds een ambtenaar van de ACM oordeelt over de toepasselijkheid van legal privilege, in plaats van een onafhankelijke derde.

Procedurele gebreken in de bewijsvoering en verdedigingsrechten

Het toegenomen accent op procedurele waarborgen komt niet alleen terug bij het aanvechten van de rechtmatigheid van invallen bij ondernemingen, maar ook bij bezwaren tegen de werkwijze in de rapportfase na een inval (als opmaat voor het boetebesluit). In meerdere recente zaken zijn boetebesluiten van de Commissie vernietigd, niet alleen vanwege inhoudelijke tekortkomingen, maar ook wegens procedurele gebreken die de verdedigingsrechten van ondernemingen hebben aangetast. Onderstaande jurisprudentie benadrukt dat procedurele rechtvaardigheid essentieel is gedurende het onderzoek tot de uiteindelijke boete.

Qualcomm-zaak: procedurele tekortkomingen in het bewijs en reikwijdte van Punten van Bezwaar

Op 15 juni 2022 vernietigde het Gerecht de boete van bijna € 1 miljard die de Commissie aan chipsetontwikkelaar Qualcomm had opgelegd. De Commissie had in 2018 vastgesteld dat Qualcomm misbruik maakte van haar machtspositie door exclusiviteitsbetalingen aan Apple te doen voor de afname van LTE-chipsets.

Naast inhoudelijke gebreken in de bewijsvoering (de Commissie had onvoldoende aangetoond dat er sprake was van marktafschermingseffecten), constateerde het Gerecht meerdere procedurele onregelmatigheden:

  1. De Commissie had nagelaten de precieze inhoud van alle afgenomen gesprekken te documenteren, waaronder vergaderingen en conference calls met derde partijen; en
  1. Het boetebesluit zag uiteindelijk slechts op één relevante markt, terwijl de Punten van Bezwaar (Statement of Objections, “SO”) meerdere markten bestreek. Deze wijziging tastte de relevantie van Qualcomms economische analyse aan, zonder dat Qualcomm in de gelegenheid was gesteld hierop te reageren.

Deze procedurele missers leidden volgens het Gerecht tot een schending van Qualcomm’s verdedigingsrechten, en resulteerde in volledige vernietiging van het besluit.

Sony-zaak: verhouding tussen Punten van Bezwaar en uiteindelijke besluit

Het HvJEU benadrukte op 16 juni 2022 in de Sony-zaak eveneens het belang van een zorgvuldige administratieve procedure. De mededingingsinbreuk zag op een vermeend kartel tussen Sony, Quanta en de joint ventures van Toshiba en Samsung. De Commissie had in haar besluit vastgesteld dat er sprake was van zowel één enkele voortdurende inbreuk als een aantal afzonderlijke inbreuken. Deze afzonderlijke inbreuken waren echter een aanvulling op de eerder uitgebrachte SO. In tegenstelling tot het oordeel van het Gerecht concludeerde het Hof dat hiermee de verdedigingsrechten van de kartellisten waren geschonden, aangezien deze afzonderlijke inbreuken in de SO onvoldoende waren onderzocht en gekwalificeerd.

BEH e.a/Commissie: gebrekkige bewijsvoering en procedurele waarborgen

Een recenter voorbeeld is de zaak Bulgarian Energy Holding (“BEH”) tegen de Commissie. Op 25 oktober 2023 vernietigde het Gerecht de boete van € 77 miljoen die in 2018 aan het staatsgasbedrijf was opgelegd voor vermeend misbruik van machtspositie tussen 2010 en 2015. Naast het feit dat de Commissie onvoldoende had aangetoond dat aan de specifieke vereisten van de ‘essential facilities’-doctrine was voldaan, stelde het Gerecht vast dat de Commissie grote procedurele fouten had gemaakt:

  1. De Commissie had bepaalde gespreksverslagen met derde partij Overgas niet gedocumenteerd; en
  2. Ontlastende gespreksverslagen met derden, die later essentieel bleken voor BEH’s verdediging, waren buiten het dossier gehouden.

Deze procedurele gebreken hadden BEH in haar verdediging geschaad, wat leidde tot volledige vernietiging van het boetebesluit.

De bovenstaande zaken illustreren het groeiende belang van procedurele waarborgen in Europese mededingingszaken die uitmonden in punitieve sancties. De rechterlijke instanties stellen hoge eisen aan de zorgvuldigheid waarmee de Commissie haar onderzoeken uitvoert en de wijze waarop zij verdedigingsrechten van ondernemingen waarborgt.

Conclusie en praktische tips

Invallen zijn terug van weggeweest – en intensiever dan ooit. Tegelijkertijd laten recente uitspraken zien dat de juridische speelruimte voor toezichthouders niet onbeperkt is. De (Europese) rechter stelt steeds hogere eisen aan de motivering, proportionaliteit en procedurele zorgvuldigheid van invallen. Daarmee is er een kans voor ondernemingen om een inval – of het daaropvolgende boetebesluit – met succes aan te vechten, mits zij hun rechten tijdig en correct inroepen. Voor ondernemingen die betrokken raken bij mededingingsonderzoeken is het cruciaal om zich vanaf het begin bewust te zijn van hun procedurele (verdedigings)rechten. De praktijk wijst uit dat een strategisch en juridisch onderbouwde aanpak tijdens én na een inval het verschil kan maken.

Een praktisch stappenplan voor bedrijven bij een inval:

  1. Voorbereiding is cruciaal: Zorg dat er een actueel inval-protocol klaarligt, inclusief een noodplan met interne en externe contactpersonen.
  2. Handel onmiddellijk en juridisch onderbouwd: Vraag direct om juridische bijstand en wacht met verklaringen tot een advocaat aanwezig is. Laat toezichthouders weten dat je je rechten kent.
  3. Documenteer de inval zelf: Check de doelomschrijving (en eventueel het inspectiebesluit) vóórdat de toezichthouder naar binnen gaat en houd nauwkeurig bij wat toezichthouders doen, welke vragen worden gesteld en welke documenten worden ingezien of gekopieerd.
  4. Voorkom obstructie, maar bewaak je grenzen: Werk mee, verwijder niets, maar wees alert op overschrijdingen van bevoegdheden. Vraag om verduidelijking bij onduidelijke verzoeken; reageer niet te vluchtig op basis van aannames. Maak bezwaar wanneer dat nodig is, en laat hier een formele aantekening van maken.
  5. Ken en benut je rechten: Denk aan het zwijgrecht, het recht op bijstand en het legal privilege. Zorg deze rechten worden gerespecteerd. Wees bijvoorbeeld waakzaam of, en zo ja wanneer de cautie wordt gegeven en aan wie, en noteer dit voor jezelf.
  6. Overweeg bezwaar of beroep: De recente jurisprudentie toont aan dat invallen en boetebesluiten steeds vaker worden vernietigd vanwege procedurele fouten. Laat dus altijd juridisch toetsen of er gronden zijn om de werkwijze of reikwijdte van de inval bij de rechter aan te vechten.

Meer weten? Vind hier onze specifieke instructies voor de receptie en medewerkers bij een inval door de ACM of de Europese Commissie.

Met dank aan onze ex-collega Lara Elzas.

Visie

Update recente uitspraken Reclame Code Commissie – december 2025

In deze blog praten we jullie bij over enkele interessante uitspraken van de Reclame Code Commissie (“RCC”) van de afgelopen maanden. De blog bevat uitspraken waarin de RCC zich uitspreekt over verschillende thema’s, zoals reclame voor minderjarigen, misleidende (duurzaamheids)claims en de waarheidsplicht bij reclame.

Anti-abortus reclamefolders bij de huisarts

In een uitspraak van de RCC 19 november 2025 heeft de RCC geoordeeld over een klacht tegen een pro life organisatie naar aanleiding van een brief en bijbehorende folder. Deze brief werd, in de context van de wetswijziging die het mogelijk maakt voor huisartsen om de abortuspil voor te schrijven, op grote schaal per post aan huisartsen verstuurd en bevatte als bijlage een folder met de titel “Waarom ik, als huisarts geen abortuspil voorschrijf”. Deze folder stond ook op de website van de organisatie.

Er werd geklaagd dat de brief en folder niet als neutrale informatie kwalificeren, maar als reclame voor denkbeelden. De brief en folder zouden niet als reclame herkenbaar zijn omdat de daadwerkelijke afzender zich onvoldoende kenbaar maakt en de folder wordt ondertekend met “je huisarts”. Daarnaast zou de brief huisartsen aansporen om de folder, die expliciet is gericht op mogelijk kwetsbare vrouwen, in hun wachtkamer te leggen. Tot slot zou de folder feitelijke onjuistheden bevatten die inspelen op angstgevoelens.

Uiteindelijk worden er 11 passages van de brief en de folder door de RCC beoordeeld, niet alle klachten worden door de RCC gevolgd. Zo wordt er bijvoorbeeld geklaagd dat de passage “Doel van deze verandering is om de drempel voor het gebruik van de abortuspil te verlagen” zou suggereren dat de wetswijziging zou leiden tot “impulsief, onzorgvuldig of onveilig handelen”. De RCC oordeelt echter dat deze suggestie niet wordt gewekt en dat de stelling uit de folder voldoende grondslag vindt in de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel. Er is dus op dit punt geen sprake van strijd met artikelen 2 en/of 6 van de Nederlandse Reclamecode (“NRC”).

Van de 11 passages waarover wordt geklaagd wordt de klacht uiteindelijk op 2 onderdelen afgewezen. Van de 9 toegewezen klachtonderdelen worden er uiteindelijk 3 als misleidend of onjuist gekwalificeerd, 5 als ongerechtvaardigd appellerend aan gevoelens van angst waarvan één zelfs een bedreiging voor de volksgezondheid vormt en één uiting als schadelijk voor het vertrouwen in reclame. Hieronder worden deze categorieën a.d.h.v. een aantal voorbeelden uit de uitspraak toegelicht.

Schadelijk voor het vertrouwen in reclame als bedoeld in artikel 5 NRC

De RCC oordeelt dat de brief en folder, zowel tezamen als apart, kwalificeren als reclame voor denkbeelden. Aangezien de brief is ondertekend door een functionaris van de organisatie en voorzien is van het logo is die voldoende kenbaar volgens de RCC. De folder is daarentegen niet voldoende duidelijk aangezien nergens wordt vermeld wie de daadwerkelijke schrijver is en het is ondertekend door “je huisarts”. Daarnaast verwijst de folder naar “onafhankelijke organisaties” die eigenlijk aan de afzender zijn gelieerd. Dit schaadt het vertrouwen in reclame in de zin van artikel 5 NRC, aldus de RCC.

In strijd met de waarheid als bedoeld in artikel 2 NRC

Met name medische beweringen uit de folder lijken misleidend of onjuist te zijn, zo wordt er bijvoorbeeld gesuggereerd dat een echo noodzakelijk zou zijn om een abortuspil voor te schrijven, voor het vaststellen van de duur van de zwangerschap . De klagers stellen echter dat “vrouwen doorgaans goed in staat zijn om de duur van hun zwangerschap in te schatten op basis van de datum van hun laatste menstruatie en het de huisarts vrij staat om alsnog een echo te laten verrichten, indien er twijfel bestaat bij de patiënte of de huisarts over de zwangerschapsduur.” Hoewel sommige artsen er de voorkeur aan geven om aan de hand van een echo de duur “exact” vast te stellen, oordeelt de RCC dat dit niet voldoende grondslag biedt “voor de juistheid van voornoemde suggestie dat een abortuspil alleen kan worden ingezet als door middel van een echo “de exacte duur” van de zwangerschap is vastgesteld”.

Ongerechtvaardigd appellerend aan gevoelens van angst als bedoeld in artikel 6 NRC

Een groot deel van de beklaagde uitingen acht de RCC ontoelaatbaar omdat zij zonder rechtvaardiging onrust en angst oproepen. Het gaat om uitingen zoals dat “de richtlijnen zodanig [zijn] versoepeld, om het voorschrijven maar mogelijk te maken, dat zelfs abortusartsen op de risico’s wijzen”. De onderbouwing hiervan is dat er tijdens de internetconsultatie meerdere artsen zouden zijn geweest die hadden gewezen op concrete risico’s en waarvan niet alle bezwaren zijn weggenomen. De RCC oordeelt echter dat dit de suggestie “dat er sprake is van een versoepeling van richtlijnen, puur om het voorschrijven van de abortuspil door huisartsen mogelijk te maken, met de (medische) risico’s van dien” niet rechtvaardigt en dat er sprake is van ongerechtvaardigd appelleren aan gevoelens van angst.

Bedreiging voor de geestelijke en/of lichamelijk volksgezondheid als bedoeld in artikel 4 NRC

In de passage “Een waarnemer die een andere visie kan hebben op de abortuspil, maar daarvoor wel de verantwoording moet overnemen. Dat vind ik ongewenst” wordt gesuggereerd dat ‘je huisarts’ niet voldoende vertrouwen heeft in de (eventueel noodzakelijke) hulpverlening door de betreffende waarnemer en dat een vrouw die door complicaties in nood is, mogelijk ontoereikende medische zorg zou krijgen. Aangezien niet valt uit te sluiten dat kwetsbare vrouwen die deze passage lezen voordat zij met een arts hebben gesproken van nodige medische zorg afzien of dit uitstellen, brengt dit ernstige risico’s met zich mee voor de lichamelijke en psychische gezondheid van deze doelgroep. Deze uiting wordt daarom gekwalificeerd als een bedreiging voor de geestelijke en/of lichamelijke volksgezondheid.

De RCC geeft adverteerder het vrijblijvend advies om voortaan niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken.

Motherf*cking windmolens ten onrechte neergezet als milieuvriendelijke oplossing?

In een uitspraak van de RCC 13 november 2025 behandelt de RCC een klacht over een reclame van een energieleverancier.

De klager stoort zich enerzijds aan een ongenuanceerd positief beeld dat over windmolens wordt geschetst door de acteur zeewierchips te laten eten die op windmolenparken zijn geteeld en te stellen dat “These giants are standing tall against fossil fuels. Rising out of the ocean like a middle finger to Co2. Deep beneath the waves they can become artificial reefs. Creating habitat for sea life to grow.” terwijl windmolens juist grote overlast voor het zeeleven kunnen veroorzaken. Volgens de klager is het misleidend om windmolens als een milieuvriendelijke oplossing neer te zetten. Anderzijds stoort de klager zich aan het grove taalgebruik in de reclame “Motherf*cking windfarms…

Adverteerder stelt daartegenover dat zij wil laten zien dat de fundering van en de ruimte tussen de windmolens nuttig kan zijn voor andere doelen dan het opwekken van niet-fossiele energie. Dit probeert zij op een ludieke manier te doen door zeewiersnacks te laten zien die niet voor de verkoop zijn bedoeld. Adverteerder voert ook aan dat het standpunt over kunstmatige riffen wetenschappelijk is onderbouwd en dat de formulering “can become” bewust is gekozen om feitelijk juist te zijn. Over het taalgebruik wilde het bedrijf op een creatieve manier inspelen op de verschillende meningen die mensen hebben over windmolenparken.

De RCC gaat mee met de redenering van de adverteerder. Zij stelt dat, overwegende de reclame als geheel, het duidelijk is dat er wordt bedoeld dat windmolenparken een manier zijn om niet-fossiele energie op te wekken en dat dit aan het zeeleven deels ten goede kan komen, hetgeen voldoende genuanceerd is. Ook wat betreft het taalgebruik volgt de RCC de adverteerder in de stelling dat “motherf*cking” tegenwoordig niet letterlijk zal worden opgevat en voldoende maatschappelijk is geaccepteerd om een uiting kracht bij te zetten. Daarmee is de uiting niet in strijd met goede smaak en fatsoen als bedoeld in artikel 2 NRC en wordt de klacht afgewezen.

Snoepreclame met een content creator gericht op minderjarigen?

In een uitspraak van de RCC van 16 oktober 2025 werd de vraag behandeld of een reclame voor een nieuwe chocoladereep die voortkwam uit een samenwerking tussen een snoepwinkel en een content creator zich specifiek richtte op minderjarigen. De reclame zou een jonge doelgroep aan kunnen spreken aangezien er een jonge jongen in speelt en de content creator regelmatig voorkomt in video’s waarin jonge kinderen te zien zijn.

Reclame voor voedingsmiddelen gericht op kinderen tot en met 12 jaar is volgens artikel 8 lid 1 Reclamecode Voor Voedingsmiddelen (“RVV”) verboden tenzij er sprake is van één van de drie wettelijk bepaalde uitzonderingen. Het moet dan gaan om:

  1. reclame voor Voedingsmiddelen die tot stand is gekomen in samenwerking met dan wel gesteund wordt door de overheid en/of een andere erkende autoriteit op het terrein van voeding, gezondheid en/of beweging;
  2. verpakkingen en point-of-sale materiaal; of
  3. reclame gericht op kinderen van 7 tot en met 12 jaar voor Voedingsmiddelen die voldoen aan de voedingskundige criteria.

Aangezien er nog geen door de markt geaccepteerde bereikcijfers bestaan waaruit volgt dat het publiek van sociale mediakanalen of andere online platforms voor minimaal 25% bestaan uit kinderen tot en met 12 jaar, kan de RCC niet op basis van deze in artikel 8 lid 4 RVV opgenomen maatstaf oordelen dat een reclame op sociale media gericht is op kinderen.  Om het gebruiksprofiel te kunnen bepalen moet zij daarom letten op “criteria als taalgebruik, vormgeving en animatie, games en speelse activiteiten en het gebruik van kinderidolen.

De RCC volgt uiteindelijk de content creator in zijn betoog dat de reclame niet gericht is op kinderen jonger dan 12. De content creator stelt onder meer dat dit niet kan aangezien de minimumleeftijd om een account aan te maken op Instagram en TikTok 13 jaar is en dat de acteur die in de reclame voorkomt ouder dan 12 jaar is. De RCC acht de stellingen van de klager in dit verband onvoldoende geconcretiseerd en komt tot afwijzing van de klacht.

Flyeren aan jonge kinderen

In een uitspraak van de RCC van 14 oktober 2025 nam de RCC een klacht in behandeling van een ouder aan wiens 4-jarig kind een flyer en zonnebril zijn uitgereikt als onderdeel van een wervingsactie. De ouder vindt het onaanvaardbaar dat jonge kinderen rechtstreeks worden aangesproken en flyers en gratis artikelen krijgen.

De adverteerder stelt dat de flyer met goede bedoelingen is uitgereikt en dat er gratis activiteiten mee werden gepromoot zoals sport en spel voor kinderen en andere initiatieven zoals mensen helpen met klusjes in huis en ouderen bezoeken.

Het is van belang dat er terughoudend wordt gehandeld bij kwetsbare groepen zoals jonge kinderen en dat zorgvuldig om wordt gegaan met het bevattingsvermogen van deze doelgroep, aldus de RCC. De RCC oordeelt in dit geval dat het rechtstreeks benaderen van jonge kinderen, zonder toezicht of toestemming van ouders/begeleiders, ongeacht de intenties of doeleinden, “zonder meer onwenselijk” is. Daarom concludeert de RCC dat deze uiting in strijd is met de goede smaak en/of fatsoen, als bedoeld in artikel 2 NRC. De RCC adviseert adverteerder om niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken.

Vrijheid van meningsuiting vs. juiste beeldvorming bij milieucampagne

In een uitspraak van de RCC 6 oktober 2025 behandelde de RCC een klacht van een olie- en gasbedrijf tegen een tv-commercial van een milieuorganisatie. De commercial beweerde dat het bedrijf 700 nieuwe olie- en gasvelden heeft, “Die aanboren is zo onwaarschijnlijk in strijd met alle klimaatafspraken, dat een nieuwe rechtszaak meer kans maakt dan ooit. Dus steun ons.” Na de commercial werd de link naar de website van de milieuorganisatie in beeld gebracht en uitgesproken.

Het betrokken bedrijf klaagt dat het noemen van de naam van het bedrijf bedoeld is om te schaden en te intimideren. Daarnaast zou het genoemde aantal velden feitelijk onjuist zijn, zou het bedrijf geen exclusief eigendom maar slechts belangen hebben in die velden en zou het totaal aantal velden van dit bedrijf in 2025 juist met 113 velden zijn verminderd.

De adverteerder stelt zich op het standpunt dat zij het bedrijf wel bij naam mag noemen aangezien de commercial gemaakt is in de context van haar lopende/aanstaande rechtszaken, hetgeen de directe aanleiding voor de commercial is.  Er wordt verder niet gesteld of gesuggereerd dat andere bedrijven geen vergelijkbare activiteiten ontplooien of dat het bedrijf als enige verantwoordelijk zou zijn voor het klimaatprobleem. Verder stelt de adverteerder dat het rapport dat zij aanhalen, in tegenstelling tot het rapport dat klager aanhaalt, wel expliciet spreekt over 700 velden waar het bedrijf belangen in zou hebben en dat een daling van 813 naar 700 velden nog niks zegt over de potentiële uitstoot aangezien gasproductie zal toenemen. Tot slot stelt de adverteerder dat de formulering “heeft 700 nieuwe olie- en gasvelden” moet worden gezien in het kader van een publiekscampagne waarbij “heeft” niet verwijst naar exclusief eigendom maar zakelijke betrokkenheid.

De RCC oordeelt dat, aangezien de adverteerder niet als handelaar handelt maar als organisatie die een ideëel doelt nastreeft, de regels van misleidende reclame niet van toepassing zijn. Voor dit soort uitingen geldt een ruime vrijheid van meningsuiting dus stelt de RCC zich terughoudend op. Wel merkt de RCC op dat “uitingen die op dergelijke wijze het publieke debat trachten te beïnvloeden mogen echter geen onjuiste indruk wekken” omdat dit ertoe kan leiden dat het publieke debat op onjuiste informatie wordt gevoerd.

Dit is volgens de RCC in dit geval aan de orde. De indruk wordt namelijk bij het publiek gewekt dat er 700 bijkomende olie- en gasvelden zijn aangekocht of waarvan de productie is gestart hetgeen een forse uitbreiding van de activiteiten van het bedrijf zou betekenen. Het gaat echter om velden die al (deels) in bezit van het bedrijf waren en waarvan het niet zeker is of zij in de toekomst geopend zullen worden. Door de slechts algemene verwijzing naar de website van de adverteerder waar meer informatie te vinden is, is de kijker onvoldoende in staat de informatie te nuanceren of op waarde te schatten en schaadt de commercial het vertrouwen in reclame als bedoeld in artikel 5 NRC.

Het concreet benoemen van een specifiek bedrijf valt volgens de RCC binnen de brede vrijheid van meningsuiting die deze organisatie toekomt en is dus niet problematisch. De RCC acht de commercial wel in strijd met de NRC voor zover het gaat om de onjuist gewekte indruk dat het bedrijf uitbreidt zonder deze stelling verder te nuanceren of de kijker deze informatie voldoende op haar waarde te laten schatten. De RCC geeft de adverteerder het vrijblijvende advies om niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken.

Vragen over deze onderwerpen? Neem graag contact op met Bente van Kan, Machteld Robichon of Ole Oerlemans.

Met dank aan Mathijs Borchardt

Visie

Flash Forward Fusiecontrole 2026

Net zoals vorig jaar blikken wij met de feestdagen in zicht alvast vooruit op de ontwikkelingen op het gebied van fusiecontrole voor het komende jaar. In deze tweede editie van de Flash Forward Fusiecontrole bespreken wij een aantal belangrijke thema’s en trends waarvan wij verwachten dat ze in 2026 (en daarna) een rol zullen spelen en mogelijk impact zullen hebben op jouw praktijk en cliënten (klik hier voor origineel).

In deze editie bespreken wij de volgende (verwachte) ontwikkelingen:


Meer onderzoeken naar niet-meldingsplichtige overnames

Met ingang van 1 september 2025 is artikel 24 lid 2 van de Mededingingswet (“Mw”) geschrapt. Deze bepaling hield in dat het nationale verbod op misbruik van een economische machtspositie niet kon worden toegepast bij de beoordeling van overnames. Door het schrappen van deze bepaling kan de ACM nu ook (al dan niet achteraf) niet-meldingsplichtige transacties onderzoeken wanneer de koper daardoor mogelijk misbruik maakt van zijn reeds bestaande machtspositie. Voor overnemende partijen brengt dit een groter risico op (ex post) interventies met zich, alsook de noodzaak om naast meldingsdrempels ook de eventuele machtspositie van de koper (op voorhand) in kaart te brengen.

Het onderzoeken van niet-meldingsplichtige concentraties in het kader van machtsmisbruik (ook wel aangeduid als de Towercast-doctrine, naar het gelijknamige arrest van het HvJEU) komt steeds vaker voor. Zo startte de ACM in maart 2025 al een onderzoek naar de mogelijk mededingingsbeperkende overname van Ziemann door geldtransporteur Brink’s. Met de schrapping van artikel 24 lid 2 Mw is het waarschijnlijk de ACM vaker zal onderzoeken of een overname kwalificeert als misbruik van een (bestaande) machtspositie.

In andere landen gebeurt dit al met enige regelmaat. Zo heeft de Belgische mededingingsautoriteit verschillende overnames onderzocht naar mogelijk machtsmisbruik (Proximus/EDPnet in 2023 en Live Nation/Pukkelpop in 2025). In november 2025 heeft de Franse mededingingsautoriteit zelfs de eerste boete opgelegd voor een misbruikelijke overname. Deze boete zag op een overname door het online platform ‘Doctolib’ in de zorgsector van concurrent ‘MonDocteur’ in 2018. Uit interne documenten bleek namelijk dat Doctolib met de overname haar grootste concurrent wilde uitschakelen om zo haar machtspositie te versterken (klantenbestand uit te breiden) en haar prijzen te kunnen verhogen.

Of een potentiële koper (pre-transactie) beschikt over een dominante machtspositie is vaak lastig met zekerheid te bepalen. Mocht er een vermoeden bestaan dat de koper meer dan 40% marktaandeel heeft en voornemens is een concurrent over te nemen, dan is het verstandig om eventuele Towercast-gerelateerde risico’s in kaart te brengen. De rol van interne (transactie)documenten wordt daarbij steeds belangrijker. Ook daarin kunnen mogelijke risico’s zitten.

Overigens is nog van belang om op te merken dat mededingingsautoriteiten hun bevoegdheid op basis van de Towercast-doctrine doorgaans ruim interpreteren. Zo heeft zowel de Franse mededingingsautoriteit als de Belgische mededingingsautoriteit de Towercast-doctrine ook toegepast om concentraties te beoordelen op basis van artikel 101 VWEU, het kartelverbod.

terug naar boven


Wetsvoorstel inroepbevoegdheid ACM

Op 25 juni 2025 is een wetsvoorstel ingediend ter introductie van een zogenoemde ‘inroepbevoegdheid’ voor de ACM. Op basis van die bevoegdheid kan de toezichthouder vooraf (ex ante) ingrijpen bij overnames die de omzetdrempels niet overschrijden. Deze maatregel volgt op recente zorgen over de effecten van private equity overnames, met name in de drie in het wetsvoorstel genoemde sectoren van huisartsenpraktijken, dierenartspraktijken en kinderopvang. Het wetsvoorstel moet de ACM in staat te stellen op te treden tegen het zogeheten ‘kralenrijgen’ (of industry roll-ups), overnames in kleine of nichemarkten die onder de omzetdrempels blijven, en ‘killer acquisitions’.

Op basis van het huidig voorstel kan de ACM informatie over een transactie opvragen zodra minstens één betrokken onderneming in het voorafgaande jaar € 30 miljoen omzet in Nederland behaalde. Qua tijdslijnen en procedure is het volgende voorgesteld:

  • de ACM kan een informatieverzoek doen binnen vier weken na het vroegste tijdstip van de volgende tijdstippen: (i) het tijdstip waarop het voornemen om de concentratie tot stand te brengen kenbaar is gemaakt, (ii) het tijdstip waarop de ACM kennis verkrijgt over dit voornemen, of (iii) zes maanden na het tijdstip waarop de overeenkomst waarmee de concentratie tot stand wordt gebracht van kracht wordt;
  • de ACM stelt vervolgens een redelijke termijn waarbinnen de relevante informatie aan haar moet worden verstrekt en heeft daarbinnen de mogelijkheid om aanvullende informatie te verlangen;
  • na het aflopen van deze redelijke termijn heeft de ACM in principe een termijn van vier weken om te beoordelen of de concentratie de mededinging op significante wijze zou kunnen belemmeren;
  • indien dat het geval is i) verplicht de ACM de betrokken ondernemingen de concentratie bij haar te melden, en ii) legt zij een verbod op het tot stand brengen van de concentratie tot vier weken nadat deze bij haar is gemeld;
  • nadat de concentratie is gemeld beginnen de reguliere termijnen voor de beoordeling van meldingsplichtige concentraties te lopen.

Gelet op deze in het wetsvoorstel genoemde termijnen kunnen dus enkele maanden verstrijken voordat partijen duidelijkheid verkrijgen over de vraag of de door hen voorgenomen concentratie toelaatbaar is. Vanuit oogpunt van rechtszekerheid is het dan ook aan te raden om, na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel, de ACM zo snel mogelijk op de hoogte te stellen van een concentratie waarvan wordt verwacht dat de ACM deze mogelijk inroept, zoals concentraties in de bovengenoemde sectoren.

De Raad van State (“RvS”) publiceerde op 1 oktober 2025 een kritisch advies over het voorstel, met name wat betreft de proportionaliteit van de inroepbevoegdheid en de rechtsonzekerheid die het met zich brengt. De ACM gaat niet in dit advies mee en verdedigt de voorgestelde bevoegdheid, al stelt zij wel voor de inroepbevoegdheid te combineren met een verhoging van de ‘generieke’ individuele omzetdrempel van € 30 miljoen naar € 50 miljoen. Sinds het advies van de RvS en reactie van de ACM hebben de initiatiefnemers van het wetsvoorstel nog geen nadere stappen ondernomen.

terug naar boven


Uitbreiding Wet Vifo naar nieuwe sectoren

In het licht van de snel veranderende geopolitieke situatie is sinds 19 december 2024 een voorstel in behandeling om de reikwijdte van de Wet Vifo uit te breiden naar nieuwe sectoren en technologieën. Kort gezegd voegt het de volgende nieuwe categorieën sensitieve technologieën toe aan het Besluit toepassingsbereik sensitieve technologie:

  • geavanceerde materialentechnologie;
  • nanotechnologie;
  • biotechnologie;
  • kunstmatige intelligentie;
  • sensor- en navigatietechnologie; en
  • nucleaire technologie met medisch gebruik.

Welke technologieën binnen deze categorieën specifiek worden aangewezen wordt in het Besluit en de nota van toelichting nader aangeduid (zie voor meer informatie de vorige editie van onze Flash Forward). Beoogd wordt om al deze technologieën ook als zéér sensitief aan te wijzen, waardoor de drempel van significante invloed voor investeringen in dergelijke technologieën komt te gelden. Daarnaast is het ministerie voornemens een aantal extra dual use goederen als zéér sensitief aan te merken. Daarbij gaat het om bepaalde geavanceerde telecommunicatie- en informatiebeveiligingstechnologieën.

De RvS dient nog een advies te geven over het voorstel. De wijzigingen zullen daarom op zijn vroegst begin 2026 van kracht worden. Indien de wijziging wordt doorgevoerd, betekent dit voor M&A-advocaten dat fusies en overnames in steeds meer sectoren onderworpen kunnen worden aan investeringstoetsing door het BTI. Dit vereist een nog scherpere analyse van transactierisico’s, tijdslijnen en meldingsverplichtingen wanneer cliënten actief zijn in of betrokken zijn bij vitale of strategische sectoren.

terug naar boven


Wetsvoorstel investeringstoets defensie-industrie

Naast de uitbreiding van de Wet Vifo is er sinds 2024 een wetsvoorstel in behandeling om onder andere een aparte investeringstoets voor de defensie-industrie in te voeren (‘Wet weerbaarheid defensie en veiligheid gerelateerde industrie’). Deze toets moet de strategische positie van de Nederlandse defensiesector versterken en richt zich op investeringen, fusies en overnames in de toeleveringsketen van de krijgsmacht. Deze nieuwe wet zal naast de Wet Vifo bestaan en vervangt en verbreedt daarmee de huidige Vifo-toets voor wat betreft militaire goederen, opdat ook essentiële toeleveranciers onder het toezicht vallen. Het voorstel bevat vergelijkbare bepalingen als de Wet Vifo, zoals een meldplicht, een standstill-verplichting, de nietigheidssanctie en de mogelijkheid tot het opleggen van voorwaarden (zie voor meer informatie hierover de vorige editie van onze Flash Forward). Ook over dit wetsvoorstel dient de Raad van State nog een advies uit te brengen. De ACM publiceerde in november 2025 reeds haar positieve uitvoerbaarheids- en handhaafbaarheidsanalyse. De Autoriteit Persoonsgegevens had wel een aantal opmerkingen op het voorstel.

terug naar boven


Politiek akkoord over FDI-Verordening

Op Europees niveau is zeer recentelijk (medio december) een politiek akkoord bereikt over de versterking van de FDI-Verordening. Het overeengekomen kader brengt de volgende wijzigingen met zich:

  • alle lidstaten zijn verplicht een screeningsmechanisme te hebben voor bepaalde gevoelige en strategische kerngebieden (zie hieronder);
  • ook indirecte buitenlandse zeggenschap valt onder het bereik van de FDI-Verordening;
  • versterkt samenwerkingskader tussen lidstaten, waarbij screeningsbesluiten wel onder de exclusieve verantwoordelijkheid van de lidstaat zelf blijven;
  • stroomlijning van processen en interoperabiliteit, waaronder filtercriteria, een nieuwe gedeelde databank en een facultatief centraal portaal voor de elektronische indiening van buitenlandse investeringen; en
  • bepaalde transparantieverbeteringen.

Ten opzichte van het eerste Commissievoorstel is qua reikwijdte een aantal technologieën afgevallen. Alhoewel er nog geen definitieve, nader gespecificeerde lijst is, heet de Raad laten weten dat de volgende gevoelige en strategische kerngebieden onder de reikwijdte van de Verordening zullen vallen:

  • dual use goederen en militaire goederen;
  • hyperkritische technologieën, zoals kunstmatige intelligentie (in overeenstemming met de definities in de AI-Verordening en met een focus op algemeen toepasbare kunstmatige intelligentie met relevantie voor ruimtevaart of defensie);
  • kritieke grondstoffen;
  • kritieke entiteiten in de energie-, transport- en digitale infrastructuur, op basis van een risicogebaseerde beoordeling door de lidstaat waar de EU-doelonderneming is gevestigd;
  • verkiezingsinfrastructuur (denk aan kiezersdatabases, stemsystemen, systemen voor verkiezingsbeheer);
  • een gesloten lijst van entiteiten binnen het financiële stelsel, beperkt tot centrale tegenpartijen, centrale effectenbewaarinstellingen, exploitanten van reguleerde markten, exploitanten van betalingssystemen (met uitzondering va01n centrale banken) en systeemrelevante instellingen.

Het vernieuwde kader zal naar verwachting in de eerste helft van 2026 in werking treden, nadat de Raad en het Europees Parlement er formeel over hebben gestemd. Lidstaten hebben vervolgens achttien maanden de tijd de wijzigingen – waar nodig – in hun nationale wetgeving te implementeren.

In Nederland zal dit naar verwachting wederom een aanpassing van de Wet Vifo en/of het Besluit toepassingsbereik sensitieve technologie met zich brengen. Zo zijn naar verwachting niet alle ‘kritieke grondstoffen’ en is ook verkiezingsinfrastructuur niet reeds gedekt onder de Wet Vifo. Alhoewel het dus nog even zal duren, is het voor M&A-advocaten van belang alert te zijn op de te verwachten verdere uitbreiding van de reikwijdte van de Wet Vifo en de mogelijke aanpassingen in de tijdslijnen en andere procedurele aangelegenheden, waaronder een formalisering van het ‘twee fasen’-systeem.

terug naar boven


Aanscherping zorgspecifieke fusietoets

Afgelopen zomer lag het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet marktordening gezondheidszorg (“Wmg”) ter consultatie. Dit voorstel beoogt de zorgspecifieke fusietoets aanzienlijk te versterken door de Nederlandse Zorgautoriteit (“NZa”) niet alleen het fusieproces te laten beoordelen, maar ook de inhoudelijke gevolgen van fusies en overnames in de zorgsector. De NZa kan op basis van het nieuwe voorstel goedkeuring van een zorgfusie weigeren wanneer de continuïteit van zorg wordt bedreigd. Deze mogelijkheid bestaat nu alleen bij cruciale zorg, zoals ambulancezorg en spoedeisende hulp, maar wordt dus mogelijk uitgebreid naar alle zorg (zoals genoemd in de Zorgverzekeringswet, de Wet langdurige zorg en de Wet forensische zorg).

Daarnaast krijgt de NZa bevoegdheden om fusies te blokkeren bij risico’s voor de rechtmatigheid van zorg, zoals onrechtmatige declaraties of zwakke financiële bedrijfsvoering. Ook wordt de kwaliteit van zorg een expliciete toetssteen: op verzoek van de NZa brengt de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd een zienswijze uit wanneer er signalen of lopende maatregelen zijn, of wanneer de concentratie dusdanig omvangrijk is dat ook de ACM betrokken raakt. Indien uit het advies van de Inspectie blijkt dat de normen voor ‘goede zorg’ of zorgvuldige organisatie mogelijk worden geschonden, blijft goedkeuring achterwege. De NZa kan bovendien een gegeven toestemming intrekken bij onjuiste informatievoorziening, en hiervoor boetes opleggen.

De voorgestelde verbreding van criteria betekent dat niet alleen het proces van een voorgenomen fusie centraal staat, maar dat de NZa ook meer inhoudelijk bepaalt of een fusie of overname is toegestaan. De verwachting is dat hierdoor meer fusies kunnen worden tegengehouden dan nu het geval. Mogelijk leidt dit wetsvoorstel tot rechtsonzekerheid gelet op de open normen van de kwaliteitstoets en tot een toename van administratieve lasten. Het definitieve wetsvoorstel wordt begin 2026 verwacht.

terug naar boven


Vaker ex officio onderzoek op basis van FSR

Op basis van de FSR is een melding van een concentratie verplicht wanneer één van de fuserende partijen, de target of de JV meer dan € 500 miljoen EU-omzet heeft én alle partijen gezamenlijk in totaal meer dan € 50 miljoen aan financiële bijdragen (‘foreign financial contributions’, “FFC’s”) uit derde landen ontvingen in de voorafgaande drie jaar. Onder FFC’s vallen vrijwel alle vormen van financiële steun uit niet-EU-landen, waaronder ook voor het leveren van goederen en diensten, ongeacht de voorwaarden waaronder deze zijn verstrekt. In de praktijk blijken de FFC-rapportageplichten – vooral voor private equity fondsen – administratief zeer zwaar, ondanks een inmiddels uitgebreide Q&A van de Commissie met de nodige versimpelingen.

De eerste afgeronde zaken laten zien hoe de FSR in de praktijk wordt toegepast. In de zaak e&/PPF Telecom Group onderzocht de Commissie omvangrijke steun uit de VAE aan e&. Hoewel de buitenlandse subsidies niet hebben geleid tot een verstoring van het acquisitieproces, concludeerde de Commissie dat deze wel de concurrentie post-transactie zouden kunnen verstoren. e& bood daarop toezeggingen aan, zoals het schrappen van een onbeperkte staatsgarantie en het hanteren van marktconforme voorwaarden. Ook bij de overname van Covestro door ADNOC leidde VAE-steun tot een diepgaand onderzoek. Recent heeft de Commissie toezeggingen van ADNOC, waaronder het openstellen van patenten voor duurzame technologieën van Covestro, geaccepteerd en daarmee de overname voorwaardelijk goedgekeurd.

De focus van FSR-handhaving ligt tot nu toe vooral op strategische sectoren zoals telecom, infrastructuur en duurzame energie. Hoewel de FSR vanuit derde landen, met name China, kritiek krijgt wegens vermeende handelsbelemmeringen, zal het FSR-toezicht als het aan de Commissie ligt, alleen maar toenemen. In het huidige geopolitieke klimaat bestaat de verwachting dat het ex officio onderzoeksinstrument vaker zal worden ingezet. Daarnaast zal de Commissie met de komst van de nieuwe (concept) FSR-richtsnoeren in januari 2026 waarschijnlijk actiever onder-de-drempel concentraties gaan inroepen indien er een vermoeden bestaat van betrokkenheid van buitenlandse subsidies (zie het eerste concept van de FSR-richtsnoeren hier).

Voor meer ontwikkelingen op het gebied van FSR, lees onze recente blog.

terug naar boven


Bedankt voor het lezen van de tweede editie van de Flash Forward Fusiecontrole. Wij wensen jou fijne feestdagen en een succesvol nieuwjaar!

Team Mededinging – bureau Brandeis

Bas Braeken (Partner) | Jade Versteeg (Advocaat) | Timo Hieselaar (Advocaat) | Demi van den Berg (Advocaat) |  Joost van Belois (Advocaat) | Lisanne Kooijman (Studerend medewerker)

Visie

DMA Enforcement: A Visual State of Play in Four Slides

The European Commission’s (“Commission”) enforcement of the Digital Markets Act (“DMA”) has progressed steadily since its entry into force late 2022. Public enforcement of the DMA has entered a phase where compliance-related activity is becoming more frequent and more complex. The Commission continues to assess which providers of a core platform service (“CPS”) should fall within the scope of the DMA, so far having resulted in the designation of seven undertakings as gatekeepers for various CPS. Alongside these designation decisions, the Commission also issued several decisions in which it identified services as CPS, but in which it ultimately decided to not designate the provider of the CPS in question as a gatekeeper (“non-designation decisions”).

Beyond designation and non-designation decisions, the Commission has increasingly focused on gatekeepers’ compliance with the DMA’s obligations and the measures these gatekeepers ought to take in that regard. This has led to a growing number of parallel investigations, non-compliance decisions and specification decisions, each addressing different aspects and obligations of the DMA. Many of the Commission’s decisions have furthermore been appealed and now sit at different stages of the judicial process – some pending before the General Court, others having already proceeded to the Court of Justice.

As the enforcement and appeal processes multiply, it has become more challenging for practitioners and other stakeholders to maintain a clear overview of the DMA’s “state of play”. In earlier blogs we have already paid attention to the DMA’s general mechanisms, its obligations and the potential for private enforcement. In this blog, we aim to provide you with a structured visual overview of the Commission’s actions to date, through a series of slides that summarise the key decisions and situate them within the broader procedural landscape.

 

Last updated: 3 December 2025

Visie

Twee jaar na inwerkingtreding van de FSR: alleen een wapen of ook een schild?

Inleiding

Bedrijven zijn sinds 12 oktober 2023 verplicht om concentraties of inschrijvingen op openbare aanbestedingsprocedures waarbij financiering afkomstig is van niet-Europese overheden, te melden bij de Europese Commissie (“Commissie”) op basis van de Foreign Subsidies Regulation (“FSR”). Sindsdien is er veel gebeurd in FSR-land. Zo zijn er in 2024 alleen al 102 concentraties gemeld onder de FSR en meer dan tweeduizend meldingen ontvangen van openbare aanbestedingen. Dit is zeven keer meer dan de Commissie destijds had voorzien.

In eerdere blogposts (zie blog van 8 november 2021 en blog van 16 oktober 2023) hebben wij al uitvoerig stilgestaan bij inhoud van de regulering zelf. In deze blog zullen we ingaan op de meest recente ontwikkelingen: verschillende onderzoeken die de Commissie is gestart (en inmiddels heeft afgerond), waarvan de e&/PPF Telecom Group-zaak heeft geresulteerd in een uitgebreid besluit dat nuttige inzichten biedt in het toetsingskader. Op basis van deze ontwikkelingen zullen wij ook de mogelijkheden bespreken voor derde belanghebbenden om de FSR in te zetten wanneer zij last ondervinden van oneerlijke concurrentie door buitenlands gesubsidieerde ondernemingen.

 

Overzicht


Een korte opfrisser; wat houdt de FSR ook alweer in?

Doel van de FSR is bijdragen aan economische soevereiniteit, onder meer op geopolitiek vlak, en een ‘level playing field’ creëren tussen EU en niet-EU ondernemingen die wel actief zijn in de EU. De Commissie heeft op grond van de FSR de bevoegdheid om niet-EU subsidies die worden verleend aan een onderneming die economische activiteiten ontplooit in de interne markt te onderzoeken. Zij kan dit op eigen initiatief doen, ook wel aangeduid als ex officio, of naar aanleiding van een verplichte notificatie van een concentratie of openbare aanbesteding.

De notificatieplicht bestaat voor overnames, fusies of oprichtingen van joint ventures waarbij (i) ten minste één van de fuserende partijen (in geval van fusies), de doelonderneming (bij overnames), of de joint venture is gevestigd in de EU en een totale EU-omzet heeft van ten minste € 500 miljoen; en (ii) álle betrokken ondernemingen (en de groepen waartoe zij behoren) gezamenlijk gedurende de drie voorafgaande jaren meer dan € 50 miljoen aan financiële bijdragen (foreign financial contributions, ‘FFC’) hebben ontvangen.

Onder FFC wordt verstaan elke vorm van overdracht van financiële middelen vanuit een derde land (overheidsorganisatie of private entiteit waarvan het gedrag aan de overheid kan worden toegerekend). Om te bepalen of aan de tweede drempel is voldaan, is niet relevant onder welke voorwaarden de FFC’s zijn verstrekt. Of sprake is van voordeel en selectiviteit speelt pas een rol bij de materiële beoordeling.

De impact van de FSR, en met name de administratieve last voor meldende partijen alsmede de Commissie zelf, is aanzienlijk groter gebleken dan initieel verwacht. Om tegemoet te komen aan de vele nuances en complexiteit bij de toepassing van de FSR-notificatiedrempels, en om de rapportageplicht – vooral bij betrokkenheid van private equity funds – waar mogelijk te beperken, heeft de Commissie een uitgebreide Q&A voor procedurele en bevoegdheidskwesties opgesteld. Momenteel is een evaluatie van de FSR gaande. In dat kader heeft de Commissie marktpartijen gevraagd om feedback en zal onder meer worden bezien of er mogelijkheden zijn om het proces te versimpelen en verhelderen.

 

Inroepingsbevoegdheid

Naast de meldingsdrempels kent de FSR ook een inroepingsbevoegdheid voor de Commissie om een voorafgaande FSR-melding van een concentratie te verlangen indien zij vermoedt dat er in de drie jaar vóór de concentratie buitenlandse subsidies zijn toegekend aan de betrokken ondernemingen (artikel 21 lid 5 FSR). Een dergelijk verzoek moet wel vóór de totstandbrenging van de concentratie worden gedaan. Deze inroepingsbevoegdheid kan van pas komen wanneer de Commissie bijvoorbeeld via een fusiecontroletraject op de hoogte komt van een concentratie die weliswaar niet aan de FSR-drempels voldoet, maar waarbij wel buitenlandse subsidies betrokken lijken.

Een voorbeeld hiervan is de overname van Arbonia door het Chinese Midea. Gedurende de fusiecontrolebeoordeling zond de Commissie een FSR-informatieverzoek aan partijen. Uiteindelijk heeft dit niet tot een aanmeldingsverzoek geleid, maar het toont wel de bereidheid van de Commissie om haar inroepingsbevoegdheid daadwerkelijk in te zetten waar nodig.

De Commissie dient ingevolge artikel 46 FSR uiterlijk 12 januari 2026 richtsnoeren te publiceren (FSR-richtsnoeren). Deze richtsnoeren zullen onder meer ingaan op de bevoegdheid van de Commissie om concentraties of aanbestedingsprocedures in te roepen en enkele technische concepten te verduidelijken. In maart dit jaar opende de Commissie hiertoe een publieke consultatie en in de zomer van 2025 heeft de Commissie een eerste ontwerp van de richtsnoeren voorgelegd aan de markt. Hierin komt onder meer naar voren dat de Commissie meent dat ook concentraties die ver onder € 500 miljoen EU-omzetdrempel zitten, kunnen worden ingeroepen, bijvoorbeeld wanneer er strategische assets in het spel zijn of de koper een bepaald aankoopgedrag vertoont.

 

FSR in de praktijk: de eerste afgeronde en lopende onderzoeken

Uit de beschikkingspraktijk van de Europese Commissie blijkt dat zij haar ogen gericht heeft op sectoren die strategisch van belang zijn voor Europa. Met name de energie-, telecom- en infrastructuursector waarbij subsidies vanuit China en de Golfstaten betrokken zijn, worden geraakt door het FSR-toezicht.

Het eerste FSR-toezeggingsbesluit: e&/PPF Telecom Group

Op 26 april 2024 werd de beoogde overname van PPF Telecom Group door e& gemeld. De Commissie heeft na een diepgaand onderzoek op 24 september 2024 de overname onder voorwaarden goedgekeurd. De beslissing geeft belangrijke inzichten in het toetsingskader voor de materiële beoordeling van interne marktverstoringen door buitenlandse subsidies.

e& is een in de Verenigd Arabisch Emiraten (“VAE”) gevestigde telecommunicatie aanbieder. Het federale staatsinvesteringsfonds van de VAE, de Emirates Investment Authority (“EIA”), heeft zeggenschap en een meerderheidsbelang in e&. PPF Telecom Group is een telecommunicatie-exploitant actief in Bulgarije, Hongarije, Servië en Slowakije. In de beslissing komt naar voren dat e& onder meer profiteerde van (i) een lening door een consortium van banken (vier banken gecontroleerd door de staat en één private entiteit), (ii) een onbeperkte staatsgarantie, (iii) directe subsidies en leningen door het ministerie van financiën van de VAE, en (iv) een doorlopende kredietfaciliteit afkomstig van een consortium van VAE-banken.

De Commissie gaat allereest na of deze FFC’s als ‘buitenlandse subsidies’ kwalificeren in de zin van artikel 3 van de FSR. Alleen de lening aan e& (onder (i)) werd niet beschouwd als een buitenlandse subsidie, omdat het ontbrak aan ‘voordeel’. De volgende vraag is of deze buitenlandse subsidies ook daadwerkelijk de markt verstoren (waarbij de vermoedens in artikel 5 FSR meewegen). Daartoe stelt de Commissie eerst de betrokken activiteiten en aldus relevante markt(en) vast. Bij de beoordeling maakt de Commissie een onderscheid tussen twee situaties: (i) verstoring van de concurrentie tijdens het overnameproces, en (ii) verstoring van de concurrentie op de markt (post-transactie).

Om te bepalen of er sprake is van een marktverstoring, hanteert de Commissie een tweestapsbenadering zoals neergelegd in artikel 4 FSR:

  • Leidt de buitenlandse subsidie tot een verbetering van de concurrentiepositie van een onderneming op de interne markt; en
  • wordt de concurrentie in de interne markt daardoor daadwerkelijk of potentieel ongunstig beïnvloed.

Indien sprake is van een marktverstoring maakt de Commissie een afweging van enerzijds de door de fuserende partijen naar voren gebrachte positieve effecten van de subsidie (en het causaal verband daartussen) en anderzijds de geconstateerde marktverstoring, één en ander conform artikel 6 FSR. In onderhavige zaak kwam de Commissie tot de conclusie dat de buitenlandse subsidies niet de concurrentiepositie van e& in het overnameproces hebben bevorderd, maar e& wel ná de transactie een concurrentievoordeel zou kunnen opleveren.

Om tegemoet te komen aan de bezwaren van de Commissie heeft e& in een vroegtijdig stadium van het onderzoek toezeggingen aangeboden. De Commissie heeft daardoor een beslissing kunnen nemen zonder dat zij haar bezwaren hoefde te formaliseren in een Statement of Grounds. De toezeggingen moeten in lijn met artikel 7 lid 2 en 3 FSR de verstoring in de interne markt volledig en daadwerkelijk verhelpen en evenredig zijn. Uit de beslissing volgt dat de Commissie meerdere toezeggingen heeft geaccepteerd, waaronder het buiten toepassing laten van bepalingen uit de statuten van e& die afweken van het faillissementsrecht in de VAE (zodat de onbeperkte garantie komt te vervallen). Bovendien hebben partijen toegezegd dat e& (en daaraan gelieerde ondernemingen) geen van de EU-bedrijven van de target mag financieren, en tussen hen alleen transacties mogen worden aangegaan op marktvoorwaarden. De toezeggingen gelden voor een periode van 10 jaar.

Lopende FSR-onderzoeken

Recent zijn ook in een ander tweede fase onderzoek toezeggingen aangeboden waardoor de Commissie op 14 november 2025 de beoogde overname van Covestro door ADNOC onder voorwaarden heeft goedgekeurd. Covestro is een Duits bedrijf dat plastic en andere polymeren produceert voor onder meer de auto- en bouwbranche. ADNOC is een staatsoliegigant uit Abu Dhabi. De Commissie kwam tot de voorlopige conclusie dat de buitenlandse subsidies die ADNOC ontving van de VAE een agressieve investeringsstrategie mogelijk maakte die andere investeerders afschrikte.

ADNOC heeft toegezegd de onbeperkte staatsgarantie in diens statuten aan te passen en patenten voor duurzame technologieën van Covestro beschikbaar te stellen aan derde partijen onder transparante voorwaarden. Hiermee is vér voor de deadline van maart 2026 al een einde te komen aan het tweede diepgaande concentratieonderzoek onder de FSR.

Een ander onderzoek waar veel over te doen is, is het ex officio onderzoek dat de Commissie op 23 april 2024 startte naar Nuctech, een Chinese fabrikant van beveiligingsmaterieel. De Commissie deed invallen op locaties van Nuctech in Nederland en Polen en nam een groot aantal stukken in beslag. In een door Nuctech aanhangig gemaakt voorlopige voorzieningsprocedure oordeelde het Gerecht dat er geen gronden waren om de Commissie ervan te weerhouden de verkregen e-mailcorrespondentie te betrekken in haar onderzoek. Het Gerecht overwoog dat EU-toezichthouders toegang moeten hebben tot data die buiten de EU, bijvoorbeeld op servers in China, opgeslagen staan. Het risico op boetes en strafrechtelijke sancties onder Chinees recht voor het openbaren van bedrijfsgeheimen rechtvaardigt een opschorting van het Commissie-onderzoek niet, aldus de EU-rechter. Ook het hoger beroep van Nuctech bij het Hof van Justitie is inmiddels afgewezen.

Naast de bevestiging van de EU-rechter van een vergaande medewerkingsplicht bij FSR-invallen, kan de Commissie overigens ook – in geval van beperkte medewerking – onderzoek verrichten op basis van ‘beschikbare feiten’ (artikel 14 lid 3 onder (b) FSR). De dreiging die uitgaat van het baseren van een onderzoek op (ongunstige) informatie van concurrenten of afnemers, zal partijen over het algemeen dwingen tot medewerking.

Daarnaast is de Commissie eerder onderzoeken gestart naar enkele aanbestedingsprocedures, te weten:

  • een openbare aanbestedingsprocedure van het Bulgaarse ministerie van Vervoer en Communicatie voor de levering van 20 elektrische “push-pull”-treinen en daarmee verband houdende onderhouds- en personeelsopleidingsdiensten. Een dochteronderneming van het staatsbedrijf CRRC Corporation zou EUR 1,7 miljard aan buitenlandse subsidies ter beschikking gesteld hebben gekregen om de Bulgaarse aanbesteding te winnen.
  • twee inschrijvingen op een overheidsopdracht voor de ontwikkeling, bouw en uitvoering van een zonnepark in Roemenië. De hoogte van de biedingen van Shanghai Electric en Longi Green Energy Technology (beide (gelinkt aan) Chinese staatsbedrijven) in vergelijking met de biedingen van andere geïnteresseerde partijen en de waarde van de opdracht, vormden aanleiding voor de Commissie om een onderzoek te starten.
  • Goldwind Science & Technology, een Chinese leverancier van windturbines aan windmolenparken in Spanje, Griekenland, Frankrijk, Roemenië, Bulgarije en Duitsland, is naar verluid voorwerp van een onderzoek van de Commissie op aandringen van Europese leveranciers.

Zowel CRRC Corporation, als Shanghai Electric en Longi Green Energy hebben zich uiteindelijk teruggetrokken uit de respectievelijke aanbestedingsprocedures. In reactie hierop benadrukte de voormalige Eurocommissaris voor de Interne Markt, Thierry Breton dat het belang van de ontwikkeling van duurzame energiebronnen voor Europa niet ten koste mogen gaan van de industriële concurrentie en de Europese werkgelegenheid.

Vanuit Chinese hoek is er flinke kritiek gekomen op de onderzoeken in het kader van de FSR. Het Chinese Ministerie van Commercie (MOFCOM) heeft of 9 januari 2025 een rapport gepubliceerd waaruit zou blijken dat het handelen van de Commissie en de onderzoeken naar Chinese bedrijven grote handel- en investeringsdrempels creëren. Zo zouden de onderzoeken van de Commissie niet transparant zijn en ontbreekt het aan een tijdslimiet. De Chinese kamer van Koophandel voor Import en Export van Machines en Elektronische Producten (CCCME) heeft de Commissie herhaaldelijk aangespoord om verduidelijkingen aan te brengen zodat onderzoeken eerlijk en transparant zullen verlopen op basis van duidelijke, vooraf kenbare criteria.

 

Implicaties en mogelijkheden voor klagers

De Commissie is voornemens om de FSR intensief te gaan handhaven. De handhaving van de FSR wordt in één adem genoemd met de handhaving van de mededingings- en concentratieregels, met als doel om de economische veiligheid te waarborgen en de afhankelijkheid van niet-Europese entiteiten te verlagen.

Gelet op het ex officio beleid en de aanstaande verduidelijkingen over de inzet van de bevoegdheid om onder-de-drempel concentraties en inschrijvingen in te roepen, ontstaan er (meer) mogelijkheden voor derde belanghebbenden (klagers) om de Commissie te attenderen op bedrijven die oneigenlijke subsidie ontvangen vanuit derde landen. Derde belanghebbenden, zoals concurrenten van een in een transactie betrokken onderneming of inschrijvers op een aanbestedingsprocedure, kunnen signalen geven aan de Commissie bij vermeende buitenlandse financiële bijdragen. Zo heeft de Commissie naar aanleiding van klachten van Électricité de France (EDF) formele vragen gesteld aan de Tsjechische Staat over de toekenning van een opdracht aan het Zuid-Koreaanse Korea Hydro & Nuclear Power om een nucleaire fabriek te bouwen. EDF was een van de andere inschrijvers in de aanbestedingsprocedure.

Behalve concurrentievervalsing door vanuit het buitenland gesubsidieerde ondernemingen in de biedingenstrijd om een target of aanbesteding, kunnen derde partijen ook in andere gevallen een beroep doen op de FSR. In tijden van handelsoorlogen zijn buitenlandse ondernemingen sneller geneigd om importheffingen te voorkomen, bijvoorbeeld door productiefaciliteiten te openen binnen de EU. Een bekend voorbeeld betreft Chinese producenten van elektrische auto’s, zoals het openen van een fabriek door BYD in Hongarije. Deze ondernemingen kunnen een concurrentievoordeel genieten op de interne markt (zonder dat de activiteiten een FSR-melding triggeren). De Commissie heeft naar verluidt in maart 2025 een FSR-onderzoek geopend naar BYD (in aanvulling op een al lopend anti-subsidie onderzoek). De verwachting bestaat dat dergelijke ex officio onderzoeken – al dan niet op basis van signalen en klachten uit de markt – in de toekomst een nog belangrijker rol zullen gaan spelen.

Ondernemingen in de Europese Unie doen er dus goed aan scherp te zijn op de eventuele aanwezigheid van niet-Europese subsidies aan hun concurrenten, zeker als zij merken dat het concurrentiespeelveld hierdoor mogelijk wordt verstoord. Het is in dat geval verstandig om hiervan, al dan niet op vertrouwelijke basis, melding te doen bij de Europese Commissie.

Visie

Nieuwe ministeriële regelingen onder de Cyberbeveiligingswet: wat betekent de regeling van het ministerie van Economische Zaken voor uw sector?

Op 10 november 2025 zijn de concept ministeriële regelingen onder de Cyberbeveiligingswet (de “Cbw”) gepubliceerd. De internetconsultatie loopt tot en met 21 december 2025. Met deze regelingen krijgen zowel de Cbw als de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten (“Wwke”), het Cyberbeveiligingsbesluit en het Besluit weerbaarheid kritieke entiteiten een sectorspecifieke en praktische uitwerking. De regelingen bevatten gedetailleerde bepalingen die per sector aangeven welke maatregelen worden verwacht en wanneer incidenten moeten worden gemeld.

Omdat de verplichtingen sterk uiteenlopen per domein, stellen de meeste departementen een eigen ministeriële regeling op. Een belangrijk onderdeel daarvan is de nadere invulling van de meldplicht, waaronder de drempelwaarden die bepalen wanneer een cyberincident als “significant” geldt en dus moet worden gemeld aan het Nationaal Cyber Security Centrum (“NCSC”) of het sectorale Computer Security Incident Response Team (“CSRIT”). Daarnaast bevatten de regelingen de verdere uitwerking van de zorgplicht, waaronder risicobeoordelingen, beveiligingsmaatregelen, monitoring en ketenverantwoordelijkheid.

De ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (het “ministerie van BZK”), Infrastructuur en Waterstaat (het “ministerie van I&W”), Economische Zaken (het “ministerie van EZ”), Klimaat en Groene Groei (het “ministerie van KGG”), Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (het “ministerie van LVVN”) en Volksgezondheid, Welzijn en Sport (het “ministerie VWS”) hebben hun conceptregelingen inmiddels gepubliceerd. De nadere regels over de zorgplicht zijn voor de sectoren onder de ministeries van I&W, EZ, KGG en LVVN gezamenlijk ontwikkeld op basis van een eerdere consultatie die begin dit jaar is gehouden.

In dit blog richten we ons op de ministeriële regeling van het ministerie van EZ, de Regeling cyberbeveiliging EZ (de “Regeling EZ”).

Wat regelt de Regeling EZ?

In de kern vallen vijf clusters van sectoren onder de regeling van EZ: digitale infrastructuur, ruimtevaart, post- en koeriersdiensten, vervaardiging (manufacturing) en onderzoeksorganisaties voor zover zij binnen het EZ-domein vallen. Binnen de sector digitale infrastructuur ziet de Regeling EZ specifiek op aanbieders van openbare elektronische communicatienetwerken, aanbieders van openbare elektronische communicatiediensten en aanbieders van internetknooppunten. Voor cloud- en datacenterdiensten gelden de regels uit de Europese uitvoeringsverordening.

Verdieping van de zorgplicht

De Cbw verplicht essentiële en belangrijke entiteiten tot het treffen van “passende en evenredige” technische en organisatorische maatregelen. De Regeling EZ maakt expliciet wat daar in ieder geval onder moet worden verstaan. Dat gebeurt langs drie lijnen: 1) managementsystematiek, 2) bedrijfscontinuïteit en 3) de manier waarop systemen worden ontwikkeld, beheerd en benaderd.

Deze drie lijnen bespreken we hierna.

  1. Managementsystematiek en beleid

Entiteiten worden verplicht om hun beveiligingsbeleid en managementsystematiek expliciet vorm te geven. Zij moeten vastleggen:

  • Welke maatregelen voor het beheer van cyberrisico’s worden gemonitord en gemeten;
  • Met welke methoden die metingen plaatsvinden en hoe de resultaten worden gevalideerd;
  • Wanneer monitoring en meting plaatsvinden; en
  • Wie verantwoordelijk is voor monitoring, analyse en evaluatie.

De Regeling EZ sluit aan bij bestaande praktijk en internationale normen zoals International Standardization Organization (“ISO”), zodat organisaties geen parallel systeem hoeven te ontwerpen, maar bestaande managementsystemen kunnen uitbreiden of aanscherpen.

  1. Bedrijfscontinuïteit en back-ups

De Regeling EZ werkt de plicht tot het hebben van een bedrijfscontinuïteitsplan verder uit. Dat plan moet in ieder geval de doelstelling en reikwijdte, rollen en verantwoordelijkheden, interne en externe communicatiekanalen, criteria voor activering en de-activering, benodigde middelen (inclusief redundantie) en voorwaarden voor herstel en hervatting van activiteiten bevatten.

Daarnaast stelt de Regeling EZ eisen aan back-upprocedures: organisaties moeten hersteldoelen definiëren, zorgen voor volledige en nauwkeurige back-ups (inclusief configuratiegegevens en in de cloud opgeslagen data) en passende waarborgen treffen voor integriteit, vertrouwelijkheid en beschikbaarheid van back-ups. Ook is het periodiek testen van het terugzetten van back-ups verplicht.

  1. Ontwikkeling, onderhoud en toegangsbeheer

De Regeling EZ richt zich ook op de beveiliging bij het verwerven, ontwikkelen en onderhouden van netwerk- en informatiesystemen. Zo moeten de procedures bedoeld in het Cyberbeveiligingsbesluit ten minste betrekking hebben op:

  • Beveiligingstesten: er moeten structurele processen zijn om te testen of maatregelen feitelijk werken en kwetsbaarheden tijdig worden ontdekt.
  • Patchmanagement: patches moeten uit betrouwbare bron komen, waar passend vooraf worden getest en binnen een redelijke termijn worden toegepast. Als wordt besloten om een patch (nog) niet door te voeren, moet die keuze gemotiveerd en gedocumenteerd worden.

Daarnaast schrijft de Regeling EZ voor dat entiteiten onder meer maatregelen treffen tegen kwaadaardige en ongeoorloofde software en periodiek kwetsbaarheidsscans uitvoeren.

Wanneer is een incident “significant”?

Naast de drie hoofdlijnen bevat de Regeling EZ nadere criteria voor de meldplicht voor (significante) incidenten. De Regeling EZ bespreekt zowel algemene als sectorspecifieke criteria.

Algemene criteria

Een incident is in ieder geval significant als:

  • Het (kan) leidt(en) tot de dood of aanzienlijke schade aan de gezondheid van een of meer personen; of
  • Er sprake is van succesvolle, vermoedelijk kwaadwillige en ongeoorloofde toegang tot de netwerk- en informatiesystemen van een entiteit, ongeacht of er al zichtbare schade is; of
  • Een van de sectorspecifieke criteria wordt gehaald.

Geplande dienstonderbrekingen in verband met onderhoud door of namens de entiteit vallen buiten de meldplicht, tenzij er onverwachte neveneffecten optreden.

Sectorspecifieke criteria

De regeling introduceert de volgende drempelwaarden per sector:

Telecom / elektronische communicatiediensten

Een incident is onder meer significant als:

  • De integriteit, vertrouwelijkheid of authenticiteit van gegevens in het kader van de dienstverlening is aangetast;
  • Ten minste 50.000 gebruikers door een onderbreking worden getroffen; of
  • Het alarmnummer 112 of NL-Alert niet beschikbaar is.

De maatschappelijke impact van uitval of datalekken in deze infrastructuur is daarmee het uitgangspunt.

Internetknooppunten

Voor internetknooppunten geldt onder meer dat:

  • Uitval van ten minste 25% van het actuele totale verkeer gedurende 30 minuten of langer als significant geldt;
  • Dat geldt ook voor aantasting van integriteit, vertrouwelijkheid of authenticiteit van gegevens.

 

Ruimtevaart

In de ruimtevaartsector is een incident onder meer significant als:

  • Gedurende een door de entiteit vastgestelde periode geen communicatie met een ruimtevoorwerp mogelijk is;
  • Als een netwerk- of informatiesysteem uitvalt dat essentieel is voor economische of publieke activiteiten; of
  • Als vlucht- of besturingsgegevens worden gemanipuleerd of corrupt raken.

 

Post- en koeriersdiensten

Voor post- en koeriersdiensten is een incident significant als:

  • Door een verstoring in de systemen ten minste 30% van de gebruikers hun poststukken minimaal twee bezorgdagen later ontvangt dan wettelijk of contractueel is voorzien; of
  • Als de integriteit, vertrouwelijkheid of authenticiteit van gegevens over de dienstverlening is aangetast.

 

Vervaardiging

Een incident geldt als significant als sprake is van:

  • Verlies of degradatie van veiligheidsfuncties;
  • Verlies van besturings- of monitoringsfuncties;
  • Een inbreuk op de integriteit van industriële systemen waardoor product- of proceskwaliteit in gevaar komt;
  • Milieuschade door een cyberincident;
  • Een aanval die het beoogde securitylevel overstijgt of zich over meerdere zones verspreidt.

 

Onderzoek (EZ-domein)

Voor onderzoeksorganisaties geldt een duidelijk criterium: aantasting van de integriteit, vertrouwelijkheid of authenticiteit van onderzoeksgegevens is voldoende om een incident als significant te kwalificeren. Dat past bij het vaak vertrouwelijke en economisch of strategisch waardevolle karakter van onderzoeksdata.

Meldingen van significante incidenten verlopen via één centraal meldloket dat zowel het sectorale CSIRT als de toezichthoudende instantie bedient. De precieze procedurele eisen (termijnen, inhoud van meldingen) staan in de Cbw en worden in de Regeling EZ niet verder gewijzigd.

Hoe nu verder?

Wilt u sparren over een mogelijke consultatiereactie op de Regeling EZ of meer weten over de gevolgen van deze regeling voor uw sector? Neem dan contact op met Machteld Robichon, Bente van Kan of Ole Oerlemans.

Meer weten over de Cbw? Lees onze andere blogs:

Visie

Boete Ongehoord Nederland! voor overtredingen Mediawet

Naar aanleiding van overtredingen van de Mediawet 2008 (“Mediawet”) heeft het Commissariaat voor de Media (het “Commissariaat”) op 18 september 2025 een boete opgelegd aan omroepvereniging Ongehoord Nederland! (“ON!”). Dat de boete zou worden opgelegd was al eerder bekend gemaakt aan ON!. Recent is het volledige sanctiebesluit gepubliceerd op de website van het Commissariaat.

Het Commissariaat legt een boete op, omdat er sprake is van (een schijn van) belangenverstrengeling. Daarnaast zou ON! haar eigen redactiestatuut niet hebben nageleefd.

Belangenverstrengeling

Volgens het Commissariaat is in twee situaties (een schijn van) belangenverstrengeling ontstaan:

  1. De eerste ziet op een bestuurder die verantwoordelijk is geweest voor de personeelsaangelegenheden van een familielid. Deze bestuurder zou betrokken zijn geweest bij de aanstelling, beloningen en promoties van een direct familielid. Voor deze potentiële belangenverstrengeling had ON! een risicoanalyse laten maken, waar een laag risico uit kwam. Deze risicoanalyse is echter niet schriftelijk vastgelegd.
  2. De tweede situatie waardoor een daadwerkelijke belangenverstrengeling is ontstaan, ziet op de vermenging van redactionele en (privé) politieke belangen van een medewerker van ON!.

Volgens het Commissariaat heeft ON! de situaties onvoldoende herkend, dan wel onvoldoende maatregelen genomen om een (schijn van) belangenverstrengeling te voorkomen.

Niet naleving redactiestatuut

Op grond van de Mediawet dienen landelijke publieke omroepen te beschikken over een eigen redactiestatuut. Het Commissariaat houdt toezicht op de naleving van deze statuten.

Volgens het redactiestatuut van ON! mogen redactieleden geen binding hebben met politieke partijen.

De belangenverstrengeling in situatie 2 hierboven (vermenging redactioneel en privé politiek) ziet op een directe binding van een redactielid van ON! met een lokale politieke partij, die verder strekt dan een lidmaatschap. Het redactielid was naast zijn werkzaamheden bij ON! als presentator namelijk ook fractievoorzitter, partijvoorzitter en gemeenteraadslid voor de politieke partij in kwestie (nr. 79-82 besluit).

Volgens ON! kwalificeert de presentator niet als redactielid, waardoor er geen sprake zou zijn van strijdigheid met het redactiestatuut of de Mediawet (nr. 83-84 besluit). Het Commissariaat gaat hier niet in mee en stelt dat de werkzaamheden van de presentator meebrengen dat hij actief wordt betrokken in de voorbereiding van de uitzendingen die hij presenteert. Dit maakt hem onderdeel van de redactie.

Reactie ON! op boete

Nog voordat het sanctiebesluit was gepubliceerd sprak ON! al over de boete op X en Instagram. Op haar website vraagt ON! om financiële steun en laat zij weten dat het Commissariaat hen met deze boete “definitief de oorlog [heeft] verklaard”.

Het Commissariaat voelde zich genoodzaakt om naar aanleiding van deze uitingen te benadrukken dat haar sanctiebesluiten op zorgvuldige wijze tot stand komen en dat er geen sprake is van ‘strijd’ of ‘oorlog’ tegen ON! of haar presentatoren. Het Commissariaat geeft daarom op 22 september 2025 op haar website al een korte toelichting over de aan ON! opgelegde boete.

Het boetebesluit wordt enige tijd daarna, op 30 oktober 2025 op de website van het Commissariaat gepubliceerd. ON! heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit.

Niet de eerste boete voor ON!

De boete van het Commissariaat is niet de eerste boete voor ON!. In 2023 heeft De Raad van Bestuur van de NPO vanwege stelselmatige schending van de Journalistieke Code NPO (“Journalistieke Code”) drie keer een boete opgelegd aan ON!. Als gevolg hiervan bepleitte de NPO zelfs dat de vergunning van ON! als publieke omroep moest te worden ingetrokken. Dit verzoek werd door de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de “staatssecretaris”) afgewezen. In dit afwijzingsbesluit sprak de staatssecretaris ook het voornemen uit om de Journalistieke Code expliciet in de Mediawet op te nemen. Dit is tot op heden niet gebeurd.

In 2024 werden twee van de drie boetes voor ON! door de NPO weer ingetrokken, omdat de NPO aan ON! de ruimte wilde bieden om aan de eisen voor publieke omroepen te voldoen en hiermee tot een betere samenwerking met de NPO te komen. Een boete voor het stelselmatig schenden van de Journalistieke Code en het verspreiden van onjuiste informatie bleef staan, mede om zo de rechter de kans te geven om de NPO duidelijkheid te verschaffen over de reikwijdte van haar mandaat in gevallen waarin stelselmatig de Journalistieke Code wordt geschonden.

De hervorming van de publieke omroep

De aan ON! opgelegde boete is ook in het licht van de eerder aangekondigde hervorming van de publieke omroep interessant (zie ook onze eerdere blog over de hervormingsplannen). De nadruk van de hervorming ligt namelijk op governance, transparantie en verantwoording. In de probleemstelling, die door de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de “minister”) werd geformuleerd in zijn brief aan de Tweede Kamer van 4 april 2025 werden onder meer ‘betrouwbaarheid’ en ‘onafhankelijkheid’ genoemd als publieke waarden waar momenteel te weinig aandacht voor is. Een redactielid van een publieke omroep dat daarnaast een functie vervult bij een politieke partij staat op gespannen voet met deze waarden en de waakhondfunctie van de publieke omroep in het algemeen.

Als onderdeel van de aangekondigde hervorming zullen de bestaande omroepen ook moeten gaan clusteren in verschillende omroephuizen. ON! is op dit moment nog aspirant-omroep en daarom niet opgenomen in het voorstel voor mogelijke omroephuizen. In het voorjaar van 2026 zal een evaluatie plaatsvinden van ON!. Beoordeeld wordt of ON! voldoet aan de eisen die gelden voor een volwaardig lid van de publieke omroep. Als ON! officieel wordt toegelaten tot het bestel, zal zij opgaan in een van de omroephuizen.

Kortom, genoeg interessante ontwikkelingen in het vooruitzicht. We houden jullie op de hoogte van het vervolg!

Met dank aan Lisa Overbosch

Visie

Bestuurders en de Cyberbeveiligingswet

In het tweede kwartaal van 2026 treedt naar verwachting de Cyberbeveiligingswet (“Cbw”) in werking. De Cbw heeft tot doel de cyberverplichtingen voor entiteiten in sectoren met maatschappelijk of economisch gewicht te versterken. Ook bevat de Cbw bepalingen over het toezicht, de handhaving en aanvullende verantwoordelijkheden voor bestuurders van zogeheten essentiële of belangrijke entiteiten.

In dit blog bespreken we de verantwoordelijkheid van bestuurders van de zogenoemde essentiële en belangrijke entiteiten. We gaan in op wat de Cbw van bestuurders verlangt, welke kennis en vaardigheden zij moeten bezitten, en hoe zij hun taken kunnen verdelen met bijvoorbeeld de Chief Information Security Officer (“CISO”).

De rol en verplichtingen van bestuurders

De Cbw maakt bestuurders eindverantwoordelijk voor de naleving van alle Cbw verplichtingen. Bestuurders moeten onder meer zorg dragen voor de registratie van de organisatie bij het digitale loket van het Nationaal Cyber Security Centrum. Daarnaast onderhouden bestuurders het contact met toezichthoudende instanties en Computer Security Incident Response Teams (“CSIRTs”) wanneer zich significante incidenten voordoen. De bestuurders brengen de relevante cyberrisico’s in kaart, stellen passende beheersmaatregelen vast, keuren deze goed en houden actief toezicht op de uitvoering

De verantwoordelijkheid ligt bij het formele bestuur of, in geval van een one-tier board, bij de uitvoerende bestuurders. Bij andere rechtsvormen rust de verantwoordelijkheid op de feitelijke bestuurders. Voor overheidsinstanties zijn de minister, het college van burgemeester en wethouders of het dagelijks bestuur verantwoordelijk.

Vereiste kennis en vaardigheden

Bestuurders kunnen alleen beslissingen nemen als zij voldoende kennis hebben over cyberbeveiliging. Daarom zijn zij verplicht om regelmatig trainingen te volgen op het gebied van cyberbeveiliging Deze scholingsplicht stelt hen in staat risico’s te begrijpen, maatregelen en de impact daarvan te beoordelen en weloverwogen besluiten te nemen. Vanaf de inwerkingtreding van de Cbw geldt een overgangstermijn van twee jaar (of, bij nieuwe benoemingen, twee jaar na aantreden). Daarna moeten bestuurders hun kennis aantoonbaar actueel houden, onder meer via trainingen met certificering.

Iedere bestuurder moet in ieder beschikken over kennis en vaardigheden om:

  • Risico’s voor de beveiliging van netwerk- en informatiesystemen te kunnen identificeren;
  • Risicobeheersmaatregelen te kunnen beoordelen; en
  • De gevolgen van de risico’s en risicobeheersmaatregelen voor de dienstverlening te kunnen beoordelen.

In de praktijk betekent dit dat bestuurders:

  • Typische dreigingen en kwetsbaarheden kunnen herkennen en duiden. Het gaat bijvoorbeeld om malware/ransomware, phishing, insider threats, supply-chain-risico’s, Distributed Denial of Service aanvallen, misconfiguraties en afhankelijkheden van derden;
  • Inzicht hebben in het risicomanagementproces: hoe risico’s worden geïdentificeerd, geanalyseerd, geprioriteerd en behandeld, hoe het risicoregister en de rapportagelijnen functioneren, en welke risicobereidheid en drempelwaarden de organisatie hanteert; en
  • Risicobeheersmaatregelen kunnen beoordelen, prioriteren en hun impact kunnen afwegen tegen effectiviteit, proportionaliteit en kosten.

De precieze kennisvereisten kunnen bij algemene maatregel van bestuur nader worden uitgewerkt.

Concrete bestuurlijke taken

Naast de vereisten rond kennis en scholing schrijft de Cbw ook voor wat bestuurders in de praktijk moeten doen. De belangrijkste bestuurlijke taken zijn:

1. Cyberrisicomanagement integreren

  • Cyberbeveiliging is een kernonderdeel van de risicostrategie.
  • Het bestuur is eindverantwoordelijk voor een effectief risicomanagementproces dat continu wordt gemonitord en verbeterd.

2. Vaststellen en goedkeuren van beleid

  • Het bestuur stelt het informatiebeveiligingsbeleid vast en keurt dit goed.
  • Het beleid omvat preventieve maatregelen, incidentrespons, opleidingen en supply-chain-beveiliging.

3. Incidentmanagement en meldplicht

  • Het bestuur zorgt voor een goed ingerichte incidentresponsprocedure, inclusief Operatioonal Technology (“OT”)-systemen. Een kwetsbaarheid in IT kan directe gevolgen hebben voor fysieke processen in OT. Bestuurders moeten daarom toezien op een geïntegreerde aanpak, waarin incidentrespons ook OT-scenario’s omvat en risico’s uit beide domeinen in samenhang worden beheerd.
  • Significante incidenten worden tijdig gemeld aan toezichthouders en CSIRTs.

De rol van de CISO

Voor de uitvoering en invulling van het cyberbeveiligingsbeleid stellen veel organisaties een CISO aan. Het aanstellen van een CISO is niet verplicht, maar voor grote organisaties wel aan te raden.

Het bestuur blijft eindverantwoordelijk voor de naleving van de Cbw, een CISO dient ter ondersteuning. Zo kan een CISO bijvoorbeeld:

  • Adviseren: technische risico’s vertalen naar strategische en operationele impact;
  • Coördineren: implementatie en voortgang van maatregelen bewaken; en
  • Controleren: naleving van beleid toetsen en periodiek rapporteren.

Aansprakelijkheid

Bestuurders die niet of onvoldoende verantwoordelijkheid nemen op het gebied van de naleving en invulling van de Cbw lopen het risico civielrechtelijk aansprakelijk te worden gesteld. Daarnaast kunnen toezichthouders handhavens optreden jegens hen.

Conclusie

De Cbw maakt cyberweerbaarheid een belangrijke prioriteit voor bestuurders. De nieuwe wet brengt veel nieuwe verplichtingen, verantwoordelijkheden en risico’s voor bestuurders van essentiële en belangrijke entiteiten mee. Voor bestuurders dus zaak om zich tijdig te informeren en voor te bereiden.

Wilt u weten welke verplichtingen voor u als bestuurder gelden en hoe u uw organisatie én uzelf juridisch kunt beschermen? Neem dan contact op met Bente van Kan, Machteld Robichon of Ole Oerlemans.

Meer weten over de Cbw? Lees onze andere blogs:

Visie

Hervorming van de publieke omroep en verkiezingen: partijkeuzes in beeld

In de Verenigde Staten leidde de beslissing van netwerk ABC om de talkshow van Jimmy Kimmel tijdelijk van de buis te halen tot opschudding. De Amerikaanse telecomwaakhond FCC dreigde na republikeinse druk maatregelen te nemen tegen het netwerk na opmerkingen van Kimmel over de moord op Charlie Kirk. Commentatoren spraken van een beangstigende en gevaarlijke ontwikkeling voor de onafhankelijkheid van media. Hetzelfde gevoel ontstond bij het recent aangekondigde nieuwe mediabeleid van Amerikaanse ministerie van Defensie waarbij publicatie van ongeautoriseerde informatie werd verboden. Dergelijke voorbeelden benadrukken de kwetsbaarheid van de pers en het belang dat de functie en onafhankelijkheid van de publieke omroep in Nederland zorgvuldig wordt gewaarborgd.

Eerder schreven wij over de plannen voor hervorming van de landelijke publieke omroep; plannen die volgens voormalig minister van Onderwijs en Cultuur Eppo Bruins gericht waren op het waarborgen van die onafhankelijkheid in de landelijke publieke omroep. Inmiddels zijn de contouren van die hervorming verder uitgewerkt.

Kaders voor omroephuizen en tijdschema’s

De concessie- en erkenningsperiode van de publieke omroep is met twee jaar verlengd, tot eind 2028. Daarmee ontstaat de ruimte om de hervorming daadwerkelijk per 1 januari 2029 door te voeren. Wordt dat tijdpad niet gehaald, dan kan pas in 2032 een nieuw bestel worden ingevoerd. Deze verlenging is inmiddels vastgelegd in wetgeving en door zowel de Tweede als Eerste Kamer aanvaard.

In het notaoverleg op 21 mei 2025 werd besproken hoe het nieuwe bestel juridisch en bestuurlijk ingericht kan worden: er bestaat breed draagvlak voor de vorming van omroephuizen, het sluiten van het bestel voor nieuwe organisaties, maar ook voor het behouden van ruimte voor nieuwe geluiden. Minister Bruins gaf aan hoe de taakverdeling tussen NPO en de omroephuizen vorm gaat krijgen, met meer vrijheid voor omroephuizen binnen vooraf afgesproken kaders, terwijl de NPO een coördinerende rol blijft vervullen. Er is nadruk op governance, transparantie en verantwoording: de omroephuizen moeten bestuurlijk robuust zijn en aan wettelijke kaders voldoen.

Er werden eerder aangenomen moties besproken en toezeggingen gedaan over de rol van de NTR, de rol van een procesregisseur die het clusteringproces gaat begeleiden, en over het tijdspad richting wetgeving. Ook werd besproken hoe externe pluriformiteit kan worden beschermd, welke waarborgen er komen voor kwaliteitsjournalistiek, en hoeveel ruimte er blijft voor regionale en lokale omroepen. Minister Bruins stelde dat hij begin 2026 met een wetsvoorstel in internetconsultatie wil komen, zodat de hervorming op 1 januari 2029 ingevoerd kan worden, mits alle stappen tijdig gezet zijn.

Politieke en maatschappelijke reacties

De Kamerbrief bevatte zoals eerder benoemd ook het voorstel om de NTR op te heffen, wat leidde tot massale maatschappelijke steunbetuigingen voor behoud. Een petitie voor behoud werd meer dan 60.000 keer ondertekend, waarna minister Bruins aangaf dat de NTR toch een plek in het mediabestel zal behouden, mogelijk in combinatie met de NOS.

Verdere reacties op de Kamerbrief waren vóór een hervorming van het stelsel, maar niet zonder kritiek. Het Commissariaat voor de Media onderschreef de richting, maar waarschuwde dat minder omroepen kan leiden tot minder pluriformiteit. De Raad voor Cultuur wees er eveneens op dat educatie en cultuur expliciet moeten worden geborgd. De NPO en het College van Omroepen benadrukten dat zij de hervorming steunen, maar wezen op de forse bezuiniging van €157 miljoen per jaar. Naar aanleiding van deze bezuiniging kondigde de NPO aan dat NPO 2 en NPO 3 gaan veranderen waardoor er minder programma’s nodig zijn om de zendtijd te vullen. Ook werd de minister gewezen op de risico’s van een mogelijke verruiming van de STER-reclame.

Advies over hervorming en clustering van 3Rivers

Eerder deze maand kwam het advies van de procesregisseur ‘3Rivers beschikbaar over hoe de huidige omroepen zich zouden kunnen clusteren tot omroephuizen. Daaruit blijkt evenwel dat het de omroepen nog niet is gelukt om gezamenlijk tot een breed gedragen clustering te komen. Er wordt namelijk verschillend gedacht over de invulling van de gestelde kaders en er blijken verschillen in belangen en voorkeuren te zijn.

Demissionair minister Gouke Moes (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) stelt in zijn Kamerbrief van 3 oktober 2025 dat het van wezenlijk belang is dat de politiek duidelijke kaders vaststelt en deze aanscherpt. Het doel is om de publieke omroep duurzaam, slagvaardig en bestuurbaar te organiseren, in overeenstemming met diens maatschappelijke opdracht. Onder die kaders valt onder meer vastlegging in de Mediawet 2008 van het aantal omroephuizen. Binnen de vastgestelde kaders is het vervolgens aan de omroepen om op gestructureerde wijze te clusteren in de voorgeschreven omroephuizen. De minister waarschuwt omroepen dat het onverstandig is om vooruitlopend op die wetgeving zelfstandig initiatieven voor clustering te nemen en kondigt aan hierover met hen in overleg te gaan.

Verkiezingsprogramma’s

Nu de kaders na de verkiezingen vorm zullen moeten gaan krijgen is van belang wat de verschillende partijen over de publieke omroep in hun verkiezingsprogramma’s hebben opgenomen:

  • PVV wil de publieke omroep afschaffen en het Mediapark herbestemmen tot woonwijk.
  • GroenLinks-PvdA pleit juist voor een sterke publieke omroep met vier omroephuizen en een taakomroephuis voor NOS en NTR, stabiele financiering en minder reclame. Ook is de partij voor het schrappen van het ledencriterium en onafhankelijke redacties.
  • CDA en VVD steunen hervorming, maar leggen de nadruk op kerntaken en versterking van lokale en regionale omroepen. De VVD wil tevens het ledencriterium afschaffen en meer toezicht door het Commissariaat voor de Media en de ACM.
  • D66 ziet de publieke omroep als instrument tegen desinformatie en wil meer middelen voor onderzoeksjournalistiek. Ook lokale en regionale journalistiek zijn volgens de D66 belangrijk.
  • SP en PvdD pleiten voor structurele steun en een reclame-arme publieke omroep. In plaats van bezuinigen op de publieke omroep zou er als het aan deze partijen ligt juist geïnvesteerd moeten worden in de NPO.
  • BBB benadrukt dat de stem van de regio moet doorklinken. De publieke omroep dient enkel als bron voor neutrale nieuwsvoorziening en educatie maar moet verder sober zijn.
  • JA21 wil de NPO fors afslanken tot twee zenders, uitsluitend gericht op bijvoorbeeld nieuws, sport, documentaire, geschiedenis, debat en duiding.
  • DENK legt nadruk op diversiteit en representatie in het media-aanbod, waarbij behoud van de NTR een grote rol speelt.

Deze uiteenlopende standpunten laten zien dat hervorming van de publieke omroep onderwerp is van een bredere ideologische strijd: gaat het primair om efficiëntie en kostenbeheersing, of om pluriformiteit, onafhankelijkheid en maatschappelijke representatie?

De bredere context

Het hervormingsdebat raakt aan bredere zorgen over de rol van media in de democratische rechtsstaat. Desinformatie en polarisatie hebben de potentie het publieke debat te ondermijnen. In een tijd waarin sociale media, algoritmes en buitenlandse platforms steeds dominanter worden, kan een sterke publieke omroep een anker van betrouwbaarheid en onafhankelijkheid zijn.

Minister Bruins formuleerde de kernwaarden van de hervorming als kwaliteit, verbinding, betrouwbaarheid, onafhankelijkheid en impact. De komende maanden zal moeten blijken of de hervormingsvoorstellen, met alle politieke spanningen en financiële beperkingen, deze waarden daadwerkelijk kunnen waarborgen.

De hervorming van de publieke omroep is juridisch complex en politiek beladen. Met de verlenging van de concessieperiode is de weg vrijgemaakt om het bestel in 2029 te vernieuwen. Of dit (tijdig) lukt zal mede afhangen van de verkiezingsuitslag en het te vormen kabinet plus de maatschappelijke bereidheid om te blijven investeren in een onafhankelijke en pluriforme publieke omroep.

We blijven de ontwikkelingen volgen! Heeft u intussen vragen over dit onderwerp, neem gerust contact op met Machteld Robichon, Ole Oerlemans of Bente van Kan.

Visie

Update recente uitspraken Reclame Code Commissie – oktober 2025

In deze blog praten we jullie bij over enkele interessante uitspraken van de Reclame Code Commissie (“RCC”) van de afgelopen maanden. De blog bevat uitspraken waarin de RCC zich uitspreekt over verschillende thema’s, van stereotypering en gendergelijkheid tot duurzaamheidclaims en misleidende productclaims.

Manonvriendelijk recyclen?

In een uitspraak van 18 september 2025 heeft de RCC zich gebogen over de vraag of een reclame van een drogist manonvriendelijk is. In de betreffende televisiecommercial komt een vrouw haar ex-partner tegen in de winkel. Hij zegt: “Ik zat te denken ik ben weer single jij kan niemand krijgen misschien is het goed dat we onze relatie recyclen?” Waarop de vrouw antwoordt: “Recyclen? Goed idee. Gooi jij even het oud papier weg als je toch gaat. Thanks.”

Klager acht de commercial manonvriendelijk. Klager meent dat mannen tegenwoordig “steeds vaker [worden] voorgesteld als niet erg slim of capabel”, hetgeen in het bijzonder zou gelden voor de “witte hetero man”.

De RCC stelt voorop dat bij de beoordeling of reclame ’nodeloos kwetsend’ is (zoals bedoeld in artikel 4 van de Nederlandse Reclame Code (“NRC”)) terughoudendheid past, gelet op het subjectieve karakter van dit criterium. In dit geval acht de RCC de commercial duidelijk herkenbaar als ludiek bedoeld. De man probeert de relatie weer nieuw leven in te blazen door te laten zien dat hij duurzaamheid belangrijk vindt, omdat de vrouw eerder heeft aangegeven dat belangrijk te vinden. Onderdeel van het ludieke karakter van de commercial is volgens de RCC dat de vrouw de man het huis uit stuurt onder het voorwendsel dat hij een stapel oud papier voor haar moet wegbrengen. Hierin ziet de RCC geen negatieve stereotypering van mannen terug die nodeloos kwetsend is in de zin van artikel 4 NRC. De klacht wordt afgewezen.

Vrouwonvriendelijke horrorcampagne?

In een uitspraak van 12 september 2025 heeft de RCC een klacht over een vrouwonvriendelijke reclame toegewezen. Een attractiepark promootte een Halloweenevenement via een video op Instagram met de tekst: “Eddie veilt slachtoffers aan de hoogste bieder. Eén knik van Eddie één slag en je ziel is verkocht!” In de video is een schaars geklede vrouw te zien die angstig opgesloten zit in een glazen kooi en uiteindelijk ”geveild” wordt aan het publiek. De video leidde tot een groot aantal klachten bij de RCC. Deze uitspraak betreft één van de geselecteerde representatieve klachten die de RCC in behandeling heeft genomen.

Volgens klager is het schadelijk om in een reclame-uiting op een stereotyperende wijze een bange vrouw neer te zetten en daarbij te lachen als ze wordt vermoord. Dit is volgens klager stereotyperend, vrouwonvriendelijk en bagatelliseert gender gerelateerd geweld en vrouwenhaat. Klager meent dat de uiting zodoende nodeloos kwetsend is en in strijd met de goede smaak en fatsoen.

De RCC erkent dat bij fictieve en horror-achtige reclame een ruime vrijheid van meningsuiting geldt, maar stelt dat die vrijheid niet onbeperkt is. Door de RCC moet worden getoetst of de uiting volgens de huidige algemene maatschappelijke opvattingen de grenzen van het toelaatbare te buiten gaat, mede gelet op de wijze waarop deze is gepubliceerd en het effect dat de uiting daardoor op het publiek heeft. De vrijheid van meningsuiting (zoals beschermd onder artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (“EVRM”)) beschermt niet alleen “neutrale” uitingen, maar ook uitingen die “offend, shock or disturb”. De RCC dient te beoordelen of de reclame-uiting naar de huidige maatschappelijke opvattingen de grenzen van het toelaatbare te buiten gaat en komt tot de conclusie dat dat het geval is.

Doordat de vrouw in deze video duidelijk als hulpeloos en verhandelbaar object wordt neergezet, raakt de reclame aan haar menselijke waardigheid, zo oordeelt de RCC. Hieraan doet niet af dat dit gebeurt in de setting van het horrorgenre. Aan de strijdigheid draagt volgens de RCC bij dat “sterk de nadruk wordt gelegd op de kwetsbaarheid en hulpeloosheid van de vrouw, namelijk door haar schaarse kleding in combinatie met haar angstige gedrag en blik”. Dit versterkt het beeld dat de vrouw een (veiling)object is, waarvan het lot – de dood – wordt bepaald door degene die haar opkoopt. Een dergelijke vergaande objectivering van een vrouw hoort niet thuis in reclame, ook los van actuele berichten over geweldsmisdrijven tegen vrouwen, aldus de RCC.

De RCC acht de uiting in strijd met ‘de goede smaak en het fatsoen’ in de zin van artikel 2 NRC en beveelt de adverteerder aan om niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken. De adverteerder gaf in diens verweer aan dat hij geschrokken is van de ophef die de video heeft veroorzaakt en naar aanleiding hiervan de video (tijdelijk) offline had gehaald. Op een later moment, voordat de uitspraak werd gewezen, werd door de adverteerder besloten de video definitief offline te halen.

Gas geven op de Zwarte Cross

In een uitspraak van 25 augustus 2025 heeft de RCC een klacht over een advertentie voor een alcoholhoudende drank afgewezen. De advertentie betreft buitenposters langs autowegen waarin deze drank als colamixer geadverteerd wordt met de woorden: “Gas geven met [naam adverteerder] & cola op de Zwarte Cross”.

De koptekst van de poster, “gas geven”, zou aanzetten tot overmatig alcoholgebruik of onverantwoord gedrag zoals rijden onder invloed, aldus klager.

De RCC volgt die redenering niet. De RCC volgt het verweer van de adverteerder dat de slogan in de context van het festival duidelijk bedoeld is als metafoor voor “feestvieren”. Deze interpretatie wordt volgens de RCC ondersteund door het feit dat de tekst direct is gekoppeld aan het festival en door de visuele vormgeving, waarin geen sprake is van nadruk op meerdere consumpties maar slechts één glas wordt getoond. Er wordt verder in de advertentie geen verband gelegd tussen drinken en deelname aan het verkeer. De gemiddelde consument zal de uitdrukking in de bovengenoemde context niet opvatten als een aanmoediging om onder invloed te rijden, aldus de RCC. De klacht wordt afgewezen.

Nauwelijks” bescherming tegen de zon?

In een uitspraak van 12 maart 2025 oordeelt de RCC dat een tijdschriftadvertentie voor UV-werende kleding misleidend is. In de advertentie wordt gesteld dat “gewone kleding nauwelijks tegen de zon beschermt”.

Volgens klager is dat onzin, omdat gewone kleding wel degelijk bescherming biedt tegen UV-straling. De term ‘nauwelijks’ is volgens klager niet terecht “je blijft namelijk wel degelijk wit waar je zwempak of T-shirt heeft gezeten”.

De adverteerders (de kledingproducent en de zorgverzekeraar die de tijdschriften produceert) voeren aan dat UV-werende kleding aantoonbaar beter beschermt. Door middel van een link verwijzen adverteerders naar het advies van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (“RIVM”) over UV-werende kleding. Het RIVM stelt UV-straling werende kleding boven insmeren als maatregel om je te beschermen tegen zonnebrand.

De RCC volgt dit verweer niet. Dat UV-werende kleding beter beschermt tegen de zon dan gewone kleding (zoals klager heeft erkend), betekent niet dat gewone kleding “bijna niet” of “nauwelijks” beschermt. De RCC oordeelt dat de mededeling gepaard gaat met onjuiste informatie zoals bedoeld in artikel 8.2 aanhef NRC en bovendien onterecht inspeelt op angstgevoelens rond huidbeschadiging. De uiting wordt daarom misleidend en oneerlijk geacht in strijd met de artikelen 6 en 7 NRC. De RCC beveelt adverteerders aan om niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken.

Bewuster reizen

In een uitspraak van 10 maart 2025 oordeelt de RCC dat een paginagrote online krantadvertentie van een reisorganisatie misleidend is. De advertentie bevatte teksten als “De meerwaarde van bewuster reizen” en “Natuurbehoud is een van de pijlers van de impact van reizen”, aangevuld met foto’s van een Thais resort, een anemoonvis in een koraalrif en een baai en met verwijzingen naar donaties aan natuurbeschermingsprojecten en “vliegen op groene waterstof”.

Volgens klager wordt in de advertentie, door het gebruik van algemene en onbewezen claims, alsmede door het gebrek aan inhoudelijke toelichting en concrete onderbouwing van “bewuster reizen”, ten onrechte een té positief beeld geschetst over de milieu-impact van dergelijke verre (vlieg)reizen naar Thailand.

De RCC oordeelt dat de combinatie van teksten, beelden en duurzaamheidsaanduidingen de indruk wekt dat reizen met adverteerder leidt tot concrete klimaatvoordelen ten opzichte van andere (vlieg)reizen naar Thailand. Voorts wordt niet toegelicht welke resultaten met de genoemde maatregelen worden behaald en hoe die bijdragen aan het verminderen van de klimaatimpact. Volgens de RCC ontbreekt voldoende onderbouwing.

Zo blijkt uit zowel de bestreden uiting als uit de webpagina waarnaar wordt verwezen niet welke resultaten daadwerkelijk met het investeren van (een deel van) 1% van de reissom worden behaald. “Zodoende is onduidelijk in hoeverre deze maatregel daadwerkelijk bijdraagt aan het behoud van lokale natuur en hoe hiermee de klimaatimpact van een (vlieg)reis naar Thailand daadwerkelijk geminimaliseerd wordt”. Een bijdrage aan lokaal natuurbehoud is niet zonder meer een maatregel die bijdraagt aan het klimaat als geheel, aldus de RCC. De RCC meent dat aangenomen kan worden dat het effect van een financiële bijdrage aan het beschermen of in stand houden van lokale ecosystemen “zich beperkt tot het betreffende ecosysteem of natuurgebied en dat dit de negatieve impact van een – in dit geval verre – vliegreis op het klimaat als geheel niet of slechts in zeer beperkte mate minimaliseert”.

De reclame kan de gemiddelde consument ertoe brengen een besluit over een reis te nemen dat hij anders niet had genomen. De RCC acht de uiting daarom misleidend en oneerlijk, in de zin van artikel 3.1 van de Code voor Duurzaamheidsreclame (“CDR”). De RCC beveelt de adverteerder aan om niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken.

Hoogst beoordeelde” en 100% natuurlijke producten

In een uitspraak van 10 maart 2025 oordeelt de RCC dat een Google-advertentie en een Instagram-bericht van een sportvoeding producent misleidend zijn.

De klacht richt zich tot een Google-advertentie waarin staat vermeld “100% natuurlijke producten”, terwijl de producten van adverteerder ‘sucralose’ en ‘xanthaangom’ bevatten. Daarnaast wordt op Instagram gesteld dat het eiwitpoeder het “hoogst beoordeelde proteïne poeder in NL” is, zonder bronvermelding. Volgens klager wekt dit ten onrechte de indruk dat het product beter scoort dan andere merken.

Adverteerder stelt dat de advertentie afkomstig is van een Google-campagne, waarbij Google in sommige gevallen zelfstandig koppen aanpast op basis van gebruikersinteresse en klikgedrag. In dit geval zou de zin “100% natuurlijk” afgeleid zijn van specifieke producten van adverteerder waarvoor deze claim wel geldt. De verwijzing naar het “hoogst beoordeelde proteïne poeder” is gebaseerd op klantbeoordelingen op het eigen platform, maar adverteerder erkent dat dit niet duidelijk wordt vermeld en zal dit aanpassen.

De RCC oordeelt dat “100% natuurlijk” een absolute claim is die door de aanwezigheid van kunstmatige toevoegingen in het product feitelijk onjuist is. De term wekt de indruk dat geen enkel synthetisch ingrediënt wordt gebruikt. De advertentie bevat zodoende onjuiste voedselinformatie als bedoeld in artikel 7 lid 1 aanhef en onder a van Verordening (EU) nr. 1169/2011 betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten. Daarom is de uiting in strijd met de wet als bedoeld in artikel 2 NRC.

Ook de claim “hoogst beoordeelde proteïne poeder” is niet onderbouwd; de toelichting of bronvermelding ontbreekt. Dat de claim voortkomt uit beoordelingen op het platform van adverteerder betreft volgens de RCC essentiële informatie die de gemiddelde consument nodig heeft om een geïnformeerd besluit te kunnen nemen. De uiting is daardoor misleidend als bedoeld in artikel 8.3 aanhef en onder c NRC en om die reden oneerlijk in de zin van artikel 7 NRC.

Omdat de adverteerder heeft aangegeven voortaan explicieter de context en de bron van haar claims te vermelden in communicatie, en maatregelen heeft genomen om herhaling te voorkomen, laat de RCC een aanbeveling achterwege.

Vragen over deze onderwerpen? Neem graag contact op met Bente van Kan of Machteld Robichon.

Met dank aan Jean Mattijsen en Kiki Beckers

Visie

Het toepassingsgebied van de Cyberbeveiligingswet

Het toepassingsgebied van de Cyberbeveiligingswet

Na de hack op het Openbaar Ministerie heeft er in de zomer van 2025 nog een grote hack plaatsgevonden, ditmaal op medisch laboratorium Clinical Diagnostics. Bij de hack zijn de medische gegevens van bijna een half miljoen vrouwen gestolen. Dergelijke organisaties in de gezondheidssector vallen mogelijk onder het toepassingsbereik van de aankomende Cyberbeveiligingswet (“Cbw”).

In deze blog zoomen we daarom in op dit toepassingsbereik en bespreken we welke entiteiten straks moeten voldoen aan de Cbw.

Stap 1: vaststellen essentiële en belangrijke entiteiten

De Cbw vormt een implementatie van de NIS2-Richtlijn. De verplichtingen in de NIS2-richtlijn gelden voor essentiële en belangrijke entiteiten. Dit zijn entiteiten die actief zijn in sectoren met een bijzonder hoog maatschappelijk of economisch belang, zoals bijvoorbeeld energiebedrijven, datacenters en ziekenhuizen. Entiteiten die in ieder geval als essentieel of belangrijk worden beschouwd zijn opgenomen in Bijlage I en II bij de NIS2-Richtlijn.

De verschillende sectoren die onder het toepassingsbereik van de Cbw vallen zijn in bijlage 1 en 2 van de Cbw opgenomen. De bijlagen komen grotendeels overeen met de bijlagen uit de NIS2-richtlijn:

  • Entiteiten in de volgende sectoren kunnen kwalificeren als essentiële entiteiten (bijlage 1 Cbw):
  • Energie (elektriciteit, gas, olie);
  • Drinkwatervoorziening;
  • Vervoer (luchtvaart, spoor, scheepvaart, wegvervoer);
  • Gezondheidszorg (ziekenhuizen, laboratoria, klinieken);
  • Digitale infrastructuur (cloud, datacenters, internetknooppunten);
  • Overheidsorganisaties en publieke administratie; en
  • Financiële sector (banken, marktinfrastructuren, verzekeringen).
  • Entiteiten in de volgende sectoren kunnen kwalificeren als belangrijke entiteiten (bijlage 2 Cbw):
  • Post- en koeriersdiensten;
  • Voedselproductie, verwerking en distributie;
  • Chemische industrie;
  • Afval- en afvalwaterbeheer; en
  • Digitale platforms en marktplaatsen.

Stap 2: vaststellen omvang van de organisatie

Of een entiteit onder de Cbw valt, hangt niet alleen af van de sector, maar ook van de omvang van de organisatie. De Cbw maakt een onderscheid tussen micro- en kleine, middelgrote en grote organisaties:

Categorie Criteria Toepassing Cbw
Micro- en kleine organisaties Minder dan 50 medewerkers én Jaaromzet of balanstotaal ≤ €10 miljoen In beginsel buiten de reikwijdte, tenzij:• Cruciale rol in een vitale sector (bijv. enige aanbieder)• Door een ministerie aangewezen
Middelgrote organisaties 50–249 medewerkers of• Jaaromzet of balanstotaal ≤ €50 miljoen Vallen altijd onder de Cbw
Grote organisaties  ≥250 medewerkers of• Jaaromzet > €50 miljoen of balanstotaal > €43 miljoen Vallen altijd onder de Cbw

Stap 3: is een uitzondering of bijzondere bepaling van toepassing?

Ongeacht het type sector of de omvang van de entiteit, bepaalt de Cbw voor sommige entiteiten dat zij alsnog onder het toepassingsbereik van de Cbw vallen of juist niet.

De volgende entiteiten kwalificeren altijd als essentiële entiteit:

  • Overheidsinstanties, zoals ministeries, provincies, gemeenten en waterschappen. Overheidsinstanties die hoofdzakelijk actief zijn op het gebied van nationale veiligheid, openbare veiligheid, defensie of rechtshandhaving vallen echter buiten het toepassingsbereik van de Cbw. Het gaat bijvoorbeeld om het ministerie van Defensie, de MIVD, de AIVD, de politie, het Openbaar Ministerie en de veiligheidsregio’s. Deze organisaties zijn uitgezonderd omdat hun digitale beveiliging al is geregeld via specifieke sectorale wetgeving, zoals de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, de Politiewet en de Wet veiligheidsregio’s.
  • Gekwalificeerde vertrouwensdienstverleners, zoals Qualified Trust Service Providers, digitale vertrouwensdiensten die bijvoorbeeld gekwalificeerde digitale certificaten uitgeven;
  • Aanbieders van registers voor topleveldomeinnamen;
  • DNS-dienstverleners;
  • Middelgrote en grote aanbieders van openbare elektronische communicatienetwerken of -diensten.

De volgende entiteiten kwalificeren altijd als belangrijke entiteit:

  • Micro- en kleine aanbieders van openbare elektronische communicatienetwerken of -diensten; en
  • Micro- en kleine telecomaanbieders. De minister kan deze entiteiten echter ook aanwijzen als essentiële entiteiten.

Ook voor hoger onderwijsinstellingen bestaat een bijzondere regeling: deze kunnen door de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap worden aangewezen als essentiële of belangrijke entiteit, ongeacht hun omvang.

Tot slot bevat de Cbw een koppeling met de met de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten (“Wwke”). De Wwke regelt de fysieke veiligheid en veerkracht van vitale organisaties, zoals energie- en drinkwaterbedrijven, tegen dreigingen zoals natuurrampen, sabotage of terroristische aanslagen. Organisaties die op grond van de Wwke als kritieke entiteit zijn aangewezen, kwalificeren automatisch als essentiële entiteit op grond van de Cbw. Aanwijzing gebeurt door de minister die voor de betreffende sector verantwoordelijk is.

Essentiële of belangrijke entiteit? Onderscheid in toezicht

Het is belangrijk om vast te stellen of een entiteit onder de Cbw valt en of een entitieit als essentieel of belangrijk kwalificeert. Dit bepaalt niet alleen of de Cbw van toepassing is, maar heeft ook directe gevolgen voor het toezichtregime.

Voor essentiële entiteiten geldt een strenger toezichtregime: toezichthouders zullen bij deze entiteiten structureel proactief controleren, bijvoorbeeld door audits uit te voeren. Voor belangrijke entiteiten is het toezicht lichter: hier handelt de toezichthouder met name reactief, wanneer er signalen of aanwijzingen zijn dat de regels worden overtreden.

Conclusie

De Cbw heeft een groot toepassingsbereik: van ziekenhuizen en laboratoria tot digitale dienstverleners en financiële instellingen. Voor organisaties is het van belang om tijdig vast te stellen of zij onder de reikwijdte van de Cbw komen te vallen en of zij kwalificeren als essentiële of belangrijke entiteit.

Vraagt u zich af of uw organisatie onder het toepassingsgebied van de Cbw valt? Neem dan gerust contact op met Bente van Kan, Machteld Robichon of Ole Oerlemans. Houd onze website in de gaten! Binnenkort komen we met een update over de meldplicht en de bestuurdersverantwoordelijkheid.

Meer weten over de Cbw? Lees onze andere blogs:

 

Visie

Update recente uitspraken Reclame Code Commissie – augustus 2025

In deze blog praten we jullie bij over enkele interessante uitspraken van de Reclame Code Commissie (“RCC”) van de afgelopen maanden. De uitspraken betreffen verschillende onderwerpen op het gebied van onder meer influencer marketing en duurzaamheid. Verder wordt in de uitspraken nadere uitleg gegeven aan de reikwijdte van de vrijheid van meningsuiting bij reclame die “confronterende” of “kwetsende” boodschappen bevat.

Daarnaast wijzen wij erop dat de Code Reclame via E-mail uit 2012 is gemoderniseerd. Zodoende is per 15 augustus 2025 de herziene ‘Code Reclame via E-mail’ opgenomen in de Nederlandse Reclame Code (“NRC”).

Code Reclame via E-mail

In de herziene Code Reclame via E-mail zijn de regels voor reclame via e-mail op diverse punten verduidelijkt. De herziening speelt onder meer in op technische ontwikkelingen in de e-mailsector en is meer in lijn gebracht met andere zelfregulering op het gebied van direct marketing, zoals de Code Telemarketing.

De RCC vat de belangrijkste wijzigingen als volgt samen:

  1. De code definieert het verschil tussen reclame en een servicebericht;
  2. De adverteerder moet de toestemming of klantrelatie kunnen aantonen;
  3. De vereisten aan hoe adverteerders e-mailadressen verkrijgt zijn duidelijker gemaakt; en
  4. De regels rondom het verwerken van afmeldingen zijn aangescherpt.

De volledige tekst van de herziene Code Reclame via E-mail is hier te vinden.

Melkwagen-metafoor binnen de grenzen van vrijheid van meningsuiting

In een uitspraak van 18 juli 2025 heeft de RCC een klacht over een tv-commercial van een dierenwelzijnsorganisatie afgewezen. In de reclame rijdt een melkwagen van een zuivelcoöperatie achter een koe aan, begeleid door de boodschap dat melkkoeien “tot het uiterste” worden gedreven en worden “gesloopt”.

Volgens de klager is de reclame onjuist omdat goed verzorgde koeien vanzelf meer melk geven en de zuivelcoöperatie boeren niet tot hogere productie dwingt. De koeien van klager zijn duurzaam, gezond en worden ontzettend oud, aldus verweerder. De reclame zou daarom niet op feiten, maar op gevoel zijn gebaseerd.

De RCC overweegt, in lijn met eerdere uitspraken (bijvoorbeeld 2023/00570), dat de dierenwelzijnsorganisatie in reclames haar mening mag uiten om bewustzijn te creëren over problemen in de melkveehouderij. Hierbij geldt een ruime vrijheid van meningsuiting, ook bij eenzijdige of confronterende boodschappen, zolang deze de grenzen daarvan niet overschrijden.

De dierenwelzijnsorganisatie stelt dat melkkoeien door het huidige fok- en prijsbeleid ziek en uitgeput raken en gebruikt de melkwagen van de zuivelcoöperatie als metafoor. Omdat dit verband door de organisatie voldoende is onderbouwd, kan volgens de RCC niet worden gesteld dat het gebruik van deze metafoor in de context van de uiting als geheel ontoelaatbaar is. Zodoende besluit de RCC tot afwijzing van de klacht.

Boost your Boomer’-campagne niet nodeloos kwetsend

In een uitspraak op 10 juli 2025 bevestigt het College van Beroep (“CvB”) een uitspraak van de RCC over de ‘Boost your Boomer’-campagne van een uitzendbureau. In deze uitspraak kwam de RCC tot afwijzing van de klacht dat de campagne leeftijdsdiscriminatie en kwetsende stereotypering van oudere werknemers zou bevatten.

De campagne, die bestaat uit een tv-commercial en een via sociale media verspreide video, toont hoe bij een vrouw ‘GenZ extract’ wordt afgetapt en in een blikje wordt verwerkt tot ‘Boomer energy drink’. Daarna volgen beelden van het effect van het drinken van de energyblikjes: te zien is hoe oudere werknemers na het drinken van een blikje enthousiast maar onhandig typen of hulp krijgen bij werken in Excel, gevolgd door een uitbundig personeelsfeest met de teksten “Boost your Boomer” en “Work needs young energy”.

Bij de RCC ging een beroep op discriminatie op grond van de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij arbeid (“WGBL”) niet op; de reclame is niet gericht op personeelswerving maar prijst in het algemeen de diensten van het uitzendbureau aan, aldus de RCC.

Het CvB stelt dat de term ‘boomer’ hier wel degelijk naar leeftijd verwijst, en niet naar slechts een mentaliteit, zoals is gesteld in het verweer en is aangenomen in het oordeel van de RCC. Volgens het CvB is echter geen sprake van (het aanzetten tot) ongelijke behandeling op basis van leeftijd; de uiting benadrukt juist het voordeel van een gevarieerd personeelsbestand, waarbij jongere werknemers oudere werknemers aanvullen in plaats van vervangen.

Hoewel de combinatie van het woord ‘boomer’ en de uitbeelding van de oudere werknemers als “bijzonder onhandig en afhankelijk van ‘GenZ energy’” als beledigend kan worden opgevat, is de stijl volgens het CvB duidelijk absurdistisch en humoristisch bedoeld. Het aftappen van ‘GenZ-extract’ is evident niet realistisch en moeten worden gezien als overdreven aanprijzing van de diensten van het uitzendbureau. De video bevat volgens het CvB “niet een algemene boodschap dat ouderen structureel ongeschikt zijn om te werken”. Voorts moet het uitzendbureau binnen de grenzen van de vrijheid van meningsuiting kunnen wijzen op “de vermeende voordelen van aanvulling van het personeelsbestand met jonge medewerkers”.

Gelet op voorgaande onderschrijft het CvB de conclusie van de RCC dat de uiting niet ‘nodeloos kwetsend’ is in de zin van artikel 4 NRC. De afwijzing van de klacht wordt daarom bevestigd door het CvB.

Lespakketten voor basisscholen zijn onvoldoende herkenbaar als reclame en schetsen te rooskleurig beeld van de zuivelsector

In een uitspraak van 13 juni 2025 oordeelt de RCC dat onderdelen uit drie lespakketten over zuivel voor basisschoolleerlingen in strijd zijn met de NRC en de Kinder- en Jeugdreclamecode (“KJC”).

De RCC kwalificeert de lespakketten als reclame in de zin van de NRC omdat deze niet alleen feitelijke informatie over zuivel bevatten, maar ook een aanprijzing als bedoeld in artikel 1 NRC, zowel van denkbeelden als van goederen. Omdat niet duidelijk is gemaakt dat het materiaal afkomstig is van partijen met commerciële belangen in de zuivelsector, zijn de pakketten in strijd met de herkenbaarheidseis van artikel 11 NRC en de KJC.

Daarnaast bevatten de lesmaterialen volgens de RCC meerdere misleidende elementen die maken dat sprake is van strijd met artikel 1 KJC:

  • De oorspronkelijke teksten en video’s wekten de indruk dat alle koeien ruime, halfopen stallen hebben, vaak zelf naar buiten kunnen en altijd een zachte ligplaats hebben. Dit schetst volgens de RCC een te rooskleurig beeld van de zuivelsector en maakt de uiting misleidend.
  • De video “Wat doet een koe op een dag” suggereert dat koeien na het melken direct naar buiten gaan en de hele dag door gras eten. Dit is onjuist, aangezien klager onweersproken heeft meegedeeld dat 25% van de koeien jaarrond op stal staan en weidekoeien in Nederland gemiddeld 85% van hun tijd binnen staan.
  • De video “Moderne snufjes in de stal” leidt niet tot een gegrond bezwaar over de suggestie dat alle koeien zachte stalmatrassen hebben. In de video wordt verteld dat sommige boeren hun koeien op een waterbed laten liggen. De RCC acht de illustratie van een waterbed voor mensen hierbij wél misleidend, omdat dit zonder toelichting werd gebruikt om een (hiervan afwijkend) waterbed voor koeien uit te beelden.
  • Het lespakket bevatte ook een uiting die suggereerde dat een stal altijd heel groot is. In combinatie met de absolute mededeling “Elke koe heeft in de stal een fijne zachte plek om te liggen” wordt dan ook een te rooskleurige voorstelling van zaken gegeven.
  • Een oorspronkelijke foto in het lespakket toonde groepshuisvesting van kalveren, terwijl deze in de praktijk vaak direct na geboorte individueel in een kalveriglo staan. Het lespakket bevatte daarbij een vraag over de reden van de scheiding van koe en kalf en benoemde alleen gezondheidsredenen, terwijl ook economische redenen een rol spelen. Ook dit acht de RCC misleidend.

Omdat het materiaal via leerkrachten wordt verspreid, oordeelde de RCC bovendien sprake is van het profiteren van het bijzondere vertrouwen dat kinderen in hen stellen. Daarmee zijn de bestreden uitingen eveneens in strijd met artikel 2 lid 1 sub c KJC. De RCC beveelt de verweerders (voor zover nog nodig) aan om niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken.

Sportinfluencer en adverteerders onvoldoende duidelijk over bestaan commerciële samenwerking

In een uitspraak van 10 juni 2025 oordeelt de RCC dat een TikTok-video van een influencer in strijd is met de Reclamecode Social Media & Influencer Marketing (“RSM”).

In de betreffende video laat de influencer zien welke sportkleding zij aantrekt en meeneemt naar een hardloopwedstrijd.  Terwijl zij deze kleding aanprijst, vertelt ze in de voice-over dat ze een aankooplink in de reacties plaatst. Ook toont ze sportgels van een sportvoeding merk, met in beeld een gepersonaliseerde kortingscode.

Onder de video staat in de beschrijving:

RACE OUTFIT & NUTRITION!

Dit is alles wat ik aan doe en meeneem naar mijn 1/2 marathon wedstrijd! Als je nog vragen hebt, mag je mij altijd een DM sturen op Instagram “(Influencer)!

Code “(naam influencer)” voor %%% op alle items van @adverteerder 1 en code “(naam influencer)” voor %%% op alle items van @adverteerder 2 + je support mij! <3

Volgens de klager ontbreekt in de video een vermelding dat de influencer samenwerkt met de twee merken. Hierdoor lijkt het alsof zij puur haar eigen mening geeft, terwijl sprake is van een commerciële samenwerking.

De RCC oordeelt dat sprake is van een ‘relevante relatie’ in de zin van artikel 2 onder d RSM. De influencer heeft immers een persoonlijke kortingscode van de merken ontvangen, waarmee zij een financiële vergoeding kan verdienen. Dit kan de geloofwaardigheid van de uiting beïnvloeden.  Bovendien heeft zij gratis producten ontvangen, wat materieel voordeel oplevert.

Het enkel vermelden van een gepersonaliseerde kortingscode gevolgd door “@[naam adverteerder]” beoordeelt de RCC als onvoldoende informatief. Weliswaar volgt hieruit dat er sprake is van enige samenwerking tussen de influencer en adverteerders, maar dit maakt onvoldoende duidelijk wat de inhoud van die relatie is, aldus de RCC. Ook met de toevoeging “+ je support mij! <3” kan van de gemiddelde consument niet worden verwacht dat hij/zij begrijpt dat er sprake is van een onderliggende commerciële relatie, waarbij de influencer een financieel en materieel voordeel ontvangt. Daarmee is de uiting in strijd met artikel 3 onder b RSM.

Op grond van artikel 6 lid 4 van de RSM zijn zowel de adverteerder als de verspreider (influencer) verantwoordelijk voor de naleving van artikel 3 RSM. Omdat de adverteerders niet hebben voldaan aan hun zorgplicht zoals in artikel 6 lid 1 RSM, hebben zij bovendien in strijd met dit artikel gehandeld. De RCC beveelt de influencer en adverteerders om niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken.

Uitstoot kachels vs. uitstoot auto’s geen toegestane vergelijking

In een uitspraak van 3 juni 2025 oordeelt de RCC deels in het voordeel van een klager over verschillende uitingen op de website van een houtkachelaanbieder. In de voorzittersbeslissing van 18 maart 2025 heeft de voorzitter de klacht op twee onderdelen afgewezen, hiertegen is de klager in bezwaar gekomen.

Het eerste klachtonderdeel betreft een overzicht met twee tabellen: één met de uitstoot van verschillende auto’s en één met de uitstoot van verschillende kachels. De klager stelt dat adverteerder hiermee ten onrechte suggereert dat een milieu voorlichtingsorganisatie – die wordt vermeld als bron bij de uitstoottabel van de auto’s – de aankoop van daargenoemde kachels goed acht voor mens, dier en milieu.

De RCC verklaart de klacht op dit punt alsnog gegrond; volgens artikel 7 van de Code voor Duurzaamheidsreclame (“CDR”) mogen producten alleen worden vergeleken als ze in dezelfde behoefte voorzien of voor hetzelfde doel zijn bestemd, en de vergelijking objectief mogelijk is. Een auto en een kachel voldoen daar niet aan, aldus de RCC. Daarmee is de vergelijking in strijd met artikel 7 CDR, en komt de RCC niet meer toe aan de vraag of de indruk wordt gewekt dat het overzicht afkomstig is van de milieu voorlichtingsorganisatie, dan wel of de in het overzicht weergegeven informatie kan worden onderbouwd met cijfers van de milieu voorlichtingsorganisatie. De RCC beveelt de adverteerder aan niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken.

Het tweede klachtonderdeel dat aanvankelijk door de voorzitter werd afgewezen betreft een artikel op de website waarin kritiek wordt geleverd op een onderzoek naar houtstook van de milieu voorlichtingsorganisatie (“Een rammelend onderzoek”). Het artikel zit volgens klager “vol feitelijke onjuistheden” en is daarmee misleidend. Naar oordeel van de RCC gaat het echter duidelijk om een subjectieve kwalificatie van de adverteerder. De titel en inhoud zijn herkenbaar als opinie, zodoende ziet de RCC, in lijn met de voorzittersbeslissing, onvoldoende aanleiding om de uiting in strijd met de NRC te achten.

Vragen over deze onderwerpen? Neem graag contact op met Bente van Kan of Machteld Robichon.

Met dank aan Anne Jorna

Visie

De Cyberbeveiligingswet: nieuw juridisch fundament voor digitale weerbaarheid

De hack op het Openbaar Ministerie, in juni 2025, toont opnieuw aan hoe kwetsbaar maatschappelijk belangrijke organisaties zijn voor cyberaanvallen. Een dergelijk incident benadrukt daarmee nogmaals de noodzaak voor deze organisaties om hun informatievoorziening goed te organiseren en te beveiligen.

Die noodzaak wordt beantwoord met de herziene Network and Information Security Directive (EU 2022/2555; “NIS2-richtlijn”). De NIS2-richtlijn verplicht lidstaten tot het vaststellen van nationale wetgeving die een hoog niveau van cyberbeveiliging waarborgt voor entiteiten in essentiële en belangrijke sectoren. In Nederland wordt de NIS2-richtlijn geïmplementeerd in de Cyberbeveiligingswet. Het voorstel voor deze nieuwe wet is op 2 juni 2025 ingediend bij de Tweede Kamer.

De Cyberbeveiligingswet heeft tot doel de verplichtingen voor entiteiten in sectoren met maatschappelijk of economisch gewicht te versterken. Daarnaast verankert de wet bestuurlijke verantwoordelijkheid en regelt het toezicht, handhaving en de samenwerking met zogeheten Computer Security Incident Response Teams (“CSIRT’s”). Dit zijn gespecialiseerde teams die verantwoordelijk zijn voor het detecteren, analyseren, beperken en oplossen van beveiligingsincidenten. De Cyberbeveiligingswet vervangt de huidige Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen.

De verwachting is dat de Cyberbeveiligingswet begin 2026 in werking treedt. De Rijksoverheid adviseert om niet af te wachten totdat de nieuwe wet in werking treedt. De risico’s die organisaties en systemen lopen, zijn er immers nu ook al. Alvast in actie komen en voorbereiden op de Cyberbeveiligingswet? We zetten de belangrijkste verplichtingen hieronder uiteen.

Reikwijdte Cyberbeveiligingswet

De Cyberbeveiligingswet is van toepassing op essentiële en belangrijke entiteiten. Dit zijn entiteiten die actief zijn in sectoren met een bijzonder hoog maatschappelijk of economisch belang. Essentiële en/of belangrijke entiteiten zijn bijvoorbeeld:

  • Energiebedrijven;
  • Ziekenhuizen en zorginstellingen;
  • Drinkwatervoorzieningen;
  • Cloud- en datacenterdiensten;
  • Digitale dienstverleners;
  • Financiële instellingen; en
  • Overheidsorganisaties.

Hoofdverplichtingen Cyberbeveiligingswet

De Cyberbeveiligingswet kent drie hoofdverplichtingen, die hun grondslag vinden in de NIS2-richtlijn:

  1. Zorgplicht (artikel 21 Cyberbeveiligingswet; artikel 21 NIS2-richtlijn)

Essentiële en/of belangrijke entiteiten moeten passende maatregelen treffen om cyberrisico’s te beperken. De Cyberbeveiligingswet somt minimale maatregelen op en biedt ruimte voor sectorspecifieke invulling via algemene maatregelen van bestuur of ministeriële regelingen (artikel 21 lid 1-5).

  1. Meldplicht (artikel 25 e.v. Cyberbeveiligingswet; artikel 23 NIS2-richtlijn)

Significante incidenten moeten worden gemeld bij een CSIRT en de bevoegde autoriteit (verschilt per sector en type entiteit). De melding vindt gefaseerd plaats: eerst wordt een waarschuwing ingediend, mogelijk volgt daarna een tussentijdse update, en uiteindelijk wordt een eindverslag gemaakt.

  1. Bestuurlijke verantwoordelijkheid (artikel 24 Cyberbeveiligingswet; artikel 20 NIS2-richtlijn)

Bestuurders van essentiële en/of belangrijke entiteiten krijgen expliciete taken: zij moeten cybersecuritybeleid vaststellen, de uitvoering daarvan controleren en zich laten bijscholen op het gebied van cyberbeveiliging en risicobeheer.

De eerste hoofdverplichting, de zorgplicht, omvat tien minimale maatregelen die organisaties moeten treffen om hun netwerk- en informatiesystemen te beschermen. De maatregelen vormen de kern van de zorgplicht en zijn essentieel om de digitale weerbaarheid van organisaties op een structurele manier te borgen. Kort samengevat moeten de entiteiten:

  1. Beleid voor de beheersing van digitale risico’s en de beveiliging van het informatiesysteem opstellen, onderhouden en periodiek evalueren.
  2. Beveiligingsaspecten implementeren voor personeel, toegangsbeleid en beheer van activa.
  3. Procedures opstellen voor bedrijfscontinuïteit, incidentenherstel, en crisismanagement.
  4. Beleid en procedures implementeren voor de detectie, melding en afhandeling van cyberincidenten.
  5. Basis cyberhygiëne en awareness-trainingen en opleidingen geven aan werknemers.
  6. Beveiliging bij verwerving, ontwikkeling en onderhoud van netwerk- en informatiesystemen.
  7. Maatregelen met betrekking tot beveiliging van de toeleveringsketen en leveranciersrelaties opstellen en implementeren.
  8. Beleid opstellen voor gebruik van cryptografie en encryptie (sleutelbeheer).
  9. Beleid opstellen voor toegangsbeheer en toegangscontrole waarbij toegang tot systemen en data tot bevoegde personen beperkt wordt, bijvoorbeeld door gebruik van multifactor-authenticatie.
  10. Beleid en procedures opstellen om de effectiviteit van de genomen maatregelen te beoordelen en regelmatig te toetsen.

Voorbereiden op de Cyberbeveiligingswet

Ter voorbereiding op de tien maatregelen is het voor organisaties raadzaam nu alvast:

  • Na te gaan of zij onder de definitie van een essentiële of belangrijke entiteit vallen, en daarmee binnen de reikwijdte van de Cyberbeveiligingswet;
  • Te beginnen met het opstellen of actualiseren van het cybersecuritybeleid;
  • Zich aan te sluiten bij een CSIRT; en
  • Intern voor te bereiden op meldprocedures en audits.

Hoewel de Cyberbeveiligingswet nog niet in werking is getreden, is het voor essentiële en belangrijke entiteiten wel al mogelijk zich te registreren bij een CSIRT. Voor digitale dienstverleners is er het CSIRT-DSP, voor zorginstellingen Z-CERT, en voor overige sectoren het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC).

Registratie bij een CSIRT biedt toegang tot:

  • Een incidentrespons waar wordt geholpen om de impact van een cyberincident te beperken, de oorzaak te analyseren, verdere schade te voorkomen en getroffen systemen te herstellen;
  • Vroegtijdige waarschuwingen over actuele dreigingsinformatie en cyberdreigingen, zoals nieuwe malwarevarianten, phishingcampagnes en kwetsbaarheden in software of systemen; en
  • Technische analyse en ondersteuning bij verdachte of schadelijke cyberincidenten.

De Cyberbeveiligingswet brengt de nodige nieuwe verplichtingen met zich mee. We zullen u via deze website op de hoogte houden over de ontwikkelingen.

Alvast vragen over de toepassing van het wetsvoorstel op uw organisatie of wilt u voorbereidingsmaatregelen treffen? Neem dan gerust contact op met Bente van Kan, Ole Oerlemans of Machteld Robichon.

 

Visie

Aanscherping aanwijzingsprocedure voor lokale publieke omroepen door invoering nieuwe stelsel en tussentijdse verlenging tot 1 januari 2028

Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap werkt aan een wijziging van de Mediawet 2008 met als doel de lokale omroep te versterken, mede door een nieuwe wijze van financiering en een aanscherping van de aanwijzingsprocedure.

Het betrokken wetsvoorstel ligt thans voor advies bij de Raad van State. De planning is om het wetsvoorstel al per 1 juli 2026 in werking te laten treden. Er zit dus enige tijdsdruk achter en de vraag is of de verkiezingen hier nog invloed op zullen hebben.

Dit zijn de belangrijkste wijzigingen uit het wetsvoorstel:

  • Financiering: De rijksoverheid gaat betalen voor de lokale publieke omroep. Nu zijn gemeenten daar nog verantwoordelijk voor. Daarnaast stelt de Rijksoverheid jaarlijks ongeveer € 18 miljoen extra beschikbaar.
  • Minder omroepen: Het aantal lokale omroepen wordt teruggebracht van 220 Nederlandse lokale publieke omroepen naar 80 lokale publieke omroepen, ‘streekomroepen’ genoemd.
  • Samenwerking: De stichting Nederlandse Lokale Publieke Omroepen (“NLPO”) wordt aangewezen als samenwerkings- en coördinatieorgaan voor de lokale publieke omroepen. Dit moet zorgen voor meer samenwerking en uniformiteit tussen lokale omroepen.
  • Aanwijzingsprocedure: De huidige procedure voor het aanwijzen van lokale omroepen wordt als genoemd aangescherpt, onder meer omdat er een beleidsplan moet worden overgelegd dat aan een aantal criteria moet voldoen. Voorts moet er een meerjarenbegroting worden overgelegd. Nieuw is dat de NLPO over de aanvraag een advies zal uitbrengen. Daarnaast wordt de adviesvraag aan de gemeenteraad specifieker geformuleerd.
  • Overgangsperiode: Alle aanwijzingen van lokale publieke omroepen die aflopen tussen 1 juli 2026 en 1 januari 2028 worden verlengd tot 1 januari 2028. Het Commissariaat voor de Media (“Commissariaat”) zal vanwege deze verlenging geen nieuwe aanwijzingsprocedures starten voor de verzorgingsgebieden waar de aanwijzing van de zittende lokale publieke omroep afloopt tussen 1 juli 2026 en 1 januari 2028. De nog lopende lokale aanwijzingsprocedures, die voor 1 juli 2026 aflopen, zullen echter worden afgerond.

Er staan dus de nodige veranderingen voor de boeg. Eind 2026 of begin 2027 zal het Commissariaat de aanwijzingsprocedures starten voor de nieuwe aanwijzing voor de periode vanaf 1 januari 2028-1 januari 2033. Hierover zal op een later moment meer informatie worden gepubliceerd. We zullen u via deze website op de hoogte houden over de ontwikkelingen.

Vragen over het wetsvoorstel of de nieuwe aanwijzingsprocedure? Neem dan gerust contact op met Machteld Robichon of Bente van Kan.

Visie

De komst van de European Media Freedom Act

De interesse, het gebruik en het vertrouwen in het nieuws nemen af in Nederland. Tegelijkertijd neemt de invloed van grote online platforms steeds meer toe en bepalen platforms in toenemende mate welke content zichtbaar is. Gepersonaliseerde aanbevelingen en AI zorgen ervoor dat gebruikers vooral zien wat bij hun voorkeuren past. Dit zet de pluriformiteit van het nieuwsaanbod (de verscheidenheid aan perspectieven, bronnen en meningen in de media) onder druk.

Als reactie op de toenemende invloed van Big Tech en de zorgen over afnemende persvrijheid in sommige Europese landen is de European Media Freedom Act (“EMFA”) op 7 mei 2024 in werking getreden. De EMFA heeft tot doel mediavrijheid, pluralisme en onafhankelijkheid van de media in de Europese Unie te waarborgen. De EMFA versterkt Europese samenwerking en richt zich op een eerlijk speelveld voor mediaorganisaties, met regels over transparantie, eigenaarschap en de omgang met journalistieke content op grote platforms (Very Large Online Platforms; “VLOPs”).

De EMFA sluit nauw aan bij de Digital Services Act (“DSA”) en vult deze aan, met extra waarborgen voor erkende aanbieders van mediadiensten, vanwege het publieke belang van onafhankelijke journalistiek. Zo mogen VLOPs mediacontent niet zonder meer verwijderen. Een uitgebreid stappenplan over de DSA is hier te vinden op onze website.

Binnenkort, op 8 augustus 2025, zijn de bepalingen uit de EMFA van toepassing. Hieronder bespreken we enkele relevante bepalingen.

Rechten en verplichtingen van aanbieders van mediadiensten

De EMFA bevat verschillende verplichtingen aan lidstaten om de feitelijke en redactionele vrijheid en onafhankelijkheid van aanbieders van mediadiensten te eerbiedigen en te waarborgen. Zo wordt lidstaten onder meer verboden maatregelen te nemen die ertoe strekken journalistieke bronnen bekend te maken. Daarnaast moeten lidstaten bijvoorbeeld waarborgen dat de financieringsprocedures voor aanbieders van mediadiensten met een publieke opdracht (in NL: de publieke omroep) gebaseerd zijn op vooraf opgestelde transparante en objectieve criteria.

Artikels 6 EMFA bevat daarnaast enkele verplichtingen voor de aanbieders van mediadiensten. Aanbieders moeten onder meer contactgegevens en actuele informatie over eigendomsstructuren en jaarlijkse inkomsten uit overheidsreclames beschikbaar maken voor het publiek. Voorts moeten aanbieders van mediadiensten maatregelen nemen die passend zijn om de onafhankelijkheid van redactionele beslissingen te waarborgen.

Europese samenwerking en toezicht binnen de EMFA

De EMFA bevat bepalingen om Europese samenwerking tussen toezichthouders te versterken. Hiertoe is een nieuw coördinerend toezichtsorgaan opgericht: de Europese Raad voor mediadiensten (de “Raad”), die bestaat uit vertegenwoordigers van nationale mediatoezichthouders.

Artikel 7 en 8 EMFA beschrijven de taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de Raad:

  • Het stimuleren van samenwerking tussen lidstaten en met de Europese Commissie;
  • Het monitoren van de toepassing van de EMFA in de lidstaten;
  • De coördinatie van grensoverschrijdende kwesties, zoals mediaconcentraties of verwijdering van content;
  • Het faciliteren van samenwerking bij handhaving; en
  • Het uitbrengen van adviezen aan nationale of Europese instanties.

Daarnaast verplicht artikel 9 EMFA tot actieve samenwerking en informatie-uitwisseling tussen nationale toezichthouders, met bijzondere aandacht voor afstemming bij grensoverschrijdende gevallen. Nationale wetgeving die de samenwerking belemmert is verboden. In Nederland is het Commissariaat voor de Media (het “Commissariaat”) de betrokken nationale toezichthouder.

Artikel 22 EMFA gaat over mediaconcentraties waarbij lidstaten worden verplicht om bij belangrijke overnames of fusies in de mediasector elkaar te raadplegen bij grensoverschrijdende gevolgen. Hier worden de Raad en de Europese Commissie bij betrokken. In de beoordeling wordt rekening gehouden met het behoud van redactionele onafhankelijkheid en pluralisme, ook in andere lidstaten. Artikel 23 EMFA versterkt deze verplichting door de Raad een adviesrol te geven in dergelijke fusie- en overnamegevallen. Bij de advisering over de overname van RTL Nederland door DPG heeft het Commissariaat artikel 22 al als uitgangspunt gebruikt voor de invulling van de pluriformiteitstoets.

Regels voor VLOPs

Een belangrijke bepaling in de EMFA  is artikel 18, dat is gericht op de regulering van VLOPs. Dit artikel verplicht grote platforms zoals TikTok, Meta en Google tot specifieke maatregelen ten aanzien van aanbieders van mediadiensten. In artikel 2 lid 2 van de EMFA wordt een aanbieder van mediadiensten gedefinieerd als “een natuurlijke of rechtspersoon die als beroepsactiviteit een mediadienst aanbiedt, die de redactionele verantwoordelijkheid draagt voor de keuze van de inhoud van de mediadienst en die bepaalt hoe deze wordt georganiseerd’’.

VLOPs moeten een functie aanbieden voor deze aanbieders om zich als zodanig te registreren, onder opgave van:

  • Een verklaring, waarin de aanbieder aangeeft dat zij:
    • Mediadiensten aanbiedt;
    • Voldoet aan de eerder genoemde transparantieverplichting van artikel 6 lid 1 EMFA;
    • Redactioneel onafhankelijk zijn van lidstaten, politieke partijen en derde landen;
    • Zijn onderworpen aan regelgeving voor de uitoefening van redactionele verantwoordelijkheid en aan het toezicht van een bevoegde toezichthouder, dan wel dat zij zich conformeren aan een zelfreguleringsmechanisme;
    • Geen inhoud verstrekken die is gegeneerd door AI, en, indien dat wel het geval is, deze eerst door een mens is getoetst of redactioneel is gecontroleerd.
  • Juridische naam en contactgegevens, waaronder een e-mailadres, zodat de VLOP snel contact kan opnemen; en
  • Contactgegevens van de bevoegde nationale toezichthouder of van het betrokken co‑/zelfreguleringsorgaan.

De VLOP moet deze gegevens, met uitzondering van contactinformatie, openbaar toegankelijk maken op het platform.

De content van een geregistreerde aanbieder van mediadiensten krijgt een andere behandeling dan reguliere content, gelet op de speciale positie die deze partijen innemen in de democratische informatievoorziening:

  • Wanneer content van een geregistreerde aanbieder van mediadiensten wordt beperkt of verwijderd door de VLOP, moet de VLOP eerst een verklaring van redenen geven. De aanbieder krijgt vervolgens 24 uur de tijd om te reageren. Pas na deze stappen mag de VLOP overgaan tot verwijdering of beperking van de content.

Dit is alleen anders als sprake is van een crisissituatie, bijvoorbeeld bij een acute dreiging voor de openbare veiligheid of volksgezondheid zoals ten tijde van een pandemie. Hierbij heeft de aanbieder van mediadiensten korter de tijd om te reageren. De verplichting voor de VLOP geldt daarnaast niet bij wettelijke verplichtingen om illegale content te verwijderen, zoals strafbare inhoud of maatregelen ter bescherming van minderjarigen (bijvoorbeeld terroristisch materiaal of kinderporno).

  • Klachten van aanbieders van mediadiensten moeten daarnaast met prioriteit en zonder onnodige vertraging worden behandeld. Zij mogen zich daarbij laten vertegenwoordigen door een beroepsorganisatie.
  • Indien een aanbieder van mediadiensten meent dat content herhaaldelijk ten onrechte wordt beperkt, is de VLOP verplicht in dialoog te treden. De aanbieder van mediadiensten kan van de uitkomst van een dialoog melding maken bij de Raad en de Europese Commissie waarna vervolgens een opinie of aanbeveling kan worden uitgebracht. Als de dialoog mislukt of de registratie wordt afgewezen, kunnen deze aanbieders een beroep doen op mediation onder de Platform-to-Business (P2B) Verordening of op buitengerechtelijke geschilbeslechting via de DSA.

Tot slot moet de VLOP’s jaarlijks rapporteren over:

  • Het aantal verwijderingen of beperkingen van content van geregistreerde aanbieders van mediadiensten, met opgaaf van de motieven en verwijzingen naar platformvoorwaarden;
  • Het aantal gevoerde dialogen met geregistreerde aanbieders van mediadiensten; en
  • Het aantal afgewezen of ongeldig verklaarde registraties.

Conclusie

De EMFA vormt een belangrijke stap in het versterken van persvrijheid, mediapluriformiteit en redactionele onafhankelijkheid. De EMFA legt gemeenschappelijke normen op die lidstaten, VLOPs en aanbieders van mediadiensten verplichten tot meer transparantie en bescherming van journalisten. Dat is belangrijk in een digitale omgeving waarin platforms steeds meer bepalen wat zichtbaar is, en AI-gegenereerde content zonder redactionele toetsing toeneemt.

Vragen over de EMFA, de verplichtingen voor u als VLOP of juist de mogelijkheden voor u als aanbieder van mediadiensten? Neem dan gerust contact op met Bente van Kan, Machteld Robichon of Christiaan Alberdingk Thijm.

 

 

Visie

Het demonstratierecht onder druk: een overzicht

Wie afgaat op de berichten uit Den Haag en de krantenkoppen, zou kunnen denken dat Nederlandse demonstraties zelden zonder problemen verlopen. Dit jaar nam de Tweede Kamer dan ook meerdere initiatieven om het demonstratierecht in te perken, onder andere via  een wetsvoorstel om gezichtsbedekkende kleding te verbieden en door het OM te verzoeken gearresteerde demonstranten vaker gaan te vervolgen. Recent onderzoek van Follow The Money laat echter een ander beeld zien: ondanks een verdrievoudiging van het aantal demonstraties in acht jaar tijd, gaat slechts 3% gepaard met incidenten. Festivals en voetbalwedstrijden blijken in de praktijk zelfs meer politie-inzet te vereisen.[1]

Het demonstratierecht wordt beschermd door artikel 10 en 11 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Deze artikelen waarborgen respectievelijk de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vergadering en vereniging. In Nederland zijn die rechten verankerd in artikel 9 van de Grondwet (Gw), waarin het recht van vergadering en betoging wordt erkend. Zowel artikel 10 en 11 EVRM als artikel 9 Gw voorzien echter in de mogelijkheid tot beperking van deze rechten, mits aan strikte voorwaarden is voldaan.

Op grond van de Wet openbare manifestaties (WOM) kan een burgemeester beperkingen of voorschriften opleggen aan de plaats van een demonstratie, uitsluitend ter bescherming van de openbare orde, verkeersveiligheid of volksgezondheid.[2] Volgens vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) omvat het recht op vergadering echter ook de keuze van tijd, plaats en wijze van betogen.[3] Een demonstratie moet in beginsel kunnen plaatsvinden binnen zicht en gehoor van het doelwit op een moment dat de boodschap het meeste effect sorteert (het zicht- en geluidscriterium).[4] Inhoudelijke bemoeienis van de burgemeester met de demonstratie is nooit toegestaan.[5]

Zowel rechtspraak als recente onderzoeken bevestigen wat de cijfers van Follow The Money suggereren. Ondanks politieke roepen om inperking blijkt het demonstratierecht juist onder toenemende druk te staan. Dit wordt zichtbaar in de rechtszalen, waar rechters regelmatig ingrijpen tegen onrechtmatige bestuurlijke beperkingen: vaak opgelegd nog voordat demonstranten überhaupt de straat op zijn gegaan.

Onderzoeken bevestigen: demonstratierecht onder druk

In een rapport van juli 2024 signaleert Amnesty International dat het wereldwijd steeds moeilijker wordt om vrij te demonstreren. Volgens Amnesty gebruiken de overheden – waaronder ook Nederland – verschillende middelen om demonstranten te onderdrukken. Onder andere door middel van een aanmeldplicht van demonstraties, het verhalen van faciliterende kosten (zoals inzet verkeersregelaars) op demonstranten, het gebruik van zogeheten less-lethal weapons op demonstranten en het nemen repressieve maatregelen en voorschriften.[6] Ook in 2022 concludeerde Amnesty  al dat het demonstratierecht in Nederland onder druk staat.[7]

In 2018 constateerde de Nationale ombudsman al tekortkomingen in de bescherming van het demonstratierecht in Nederland.[8] Deze kritiek blijkt zes jaar later nog steeds actueel. Uit het onderzoeksrapport volgt:

Overheden beschouwen het demonstratierecht in de praktijk niet zelden als onderdeel van een belangenafweging: het recht op demonstreren versus het belang van de openbare orde en veiligheid. De essentie van het grondrecht tot demonstreren moet voorop staan. Die essentie is dat de overheid zich tot het uiterste moet inspannen om demonstraties te faciliteren en te beschermen, zodat burgers in vrijheid hun mening – hoe impopulair ook – kunnen laten horen. Elke andere houding van de overheid doet afbreuk aan de kern van het demonstratierecht.

Naar aanleiding van de kritiek uit de Tweede Kamer, publiceerde het Wetenschappelijke Onderzoek- en Datacentrum (WODC) begin 2025 de opzet van een onderzoek naar het Nederlandse wettelijke kader rond het demonstratierecht en het handelingsperspectief van lokale gezaghebbers. Het WODC benadrukt dat het demonstratierecht alleen onder strikte voorwaarden mag worden ingeperkt. Het WODC vraagt zich af in hoeverre het huidig kader toereikend is voor het lokaal bevoegde gezag om de balans te vinden tussen de bescherming demonstratierecht en een eventuele begrenzing daarvan die een burgemeester nodig acht. De resultaten worden in augustus 2025 verwacht.[9]

Het College voor de Rechten van de Mens doet dit jaar ook onderzoek naar belang van het maatschappelijk middenveld voor de bescherming van mensenrechten en de rechtsstaat. Maatschappelijke organisaties signaleren stigmatiserende uitlatingen van politici en voorstellen tot beperking van het demonstratierecht en publiek belang-procedures.. Het rapport verschijnt in september 2025.[10]

Rechtspraak: grenzen aan bestuurlijke beperkingen

Uit de persagenda van de Raad van State blijkt dat er bijna wekelijks rechtszaken met betrekking tot het demonstratierecht door de Afdeling bestuursrechtspraak worden behandeld. Op 10 juni stonden zelfs vier demonstratierechtszaken op één dag gepland, allemaal over locatiebeperkingen bij demonstraties rondom abortusklinieken, meestal opgelegd door de burgemeester op basis van de WOM. De uitspraken worden nog verwacht.

Dat het demonstratierecht onder druk staat, wordt bevestigd door een uitspraak van de Rechtbank Den Haag op 22 april van dit jaar. In deze uitspraak oordeelt de rechtbank over het besluit van de burgemeester van Westland om voorafgaand aan een demonstratie van Stichting Nederland Wordt Beter (NLWB) en Kick Out Zwarte Piet (KOZP) meerdere voorschriften en beperkingen op te leggen. De vreedzame demonstratie vond plaats tijdens de Sinterklaasintocht in De Lier in november 2023.

De burgemeester stelde onder meer verplicht dat spandoekteksten in het Nederlands moesten zijn, dat gezichtsbedekkende kleding verboden was en dat de demonstratie direct beëindigd moest worden bij dreiging van wanordelijkheden. Ook werden negen situaties opgenomen waarin de politie zou optreden, zoals “Het gooien van brandbommen, stenen, hout, verf etc;” en “Het plegen van strafbare feiten waarop voorlopige hechtenis is toegelaten;”.[12] Deze uitgebreide lijst aan voorschriften was ingegeven door signalen die de burgemeester had ontvangen over groepjes die zich zouden organiseren om zich tegen de demonstranten te richten. NLWB en KOZP zijn tegen deze voorschriften in beroep gegaan. De rechtbank acht meerdere van deze voorschriften in strijd met artikel 5 WOM. De uitspraak van de rechtbank bevestigt verschillende cruciale principes van het demonstratierecht:

  • Geen bemoeienis met de inhoud van de demonstratie

De burgemeester had geëist dat spandoekteksten in het Nederlands moesten zijn. De rechtbank oordeelde dat dit in strijd was met de WOM. Overheden mogen zich niet bemoeien met de vorm of inhoud van een demonstratie, inclusief de taal waarin demonstranten zich uitdrukken.

  • Voorschriften moeten noodzakelijk en proportioneel zijn

De rechter oordeelde dat diverse voorschriften niet noodzakelijk of proportioneel waren. Er was bijvoorbeeld geen reden om aan te nemen dat KOZP-demonstranten omstanders zouden intimideren, waardoor een voorschrift hierover onnodig was.

  • Positieve verplichting om demonstraties te faciliteren

De rechtbank benadrukte dat de overheid niet alleen demonstraties moet toestaan, maar ook een positieve verplichting heeft om deze te faciliteren en te beschermen. De overheid moet preventieve en geschikte maatregelen nemen om het vreedzame verloop van een demonstratie en de veiligheid van burgers te waarborgen.

  • Wanordelijkheden door tegendemonstranten zijn geen reden voor verbod

Belangrijk is dat de rechtbank bevestigde dat de mogelijke dreiging van wanordelijkheden door anderen dan de demonstranten zelf niet voldoende reden is om een demonstratie te beperken of te verbieden. Dit kan alleen in uitzonderlijke situaties van “bestuurlijke overmacht”. De burgemeester had geen concrete aanwijzingen dat KOZP-demonstranten omstanders zouden intimideren.

  • Vermijd een “chilling effect”

De rechtbank waarschuwde voor het “chilling effect” (zie mijn eerdere blog daarover) dat bepaalde voorschriften kunnen hebben op mensen die willen demonstreren. Dit effect kan de uitoefening van het demonstratierecht indirect beperken.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van de burgemeester.[13] De burgemeester had onvoldoende duidelijk gemaakt wat de juridische grondslag van de vorderingen was.[14]Daarbij benadrukt de rechtbank dat het recht op demonstratie een fundamenteel grondrecht is en dat de overheid slechts in uitzonderlijke situaties voorafgaand beperkingen mag opleggen. Dat de burgemeester moeite heeft gedaan om de demonstratie toch mogelijk te maken, verandert niets aan het feit dat de opgelegde voorschriften juridisch onhoudbaar waren. Wél benadrukt de rechter de positieve verplichting die op overheden rust om demonstraties te faciliteren en te beschermen. Dat betekent meer dan het slechts toestaan van demonstraties. De overheid moet preventieve en geschikte maatregelen nemen om een vreedzaam verloop en veiligheid te waarborgen.[15]

Politieke paradox: strengere regels ondanks lage incidentcijfers

Ondanks deze uitspraak werkte het kabinet dus onder andere aan een verbod voor gezichtsbedekkende kleding bij demonstraties. GroenLinks-PvdA kamerlid Esmah Lahlah stelde Kamervragen over hoe dat verbod zich verhoudt tot bovenstaande uitspraak en betwistte de juridische houdbaarheid van het verbod, met name in verhouding tot het EVRM. Ze vroeg zich ook af waarom het verbod niet kon wachten tot de uitslag van het WODC-onderzoek. Daarnaast wees ze terecht op het mogelijke “chilling effect” dat zo een verbod teweeg kan brengen.[16]

Het demonstratierecht kent uiteraard ook grenzen, zoals recent geconcludeerd door AG Paridaens in zijn conclusies van 13 mei in acht zaken tegen demonstranten die werden vervolgd voor lokaalvredebreuk.[17] Deze vervolgingen betroffen deelnemers aan acties die weigerden overheidsgebouwen te verlaten na sommaties daartoe.

In alle gevallen voerde de verdediging aan dat strafrechtelijke vervolging in strijd was met het demonstratierecht. De AG concludeert echter dat zowel de strafrechtelijke vervolging als het overheidsoptreden proportioneel waren en gerechtvaardigd in een democratische samenleving. Cruciaal in deze beoordeling was de proportionaliteitstoets, die de AG in lijn met de EHRM-jurisprudentie als maatstaf hanteerde voor de toelaatbaarheid van beperkingen op het demonstratierecht. De uitspraak van de Hoge Raad wordt nog verwacht.

De uitspraak van de rechtbank Den Haag biedt bestuurders een helder kompas: preventieve beperkingen zijn de uitzondering, niet de regel. Het WODC-onderzoek (augustus 2025) en het onderzoek van het College voor de Rechten van de Mens (september 2025) zullen moeten uitwijzen of het huidige wettelijke kader voldoende waarborgen biedt. Tot die tijd geldt: wie het demonstratierecht wil beperken, draagt de bewijslast voor de noodzaak daarvan.

[1] B. de Koning, Worden demonstraties geweldadiger? Een blik op de cijfers leert van niet. Integendeel, 5 juli 2025.

[2] Wet openbare manifestaties, artikel 2 en 5.

[3] O.a. in EHRM 7 februari 2017, ECLI:CE:ECHR:2017:0207JUD005781809 (Lashmankin e.a. t. Rusland), § 405.

[4] O.a. in EHRM 7 februari 2017, ECLI:CE:ECHR:2017:0207JUD005781809 (Lashmankin e.a. t. Rusland), § 405.

[5] Wet openbare manifestaties, artikel 5 lid 3.

[6] Rapport van Amnesty International, ‘Introduction’ in: Under protected and over restricted; the state of the right to protest in 21 European Countries, Londen: 2024, p. 12 – 35.

[7] https://www.amnesty.nl/content/uploads/2022/11/AMN_22_33_demonstratierecht-onder-druk.pdf?x57955.

[8] Nationale ombudsman, Demonstreren, een schurend grondrecht?, rapport 2018/015, p. 4

[9] Nota van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum, ‘Bestendigheid wettelijk kader en versteviging handelingsperspectief van het demonstratierecht: opzet onderzoek’, kenmerk 3548, Den Haag: 20 januari 2025, p. 1.

[10] https://www.mensenrechten.nl/actueel/nieuws/2025/02/20/jaarlijkse-rapportage-over-mensenrechten-in-2024-2025-inspraak-onder-druk.

[11] Persagenda Afdeling Bestuursrecht van de Raad van State, Dinsdag 10 juni 2025 11:00, ‘Vier rechtszaken over demonstraties bij abortusklinieken’, https://www.raadvanstate.nl/actueel/persagenda/?CalDtm=20250610&evt_SttDtm=20250610&evt_EndDtm=20250610 (laatst bezocht op 11 juni 2025).

[12] Rb. Den Haag 22 april 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:7126, r.o. 10.

[13] Idem, r.o. 14.

[14] Idem, r.o.  10.3.

[15] Idem, r.o. 12.

[16] Het beginsel houdt in dat mensen zichzelf kunnen censureren of terughoudend kunnen zijn bij het uiten van hun meningen of bij deelname aan vreedzame bijeenkomsten uit angst voor negatieve repercussies, zoals juridische vervolging of sociale veroordeling. Dit kan de vrije uitwisseling van ideeën en het vreedzaam protesteren belemmeren.

[17] Parket bij de Hoge Raad, 13 mei 2025, ECLI:NL:PHR:2025:528.

 

Visie

Duurder, minder, stiller en schoner: Recente ontwikkelingen in de Nederlandse luchtvaartsector

Inleiding

Met de onlangs door Royal Schiphol Group (“RSG”) aangekondigde tarieven en voorwaarden voor luchthaven Schiphol voor de komende periode (ook wel: havengelden), staat de Nederlandse luchtvaartsector weer op scherp. Na een kritieke periode van verliezen, ontslagen en vervolgens arbeidstekorten als gevolg van de COVID-19 pandemie, werken luchtvaartmaatschappijen en luchthavenexploitanten hard aan het herstellen van hun bedrijfsvoering en financiële positie. Met steeds scherpere regelgeving over brandstof, geluid en uitstoot – en zelfs een steeds dichterbij komende krimp op luchthaven Schiphol – staat tegelijkertijd de verdere verduurzaming van de luchtvaartsector hoog op de Nederlandse en de Europese agenda.

In deze blog zoomen wij in op deze drie actuele ontwikkelingen in de luchtvaartsector.

Overzicht


Havengelden Schiphol 2025-2027

Op 31 oktober 2024 maakte RSG bekend de havengelden voor 2025-2027 met gemiddeld 37% te gaan verhogen. De tariefstijging is volgens RSG met name gelegen in de stijging in operationele kosten (waaronder personeelskosten), de significante inflatie, geplande nieuwe investeringen (zoals de nieuwe A-Pier) en verrekeningen over het verleden. Met de nieuwe tarieven en voorwaarden beoogt RSG bovendien (nog) verder te differentiëren naargelang geluidsbelasting. Met andere woorden: hoe stiller en schoner het vliegtuig, hoe minder de luchtvaartmaatschappij (relatief) betaalt.

Op basis van de Wet Luchtvaart (“Wlv”) is RSG als luchthavenexploitant verplicht iedere drie jaar haar tarieven en voorwaarden vast te stellen. Deze moeten kostengeoriënteerd, redelijk en niet-discriminatoir zijn. Voordat RSG de tarieven en voorwaarden vaststelt, legt zij een toerekeningssysteem ter goedkeuring voor aan de Autoriteit Consument en Markt (“ACM”). Op basis van het toerekeningssysteem wordt bepaald welke kosten worden toegerekend aan luchtvaartactiviteiten (en dus aan gebruikers van de luchthaven (luchtvaartmaatschappijen) kunnen worden doorbelast), en welke kosten voortvloeien uit niet-luchtvaartactiviteiten zoals winkels, horeca en parkeerdiensten. Het toerekeningssysteem voor 2025-2027 is op 19 juni 2024 goedgekeurd door de ACM.

Op aanvraag van verschillende luchtvaartmaatschappijen en representatieve organisaties heeft de ACM de tarieven en voorwaarden getoetst. Op 27 mei 2025 besloot de ACM dat de nieuwe tarieven en voorwaarden grotendeels in lijn zijn met de bij en krachtens de Wlv gestelde regels. De ACM gaat niet mee in de verschillende bezwaren van de luchtvaartmaatschappijen over de gebrekkige transparantie en consultatie, het gebrek aan efficiëntieprikkels, de onvoldoende onderbouwde investeringsbehoefte, en de ongekend forse stijging van de tarieven, mede door verrekeningen als gevolg van de COVID-19 pandemie. Volgens de ACM zijn argumenten reeds in een eerdere tariefperiode beoordeeld, en is dit oordeel reeds door het CBb bekrachtigd.

Ook de bredere kritiek over de door RSG fors aangescherpte differentiatie van de tarieven voor het landen en opstijgen op basis van geluid en uitstoot, wordt verworpen. Volgens de ACM vereist de Wlv immers niet dat de tariefdifferentiatie in het kader van milieudoelstellingen evenredig moet zijn aan de daadwerkelijke uitstoot en/of geluidsbelasting.

Wel oordeelt de ACM – in lijn met haar eerdere opschortingsbesluit – dat de door RSG voorgestelde harde uitsluiting van bepaalde ‘lawaaiige vliegtuigtypen’ op de luchthaven onverenigbaar is met de Wlv. Een dergelijk verbod vormt volgens de ACM een operationele beperking die op basis van de Geluidsverordening niet past binnen de bevoegdheden van een luchthavenexploitant, en staat bovendien haaks op het recente negatieve advies van de Europese Commissie in het kader van de balanced approach-procedure rondom de krimp op Schiphol (zie hieronder). Nu de Minister op basis van het standpunt van de Commissie het verbod voor deze toestellen reeds heeft beperkt tot nachtelijke bewegingen, is RSG niet bevoegd een meer verstrekkend verbod (i.e. ook voor dagbewegingen) op te nemen. Pas na inwerkingtreding van deze ministeriële regeling kan RSG het nachtverbod eventueel opnemen in haar tarieven en voorwaarden, aldus de ACM.

De overige tarieven en voorwaarden zijn reeds per 1 april 2025 in werking getreden. De beroepstermijn tegen het nieuwe havengeldenbesluit verloopt binnenkort.

 

Krimp op Schiphol

Zoals hierboven reeds aangestipt heeft de Europese Commissie onlangs haar besluit over de notificatie van de balanced approach-procedure voor Schiphol uitgebracht. Dit besluit volgt op de door de Nederlandse Staat voorgestelde maatregel om het aantal vliegtuigbewegingen op luchthaven Schiphol structureel te beperken ter vermindering van geluidsoverlast.

In 2023 publiceerde de Minister van IenW de zogenaamde ‘Experimenteerregeling Schiphol’ met als doel de geluidshinder rondom luchthaven Schiphol te beperken. In de Experimenteerregeling gaat de Minister niet langer uit van het sinds 2010 in de praktijk geldende ‘Nieuw Normen- en Handhavingsstelsel’ – waarbij slechts gebruikt wordt gemaakt van de start- en landingsbanen die het minste geluidsoverlast veroorzaken – maar wordt teruggevallen en opnieuw gehandhaafd op het oude systeem uit het Luchthavenverkeerbesluit Schiphol (“LVB”) met specifieke ‘handhavingspunten’ om en nabij de start- en landingsbanen (ook wel: geluidsemmertjes). Als gevolg hiervan wordt het maximum aantal vliegtuigbewegingen op Schiphol volgens de Experimenteerregeling 460.000 per jaar in plaats van 500.000. Omdat het een experiment betreft en wordt teruggevallen op bestaande regelgeving behoefde volgens de Minister niet éérst de in de Geluidsverordening beschreven consultatieprocedure (de balanced approach) te worden doorlopen.

Tegen deze aanpak kwam veel verzet vanuit de luchtvaartsector. Verschillende luchtvaartmaatschappijen startten procedures tegen de Staat (en RSG). Na een uitspraak van rechtbank Noord-Holland en een arrest van het Hof Amsterdam, zette de Hoge Raad in juli 2024 een definitieve streep door deze aanpak. De Hoge Raad oordeelde dat de Experimenteerregeling wel degelijk een ‘exploitatiebeperking’ betreft waarvoor de balanced approach moet worden doorlopen. Kort en wel dient de Staat volgens de Hoge Raad eerst te consulteren en het probleem in kaart te brengen voordat zij eventueel beperkingen kan invoeren. De Geluidsverordening is er immers niet op gericht te krimpen ‘om het krimpen’, maar op het effectief bestrijden van geluidshinder door eerst het probleem in kaart te brengen, en vervolgens – via de balanced approach – de meest passende, kostenefficiënte maatregel te kiezen.

Gedurende deze procedures werd het consultatieproces bij de Europese Commissie reeds gestart, met als initieel doel van de Minister een verlaging van het aantal vliegtuigbewegingen naar 440.000. Gedurende het proces kwam de Minister uiteindelijk uit op een plafond van 478.000 vliegtuigbewegingen per jaar.

In het kader van de balanced approach oordeelde de Europese Commissie op 5 maart 2025 dat de Nederlandse Staat onvoldoende rekening heeft gehouden met de effecten van alternatieve maatregelen (zoals vlootvernieuwing) en dat zij te vroeg is overgegaan tot een exploitatiebeperking. Dit wordt volgens de Geluidsverordening immers als laatste redmiddel gezien. Ook uitte de Commissie kritiek op het feit dat bepaalde luchtvaartsegmenten werden uitgesloten in de analyse. Zo is met name gekeken naar commerciële luchtvaart en niet naar general aviation en business aviation (zoals privévluchten en hulpdiensten). Tot slot wijst de Europese Commissie op intransparantie rondom toekomstige slottoewijzing. Een beperking van het aantal vliegtuigbewegingen betekent immers dat sommige luchtvaartmaatschappijen hun zogenoemde ‘historische slots’ op basis van de Slotverordening zullen moeten inleveren. Slotcoördinator Airport Coordination Netherlands (“ACNL”) bracht in 2023 reeds een beleidsregel uit over hoe zij in de toekomst zal omgaan met de toewijzing van slots indien het aantal beschikbare slots lager ligt dan het aantal historische rechten van luchtvaartmaatschappijen, namelijk: op basis van proportionaliteit (zie Policy Rule Slot allocation in case of exceedance of historic rights).

Ondanks het deels negatieve advies van de Commissie zette de Staat haar voornemen tot de krimp voort. In reactie daarop maakten verschillende luchtvaartmaatschappijen en organisaties nieuwe procedures aanhangig. Op 23 april 2025 verklaarde rechtbank Noord-Holland deze partijen in een civiel kort geding niet-ontvankelijk, omdat zij volgens de rechter tegen het definitieve besluit tot wijziging van het LVB rechtsbescherming kunnen zoeken via de bestuursrechter.

Op 6 mei 2025 publiceerde de Minister vervolgens het definitieve besluit tot wijziging van het LVB, waarin een structureel plafond van 478.000 vliegtuigbewegingen per jaar is vastgelegd, met een maximum aantal nachtbewegingen van 27.000. Het besluit treedt per 1 november 2025 in werking.

De bestuursrechtelijke procedure tegen het wijzigingsbesluit van het LVB duurt voort. De zaak ligt nu bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (“Afdeling”), die waarschijnlijk binnen relatief korte termijn een definitief oordeel zal vellen over de krimpplannen op luchthaven Schiphol. De zitting is gepland voor donderdag 24 juli 2025.

In de tussentijd heeft RSG in haar capaciteitsdeclaratie (“CAPDEC”) voor IATA winterseizoen 2025/2026 van 8 mei jl. reeds rekening gehouden met deze maximum aantallen vliegtuigbewegingen. Op basis van de CAPDEC zal ACNL deze zomer overgaan tot toewijzing van de slots voor het komende winterseizoen. Daarbij is het afwachten hoe de Afdeling zal oordelen en in hoeverre (last minute) wijzigingen in de slotverdeling nog mogelijk zijn.

 

Steeds meer regulering om stiller en schoner te vliegen

Duurzame brandstof

Naast het tegengaan van geluidshinder is ook de vermindering van uitstoot en daarmee duurzame(re) brandstof een belangrijk agendapunt. Eind 2023 hebben het Europees Parlement en de Raad de zogenaamde ‘ReFuelEU Luchtvaart’-Verordening (2023/2405) aangenomen. Deze verordening heeft tot doel om op EU-luchthavens geleidelijk meer gebruik te maken van duurzame vliegtuigbrandstoffen (sustainable aviation fuel, “SAF”). Brandstofleveranciers zijn vanaf begin dit jaar verplicht minimaal 2% SAF bij te mengen in de reguliere kerosine. Dit percentage loopt op naar 6% in 2030, 20% in 2035 en uiteindelijk 70% in 2050. Daarbij worden luchtvaartmaatschappijen verplicht minstens 90% van hun brandstofbehoefte daadwerkelijk te tanken op de luchthaven van vertrek. Dit om het omzeilen van de SAF-verplichtingen via ‘tankering’ te voorkomen.

 

Aanscherping van marktmechanismen

In samenhang met deze ontwikkelingen heeft de Europese Commissie begin april 2025 een voorstel gepubliceerd voor het updaten van de regels voor monitoring, rapportage en verificatie binnen het EU Emissiehandelssysteem (“EU ETS”). Het EU ETS is een marktinstrument van de EU dat de CO₂-uitstoot van verschillende sectoren, waaronder de luchtvaart, beoogt te beperken door bedrijven een maximum aantal uitstootrechten toe te kennen die ze kunnen kopen, verkopen of verhandelen. Door emissierechten een prijs te geven, stimuleert het systeem bedrijven om hun uitstoot kosteneffectief te verminderen.

Deze update van het EU ETS is tevens bedoeld om beter aan te sluiten bij het internationale Carbon Offsetting and Reduction Scheme for International Aviation (“CORSIA”). CORSIA is een wereldwijd initiatief van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (“ICAO”) om de CO₂-uitstoot van internationale vluchten te compenseren en te verminderen via een vergelijkbaar marktmechanisme.

De nieuw voorgestelde regels maken het eenvoudiger voor luchtvaartmaatschappijen om het gebruik van SAF (die onder CORSIA vallen) te rapporteren en om rapporten voor de annulering van emissierechten in te dienen en te verifiëren. Daarnaast worden definities verduidelijkt en beter afgestemd op nieuwe regelgeving zoals de ReFuelEU-verordening.

 

Strengere normen voor nieuwe vliegtuigen

Begin maart 2025 bereikte de lidstaten binnen de ICAO bovendien overeenstemming over een nieuw pakket bindende normen voor brandstofefficiëntie en geluidsreductie bij nieuwe vliegtuigtoestellen. In afwachting van formele vaststelling door de ICAO-raad zijn de lidstaten overeengekomen dat de nieuwe normen voor geluidsniveau van toepassing zijn op vliegtuigen die vanaf 1 januari 2029 worden gecertificeerd; de brandstofefficiëntienormen gelden vanaf 31 december 2031. Commerciële vliegtuigen die na deze data gecertificeerd willen worden, moeten voldoen aan nieuwe wereldwijde CO₂-standaarden die ten minste 10% brandstofbesparing vereisen ten opzichte van de huidige normen. Vergeleken met toestellen uit het jaar 2000 moet de nieuwe generatie circa 35% efficiënter zijn. Daarnaast moeten luchtvaartuigen vanaf 2029 minimaal 6 decibel stiller zijn, wat overeenkomt met ruim 30% minder geluidsemissie.

 

Conclusie

Met een stijging van de havengelden en toenemende duurzaamheidsverplichtingen opereren luchtvaartmaatschappijen en luchthavenexploitanten in een steeds complexer speelveld. Tegelijkertijd zorgt de dreigende krimp voor onzekerheid over de beschikbare capaciteit en mogelijkheden voor investeringen voor de toekomst. Met het nieuwe besluit tot wijziging van het LVB is een finaal antwoord over de krimp op Schiphol in zicht. Dit biedt hopelijk op korte termijn een duidelijker toekomstperspectief voor alle stakeholders in de reissector. Met Schiphol als economische hub blijft de luchthaven immers een belangrijke voorziening voor Nederlandse reizigers, en blijft de reissector een belangrijke pijler in de Nederlandse economie.

Visie

Richtsnoeren artikel 28 DSA: hoe online platforms een veilige en vriendelijke omgeving voor minderjarigen moeten inrichten

In mei 2025 heeft de Europese Commissie (“Commissie”) nieuwe richtsnoeren gepubliceerd voor openbare consultatie. De richtsnoeren geven invulling aan de verplichting voor online platforms zoals Instagram en TikTok om passende maatregelen te treffen ter bescherming van minderjarigen (artikel 28 Digital Services Act; “DSA”).

De consultatie is inmiddels gesloten en de Commissie gaat zich nu beraden over de definitieve versie. In de tussentijd bespreken we in dit blog alvast de belangrijkste aanbevelingen uit de concept richtsnoeren en wat deze mogelijk gaan betekenen voor de praktijk.

Richtsnoeren: doelstelling en reikwijdte

Artikel 28 DSA legt verplichtingen op aan alle online platforms die toegankelijk zijn voor minderjarigen. De aanbieders van deze platforms worden verplicht om “passende en evenredige maatregelen te nemen om een hoog niveau van privacy, veiligheid en beveiliging voor minderjarigen te waarborgen”. De verplichtingen gelden ook wanneer het platform formeel een leeftijdsgrens van 18 jaar hanteert, maar feitelijk toegankelijk is voor of gebruikt wordt door minderjarigen.

De richtsnoeren verduidelijken welke maatregelen platforms minimaal moeten nemen om hun diensten veilig en kindvriendelijk in te richten. Volgens de richtsnoeren moeten alle maatregelen die online platforms nemen voldoen aan vier kernbeginselen:

  1. Zo moeten maatregelen proportioneel zijn ten opzichte van de aard en het gebruik van de dienst, de risico’s voor minderjarigen en andere grondrechten.
  2. Daarnaast moeten de belangen van het kind centraal staan, zoals veiligheid, participatie en privacy.
  3. Bovendien geldt dat, om deze belangen te beschermen, online platforms al vanaf de ontwerpfase aandacht moeten hebben bij het stellen van de beveiligingsnormen.
  4. Het ontwerp van hun diensten moet daarbij afgestemd worden op het cognitieve en emotionele ontwikkelingsniveau van minderjarige gebruikers.

Om passende en proportionele maatregelen te bepalen, moeten online platforms een risicobeoordeling uitvoeren van de risico’s die hun dienst voor minderjarigen oplevert.

Het belang van het kind moet daarbij centraal staan, zonder dat andere rechten (zoals participatie, vrije meningsuiting of informatie) onnodig worden beperkt. Voor VLOP’s maakt de beoordeling deel uit van de systemische risicoanalyse onder artikel 34 DSA en moet zij ook worden herhaald bij ‘significante wijzigingen’.

Doel is om een veilige en kindvriendelijke omgeving te creëren, waarin fundamentele rechten van minderjarigen worden gewaarborgd. De richtsnoeren bevatten daarvoor een aantal praktische aanbevelingen.

Aanbevelingen

  1. Leeftijdsverificatie (age assurance)

Maatregelen die de toegang tot online platforms beperken op basis van leeftijd, zijn volgens de Commissie essentiële instrumenten om de privacy, veiligheid en beveiliging van minderjarigen te waarborgen. De Commissie onderscheidt self-declaration (‘Ik ben ouder dan 18 jaar’), age-estimation (een analyse van gezichtskenmerken of gedrag) en age-verification (bijvoorbeeld door middel van identiteitsbewijs).

Platforms moeten per geval beoordelen of leeftijdscontrole nodig is. Volgens de Commissie is leeftijdsverificatie (age-verification) in ieder geval vereist bij wettelijk vastgelegde leeftijdsgrenzen (zoals alcohol, gokken of pornografie), wanneer platforms zelf een 18+-grens hanteren vanwege geconstateerde risico’s, en in situaties waar hoge risico’s niet anders te beperken zijn.

  1. Veilige toegang vanaf het begin

Het registratieproces kan een belangrijk instrument zijn om minderjarigen veilig toegang te geven tot een platform. Als registratie wordt vereist, moet dit proces transparant, begrijpelijk en toegankelijk zijn voor kinderen. Het platform moet duidelijke uitleg geven over gebruiksvoorwaarden, minimumleeftijd en de mogelijkheid tot eenvoudig afmelden of accountverwijdering.

De Commissie benadrukt daarbij dat standaardinstellingen van kinderaccounts een cruciale rol spelen in de bescherming van minderjarigen op online platforms. Omdat kinderen deze instellingen zelden zelf aanpassen, moeten de standaardinstellingen vanaf het begin een hoog niveau van privacy, veiligheid en beveiliging bieden. Dit betekent onder meer dat tracking, locatiebepaling, camera, microfoon en pushmeldingen standaard zijn uitgeschakeld, net als sociale functies zoals likes, streaks of read receipts. Ook risicovolle filters die het zelfbeeld kunnen schaden, moeten standaard gedeactiveerd zijn.

Als een minderjarige tijdens registratie of op een later moment de instellingen wijzigt of gevoelige functies inschakelt, moet het platform steeds uitleg geven, waarschuwen en eventueel tijdelijke of automatische terugzetmechanismen toepassen. De Commissie beveelt aan dat bepaalde functies, zoals contact met onbekenden of zichtbaarheid in zoekresultaten, geheel uitgeschakeld kunnen worden voor minderjarige gebruikers.

  1. Aanbevelingen voor de online interface

Platforms moeten daarnaast hun interfaces zo inrichten dat minderjarigen controle hebben over hun digitale ervaring. Het platformontwerp moet toegankelijk, inclusief en eenvoudig te bedienen zijn.

Cruciaal hierbij is het vermijden van misleidende of manipulatieve ontwerpelementen zoals automatisch afspelende video’s, gefingeerde meldingen, sociale druk via notificaties of schaarste-trucs. Deze “persuasive design features” stimuleren namelijk eindeloos scrollen en kunnen leiden tot overmatig en problematisch platformgebruik. Hierbij hoort ook dat platforms expliciete voorkeuren van kinderen zwaarder moeten laten wegen dan indirecte gedragsdata, zoals kijktijd of klikgedrag. In plaats daarvan moeten zij juist ‘positieve frictie’ inbouwen – zoals tijdsmanagementtools of bewuste vertragingen (“weet je zeker dat je dit wilt plaatsen?“) – om minderjarigen bewuster te laten omgaan met hun platformgebruik.

Voor aanbevelingssystemen geldt verder dat deze specifiek moeten worden aangepast aan de ontwikkelingsfase en kwetsbaarheden van minderjarigen. Maximaliseren van schermtijd en betrokkenheid mag niet het primaire doel zijn; in plaats daarvan moeten de parameters van aanbevelingssystemen verschuiven naar factoren zoals nauwkeurigheid, diversiteit en eerlijkheid. Aanbieders moeten voorkomen dat kinderen herhaaldelijk worden blootgesteld aan schadelijke content, bijvoorbeeld aan inhoud die onrealistische schoonheidsidealen promoot of geweld verheerlijkt. Ook zoekfuncties vereisen specifieke bescherming, zoals het blokkeren van bekende schadelijke zoektermen. Platforms moeten daarnaast geverifieerde, leeftijdsgeschikte accounts exclusief aanbevelen.

  1. Bescherming tegen commerciële beïnvloeding

In de richtsnoeren wordt ook specifiek ingegaan op de bescherming van minderjarigen tegen commerciële beïnvloeding. Online platforms confronteren kinderen met steeds geavanceerdere marketingstrategieën, waaronder gepersonaliseerde advertenties, product placement, in-game aankopen, influencer marketing en AI-gestuurde nudging. Deze tactieken kunnen ernstige schade toebrengen aan de privacy, veiligheid en het welzijn van minderjarigen, vooral wanneer ze hun commerciële aard verhullen of misbruik maken van groepsdruk en de beperkte kennis van kinderen over economische waarde.

De Commissie eist daarom een verantwoord marketingbeleid dat expliciet rekening houdt met de leeftijd, kwetsbaarheden en beperkte commerciële kennis van minderjarigen. Alle schadelijke, onethische en onwettige reclame-uitingen moeten worden uitgesloten. Ook moet verborgen reclame, zoals product placement door influencers, actief worden bestreden.

Transparantie in economische transacties vormt een tweede cruciaal aandachtspunt. In-app betalingen en het gebruik van virtuele tussenvaluta zoals tokens, coins of loot boxes moeten transparant en begrijpelijk zijn voor minderjarigen. Platforms moeten vermijden dat deze virtuele valuta de werkelijke kosten verhullen of kinderen misleiden over de economische waarde van hun aankopen. Hetzelfde geldt voor verslavende of manipulatieve ontwerpkeuze, zoals willekeurige beloningen, schaarste-signalen (“nog maar 1 uur beschikbaar”) of gokachtige functies. Tot slot worden platforms aangemoedigd ouderlijke toezichttools in te zetten en bewuste frictie in te bouwen tussen contentconsumptie en aankopen, bijvoorbeeld door extra bevestigingen of instelbare uitgavendrempels.

  1. Aanbevelingen rondom transparantie, moderatie en rapportage

De Europese Commissie benadrukt dat effectieve en transparante moderatie essentieel is om minderjarigen online te beschermen. Platforms moeten duidelijk en expliciet definiëren wat zij als schadelijke content en ongewenst gedrag beschouwen, en dienen hiervoor heldere, stapsgewijze procedures op te stellen. Daarbij wordt proactieve inzet van filters en AI-systemen aanbevolen, aangevuld met menselijke beoordeling bij risicovolle situaties zoals populaire accounts. Minderjarigen moeten bovendien eenvoudig, vertrouwelijk en eventueel anoniem schadelijke content kunnen rapporteren.

Daarnaast doet de Commissie aanbevelingen op het gebied van transparantie, gebruikerscontrole en interne governance. Platforms dienen uitleg te geven over waarom specifieke content wordt aanbevolen, inclusief gebruikte parameters, en minderjarigen de mogelijkheid te bieden om hun aanbevelingsfeeds te resetten of voorkeuren aan te passen. Concrete hulpmiddelen zoals het blokkeren van andere gebruikers of het beperken van interacties moeten eveneens beschikbaar zijn, evenals toezicht-tools voor ouders en verzorgers met respect voor privacy. Tot slot vereist de Commissie een kindgerichte interne governance-structuur, waarin platformontwerp en beleid actief en veilig door minderjarigen worden beïnvloed, en waarin risico’s continu gemonitord, geëvalueerd en gerapporteerd worden.

Conclusie

De Commissie beschouwt deze richtsnoeren als een eerste interpretatie van artikel 28 DSA. Hoewel de richtsnoeren ruimte laten voor interpretatie en overlap met andere regelgeving (AI Act en AVG), markeren de richtsnoeren een belangrijke stap richting meer concrete maatregelen voor platforms, waarbij proportionaliteit, kinderrechten, privacy-by-design en leeftijdsgeschikt ontwerp centraal staan. Door expliciete aandacht voor risico’s zoals grooming, overmatig gebruik en manipulatieve, commerciële praktijken, adresseren de richtsnoeren de meest urgente bedreigingen voor minderjarigen online.

Voor nu is het eerst wachten met welke feedback de stakeholders zullen komen op de richtsnoeren en in hoeverre dit invloed zal hebben op de definitieve richtsnoeren. Deze worden naar verwachting later dit jaar gepubliceerd.

Alvast aan de slag met de concept richtsnoeren en/of vragen over de implementatie daarvan? Neem dan gerust contact op met Bente van Kan, Machteld Robichon of Christiaan Alberdingk Thijm.

Met dank aan Coen Buijs

Visie

Civiele handhaving van de Digital Markets Act: a lawyer’s paradise (of toch niet)?

Op 23 april 2025 heeft de Europese Commissie (“Commissie”) de eerste boetes opgelegd aan poortwachters voor het niet-naleven van de Digitale Marktenverordening, of ‘Digital Markets Act’ (“DMA”). Apple en Meta kregen boetes opgelegd van respectievelijk € 500 miljoen en € 200 miljoen. Apple heeft de ‘anti-steering’-verplichting uit de DMA geschonden; Meta heeft haar verplichting geschonden om consumenten de keuzemogelijkheid te geven voor een dienst die minder persoonsgegevens gebruikt.

Hoewel de verplichtingen voor zogeheten ‘gatekeepers’ uit de DMA al sinds 7 maart 2024 gelden, lag de focus vooralsnog op de publiekrechtelijke handhaving van de DMA. Met de eerste niet-nalevingsbesluiten van de Commissie rijst de belangrijke vraag wat de mogelijkheden zijn voor privaatrechtelijke handhaving door gedupeerden van schendingen van de DMA. Deze blog geeft een overzicht van de mogelijkheden voor slachtoffers om op te treden tegen schendingen van de DMA bij de civiele rechter.

Overzicht


Relevante voorvragen: directe werking en toepassing mededingingsrechtelijke concepten

Een belangrijke voorvraag bij de privaatrechtelijke handhaving van de DMA is of private partijen, zoals consumenten of rechtspersonen (afnemers, concurrenten, etc.), de rechten en verplichtingen van de DMA kunnen inroepen jegens de poortwachters. Dat kan alleen als sprake is van horizontale directe werking. Daarvoor is vereist dat de bepalingen uit de DMA voldoende precies en onvoorwaardelijk zijn, waarmee zij rechten voor individuen met zich brengen. Dat lijkt het geval te zijn. Voor de verplichtingen uit de DMA – zoals opgenomen in met name artikelen 5, 6 en 7 DMA – zijn geen nadere uitwerkings- of uitvoeringsmaatregelen vanuit de EU-lidstaten vereist. Dat de verplichtingen uit de DMA horizontale directe werking hebben, lijkt ook de uitdrukkelijke bedoeling te zijn geweest van de Uniewetgever gelet op de expliciete mogelijkheden in de DMA voor samenwerking tussen de Commissie en nationale rechters in nationale procedures (artikel 39 DMA) en het instellen van collectieve vorderingen (artikel 42 DMA).

Een andere voorvraag betreft de relevantie van mededingingsrechtelijke concepten bij de toepassing van de DMA. Ondanks dat de DMA niet tot het generieke mededingingsrecht behoort, zijn er namelijk wel de nodige raakvlakken met het (ex post) toezicht op het mededingingsrecht. Zo is een aantal bepalingen uit de DMA inhoudelijk geïnspireerd op recente mededingingszaken. Neem bijvoorbeeld het verbod op zelfbevoordeling uit artikel 6, lid 2, DMA en de recente zaak daarover met betrekking tot Amazon, of het zelfbevoordelingsverbod in het kader van rankings uit artikel 6, lid 5, DMA en de Google Shopping-zaak.

Ook lijkt de Europese wetgever bij de definities van de DMA bewust aansluiting te hebben gezocht bij het mededingingsrecht. Een daarvan is het ondernemingsbegrip. Een onderneming in de zin van de DMA is een entiteit die een economische activiteit uitoefent, ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd, met inbegrip van alle verbonden bedrijven of verbonden ondernemingen die een groep vormen door de directe of indirecte zeggenschap over een bedrijf of onderneming door een ander(e). Dit begrip wordt ook gehanteerd in het mededingingsrecht, in tegenstelling tot vennootschapsrechtelijke termen als ‘rechtspersoon’. Ook met de term ‘verbonden ondernemingen’ uit de DMA wordt aangesloten bij aan het mededingingsrecht verwante rechtsgebieden, zoals het (Europees) staatssteunrecht.

Het lijkt er dus op dat de DMA aansluit bij het mededingingsrechtelijke ondernemingsbegrip. Dit is van belang omdat dit ondernemingsbegrip de groep entiteiten afbakent die (mede) hoofdelijk aansprakelijk kan worden gehouden. Een relevante vraag is dan hoe zich dit verhoudt tot de breed ingestoken aanwijzingsbesluiten, waarin de Commissie zowel de (uiteindelijke) moedermaatschappij, samen met al diens dochtermaatschappijen, aanwijst als poortwachter die aan de verplichtingen van de DMA moet(en) voldoen. Zo staat in de aanwijzingsbesluiten jegens Alphabet bijvoorbeeld dat “Alphabet Inc., together with all legal entities directly or indirectly controlled by Alphabet Inc.” als poortwachter is aangewezen. Het valt dan ook te beargumenteren dat op al die entiteiten de verplichtingen uit de DMA rusten omdat zij in de aanwijzingsbesluiten worden betrokken. Dit zou kunnen betekenen dat elk van de entiteiten die behoren tot, in dit geval, Alphabet Inc. ieder rechtstreeks en afzonderlijk zouden kunnen worden aangesproken voor (schade voortvloeiend uit) niet-naleving van de DMA.

Hierover is het laatste woord echter nog niet gesproken. Naar verwachting wordt dit voorwerp van discussie voor de nationale en Europese gerechten. Verder geldt dat algemene Unierechtelijke beginselen die relevant zijn voor de privaatrechtelijke handhaving van het mededingingsrecht, zoals het doeltreffendheidsbeginsel, onverminderd van toepassing zijn bij de privaatrechtelijke handhaving van de DMA.

 

Bevoegdheid van de Nederlandse rechter

Voor privaatrechtelijke handhaving is ook de bevoegdheid van de (Nederlandse) rechter van belang. De absolute bevoegdheid van de Nederlandse rechter wordt bepaald aan de hand van Brussel I-bis (bij verweerders binnen de EU) of het commune internationaal privaatrecht uit artikel 1-14 Rv (bij verweerders buiten de EU). In beide gevallen is de hoofdregel dat het gerecht van de zetel van de verweerder bevoegd is.

Hierbij is (opnieuw) relevant welke entiteit(en) als poortwachter is of zijn aangemerkt. Zoals hierboven besproken, zijn dit de uiteindelijke moedermaatschappijen samen met al hun (directe en indirecte) dochterentiteiten. Dat zou betekenen dat de Nederlandse rechter bevoegd is te oordelen over vorderingen ingesteld op grond van de DMA jegens een Nederlandse entiteit die deel uit maakt van de aangewezen poortwachter op grond van de hoofdregel uit artikel 2 Rv. Die Nederlandse entiteit wordt immers aangesproken op basis van diens eigen ‘poortwachtersstatus’. Een alternatief kan zijn om de (uiteindelijke) moedermaatschappij aan te spreken voor diens schendingen van de DMA en de rechtsmacht van de Nederlandse rechter te baseren op bijzondere bevoegdheidsgronden, zoals de ankergedaagderegel uit artikel 8 Brussel I-bis (vgl. artikel 7 Rv) of het Erfolgsort/Handlungsort uit artikel 7 Brussel I-bis (vgl. artikel 6, sub e, Rv).

Op basis van de ankergedaagderegel kunnen, ingeval van meerdere verweerders, deze verweerders gezamenlijk worden opgeroepen voor het gerecht van de zetel van één van hen (de ankergedaagde). Het idee is dan dat de moedermaatschappij (als poortwachter) in rechte wordt aangesproken voor de Nederlandse rechter, samen met haar in Nederland gevestigde dochter (als ankergedaagde). Daarvoor is vereist dat de ankergedaagde zich in dezelfde positie bevindt, feitelijk en rechtens, als de overige verweerder(s). In het kader van een prejudiciële procedure heeft het Europees Hof van Justitie benadrukt dat een moederentiteit als ankergedaagde kan fungeren wanneer het over nagenoeg het gehele kapitaal beschikt van de inbreukmakende dochterentiteit. Advocaat-generaal Kokott heeft recentelijk meer in het algemeen geconcludeerd dat sprake is van eenzelfde feitelijke en juridische positie wanneer de ankergedaagde tot dezelfde onderneming behoort als één van de overige (inbreukmakende) verweerders. Het ondernemingsbegrip wordt in het Sumal-arrest uitgelegd aan de hand van twee criteria: (i) het bestaan van juridische, economische en organisatorische banden en (ii) het bestaan van een concreet verband tussen de economische activiteit van de entiteit in kwestie met het voorwerp van de inbreuk. Indien de DMA zich inderdaad aansluit bij het mededingingsrechtelijk ondernemingsbegrip, dient ook het internationaal bevoegdheidsrecht dienovereenkomstig te worden uitgelegd.

Daarnaast kan de bevoegdheid van de Nederlandse rechter worden gebaseerd op de (bijzondere) bevoegdheidsgrond uit artikel 7 Brussel I-bis (vgl. artikel 6, sub e, Rv). Op basis daarvan is de rechter bevoegd van de plaats waar de schade zich voordoet of kan voordoen. Dit omvat zowel de plaats waar de schade intreedt (Erfolgsort) als de plaats waar de schadeveroorzakende gebeurtenis plaatsvindt (Handlungsort). Vaak wordt voor het Erfolgsort aangesloten bij de woonplaats dan wel zetel van de gedupeerde van de inbreuk. Interessant daarbij zijn de prejudiciële vragen die de rechtbank Amsterdam heeft gesteld in de context van de toepassing van bevoegdheidsregels in digitale context. De zaak betrof schadevorderingen ingesteld door een drietal stichtingen namens (Nederlandse) consumenten als gevolg van het hanteren van te hoge commissies door Apple in diens App Store. In die zaak overwoog de rechtbank dat zowel het Handlungsort als het Erfolgsort voor de meeste gebruikers is gelegen in Nederland, omdat Apple zich met de Nederlandse App Store specifiek op de Nederlandse markt richt en dat daarmee de plaats van de schadeveroorzakende gebeurtenis (het rekenen van te hoge commissies) zich in Nederland bevindt. Over deze interpretatie liggen momenteel prejudiciële vragen voor bij het Europees Hof van Justitie.

 

Follow-on of stand-alone

Het beginnen van een civiele procedure tegen een poortwachter kan geschieden op een stand-alone of follow-on basis. Bij een follow-on zaak ligt er reeds een besluit van de Commissie waarin een inbreuk op de DMA door de poortwachter is vastgesteld. De onrechtmatigheid van de gedraging in kwestie is daarmee gegeven; de nationale rechter mag op grond van artikel 39 DMA ook niet afwijken van de bevindingen in dat besluit. De nationale civiele procedure volgt dan als het ware op dat inbreukbesluit van de Commissie. Bij een stand-alone zaak worden de vorderingen daarentegen ingesteld zonder de aanwezigheid van een Commissiebesluit. Dit betekent dat de eisende partij de feitelijke gedragingen en de onrechtmatigheid daarvan in beginsel zelf zal moeten onderbouwen. Daarbij is relevant dat artikel 8 DMA in publiekrechtelijke context leidt tot een omkering van de bewijslast, nu dit artikel bepaalt dat de poortwachter toeziet op en bewijs levert van nakoming van de verplichtingen uit artikel 5, 6 en 7 DMA. Hoe dit zich in de praktijk verhoudt tot het civiele bewijsrecht zoals neergelegd in artikelen 149 en 150 Rv, moet nog blijken. Tot slot is van belang dat, zeker bij stand-alone zaken, de nationale rechter altijd de mogelijkheid heeft om de procedure aan te houden, bijvoorbeeld wanneer de Commissie een onderzoek begint naar de gedragingen in kwestie terwijl de nationale procedure (nog) loopt (artikel 39, lid 5, DMA). Ook bestaat de mogelijkheid voor de Commissie om zichzelf als amicus curiae bij een zaak te voegen (artikel 39, lid 3, DMA).

Het bestaan van een inbreukbesluit, zoals bij Meta en Apple, maakt de privaatrechtelijke handhaving doorgaans makkelijker. In de context van de DMA is daarbij relevant dat óók het openen van een onderzoek naar de naleving van de DMA door een poortwachter, als besluit kwalificeert (artikel 20 DMA). Dat in tegenstelling tot het mededingingsrecht, waar het openen van een onderzoek en het mededelen van punten van bezwaar geen formeel besluit is. De Commissie heeft reeds een aantal besluiten genomen jegens poortwachters waarmee zij een onderzoek is gestart naar de naleving van hun verplichtingen onder de DMA. Deze onderzoeken zien onder meer op:

De waarde van deze besluiten tot het openen van een onderzoek voor een nationale civiele procedure lijkt echter als zodanig beperkt. De besluiten zijn relatief kort en beschrijven enkel de feitelijkheden, zoals de door de poortwachter verrichte aanpassingen die aanleiding gaven voor het onderzoek van de Commissie. Ook stelt de Commissie uitdrukkelijk dat het openen van een onderzoek niets zegt over de (on)rechtmatigheid van de gedragingen en de naleving door de poortwachters van de DMA. Om die reden zal ook de verjaringstermijn niet beginnen te lopen bij een besluit tot het openen van een onderzoek. Dergelijke besluiten bevatten namelijk geen bevindingen over enige onrechtmatige gedragingen. Zo is er inmiddels ook weer een aantal onderzoeken ingetrokken door de Commissie, zoals het onderzoek naar de verplichtingen van Apple inzake de mogelijkheid om apps te verwijderen en standaardinstellingen aan te passen binnen Apple’s iOS (artikel 6, lid 3, DMA).

Wel is het mogelijk om hangende het DMA-onderzoek al een civiele procedure te starten. Gelet op de inhoudelijke overlap tussen de DMA en bepaalde misbruikvormen onder artikel 102 VWEU, is het dus in het algemeen denkbaar dat een procedure kan worden gestart tegen een poortwachter op grond van zowel de DMA als artikel 102 VWEU. Dit kan dan deels een stand-alone en deels follow-on zaak zijn, wanneer er al een boetebesluit op grond van de DMA of het mededingingsrecht ligt. Het betrekken van het mededingingsrecht in een zaak over (vermeende) DMA-schendingen heeft een aantal voordelen. Mogelijk maakt het bestaan van een niet-nalevingsbesluit onder de DMA het makkelijker om een inbreuk op het mededingingsrecht aan te tonen en vice versa. Ook kan het de schadehoogte beïnvloeden, nu een onrechtmatige gedraging op basis van de DMA in tijd beperkt is (hooguit vanaf maart 2024), terwijl de onrechtmatigheid wegens schending van het mededingingsrecht langer kan hebben voortgeduurd. Dat maakt het bovendien aantrekkelijker voor procesfinanciers om grote zaken tegen poortwachters te financieren. Andersom kan het besluit tot het openen van een DMA-onderzoek of DMA-inbreukbesluit nuttig zijn bij het bepalen van de kring van entiteiten die hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade die voortvloeit uit een mededingingsbesluit.

 

Verschillende mogelijkheden tot privaatrechtelijke handhaving

Slachtoffers van schendingen van de DMA hebben verschillende rechtsmiddelen ter beschikking in Nederland.

Gebod of verbod

Slachtoffers van schendingen van de DMA kunnen een gebod of verbod vorderen jegens de poortwachter. Dit kan zowel in een bodemzaak als bij de voorzieningenrechter in een kort geding (artikel 254 Rv). Hierbij kan tevens om een dwangsom worden verzocht als (extra) drukmiddel. Uiteraard is wel een spoedeisend belang bij de verzochte voorlopige voorziening vereist.

Het instellen van een kort geding is met name relevant wanneer de onrechtmatige gedragingen van de poortwachter onomkeerbare of moeilijk te verhalen schade berokkenen bij de gedupeerde, zoals schade aan de concurrentiepositie van de gedupeerde(n). Denk bijvoorbeeld aan een gebod jegens de poortwachter om interoperabiliteit te bewerkstelligen (artikel 6, lid 7, DMA) of om toegang tot bepaalde data te verlenen (artikel 6, lid 10, DMA). Een verbod kan bijvoorbeeld nodig zijn wanneer een poortwachter op diens platform concurreert met haar zakelijke gebruikers en daarbij gebruik maakt van niet openbare gegevens die door die zakelijke gebruikers worden gegenereerd (zelfbevoordeling), in strijd met artikel 6, lid 2, DMA. Wanneer er reeds een niet-nalevingsbesluit door de Commissie is genomen, en de poortwachter dit besluit (nog) niet naleeft, is de kans op toewijzing van de voorlopige voorziening aannemelijk. De onrechtmatigheid is dan immers gegeven en het is de nationale rechter op grond van artikel 39, lid 5, DMA niet toegestaan om af te wijken van het Commissiebesluit. Maar ook zonder dat een niet-nalevingsbeslissing is genomen, kunnen de verplichtingen uit de DMA worden afgedwongen via de rechter.

Uiteraard kan het vorderen van een gebod dan wel verbod gepaard gaan met een verklaring voor recht en/of een schadevergoedingsvordering.

Schadevergoeding

Wanneer schade is geleden als gevolg van een schending van de DMA, kan schadevergoeding worden gevorderd. Met het schenden van de verplichtingen uit de DMA handelt de poortwachter immers in strijd met een wettelijke verplichting (6:162 BW), waarvoor zowel de geleden schade als gederfde winst gevorderd kan worden. Uiteraard kan tevens een verklaring voor recht en/of een gebod/verbod worden gevorderd.

Net als bij het mededingingsrecht, kan het kwantificeren van de schade complex zijn. Dit heeft veelal te maken met de complexe (technische) marktwerking waardoor het lastig is het juiste counterfactual scenario te bepalen. Daarbij komt dat sommige verplichtingen uit de DMA zien op schendingen van datagebruik, hetgeen eveneens complex is om als (monetaire) schade te kwantificeren. Wat de kwantificatie van schade betreft, geldt tot slot dat de verplichtingen van de DMA pas vanaf maart 2024 gelden is ingetreden en de schade derhalve nog (relatief) gering zal zijn. In dat kader kan het nuttig zijn om de vorderingen tot schadevergoeding ook te baseren op het generieke mededingingsrecht (artikel 102 VWEU), nu die verplichtingen al langer gelden en de onrechtmatigheid derhalve langer heeft voortgeduurd.

Bij het vorderen van schadevergoeding wegens schendingen van de DMA is het bundelen van vorderingen interessant. Het is aannemelijk dat poortwachters met hun gedragingen al snel veel partijen tegelijkertijd raken, van consumenten tot afnemers en concurrenten. In die gevallen is het efficiënter om alle – waarschijnlijk grotendeels gelijkluidende – vorderingen te bundelen. Dit kan via het ‘assignment model’, waarbij een groep gedupeerden hun vorderingen overdraagt aan een claimvehikel zoals een stichting, bijvoorbeeld via een volmacht of cessie. De stichting treedt dan op namens deze partijen. Indien er een zeer grote, wellicht nog niet afgebakende groep slachtoffers is, is het starten van een collectieve actie een nuttige optie om schadevergoeding (of eventueel een verklaring voor recht dan wel gebod of verbod) te vorderen.

Collectieve actie

Onder de WAMCA (artikel 3:305a BW) is het mogelijk om schadevergoedingen te vorderen in een collectieve actie. Meestal betreffen collectieve acties massaschadezaken, waar het gaat om financiële benadeling, maar de zaak kan in principe ook een immaterieel doel hebben en zien op bijvoorbeeld onrechtmatig datagebruik. Bij een collectieve actie begint een stichting een procedure waarin zij opkomt voor de belangen van individuen. Aan deze stichting worden een aantal ontvankelijkheidseisen gesteld, onder meer op het gebied van governance, financiering en representativiteit. Zie ook deze overzichtsblog over de WAMCA en het procesverloop van een collectieve actie.

Zoals hierboven opgemerkt, heeft de Europese wetgever bewust rekening gehouden met de mogelijkheid dat schendingen van de DMA door poortwachters een grote groep consumenten kunnen raken. Om die reden verklaart artikel 42 DMA de Richtlijn Representatieve vorderingen ter bescherming van collectieve consumentenbelangen (2020/1828) van toepassing op de DMA. De meeste voorschriften uit die Richtlijn leidden in Nederland niet tot (aanzienlijke) wijzigingen, nu deze al via de WAMCA golden. Wat nieuw is, is dat de Richtlijn werkt met een ‘lijstsysteem’ voor belangenbehartigers die over de grens willen opereren en grensoverschrijdende consumentenclaims willen indienen. Lidstaten moeten een publiek toegankelijke lijst opstellen van belangenbehartigers (zogeheten ‘bevoegde instanties’) voor grensoverschrijdende vorderingen. Die lijst wordt dan doorgeven aan de Europese Commissie. Met deze Richtlijn, en de uitdrukkelijke toepassing daarvan op (schendingen van) de DMA, is het mogelijk om binnenlandse én grensoverschrijdende collectieve acties te starten namens consumenten tegen poortwachters. Voor meer informatie over de werking van de Richtlijn 2020/1828, zie deze blog.

 

Conclusie

Waar het afgelopen jaar, sinds de inwerkingtreding van de verplichtingen uit de DMA, de focus met name lag op de publiekrechtelijke handhaving, is met de komst van de eerste niet-nalevingsbesluiten de deur voor privaatrechtelijke handhaving (verder) opengezet.

Hoewel er nog onduidelijkheden bestaan over de precieze reikwijdte en toepassing van de DMA in nationale civiele procedures, is duidelijk dat er wel degelijk kansen liggen. De privaatrechtelijke handhaving van de DMA in Nederland staat nog in de kinderschoenen, maar biedt veelbelovende mogelijkheden voor marktpartijen om hun positie te versterken en een eerlijke speelveld af te dwingen, en voor afnemers en consumenten om hun rechten te waarborgen.

Voor vragen over de DMA en de mogelijkheden voor de handhaving daarvan, neem dan contact op met Bas Braeken, Timo Hieselaar of Jade Versteeg.

Naar
boven