Visie

Annotatie uitspraak CBb WFA

Bas Braeken en Jade Versteeg schreven voor het tijdschrift Computerrecht een annotatie van de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven(‘CBb’) inzake het marktanalysebesluit Wholesale Fixed Access (‘WFA’) van de ACM. In deze uitspraak vernietigde het CBb het WFA-Besluit omdat de ACM geen gezamenlijke aanmerkelijke marktmacht van KPN en VodafoneZiggo had aangetoond. Hiermee is (mogelijk definitief) een einde gekomen aan ex-ante regulering van vaste netwerken in Nederland op basis van hoofdstuk 6a en 6b van de Telecommunicatiewet (‘Tw’), maar geen einde van ex-ante regulering van telecommarkten als zodanig. Op 2 juni jl. is de wetswijziging van de Tw aangenomen in verband met de implementatie van het Europese wetboek van elektronische communicatie (‘EECC’). Hiermee krijgt de ACM nog dit jaar ruime bevoegdheden om toegang tot (vaste) netwerken af te dwingen op basis van artikel 6.3 Tw (nieuw).

Lees de annotatie hier: Computerrecht

 

Visie

Goed voorbereid op een ACM-inval

Na een tijdelijke stilstand als gevolg van de COVID 19-crisis heeft de Nederlandse mededingingsautoriteit, de Autoriteit Consument & Markt (“ACM”), laten weten haar bedrijfsbezoeken (“invallen”) te hervatten. Ondernemingen moeten dus (weer) voorbereid zijn op zo’n “verrassingsbezoek”. De ACM baseert zich bij haar selectie van bedrijven die onderworpen worden aan een inval op marktinformatie, die zij bijvoorbeeld ontvangt van ex-werknemers of concurrenten die gebruik maken van ACM’s clementieregeling (“klikken”). Om zo een bedrijfsbezoek in goede banen te leiden is het belangrijk dat u degelijk voorbereid bent. bureau Brandeis heeft voor u de volgende (voorbeeld) documenten ontworpen die u hierbij helpen: Instructies inval ACM receptie, Juridisch kader inval ACM en Instructies inval ACM medewerkers.

 

 

Visie

Update: online gambling in the Netherlands: timing opening and other updates

The measures taken in connection with COVID-19 can be felt in every sector, including games of chance. Fortunately, public life is gradually starting up again and landbased casino’s are expected to reopen on 1 July 2020. Also the process leading up to the entry into force of the Dutch Remote Gambling Act (Wet kansspelen op afstand) is moving ahead.

For instance, last week the Permanent Committee for Justice and Security of the Dutch Lower House held a meeting about among others the draft Decree Remote Gambling (Besluit kansspelen op afstand, “Decree”). It was decided that as a next step, the Decree will be scheduled for a plenary debate. The debate is currently scheduled for next week but the date may shift. We expect that it will take place before the summer recess starting on 3 July 2020.If everything goes as planned, the step thereafter will be that the Decree will be sent to both the Dutch Council of State (Raad van State) for advice and the European Commission, in order to be notified. This brings the Netherlands one step closer to the opening of the market.

No use of existing database

 One important issue that came up recently in responses from the Minister for Legal Protection is the introduction of a prohibition to make use of the customer database that online operators built up before becoming licensed in the Netherlands. This prohibition shall be included in the license term. The Minister stated the following:

“A provider who offered remote games of chance in the Netherlands without a license prior to the entry into force of the Koa Act, and who is nevertheless in possession of an online gaming license after an intensive reliability assessment by the Gaming Authority, may not use his database of players in the Netherlands that he has built up in the previous period … .”

The reliability of applicants that already have been active on the Dutch market, will be assessed by the Netherlands Gaming Authority (Kansspelautoriteit; “KSA”) on the basis of the compliance with the so called ‘cooling off-criteria’. Earlier this year the Minister augmented the cooling off period from 2 to 2,5 years prior to the date on which an application is filed by an operator:

“In the transition to the necessary regulation of remote games of chance, the Gaming Authority, in the interests of a prosperous channelling of this reliability assessment, temporarily assigns less weight to any previously illegal offer, provided the provider concerned has refrained from offering online games of chance specifically aimed at Dutch consumers in a period of at least two and a half years prior to the licence application and has demonstrably verified the age of players at the time of registration as of 1 January 2020.”

 Advertising restrictions: role models

 The Minister also elaborated on some advertising restrictions. The use of role models that have a substantial reach among minors and young adults (below 25) shall be prohibited. The Minister specified that role models will have to scrutinized in view of their reach on among others social media, in series and movies or music. He also explained that sponsorship of youth teams and logos of licence holders on products worn by children is covered by the prohibition to target minors.

Timing and next steps: market opening in 2021

  • The chairman of the KSA announced last week that the KSA will disclose more information about the connection procedure between operator’s customer databases and the Central Register Exclusion Games of Chance (Centraal Register Uitsluiting Kansspelen; “CRUKS”) by mid-June. also indicated that although operators are responsible for the implementation of CRUKS, the KSA is committed to facilitate this process. For instance, operators will be able to ask for technical guidance from the KSA, which will then be provided through interactive sessions.
  • It is also expected that the KSA will publish the draft policy rules regarding the reliability of the applicant and the draft application form this summer.
  • If all these steps are taken in time, theoretically it is still possible that the Remote Gambling Act will enter into force on 1 January 2021 and that the market will open on 1 July 2021. However, given the tight planning, a delay of one or two months seems well possible. If this is the case, the start of the license application process will accordingly shift from 1 January 2021 to a few months later, the same applies to the market opening.

Licenses and what preparation 

Operators that did not offer online gambling to the Dutch market without a license, shall be able to apply for a license as soon as the application process opens in 2021. Unlicensed operators that were already active have to comply as noted earlier with the cooling off criteria and are expected to file their applications as of 6 months later.  It is expected that a large amount of operators will apply for a license when the application procedure starts. This is also the expectation for operators that have to comply with the cooling off-criteria and that can first apply 6 months later. In total, the KSA is expecting to grant around 90 licenses.

As the requirements for the license application are for the majority available, see also our previous blog, and as these are quite extensive, operators interested in the Dutch market are recommended to start preparing their applications!

For questions, more information or assistance with an application for online gambling in the Netherlands, you can contact Machteld Robichon or Fransje Brouwer.

Visie

Facebook buttons, fanpagina’s en andere gevallen van “gezamenlijke verantwoordelijkheid”

Vaker dan doorgaans wordt ingeschat, is sprake van gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het gebruik van persoonsgegevens. Dat blijkt uit rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (“HvJEU”) in 2018 en 2019. De Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) bepaalt dat in deze situaties specifieke controller-to-controller afspraken moeten worden gemaakt.

De verantwoordelijke in het privacyrecht

De partij die aan de regels van de AVG moet voldoen, is de “verwerkingsverantwoordelijke” (ook wel: “controller“ of “data controller“ en hierna aangeduid met “verantwoordelijke“). Dat is de partij die alleen of samen met anderen het doel en de middelen van de gegevensverwerking vaststelt (art. 4 lid 7 AVG). De verantwoordelijke valt te onderscheiden van de “verwerker”, die persoonsgegevens alleen ten behoeve van een verantwoordelijke verwerkt (zie ook de opinie van de artikel 29 werkgroep over dit onderwerp). Op de verwerker rusten ook verplichtingen onder de AVG, maar dat zijn er aanzienlijk minder dan op de verantwoordelijke.

De praktijk

In de praktijk zijn er veel situaties waarin de ene partij gebruik maakt van de diensten van een ander, en waarbij door één van die partijen of door beide partijen persoonsgegevens worden verwerkt. Te denken valt bijvoorbeeld aan alle vormen van IT-diensten waarbij de ene partij in het kader van zijn diensten voor de andere partij gegevens verkrijgt, opslaat of inziet.

In dergelijke situaties moet worden beoordeeld welke rol de verschillende partijen ten aanzien van de persoonsgegevens innemen. Is sprake van een verwerker-verantwoordelijke relatie waarbij de ene partij zonder invloed de gegevens voor de andere partij verwerkt, is sprake van gezamenlijke verantwoordelijkheid of is sprake van een verstrekking van gegevens door de ene zelfstandig verantwoordelijke aan de andere zelfstandig verantwoordelijke?

Veel samenwerkingen werden als verwerker-verantwoordelijke relatie of verantwoordelijke-verantwoordelijke gekwalificeerd. De jurisprudentie van het HvJEU laat echter zien dat dat niet altijd juist is, en dat sneller sprake is van gezamenlijke verantwoordelijkheid dan men misschien dacht. Dit is van belang, omdat in dat geval andere afspraken moeten worden gemaakt en andere aansprakelijkheidsregels gelden.

Wat was er aan de hand?

De Facebook-fanpagina

De zaak Wirtschaftsakademie (HvJEU 5 juni 2018, zaak C‑210/16) draait om de vraag of een beheerder van een fanpagina op Facebook medeverantwoordelijk is voor de gegevens die Facebook via die pagina verzamelt en verwerkt.

Wirtschaftsakademie is een Duitse onderwijsorganisatie met een fanpagina op Facebook. Dit is de Facebook-pagina die hoort bij een Facebook-account voor een bedrijf of organisatie.

Bij een bezoek aan een fanpagina op Facebook worden cookies geplaatst. Vervolgens wordt met die cookies informatie verzamelt wanneer de bezoeker Facebook bezoekt, of een andere website die gebruik maakt van Facebook-diensten. De op deze wijze verzamelde informatie wordt gebruikt voor twee doeleinden:

  • Om de Facebook-advertentiediensten te verbeteren en Facebook in staat te stellen gericht te adverteren;
  • Om statistieken te creëren voor de beheerder van de fanpagina, bestaande uit anonieme statistische gegevens die een profiel van de bezoekers van de fanpagina schetsen zodat de beheerder de informatie en/of zijn diensten daarop aan kan passen.

Volgens het HvJEU bepaalt Facebook primair het doel en de middelen van de verwerking van persoonsgegevens van Facebook-gebruikers en andere bezoekers van de fanpagina. De vraag is echter in hoeverre de beheerder bijdraagt aan het bepalen daarvan.

Hoewel een gewone Facebook-gebruiker doorgaans niet als medeverantwoordelijke wordt gezien, onderscheid de beheerder van een fanpagina zich daarvan doordat:

  • De beheerder Facebook in staat stelt cookies te plaatsen, ongeacht of de bezoeker van de fanpagina een gebruiker is van Facebook of niet;
  • De beheerder bij het aanmaken van de pagina instellingen bepaalt zoals het doelpubliek en de doelstellingen van de pagina die van invloed zijn op de verwerking, bijvoorbeeld door het instellen van filters en het aanwijzen van bepaalde categorieën personen;
  • De beheerder kan vragen om bepaalde demografische gegevens over de bezoekers van de fanpagina van Facebook te ontvangen zoals de leeftijd, geslacht, beroep en interesses van de doelgroep, maar ook over aankopen of geografische gegevens.

Dit maakt dat de beheerder deelneemt aan het bepalen van het doel en de middelen van de verwerking en dus gezamenlijk met Facebook moet worden aangemerkt als de verantwoordelijke. De verantwoordelijkheid van de beheerder is nog groter omdat ook van personen die geen Facebook-account hebben gegevens worden verzameld enkel omdat zij de fanpagina bezoeken.

Daarbij maakt het niet uit dat de beheerder uitsluitend geanonimiseerde gegevens ontvangt en zelf geen toegang heeft tot de persoonsgegevens. Het HvJEU benadrukt dat het feit dat de beheerder slechts gebruik maakt van een platform van een derde hem niet kan ontslaan van verantwoordelijkheid, maar benadrukt wel dat de verantwoordelijkheid niet noodzakelijkerwijs gelijkwaardig is.

Huis-aan-huis verkondiging van Jehova-getuigen

De volgende zaak (HvJEU 10 juli 2018, zaak C-25/17) draait om de verwerking van persoonsgegevens in het kader van huis-aan-huis verkondiging van het geloof door Jehova-getuigen.

Bij de huis-aan-huis verkondiging verzamelen de leden van de geloofsgemeenschap persoonsgegevens. De vraag is wie daarvoor de verantwoordelijke is. Is dat de geloofsgemeenschap, zijn dat de leden of beiden?

Volgens het HvJEU kan iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die met eigen redenen invloed uitoefent op de verwerking van persoonsgegevens en die daardoor deelneemt aan de vaststelling van het doel en middelen van de verwerking als verantwoordelijke worden beschouwd.

Het HvJEU vervolgt dat enerzijds de leden van de geloofsgemeenschap invloed hebben. Zij beslissen immers wanneer ze gegevens verzamelen, welke gegevens zij verzamelen en hoe zij die verwerken. Anderzijds worden de persoonsgegevens verwerkt in het kader van de huis-aan-huis verkondiging met als doel het geloof van de gemeenschap uit te dragen. Dit is een wezenlijke activiteit van de gemeenschap, die door de gemeenschap wordt georganiseerd, gecoördineerd en aangemoedigd. De gegevens worden verzameld als geheugensteun voor een later bezoek en de gemeenten houden lijsten bij van personen die niet meer willen worden bezocht. Het HvJEU concludeert dat de gemeenschap door de geloofsverkondigingsactiviteit van haar leden te organiseren, coördineren en aan te moedigen, samen met haar leden, deelneemt aan de vaststelling van het doel en middelen van de verwerking. De leden en de gemeenschap moeten daarom als gezamenlijk verantwoordelijke worden aangemerkt.

Facebook buttons

De laatste zaak (HvJEU 29 juli 2019, zaak C-40/17) gaat over het gebruik van Facebook-buttons, meer specifiek om een zogenaamde “vind-ik-leuk” button die de webwinkel Fashion ID op haar website heeft geplaatst. Via de button worden van alle bezoekers van de website gegevens verzameld en aan Facebook doorgezonden, ongeacht of die bezoeker op de button klikt en ongeacht of hij een Facebook-account heeft.

Volgens het HvJEU heeft een beheerder van een website die een dergelijke button plaatst beslissende invloed op het verzamelen en doorsturen van de gegevens omdat het verzamelen en doorzenden niet zou plaatsvinden zonder die actie. Aan de andere kant is het Facebook die de technologie van de button ter beschikking stelt. Fashion ID en Facebook bepalen daarom samen de middelen. Hetzelfde geldt voor het doel, omdat de verwerkingen worden verricht in het economisch belang van zowel Fashion ID als Facebook. Facebook en Fashion ID zijn dan ook gezamenlijk verantwoordelijken. Deze verantwoordelijkheid is echter beperkt tot het verzamelen en verstrekken van de gegevens door middel van de button en ziet niet op eventueel gebruik van de gegevens vroeger of later in de verwerkingsketen, waarvan het doel en de middelen niet gezamenlijk worden vastgesteld.

Wanneer is nu sprake van gezamenlijke verantwoordelijkheid?

Van gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de verwerking van persoonsgegevens zal met name sprake zijn wanneer beide partijen in een samenwerking:

  • belang hebben bij de verwerking;
  • noodzakelijk zijn voor de verzameling van de gegevens;
  • invloed hebben op welke gegevens worden verzameld en/of hoe ze worden verwerkt.

De laatste uitspraak (Fashion ID) lijkt echter ook het afbakenen van de verantwoordelijkheid in verschillende fases van de verwerking mogelijk te maken.

Overigens is het goed om hierbij te bedenken dat deze uitspraken allen onder de privacyrichtlijn zijn gewezen die inmiddels is vervangen door de AVG. De uitspraken zijn ook relevant onder de AVG, maar het kan zijn dat de lijn die het HvJEU op sommige punten kiest niet langer (volledig) gevolgd zou worden onder de AVG. Zo bepaalde het HvJEU in Wirtschaftsakademie dat de verantwoordelijkheid van de partijen die gezamenlijk verantwoordelijk zijn niet noodzakelijkerwijs gelijkwaardig is. Het is de vraag hoe dit zich verhoud tot de hoofdelijke aansprakelijkheid voor gezamenlijk verantwoordelijken uit art. 26 lid 3 en 82 lid 4 AVG (zie tevens overweging 146 AVG). Mogelijk focust het HvJEU daarom in Fashion ID op afbakening per fase en volgt zij daarmee de A-G die dit verschil tussen de Privacyrichtlijn en AVG terecht aankaart, maar erg duidelijk is dit niet. Het is daarom te verwachten dat toekomstige jurisprudentie op dergelijke punten meer duidelijkheid gaat brengen.

Wat betekent dit in de praktijk?

Aan de beoordeling van de rolverdeling zal in de praktijk meer aandacht moeten worden besteed, zodat een partij, hoe hij ook kwalificeert, desgevraagd aan de toezichthouder kan laten zien waarom hij meent verwerker, verantwoordelijke of gezamenlijk verantwoordelijke te zijn en de aansprakelijkheid van de verschillende betrokken partijen goed is geregeld.

Voor partijen die een Facebook-fanpagina hebben, gebruik maken van Facebook buttons of andere diensten waardoor gegevens worden uitgewisseld met Facebook, zijn de arresten duidelijk: Facebook en de gebruiker van de dienst kwalificeren als gezamenlijk verantwoordelijken. Het HvJEU laat de eindbeslissing formeel over aan de verwijzende rechter, maar in wezen lijkt dat niet meer in te houden dan een verificatie van de feiten. Het is dus zaak om hier zo snel mogelijk afspraken over te maken met Facebook.

Ook in andere gevallen zal het nodig zijn om afspraken te maken over de gezamenlijke verantwoordelijkheid van partijen. Hiervoor gelden op grond van de AVG minder vereisten dan voor de verwerkersovereenkomst, wat maakt dat partijen meer vrijheid hebben. Partijen zullen afspraken moeten maken over wie precies verantwoordelijk is voor welk onderdeel van de verwerking, voor het informeren van betrokkenen en het uitoefenen van rechten door betrokkenen. Vanzelfsprekend is daarbij ook van groot belang af te spreken hoe ver de aansprakelijkheid van beide partijen reikt.

Vita Zwaan en Silvia van Schaik

Visie

Richten en missen in de enqueteprocedure

Recent overwoog de Hoge Raad dat de enquêteprocedure is gericht op het belang van de rechtspersoon (die voorwerp is van deze procedure). Dat lijkt stating the obvious. Maar als je er wat langer over nadenkt, roept het toch pittige vragen op.

Floor Eikelboom schreef daarover een artikel in het tijdschrift Ondernemingsrecht (klik hier voor het artikel). Aan de orde komt onder meer:

  • (on)partijdigheid: heeft de rechtspersoon bij de Ondernemingskamer misschien een streepje voor op de andere procespartijen?
  • rechtseenheid: leidt een enquêteprocedure tot andere, voor de rechtspersoon meer gunstige, uitkomsten, dan een procedure voor de gewone civiele rechter?
  • equality of arms: speelt het bewijsrecht in de enquêteprocedure in de kaart van de rechtspersoon?
  • En is dat allemaal eigenlijk wel de bedoeling, mede gezien art. 6 EVRM
Visie

Update Mediawet: wetsvoorstel implementatie AMVS en verlaging ledeneis

Ministers Slob en Van Engelshoven berichten in een brief dat de Nota naar aanleiding van het verslag van het wetsvoorstel dat de herzieningsrichtlijn audiovisuele mediadiensten (richtlijn (EU) 2018/1808) in de Mediawet implementeert tijdens het meireces beschikbaar komt, dit mede gezien de implementatiedeadline van 19 september 2020. Daarom wordt de kamer gevraagd de verdere behandeling met urgentie op te pakken.

Dit wetsvoorstel introduceert onder meer een versoepeling van de regels voor televisiereclame voor commerciële zenders. Daarnaast bevat dit nieuwe regels specifiek voor commerciële mediadiensten op aanvraag: het aanbod moet straks ten minste dertig procent uit Europese producties bestaan. Thans geldt slechts een bevorderingsplicht. Ook is de Mediawet straks van toepassing op een nieuwe categorie ‘videoplatformdiensten’ als YouTube. Daarvoor gaan verplichtingen gelden ter bescherming tegen schadelijke inhoud en omtrent de herkenbaarheid van reclame, waaronder de aansluiting bij de Nederlandse Reclame Code of een vergelijkbare regeling.

Ook voor de publieke omroep is er een aanpassing van de Mediawet die haast heeft. Aanleiding is de visiebrief over de landelijke publieke omroep. Het wetsvoorstel ligt nu voor advies bij de Raad van State. In dit wetsvoorstel wordt de ledeneis voor de huidige aspirant-omroepen verlaagd naar 50.000 leden. De ledeneis bedraagt nu 150.000. Daar de peildatum voor de ledentelling op 31 december 2020 is, moet de aanpassing voordien worden ingevoerd. Het niet tijdig behandelen van dit wetsvoorstel kan tot gevolg hebben dat de huidige aspiranten uit het publieke bestel vallen, aldus de Minister. Het wetsvoorstel is ook van belang voor het vaststellen van het concessiebeleidsplan en de beleidsplannen van de omroepen. Dit moet zodoende ook met spoed worden behandeld.

Er volgen dus twee belangrijke wijzigingen van de Mediawet dit jaar. Mocht u hierover vragen hebben, neemt u dan gerust contact op met Machteld Robichon.

Visie

bureau Brandeis climbs in Legal500-rankings

In its latest publication Legal500, one of the most prestigious legal directories worldwide, has recognized the growing success of bureau Brandeis as one of the leading litigation boutique firms in the Netherlands.

bureau Brandeis comes in highly recommended for Dispute Resolution (Commercial Litigation), Privacy and data protection, Media & entertainment, Information Technology, Intellectual Property, Telecoms and EU & Competition

Of all Dutch litigation firms we are proud to have the highest number of recommended partners and senior counsels: Christiaan Alberdingk Thijm (Media, Telecoms, Intellectual Property and Information Technology),  Louis Berger (Commercial Litigation), Hans Bousie (EU Competition and Media/Entertainment), Bas Braeken (EU & Competition, Telecoms and Commercial Litigation), Frank Peters (Commercial Litigation), Machteld Robichon (Media/Entertainment, Telecoms and Information Technology), Jozua van der Beek (Commercial Litigation) and Vita Zwaan (Privacy and Data Protection).

We are especially excited to see a number of our young stars Caroline de Vries, Syb Terpstra, Sophie van Everdingen and Sam van Velze entering the rankings.

bureau Brandeis is grateful to its clients and partnering law firms for trusting us for their most important matters. Our success is their success.

Visie

Update: een snelle beslissing van de rechter tijdens de corona-crisis

Op 31 maart en 6 april 2020 schreven wij een blog over de mogelijkheden om tijdens de Corona-crisis een snelle beslissing van de rechter te krijgen, ondanks sluiting van de rechtbanken. Uit onze laatste update volgt dat de rechtbanken langzamerhand meer voorzieningen krijgen om zaken (op afstand) te behandelen. Sinds 7 april is de rechtspraak een nieuwe fase in gegaan waarin niet meer alleen de meest urgente, maar ook andere (urgente) zaken kunnen worden behandeld.

Inmiddels is ook bekend hoe de behandeling van familie- en jeugdzaken bij de rechtbank Amsterdam er in deze fase uit gaat zien.

Naast zaken die als zeer urgent kunnen worden aangemerkt – waaronder verzoeken tot voorlopige ondertoezichtstelling, uithuisplaatsing, voorlopige voogdij  en zaken waarbij de veiligheid van kinderen in het geding is –  kunnen vanaf nu ook zaken worden behandeld die de stempel urgent hebben meegekregen. Dit gaat om zaken in de zogenoemde familie-stroom – zoals gezag en omgang, echtscheiding, en alimentatiezaken – als ook de inhoudelijke behandeling van strafzaken van gedetineerde minderjarige verdachten. Zie de bijlagen bij het tijdelijke crisisreglement voor volledige lijsten van de zaken die als zeer urgent of urgent kunnen worden aangemerkt.

De rechter besluit op welke wijze de zaken worden behandeld. Dat kan via (beeld)bellen, schriftelijk, of op een onbepaald later tijdstip via een reguliere fysieke zitting.

Indien voor de optie (beeld)bellen wordt gekozen, dan zullen partijen kort voor de zitting per e-mail een link ontvangen via waar beeldcontact kan worden gelegd met de rechtbank. Dit gebeurt enkel via beveiligde beldiensten. Zowel de advocaten als de cliënt(en) krijgen de mogelijkheid om gezamenlijk of apart in te bellen.

Partijen hebben ook de mogelijkheid om het onderling eens te worden over een gewenste wijze van behandeling van de zaak (beeldbellen of schriftelijk). Zij kunnen de rechtbank hiervan op de hoogte stellen per e-mail.

Op dit moment worden de urgente familiezaken door de rechters gefilterd op een van de hierboven genoemde behandelingsmogelijkheden. Dat geldt voor de zaken waarvoor zittingen vanaf 13 april e.v. waren gepland, voor reeds ingetrokken urgente familiezaken (periode 16 maart t/m 10 april) en nog niet geplande urgente zaken.

Bij de jeugdstrafzaken is er iets meer ruimte in die zin dat de rechtbank bij hoge uitzondering ook tot een fysieke zitting kan overgaan. Bij gedetineerde minderjarigen zal bekeken worden of de inhoudelijke behandeling van de zaak via een fysieke zitting of via beeldbellen gerealiseerd kan worden. Mocht dit niet mogelijk zijn, dan zal de rechter, waar nodig, enkel een beslissing over de voorlopige hechtenis geven. De tijdelijke crisisregeling voor het afdoen van familiezaken is hier te vinden. Deze regeling geldt in ieder geval voor de periode zolang de rechtbanken gesloten blijven vanwege het Corona-virus.

Visie

UPDATE: een snelle beslissing van de rechter tijdens de Corona-crisis

Wij schreven op 31 maart 2020 over de mogelijkheden om een snelle beslissing te krijgen van de rechter tijdens de Corona-crisis. De ontwikkelingen hierover volgen wij op de voet. Inmiddels heeft de rechtspraak deze regeling verduidelijkt en vanaf 7 april wordt deze bovendien uitgebreid.

Uitgangspunt is nog steeds dat de meest urgente zaken voor een snelle behandeling in aanmerking komen. Inmiddels is duidelijk dat dit geldt voor kort gedingen (spoedeisende zaken), voorlopige voorzieningen (verzoeken om een tijdelijke maatregel in afwachting van een beslissing), beslagrekesten (om betaling van een schuld veilig te stellen) deelgeschillen en verlenging van huurovereenkomsten, voor zover daarbij sprake is van superspoed. Het is aan de rechter om te bepalen of een zaak als zodanig kan worden aangemerkt en of de zitting moet doorgaan.

Naast zeer urgente zaken komen vanaf 7 april 2020 ook andere urgente zaken voor zover mogelijk voor een snelle behandeling in aanmerking. De voorzieningen bij de rechtbank zijn inmiddels uitgebreid en daardoor kunnen naast bovengenoemde zaken bijvoorbeeld ook urgente huurzaken, bezwaar- en beroepschriften in faillissementsbeslissingen en bepaalde wwz-zaken voor een snelle behandeling in aanmerking komen (de lijst met ´overige urgente zaken´ is hier te vinden). Zaken kunnen door de rechter als urgent worden aangemerkt wanneer geen overeenstemming kan worden bereikt over het schriftelijk afdoen van de zaak en wanneer de rechter van oordeel is dat de zitting niet kan worden uitgesteld na 28 april 2020. Een en ander is mede afhankelijk van de beschikbare capaciteit van de betreffende rechtbank.

Wanneer een zaak als (zeer) urgent wordt aangemerkt, dan is verder alleen de werkwijze iets aangepast. Alles wordt zoveel mogelijk op afstand gedaan.

Zo kan een mondelinge behandeling van de zaak nu op afstand via een telefonische (beeld)verbinding plaatsvinden, in plaats van op de rechtbank. Partijen hebben op deze manier dus zoals gebruikelijk de mogelijkheid om standpunten toe te lichten en vragen van de rechter te beantwoorden.

Het is nu ook mogelijk om de hele procedure schriftelijk te voeren. Partijen kunnen dan schriftelijk reageren op elkaars standpunten en er bestaat dan eventueel ook de mogelijkheid voor een ‘live’ e-mail moment met de voorzieningenrechter voor vragen en opmerkingen. Een schriftelijke procedure wordt alleen gevolgd als beide partijen daarmee instemmen.

De aangepaste regels gelden op basis van een algemene regeling zaaksbehandeling Rechtspraak en een uitzonderingsbepaling die vanaf 25 maart 2020 tot nader order van kracht is. Ook zaken die niet als urgent worden aangemerkt kunnen volgens de aangepaste werkwijze worden behandeld, mits de rechter dat bepaalt.

Wij zijn ervaren procesadvocaten. Mocht u hulp nodig hebben bij het aanvragen van een voorlopige voorziening, neem dan gerust contact met ons op.

Visie

Een snelle beslissing van de rechter tijdens de Corona-crisis

De rechtbanken zijn tijdelijk gesloten vanwege de Corona-crisis. Maar wat als je een probleem of geschil hebt dat niet kan wachten?

Hoewel de Corona-maatregelen ook de rechtbanken treffen, zijn er gelukkig nog mogelijkheden om een snelle beslissing van de rechter (een voorlopige voorziening) te verkrijgen. Wel maakt de rechter een onderscheid tussen urgente en niet-urgente zaken. Als jouw zaak als urgent wordt aangemerkt, dan zal de voorzieningenrechter de zaak snel behandelen. In dat geval is verder alleen de werkwijze tijdelijk iets aangepast.

Zo kan een mondelinge behandeling van de zaak nu op afstand via een telefonische (beeld)verbinding plaatsvinden, in plaats van op de rechtbank. Partijen hebben op deze manier dus zoals gebruikelijk de mogelijkheid om standpunten toe te lichten en vragen van de rechter te beantwoorden.

Het is nu ook mogelijk om de hele procedure schriftelijk te voeren. Partijen kunnen dan schriftelijk reageren op elkaars standpunten en er bestaat dan eventueel ook de mogelijkheid voor een ‘live’ e-mail moment met de voorzieningenrechter voor vragen en opmerkingen. Een schriftelijke procedure wordt alleen gevolgd als beide partijen daarmee instemmen.

De regeling geldt op basis van een uitzonderingsbepaling die vanaf 25 maart 2020 tot nader order van kracht is. Ook zaken die niet als urgent worden aangemerkt kunnen volgens de aangepaste werkwijze worden behandeld, mits de rechter dat bepaalt.

Wij zijn ervaren procesadvocaten. Mocht u hulp nodig hebben bij het aanvragen van een voorlopige voorziening, neem dan gerust contact met ons op.

Visie

Coronavirus-helpdesk

Juist in tijden van nood, zoals nu vanwege het coronavirus, is bureau Brandeis er voor haar cliënten. Vandaar dat bureau Brandeis voor u klaarstaat met een coronavirus-helpdesk.

De verspreiding van het coronavirus raakt alle bedrijven en alle bedrijfstakken. Dit heeft grote implicaties en levert veel allerhande juridische vragen op, zoals:

  • Wat te doen als uw klant of opdrachtgever op omvallen staat?
  • Is de overeenkomst waar je als onderneming zeer van afhankelijk bent afdwingbaar (al dan niet in kort geding door het vorderen van nakoming)?
  • Andersom, wat kun je doen als je je wilt verweren tegen een mogelijke aanspraak op nakoming die jouw onderneming juist in zwaar weer zou brengen?
  • Moet ik al mijn crediteuren gelijkelijk behandelen, nu het even wat krapper is?
  • Etc.

Veel juridische vragen over de gevolgen van het coronavirus heeft bureau Brandeis al beantwoord in deze blogpost.

Graag wil bureau Brandeis u ook in (andere) specifieke situaties van dienst zijn. Door een kort telefoontje (of e-mailtje) met Hans Bousie of Stefan Campmans van onze corona-helpdesk weet u snel waar u aan toe bent.

Aarzel dus niet om ook in deze moeilijke tijden contact op te nemen met de corona-helpdesk van bureau Brandeis over alle juridische vragen over het coronavirus. En mocht u vragen hebben die niet op ons terrein liggen, denk aan fiscale of arbeidsrechtelijke vragen, dan verwijzen wij u graag door naar collega’s waar wij nauw mee samen werken en zo lossen we het samen wel op.

Visie

Niet nakomen door corona – overmacht of onvoorziene omstandigheid?

Het coronavirus. Iedereen heeft er inmiddels mee te maken. Ons kantoor, waar de meesten vanuit huis werken, de gerechtelijke instanties, en onze cliënten. Die vragen zich af wat de coronacrisis betekent voor hun lopende contracten, verplichtingen en evenementen. Mogen zij hun overeenkomst (tussentijds) beëindigen, hun dienstverlening staken of aanpassen, leveringen opschorten, en (grote) evenementen cancelen? Kunnen zij dat doen zonder schadeplichtig te zijn of te worden jegens hun contractuele wederpartij?

Voor al deze vragen is van belang of sprake is van overmacht, ook wel aangeduid als “force majeure”, of onvoorziene omstandigheden. Beide onderwerpen komen hierna aan bod.

Hoofdregel: nakoming en schadevergoedingsplicht

Hoofdregel in het Nederlandse contractenrecht is dat afspraken moeten worden nagekomen. Doe je dat niet, dan ontstaat een schadevergoedingsverplichting. Artikel 6:74 BW bepaalt dat iedere tekortkoming in de nakoming van een verbintenis de schuldenaar verplicht de schade die de schuldeiser daardoor lijdt te vergoeden, tenzij de tekortkoming de schuldenaar niet kan worden toegerekend. De wederpartij kan in het geval van een tekortkoming ook een vordering instellen tot nakoming, of de overeenkomst ontbinden.

Overmacht

Dat is echter anders als de tekortkoming niet aan de schuldenaar kan worden toegerekend, omdat sprake is van overmacht. Artikel 6:75 BW bepaalt:

‘Een tekortkoming kan de schuldenaar niet worden toegerekend, indien zij niet is te wijten aan zijn schuld, noch krachtens wet, rechtshandeling of in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt.’

Voor overmacht is vereist dat een partij geen persoonlijk verwijt treft in verband met de tekortkoming. Deze mag dus niet het gevolg zijn van een belemmering die een partij had moeten en kunnen voorkomen. Ook mag de tekortkoming niet nadrukkelijk voor rekening en risico van een partij komen. Dat is bijvoorbeeld het geval als een partij een garantie heeft afgegeven dat hij “instaat” voor een bepaalde prestatie, waardoor hij zich niet langer op overmacht kan beroepen.

Contractuele overmacht

Artikel 6:75 BW is van regelend recht. Contactspartijen mogen daar dus van afwijken en kunnen zelf afspraken maken over welke situaties overmacht opleveren en welke niet. Op die manier kunnen overmachtssituaties worden uitgebreid of beperkt. In de praktijk zal daarom eerst gekeken moeten worden of partijen in hun contract of hun algemene voorwaarden een overmachtsclausule hebben opgenomen en, zo ja, hoe die moet worden uitgelegd.

Veel contracten voorzien in een ruime overmachtsclausule, waarin doorgaans situaties als stakingen, rellen, overstromingen, oorlog en natuurrampen worden aangemerkt als overmacht. In de praktijk hebben wij echter nog geen bepaling gezien die ook nadrukkelijk anticipeert op de huidige crisis. Virusuitbraken en pandemieën zijn doorgaans niet opgenomen in de overmachtsclausule.

Bij gebreke van een bepaling die ook de huidige coronacrisis dekt, moet worden teruggevallen op de wet.

Wettelijke overmacht

De wettelijke drempel voor overmacht ligt hoog. Van overmacht is in beginsel pas sprake als nakoming onmogelijk of praktisch onmogelijk is. Als nakoming wel mogelijk, maar alleen lastiger of bezwaarlijker is – bijvoorbeeld omdat door omstandigheden extra kosten gemaakt moeten worden om na te kunnen komen – zal in beginsel geen sprake zijn van overmacht.

De verhindering in de nakoming kan zowel tijdelijk als blijvend zijn en kan zowel de gehele prestatie of een deel daarvan betreffen. Wanneer de overmachtssituatie precies is ontstaan is niet van belang. Doorslaggevend is of er sprake is van een overmachtssituatie op het moment dat een partij moet presteren.

Bij de vraag of sprake is van overmacht spelen dus een aantal vragen. In hoeverre is nakoming onmogelijk? In hoeverre ligt de oorzaak buiten de invloed van een partij? Is sprake van een door de overheid opgelegde maatregel, waardoor niet kan worden nagekomen? Bestaat er een alternatieve oplossing, waardoor alsnog kan worden nagekomen? Was niet-nakoming voorzienbaar? Of een beroep op overmacht kan slagen zal steeds per geval beoordeeld moeten worden.

Levert de coronacrisis overmacht op?

Op 11 maart 2020 kwalificeerde de World Health Organization het coronavirus als een zogeheten pandemie, ofwel een wereldwijde epidemie. Op 12 respectievelijk 15 maart 2020 heeft de Nederlandse overheid een pakket maatregelen aangekondigd om de verdere verspreiding van het virus te beperken. Het gaat om maatregelen die ongekend zijn in vredestijd. Evenementen met meer dan 100 bezoekers zijn verboden. Als gevolg daarvan moeten musea en theaters hun deuren sluiten. Sportwedstrijden kunnen geen doorgang vinden. Universiteiten, scholen, kinderdagverblijven, restaurants en cafés, sportclubs, sexclubs etc. zijn gesloten. Verder roept de overheid mensen op thuis te werken, 1.5 meter afstand van elkaar te bewaren en bezoek aan kwetsbare personen te vermijden. Deze maatregelen zijn per direct ingegaan, gelden tot en met 6 april 2020 en worden mogelijk verlengd. Niet alleen in Nederland, maar overal ter wereld worden vergelijkbare maatregelen getroffen. Vele landen zijn in “lockdown” en het vliegverkeer wordt grotendeels platgelegd.

Het behoeft weinig toelichting dat deze maatregelen een enorme impact hebben op veel vormen van dienstverlening en talloze contractuele verhoudingen zullen raken. Veel diensten kunnen immers niet meer geleverd worden. Onder de huidige omstandigheden zal het coronavirus naar onze mening in veel gevallen resulteren in overmacht, voor zover de overheidsmaatregelen nakoming onmogelijk maken en er geen alternatieve oplossing voorhanden is.

Gevolgen

Een partij die zich met succes op overmacht beroept, kan het recht hebben om een overeenkomst te beëindigen (op te zeggen), contractuele verplichtingen op te schorten, of de termijn voor nakoming uitstellen. De wederpartij kan in die situatie geen nakoming van het contract afdwingen; nakoming is immers niet meer mogelijk. Ook heeft de wederpartij geen recht op schadevergoeding, want de tekortkoming is niet toerekenbaar. Wel kan de wederpartij het contract in beginsel ontbinden vanwege de tekortkoming. Voor ontbinding is namelijk niet vereist dat een tekortkoming toerekenbaar is.

Onvoorziene omstandigheden

Naast een mogelijk beroep op overmacht, voorziet de wet met art. 6:258 lid 1 BW ook in een mogelijkheid dat de gevolgen van een overeenkomst kunnen worden gewijzigd of dat de overeenkomst geheel of gedeeltelijk door de rechter kan worden ontbonden op grond van onvoorziene omstandigheden.

Ook hiervoor ligt de drempel hoog. De onvoorziene omstandigheden moeten namelijk van dien aard zijn dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten.

Levert de coronacrisis een onvoorziene omstandigheid op?

De huidige coronacrisis was naar onze mening (voor de meeste van ons in ieder geval) niet te voorzien. Zeker niet in de huidige omvang, mede gelet op de ingrijpende aard van de door de overheid vervolgens (van de één op de andere dag) getroffen maatregelen. De coronacrisis kwalificeert op zichzelf dus zonder meer als een onvoorziene omstandigheid. Toch brengt het enkele feit dat het coronavirus (in de brede zin van het woord) niet te voorzien was, niet automatisch met zich dat een overeenkomst op basis daarvan zal (moeten) worden gewijzigd of (gedeeltelijk) worden ontbonden.

Het gaat er namelijk om van welke veronderstellingen de partijen bij het aangaan van de overeenkomst zijn uitgegaan. Met andere woorden: hebben partijen in de mogelijkheid van het optreden van onvoorziene omstandigheden in de overeenkomst willen voorzien of hebben zij dat (al dan niet stilzwijgend) daarin verdisconteerd? Het moet dat gaan om omstandigheden die op het moment van het sluiten van de overeenkomst nog in de toekomst lagen. Ter illustratie, in de rechtspraak werd de kredietcrisis in zijn algemeenheid niet als een onvoorziene omstandigheid aangemerkt die een wijziging van de overeenkomst rechtvaardigde. Dat werd in de regel als ondernemersrisico gezien.

Ook in het geval de (onvoorziene) omstandigheden krachtens de aard van de overeenkomst of de in het verkeer geldende opvattingen voor rekening dienen te komen voor de partij die zich  erop beroept, wordt geen wijziging of ontbinding uitgesproken (zie lid 2 van art. 6:258 BW). Kortom, de drempel voor een geslaagd beroep op art. 6:258 BW is hoog.

In het geval de betreffende overeenkomst geen soelaas biedt voor de concrete situatie waarin partijen verkeren (wat in de onderhavige situatie niet ondenkbaar is) en er geen bepaalde risicoverdeling in de overeenkomst is verdisconteerd, dan kan een gang naar de rechter mogelijk toch (als last resort) uitkomst bieden, of zelfs noodzakelijk zijn om wijziging of (gedeeltelijk) ontbinding van de overeenkomst af te dwingen.

Terugwerkende kracht?

De meerwaarde van een beroep op art. 6:258 BW kan zijn dat deze bepaling, zeker in de huidige tijd waarin niet zelden pas achteraf de effecten van de coronacrisis duidelijk worden, aan de wijziging of ontbinding van de overeenkomst door de rechter op grond van art. 6:258 lid 1 terugwerkende kracht kan worden verleend. Dat kan uitkomst bieden. Een “normale” ontbinding – op grond van een tekortkoming in de nakoming (vgl. art. 6:265 BW) – heeft namelijk geen terugwerkende kracht.

Verstoring in de waardeverhouding

Daarnaast is van belang voor ogen te houden dat artikel 6:258 BW mogelijk ook uitkomst kan bieden in gevallen van een ernstige verstoring in de waardeverhouding tussen de wederzijdse prestaties. In gevallen waarin de overeenkomst haar zin heeft verloren, bijvoorbeeld omdat het doel als gevolg van de coronacrisis onbereikbaar is geworden en er is sprake van een aan overmacht grenzend geval waarin de nakoming van een verbintenis uit overeenkomst uitermate bezwaarlijk is geworden, kan een geslaagd beroep op deze bepaling mogelijk zijn.

Naar de rechter?

De wijziging of (gedeeltelijke) ontbinding van de overeenkomst kan op vordering van een partij door de rechter geschieden. Er zal dan dus een procedure moeten worden gestart. Daarbij moet wel worden bedacht dat een beroep op onvoorziene omstandigheden enkel in uitzonderlijke gevallen door een rechter zal worden gehonoreerd. De rechter past deze bevoegdheid terughoudend toe.

Het verdient overigens (en misschien wel daardoor) de voorkeur om er eerst zonder tussenkomst van de rechter uit proberen te komen. Niet alleen is dat over het algemeen minder tijdrovend en kost het minder geld, uitgangspunt blijft in ons rechtstelsel dat partijen verplicht zijn zich jegens elkaar te gedragen overeenkomst de eisen van redelijkheid en billijkheid. Als contractspartij dien je in zekere mate dus ook rekening te houden met de gerechtvaardigde belangen van je wederpartij en rust er ook een verplichting op je om schade beperkend op te treden.

Wat nu?

bureau Brandeis staat u graag bij. Niet alleen in een noodzakelijke gang naar de rechter, maar ook in de situatie om juist een gang naar de rechter te voorkomen. We hebben een speciaal team dat u graag behulpzaam is bij al u vragen over de coronacrisis en de gevolgen voor uw lopende overeenkomsten.

 

Visie

Ongestoorde dienstverlening tijdens coronacrisis

bureau Brandeis volgt de ontwikkelingen met betrekking tot het coronavirus op de voet. Naar aanleiding van de aanbevelingen van de Nederlandse regering, werken onze advocaten de komende tijd zoveel mogelijk vanuit huis. Ons kantoor beschikt over uitstekende IT voorzieningen. We verwachten het niveau van dienstverlening te blijven bieden dat u van ons gewend bent.

Besprekingen

Besprekingen worden voorlopig via de telefoon of video conference gehouden. Tot eind maart annuleren we al onze in-house seminars. We beperken onze bezoeken buiten kantoor tot de strikt noodzakelijke, bijvoorbeeld zittingen. Vanzelfsprekend blijven wij de richtlijnen van het RIVM en de overheid in de gaten houden en nemen we nieuwe maatregelen waar nodig.

Gevolgen

Voor de bedrijfsvoering van veel van onze cliënten heeft het coronavirus grote gevolgen. We bieden zoveel mogelijk steun, onder meer door de juridische gevolgen voor onze cliënten in kaart te brengen. We zullen ons maximaal inspannen om juridische bijstand te verlenen in deze uitdagende tijd.

Team bureau Brandeis
Visie

Major revision of the regime for collective actions in the Netherlands

Introduction

The Dutch regime of collective actions has been thoroughly revised. This revision has created new opportunities for damages actions, requiring claimants, funders and other players in this field to conduct a comprehensive assessment of methods by which they can advance their case.

On March 19, 2019, the amendment of the Act on the Resolution of Mass Claims in Collective Action (‘Wet Afwikkeling Massaschade in Collectieve Actie’) (‘’WAMCA’’) was approved by the Senate and has come into force and effect on January 1, 2020. This amendment introduces the possibility to claim damages in a collective action while at the same time adding stricter requirements for claim vehicles to have standing, as well as changing the international aspects of future collective actions. Furthermore, courts will appoint a quasi-lead plaintiff (“Exclusive Representative“) when there are competing actions. This will be further elaborated upon below, and clarified in a schematic overview.

The possibility to claim damages

In the Netherlands, a claim vehicle (foundation or association) can represent the interests of injured parties and initiate a claim against the responsible party before the Dutch court. Under the old regime, the claim vehicle could not claim collective damages on behalf of the injured parties as it could only seek a declaratory judgment regarding liability. Each injured party had to bring its own claim for compensation in follow on litigation, or settle on a collective or individual basis.

Since January 1, 2020, it is allowed to also claim damages on behalf of the injured parties. It is expected that this will fill in a significant void in the old regime.

Standing of the claim vehicle

The WAMCA adds stricter requirements regarding the standing of a claim vehicle (article 3:305a of the Dutch Civil Code) in terms of governance, objective, representation and funding. Although many of these aspects were adhered to by professional players of good repute on a (semi) voluntary basis anyway, as they tended to apply the Dutch Claim Code, it is now mandatory to have (i) a non-commercial objective, (ii) a supervisory board, (iii) a mechanism for decision-making by the persons whose interests are represented, (iv) sufficient economic means for the costs of the class action and (v) sufficient experience and expertise for running a class action.

The scope of the collective action

Until now, Dutch courts have proved to be welcoming of collective actions with international aspects. Under the WAMCA, for the Dutch courts to have jurisdiction, it is required for the case to have a sufficiently close connection with the Dutch jurisdiction. A sufficiently close relationship exists if (i) the majority of persons whose interests are at stake have their habitual residence in the Netherlands; or (ii) the party against whom the legal action is directed is domiciled in the Netherlands and additional circumstances suggest a sufficient relationship with the Netherlands; or (iii) the event(s) to which the legal action relates took place in the Netherlands.

The appointment of an “Exclusive Representative”

Before a claim vehicle can start a collective action under the WAMCA, it has to make a reasonable attempt to settle the case with the counterparty. A letter that gives the counterparty two weeks to respond is sufficient in this case. After two weeks, the claim vehicle is allowed to submit a writ for a class action.

Under the WAMCA the claim vehicle has to register its collective action in a public register after the submission of the writ, within two days after the filing of the action (‘Centraal register voor collectieve vorderingen’). The entry in the registry triggers a three-month period, during which other claim vehicles can file alternative (competing) collective actions that are based on the same event(s). This period can be extended by the court with another three months.

If several claim vehicles bring a collective action addressing the same events, these collective actions will be consolidated. If the court grants the claim vehicles that brought a collective action standing, it will appoint one of them as the Exclusive Representative to represent the interests of the class and of the other claim vehicles. The Exclusive Representative is chosen by the court from the central register based on all facts and circumstances, indicating that such a party is the most appropriate and well equipped to have that role. This is likely to have as an effect that less professional parties, and ad hoc commercial initiatives, may find it harder to enter the market of collective actions.

Although the other claim vehicles remain parties to the proceedings, the court will decide whether to allow each claim vehicle to file their own pleadings. This resembles somewhat the lead plaintiff system in the United States.

Opt-out and opt-in possibilities

Under the old regime, there was only one opt-out moment: after a settlement agreement is reached and declared binding by the court upon the class. Under the WAMCA there are two opt-out moments. The first one is after the appointment of the Exclusive Representative and the decision of the court on the scope of the action and the definition of the “class”. The second opt-out option is after a settlement agreement is reached between parties and declared binding by the court.

Under the WAMCA, a class settlement is not required, but attempting to reach one is an integral part of the proceedings.

A major change is that foreign injured parties can only be represented in the proceedings when they opt-in under the WAMCA – under the old regime this was on an opt-out basis. This may impact the size of the cases to be brought before the Dutch courts.

In conclusion, under the WAMCA a court decision granting or dismissing the collective action is binding on all members of the class who reside in the Netherlands and did not use their right to “opt out” of the action. The same applies to members residing abroad, who joined the collective action by opting in.

Settlement agreement or judgement

The collective action ends with the approval by the court of a settlement concluded by the parties or with the judgement of the court on the claim of the claimants. The judgement of the court can either be a rejection or granting of the claim(s). The settlement agreement approved by the court or the giving judgement by the court are also recorded in the public register (‘Centraal register voor collectieve vorderingen’).

Transitional law

The WAMCA applies to collective actions for damages initiated on or after the date of its entry into force for events that took place on or after 15 November 2016. The old regime will apply to actions that relate to events that took place before 15 November 2016.

Expertise

bureau Brandeis’ collective action team boasts specialists in collective actions and mass claims settlements and often works with interest groups and class action claim funders. Our team is also active in class actions which are mainly based in the US and have their effects in the Netherlands as well.

For more information please contact Wesley Vader.

 

Visie

European Court: reselling e-books violates copyright law

Is there such a thing as a second-hand e-book? Put differently: may an e-book be resold after the first purchase? The Grand Chamber of the Court of Justice of the European Union (CJEU) answered this question in the negative. On 19 December 2019, the CJEU declared that the act of offering an e-book for resale is contrary to copyright law.

The case

The case was between the Dutch Publishers Association and Tom Kabinet. Tom Kabinet offers a platform through which users of Tom’s “reading club” can download and reproduce “second-hand” e-books. The publishers, together with a number of authors, claimed that Tom Kabinet’s activities violate their copyright, more specifically that Tom Kabinet is making an unauthorized communication of these e-books to the public. Tom Kabinet, on the other hand, argued that its activities were covered by the distribution right and subject to the so-called “exhaustion” doctrine. This would mean than an e-book, once it has been legally sold for the first time, can be further distributed (and sold) without the rights holder’s authorization. Tom Kabinet based its argument on an earlier judgment of the CJEU, in the so-called Usesoft case.

The judgment

The CJEU sided with the publishers in deciding that Tom Kabinet is making available e-books to the public. The judgment also follows the opinion of Advocate-General Szpunar, delivered on 10 September 2019.

According to the CJEU, the provision of e-books through a website by online downloads is an act covered by the right of communication to the public (article 3 InfoSoc Directive), not the distribution right (article 4 InfoSoc Directive). This is supported by the legislative history to the InfoSoc Directive, in which it is emphasized that “interactive on-demand transmissions” were intended to fall under the exclusive right of communication to the public (point 44).

No digital exhaustion

Since the exhaustion doctrine only applies to the distribution right, and not the right of communication to the public, it does not apply in this case. According to the CJEU, the EU legislature has intended that the rule of exhaustion be reserved for the distribution of tangible objects, such as physical books on a material medium. Under the InfoSoc Directive, there is no such thing as “digital exhaustion”.

Usedsoft

Earlier, in 2012, the CJEU found in the UsedSoft case that it is possible to resell copies of computer programs downloaded from the internet under the Software Directive. That ruling raised the question whether the same consequences could extend to other subject matter than software as well. In the Tom Kabinet judgment, the CJEU rules that this is not the case. E-books are not computer programs and are therefore not covered by the Software Directive, which counts as a lex specialis (points 54-54), but by the InfoSoc Directive. Moreover, it cannot be said that books and e-books are economically and functionally identical, as was the case in UsedSoft. Indeed, the CJEU points out that the consequences of a second hand market for e-books would severely affect right holders. Unlike physical books, e-books do not deteriorate with use over time. A “second-hand” market would therefore be very detrimental to the “first-hand market”.

Making available to the public

Contrary to the referring national Court, the CJEU explains in detail why Tom Kabinet performs an “act of communication”, more specifically an act of “making available” e-books to the public in such a way that members of the public may access them from a place and at a time individually chosen by them. According to the CJEU, the decisive act is the offering of a work on a publicly available website, which act precedes the stage of its actual on-demand transmission (point 64).

New public

The CJEU also rules that Tom Kabinet offers the e-books to the “public”, emphasizing that account needs to be taken not only of the number of persons able to access the same work at the same time, but also of how many of them may access it in succession (point 68). To conclude, Tom Kabinet offers the e-books to a “new” public, since the making available of e-books is generally accompanied by a user license stipulating that the user may only read the e-book from his or her own equipment (point 70-71).

Music and film

The judgment is of great importance to the e-book market, but also effects other types of work, such as digital music and films. It seems evident from the ruling that the reselling of digital music or digital films is also contrary to copyright law.

Background

bureau Brandeis (Christiaan Alberdingk Thijm and Caroline de Vries) handled the case for the Dutch Publishers Association. After five long years of litigation, the publishers and authors now finally have clarity. It was an uphill battle in the Dutch courts, as they repeatedly were unwilling to confirm that Tom Kabinet´s conduct amounted to an infringement of the right of communication to the public. The referring Court, the District Court of The Hague, even refused to formulate a preliminary question regarding the scope of this right, despite an unanimous request made by both parties to do so. Fortunately, in its judgment the CJEU considers that in order to give a useful answer to the preliminary questions of the Dutch Court, the right of communication to the public must be taken into account.

Visie

Financial Services Litigation Update

In deze Financial Services Litigation Update bespreken we recente uitspraken over onder meer de contracteerplicht voor banken bij risico’s op witwassen, het inzetten van handhavingsverzoeken tegen concurrenten en de invloed van toezichtsantecedenten van beoogd beleidsbepalers op een vergunningaanvraag.

Neem gerust contact met ons op als u van gedachten wilt wisselen over een van deze of andere financieel-rechtelijke onderwerpen; bureau Brandeis – Financial Services Litigation.


Bijzondere zorgplicht van financiële dienstverleners en risico van witwassen

Banken worstelen met het beheersen van het risico op witwassen. In deze zaak onderstreept de rechtbank dat het op zichzelf volkomen terecht is dat een bank in het kader van (de integriteitseisen van) de Wet op het financieel toezicht (Wft) hoge eisen stelt aan nieuwe klanten.

Desalniettemin vindt de rechtbank dat de bestrijding van witwassen hier niet in de weg staat aan de aanvraag van een bankrekening voor een projectvennootschap die zich gaat bezighouden met (het op legale wijze produceren van) van cannabis.

Ten aanzien van het beroep van de bank op contractsvrijheid overweegt de rechtbank dat deze niet in volle omvang voor handelsbanken bestaat. Het hebben van een bankrekening is immers noodzakelijk om aan het maatschappelijk verkeer te kunnen deelnemen.

Als het gaat het kunnen deelnemen aan het bancaire betalingsverkeer moet ook geen onderscheid worden gemaakt tussen particulieren en zakelijke klanten, aldus de rechtbank. Beiden hebben in beginsel recht op een bankrekening en als gevolg daarvan hebben banken in beginsel een contracteerplicht.

Deze bijzondere zorgplicht die banken vanuit hun maatschappelijke functie hebben geldt bovendien zowel jegens bestaande cliënten als ten opzichte van derden, waarbij de reikwijdte van de zorgplicht afhangt van de omstandigheden van het geval.

Het bijzondere aan deze zaak is dat de eisende partij een projectvennootschap is die voorbereidingen treft om als teler te worden toegelaten in de context van ‘Experiment gesloten cannabisketen’ waaromtrent een wetsvoorstel aanhangig is.

Nu de doelstelling van het project juist is om illegale handel in cannabis terug te dringen door deze stof op legale wijze te produceren en dus (indirect) om illegale activiteiten en het risico van witwassen tegen te gaan, wijst de rechtbank de vordering toe. De bank mag wel voorwaarden stellen aan het gebruik van de zakelijke bankrekening.

Rechtbank Amsterdam 04-11-2019 ECLI:NL:RBAMS:2019:8144


Bestuurder ten onrechte aangesproken als medepleger in plaats van feitelijk leidinggever

De AFM heeft een bestuurder van een groep entiteiten die effecten aanbiedt ter deelname in haar obligatiefondsen, een last onder dwangsom opgelegd als medepleger van vermeende oneerlijke handelspraktijken.

De AFM meent op grond van ontvangen aanbiedingsmateriaal dat essentiële informatie wordt achtergehouden die de belegger nodig heeft om een geïnformeerd besluit over een transactie te nemen.

Aan het medeplegen legt de AFM o.a. ten grondslag dat de bestuurder de entiteiten van de groep heeft op- en ingericht, de uitgifte van de effecten heeft geïnitieerd en (middellijk) enig statutair bestuurder en enig certificaathouder/aandeelhouder is en aldus nauw en bewust samenwerkt met de groep.

De bestuurder en de entiteiten betogen dat hij niet kan worden aangemerkt als medepleger van de vermeende overtreding. De voorzieningenrechter is het met hen eens.

De AFM heeft volgens de rechter de bestuurder ten onrechte aangemerkt als medepleger van de vermeende overtreding. Zij mag aan hem op deze grond geen last onder dwangsom opleggen en die last niet publiceren.

Uit vaste jurisprudentie volgt namelijk dat buiten redelijke twijfel moet worden aangetoond dat zo bewust en nauw is samengewerkt tussen niet te vereenzelvigen (rechts)personen dat van medeplegen mag worden gesproken.

Het gaat hier echter om gedragingen die plaatsvinden in het kader van de normale bedrijfsuitoefening van de entiteiten en aan die entiteiten kunnen worden toegerekend, en de entiteiten en bestuurder worden hier feitelijk vereenzelvigd. De bestuurder is als gevolg daarvan mogelijk feitelijk leidinggever van de gestelde overtreding maar niet medepleger, aldus de rechtbank.

Nu het aantal zaken toeneemt waarin de financiële toezichthouders individuele functionarissen aanspreken in verband met overtredingen van de onderneming, is het essentieel steeds zorgvuldig de precieze verhoudingen en de kwalificatie daarvan te bekijken, zo laat deze zaak zien.

Rechtbank Rotterdam 12-07-2019 ECLI:NL:RBROT:2019:8214


Betrouwbaarheidstoets beleidsbepalers omvat maatregelen van buitenlandse toezichthouder

Deze zaak betreft een afwijzing van een aanvraag voor een vergunning voor het beheren van een beleggingsinstelling, omdat niet werd voldaan aan de vergunningvereisten. Volgens de AFM stond, onder meer, de betrouwbaarheid van de aangemelde beleidsbepalers niet buiten twijfel.

De betrouwbaarheid van een beleidsbepaler wordt door de toezichthouder vastgesteld op basis van diens voornemens, handelingen en antecedenten. Door de AFM worden in ieder geval in aanmerking genomen toezichtantecedenten en andere feiten en omstandigheden die wijzen op betrokkenheid bij gedragingen ter zake waarvan in Nederlandse of buitenlandse financiële toezichtswetgeving regels zijn gesteld, welke gedragingen van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de betrouwbaarheid.

Aan de beoogde beleidsbepalers waren door de Luxemburgse financiële toezichthouder meerdere maatregelen opgelegd in hun hoedanigheid van beleidsbepalers van een Luxemburgse beheerder van een beleggingsinstelling. De maatregelen waren opgelegd vanwege het te laat inleveren van jaarstukken van deze tot de groep behorende en daar onder toezicht staande Luxemburgse beheerder, en van door haar beheerde fondsen. Daarnaast is aan de beheerder een maatregel opgelegd wegens het lanceren van een nieuw subfonds zonder het vermogen daarvan in bewaring te geven of de Luxemburgse toezichthouder te informeren.

Volgens het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft de AFM deze maatregelen terecht als toezichtantecedenten aangemerkt, nu deze zijn opgelegd wegens de niet-naleving van financiële wetgeving door een toezichthouder met vergelijkbare taken als de AFM. Het College gaat daarmee voorbij aan het betoog dat maatregelen uit Luxemburg op deze manier verdergaande consequenties zouden krijgen dan de Luxemburgse toezichthouder daaraan verbindt.

Het College tilt daarbij zwaar aan het feit dat de beoogde beleidsbepalers geen openheid van zaken hebben gegeven. De toezichtmaatregelen zijn niet gemeld op het formulier bij de desbetreffende vraag en evenmin bij de vraag naar overige omstandigheden en ook later niet op navraag van de AFM. Ook het niet melden van de Luxemburgse maatregelen – los van hoe zwaar deze moeten worden geacht – is terecht als toezichtantecedent aangemerkt, aldus het College.

Deze zaak toont het belang van gedragingen voorafgaand aan toetsing alsook van de transparantie die beoogd beleidsbepalers daarover betrachten gedurende het toetsingsproces. De financiële toezichthouder krijgt ruimte om beide aspecten in haar beoordeling mee te nemen.

College van Beroep voor het bedrijfsleven 15-10-2019 ECLI:NL:CBB:2019:498


Handhavingsverzoek inzetten tegen concurrent?

Een Ierse beleggingsonderneming heeft de Autoriteit Financiële Markten (AFM) verzocht handhavend op te treden tegen een Nederlandse beleggingsonderneming vanwege vermeende overtreding van de wettelijke bonuscapregels.

De AFM gaat niet in op het handhavingsverzoek. Volgens de toezichthouder heeft de beleggingsonderneming de impact op haar concurrentiepositie onvoldoende aangetoond en daardoor onvoldoende belang bij een besluit op haar handhavingsverzoek.

De rechtbank Rotterdam overweegt in lijn met vaste jurisprudentie dat de Ierse beleggingsonderneming alleen als belanghebbende bij het handhavingsverzoek kan worden aangemerkt als handhavend optreden tegen de andere beleggingsonderneming daadwerkelijk gevolgen kan hebben voor haar concurrentiepositie.

Beide beleggingsondernemingen zijn werkzaam binnen hetzelfde marktsegment en verzorgingsgebied. Zij handelen voor eigen rekening, en zijn beide marketmaker in grotendeels dezelfde exchange traded funds (ETFs) op dezelfde beurzen en kunnen daarom in beginsel als concurrenten worden aangemerkt.

Anders dan de AFM is de rechtbank van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat bij niet handhaven van de AFM , de Nederlandse beleggingsonderneming in een voordeligere concurrentiepositie verkeert.

Dit komt omdat zij qua beloningsbeleid aantrekkelijker kan worden geacht voor (huidig en toekomstig) personeel en daarnaast kan zij haar kosten flexibeler kan opvangen door meer variabele beloningskosten. Daarbij heeft de Ierse beleggingsonderneming onweersproken gesteld dat er regelmatig slechts minimale verschillen zitten tussen de bied- en laatprijzen die zij en de Nederlandse beleggingsonderneming hanteren, waarbij het voorkomt dat laatstgenoemde de transactie krijgt en de Iers beleggingsonderneming de tweede beste prijs had.

Volgens de rechtbank kan de AFM niet van de Ierse beleggingsonderneming verlangen dat zij economische analyses overlegt over de impact van handhaving op haar omzet in relatie tot de omzet van de andere beleggingsonderneming. De AFM heeft de Ierse beleggingsonderneming ten onrechte niet ontvangen in haar verzoek en dient alsnog te oordelen op het bezwaar tegen afwijzing van het verzoek om handhaving.

Deze zaak laat zien dat in een grensoverschrijdende markt partijen uit andere landen met de juiste motivering een handhavingsverzoek kunnen doen.

Rechtbank Rotterdam 19-09-2019 ECLI:NL:RBROT:2019:7821

Visie

“Pers, laat je niet muilkorven”

“Wat hoopten de media in godsnaam te zien daar op die heide?” vraagt Jean-Pierre Geelen zich af in zijn column van 28 augustus. Geelen noemt journalisten die aanwezig wilden zijn op de Brunsummerheide tijdens de rechtszitting in de strafzaak tegen Jos B. “vuilisbakkies” en “heidehijgers”, die kort gehouden moeten worden.

Ferdi E.

De vraag wat de journalisten wilden zien, is het beste te beantwoorden met een foto. Kort na de arrestatie van Ferdi E., de moordenaar van Gerrit Jan Heijn, vond er een reconstructie plaats. De politie nam Ferdi E. mee naar de plaats delict, de bossen bij Bloemendaal. Op de plek waar Ferdi E. de Ahold-topman had begraven, stond hij “geheel onaangedaan” volgens het bijschrift een shagje te draaien.

De fotograaf, Paul Stolk, won met de foto die hij van Ferdi E. maakte de Zilveren Camera voor de beste persfoto van 1988. De foto staat in ons collectieve geheugen gegrift. Het is een iconische foto die symbool staat voor een zaak die de samenleving ernstig heeft geschokt.

De reconstructie van de moord op Heijn was niet openbaar. Het ging nog om de onderzoeksfase van het strafrechtelijk onderzoek en dat is geheim.

Ferdi E. maakte bezwaar tegen de publicatie van de foto. Hij vond dat de foto zijn privacy schond. De Hoge Raad oordeelde dat de vrijheid van meningsuiting van de media om verslag te doen van de reconstructie voor ging.

Openbaarheid van rechtspraak

Dertig jaar later zijn de feiten in de strafzaak tegen Jos B. anders. Zijn advocaat heeft verklaard juist voorstander te zijn van openbaarheid van de schouw op de Brunssumerheide, die niets anders is dan een rechtszitting op een bijzondere locatie. Zijn cliënt heeft belang bij openbaarheid, juist vanwege het feit dat tijdens het opsporingsonderzoek het Openbaar Ministerie het publiek en de pers heeft betrokken bij de procedure tegen Jos B. en zo een eenzijdig beeld heeft gecreëerd.

De dood van Nicky Verstappen, een jongetje van 11, tijdens een zomerkamp, is altijd in de publieke belangstelling gebleven. Iedere ouder kan zich het onuitspreekbare verdriet van de nabestaanden voorstellen. Met de hulp van Peter R. de Vries zorgden de ouders dat er aandacht voor de zaak bleef. Verschillende verdachten passeerden de revue en steeds was er media-aandacht. Ook bij het grootschalige DNA-verwantschapsonderzoek werden via de media mannen opgeroepen om mee te werken. Ook toen het OM in augustus 2018 bekendmaakte dat er een DNA-match was, werd de pers ingezet om Jos B. op te sporen. Het OM werkt op het moment mee aan een documentaire die over de zaak gemaakt wordt.

In de zaak Ferdi E. ging het om een botsing van grondrechten: de privacy van Ferdi E. tegenover de vrijheid van meningsuiting van de pers. In deze zaak is daar geen sprake van. Het gaat om twee grondrechten: de openbaarheid van rechtspraak en de vrije nieuwsgaring. Daar tegenover staat een nauwelijks gemotiveerde beslissing van de rechtbank Limburg om pers te weren.

Het openbare karakter van de zitting beschermt de procespartijen tegen geheime oordeelvorming buiten het blikveld van publiek en pers. Geert Corstens, de oud-president van de Hoge Raad, schrijft in zijn handboek over strafrecht dat de controle op de strafrechtspraak grotendeels door de pers mogelijk wordt gemaakt. Het wordt gezien als fundament voor het vertrouwen in de rechterlijke macht.

Vertrouwen in de rechtspraak

In Nederland is dat vertrouwen traditiegetrouw groot. Door een groot aantal strafrechtelijke dwalingen dreigt dat vertrouwen echter af te kalven. In onder meer de Schiedammer Parkmoord, de zaak Lucia de Berk en de Puttense moordzaak ging het steeds om verdachten die ondanks hun bewering onschuldig te zijn werden veroordeeld, naar later bleek ten onrechte.

Ook in deze zaak is een verdachte betrokken die ontkent. Een verdachte die zegt op achterstand te staan door de beeldvorming in de media die het OM heeft veroorzaakt. Een verdachte die aangeeft dat de aanwezigheid van de media tot nu toe tot een evenwichtiger beeld heeft geleid

Het Europees Hof voor de rechten van de Mens heeft eerder geoordeeld dat de rechter een “positieve verplichting” heeft ervoor te zorgen dat pers aanwezig kan zijn, juist als een zitting op een ongebruikelijke plek plaatsvindt. Bij veel schouwen worden daarom speciaal persvakken ingericht.

De rechter in Den Haag wilde de beslissing van zijn collega in Limburg niet overrulen. Daarmee zou de autonomie van de rechter in Limburg worden aangetast. De beslissing is dus niet inhoudelijk beoordeeld. De rechter in Den Haag geeft wel aan in het vonnis van 26 augustus 2019 dat een andere beslissing mogelijk was geweest. Hij wijst er onder meer op dat de familie van Nicky Verstappen geen bezwaar maakt en dat de media heeft aangegeven met één cameraploeg beelden te kunnen maken om die later met de anderen te delen.

De vraag van Geelen wat de media hoopten te zien op de heide is de verkeerde vraag. De juiste vraag is waarom het nodig was de toegang van de pers te weigeren. Iedere inbreuk op grondrechten moet strikt noodzakelijk zijn, niet “handig”, “nuttig” of “wenselijk”. Door zijn collega’s weg te zetten als “vuilisbakkies” bewijst hij de journalistiek geen goede dienst. Als oud-ombudsman van De Volkskrant zou hij beter moeten weten.

 

Christiaan Alberdingk Thijm is advocaat bij bureau Brandeis. Hij stond de media bij in het kort geding tegen de Raad voor de Rechtspraak.

Visie

bureau Brandeis breidt uit met nieuwe partner Bas Braeken

Bas Braeken zal op 16 juli a.s. als partner toetreden tot bureau Brandeis in Amsterdam. Bas is een erkend specialist op het gebied van het (Europees) mededingingsrecht en economische regulering in diverse sectoren zoals telecom, media en fintech.

Bas Braeken maakt de overstap naar bureau Brandeis van Maverick, waarvan hij 6 jaar geleden aan de wieg heeft gestaan als één van de oprichters. Daarvoor was Bas onder meer lange tijd werkzaam bij Allen & Overy. “De benoeming van Bas sluit uitstekend aan op onze strategie verder te bouwen aan een breed litigation kantoor met een focus op complexe zaken,” zegt Louis Berger, één van de oprichters van bureau Brandeis. “Bas vormt een belangrijk puzzelstuk om onze ambitie verder vorm te kunnen geven. Bas geniet een uitstekende reputatie op het gebied van het Europees mededingingsrecht maar brengt daarnaast ook specifieke sectorkennis mee van markten zoals telecom, media, post & pakketten, mobiliteit en fintech. We zien in Bas een ambitieuze partner, die dezelfde ondernemingsdrift, niveau en waarden deelt als de andere partners van bureau Brandeis, wat voor veel synergie zal zorgen.”

Bas Braeken boekte in de afgelopen jaren belangrijke successen voor onder meer T-Mobile, Canal+ en Prijsvrij. Bas procedeert ook geregeld voor de Europese rechterlijke instanties in Luxemburg.

Partner Machteld Robichon: “De uitstekende kennis en ervaring van Bas sluiten perfect aan bij de gereguleerde marktpraktijken van Simone Peek (financieel recht en life sciences) en van mij (kansspelen, media en telecom), alsmede bij de kartelschadepraktijk van Hans Bousie en Louis Berger. De focus van Bas op telecom en media sluit weer aan op de focus van de praktijk van Christiaan Alberdingk Thijm.”

Bas Braeken: “Ik ben erg onder de indruk van het niveau van de advocaten bij bureau Brandeis, de professionaliteit van de organisatie en de gedrevenheid om elke dag opnieuw de beste dienstverlening te leveren. De bestaande praktijk bij Brandeis sluit inhoudelijk naadloos aan op mijn praktijk. Deze bestaat voor een zeer belangrijk deel uit procedures, compliance en onderzoeken, naast het begeleiden van klanten bij complexe fusiecontroletrajecten. Ik zie heel veel synergie en kijk uit naar de samenwerking met mijn nieuwe partners.”
Over bureau Brandeis

bureau Brandeis is een boutique advocatenkantoor dat is gespecialiseerd in het voeren van complexe procedures voor ondernemingen. bureau Brandeis heeft ervaring in alle relevante rechtsgebieden, met een voorkeur voor de challenger: corporate litigation, commercial litigation, privacy, mededingingsrecht, financieel recht, bestuursrecht, intellectuele eigendom, media- en telecomunicatierecht, class actions, internationale arbitrage en cassatie. Met de komst van Bas Braeken telt het kantoor 31 advocaten waarvan 7 partners.

Visie

Financial Services Litigation Update

This update highlights some recent decisions from the Dutch courts relating to banking relationships, regulatory obligations and transparency in the financial services sector. Contact us if you have any questions or find out more about bureau Brandeis’ Financial Services Litigation here.

No termination of banking relationship without concrete evidence of AML breach
In this case a bank had blocked a client’s bank accounts based on the Money Laundering and Terrorist Financing Prevention Act (Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terrorisme; Wwft) for not providing sufficient information on its suppliers and customers, whilst the account gave signs of involvement in fraud and money laundering. The bank’s client had moved from trading used car parts to selling small electronics and claimed continuation of the account agreement.

The preliminary relief judge of the Amsterdam Court ordered the bank to continue the relationship in the usual manner. According to the court, a bank cannot terminate its relationship with a client and block its accounts if its Anti-Money Laundering (AML) concerns are not sufficiently demonstrated in the specific case.

The court held that the standards of reasonableness and fairness imply that termination of a banking relationship can only be based on sufficiently compelling grounds in the given circumstances. This requires due consideration of all interests.

In this context, the court attached importance to the bank’s duty of care and the access of account holders to payment transactions. At the same time, it also considered important that account holders enable the bank to comply with its obligations towards regulators and to protect the reputation of the bank and the integrity of the financial system.

On the basis of AML legislation and the related obligation to investigate, a bank cannot require evidence excluding involvement of the client’s customers and suppliers in money laundering. The bank’s AML-obligation to investigate, regards the client and who is behind the client. It does not regard who is behind the client’s customers, said the court.

The full decision can be read here in Dutch: Rechtbank Amsterdam 30 april 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:3157.

Is requesting enforcement a successful way to elicit an administrative ruling?
Anyone can request a regulator to take enforcement measures against a market party in case of non-compliance with laws and regulations. Special about this case is that the enforcement request at hand was submitted by a market party in relation to conduct concerning its own product. This market party was the holder of a portfolio of credit agreements, for which a regulated entity acted as its portfolio manager.

The purpose of requesting enforcement against oneself, was to obtain a judgment from the court on certain policy amendments the AFM had requested from the manager. The AFM sent a letter to the manager in which it requested these amendments, whilst the amendments affected the market party.

The market party itself was not a licensed entity, but an affiliated undertaking of the portfolio manager which did hold an AFM license.

In the court proceedings, the AFM took the position that it does not have power to take enforcement action against the – unlicensed – market party. The court agreed with the AFM and considered that market conduct supervision of affiliated undertakings takes place through the central regulated legal entity. The latter is supposed to exercise control over the affiliated entities’ compliance with the rules and legislation.

In addition, the market party attempted to object and appeal against the AFM’s letter. The court confirmed however that no appeal lies against the AFM’s letter to the portfolio manager. The reason for this was that the letter was just a confirmation of what was discussed, and not a definitive administrative ruling on applicability of a legal provision.

The full decision can be read here in Dutch: Rechtbank Rotterdam 23 april 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:3688.

Limited transparency and public access to information at financial regulators
Under the Government Information Public Access Act (Wet openbaarheid van bestuur), anyone can request a government body for information about an administrative matter. The Dutch Central Bank (De Nederlandsche Bank, ‘DNB’) and its regulatory counterpart the Netherlands Authority for the Financial Markter (Autoriteit Financiële Markten) however, are in principle excluded from the applicability of this Act.

The key question in this case was whether or not this exception for the financial regulators merely regards confidential information relating to supervision of individual financial institutions. This in view of the duty of secrecy as laid down in the Netherlands Financial Supervision Act with regard to confidential information obtained pursuant to supervisory powers.

According to the applicant in question, information on the financing of, in this case, DNB and the funding of financial supervision does not fall under the exception and should be made public.

The Council of State (Raad van State), the highest administrative court for these matters, found that the exception makes no distinction between types of documents. Therefore all documents following from and relating to supervision of financial institutions are excluded from requests to disclose such information.

Also in respect of the requested documents in this case, the Government Information Public Access Act does not apply to DNB. The fact that DNB did provide some information on the topic without being obliged to do so was not considered arbitrary.

The full decision can be read here in Dutch: Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, 17 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1236

First compulsory transfer of shares following transfer plan of DNB upheld
This case regards the first compulsory transfer of shares of banks or insurers to a new owner ordered by the Dutch Central Bank (De Nederlandsche Bank, ‘DNB’) and discusses the intensity of the court’s assessment thereof. This specific case regards the transfer of assets in a life insurance company that created quite some media attention.

Given developments potentially jeopardizing the assets and solvency of the life insurer, financial regulator DNB intervened and prepared a plan for transfer of the shares in the life insurer, which instrument DNB has to execute the compulsory transfer of an ailing bank or insurer. In the eyes of DNB, the insurer’s board and shareholders failed to take sufficient measures to strengthen the capital position of the life insurer. DNB ultimately requested the Amsterdam Court to approve its transfer plan and pronounce the transfer regulations.

The courts’ decision was only subject to appeal in cassation with the Supreme Court of the Netherlands.

It has confirmed that the court can approve a transfer plan if it summarily appears that there are dangerous developments regarding the assets, solvency, liquidity or technical facilities.

Although there has been a change in legal terminology to bring the relevant criterion of the Financial Supervision Act (Wet op het financieel toezicht, ‘Wft’) in line with the Bankruptcy Act (Faillissementswet, ‘Fw’), this did not change the extent of the review says the Supreme Court. The court still is to perform a cautious review of such situation.

In the Supreme Court’s view this is exactly what happened. The court examined the substantive arguments of both parties and did not perform a more cautious review than the law requires. As a result it’s decision is upheld. The full decision can be read here in Dutch: Hoge Raad 17 mei 2019 ECLI:NL:HR:2019:746

Visie

Financial Services Litigation Update

This update highlights some recent decisions from the Dutch courts relating to regulatory investigations and enforcement measures in the financial services sector which we think are worth sharing. Contact us if you have any questions or find out more about bureau Brandeis’ Financial Services Litigation here.

AFM fine annulled due to a violation of the principle of equality

In this case, the Netherlands Authority for the Financial Markets (Autoriteit Financiële Markten, “AFM”) concluded that an investment company (beleggingsonderneming) acted in breach of the Dutch Financial Supervision Act (Wet op het financieel Toezicht, “Wft”) and underlying regulations. In addition to imposing measures against the investment company, the AFM decided to impose measures against two statutory directors and one employee who was also (indirect) shareholder for having actual control (feitelijk leidinggeven) of the company’s prohibited conduct.

The AFM imposed a heavier measure on the employee (i.e. an administrative fine) than it did on the two statutory directors (i.e. an instructive letter, including a warning). After an unsuccessful objection, the employee appealed with the Rotterdam Court that decided that a different role for the persons involved can in principle justify unequal enforcement by the AFM, for example, in terms of the amount of a fine.

In this case, the difference in measures imposed by the AFM was not proportionate in relation to the difference in culpability and financial interest of the alleged offenders. The court considered that the AFM did not present sufficient relevant circumstances to justify imposing very different measures. It only claimed that the acts of the employee were more seriously culpable than those of the statutory directors, because of an alleged financial benefit for the employee. According to the court, this factor was insufficient to justify imposing very different measures, especially given that an administrative fine is more onerous because it is in principle published – which has a defamatory effect.

The fact that the employee might have had financial benefit of the violation could have resulted in a difference in fines, but not in the huge difference in measures that the AFM made. In conclusion, the court held the appeal well-founded and annulled the challenged decision of the AFM due to a breach of the principle of equality (gelijkheidsbeginsel).

The full decision can be read here in Dutch:

Rb. Rotterdam 13 juni 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:6261.

 

Investigation by supervisor? Your employees won’t be cautioned

A bank located and licensed in Malta that is allowed to offer consumer credit in its home state, completed a notification procedure to also offer consumer credit from Malta to the Netherlands based on the so-called European passport for banks. The AFM however found that the bank was offering consumer credit from a branch office (bijkantoor) in the Netherlands, for which it had not followed the correct notification procedure.

The AFM therefore imposed an administrative fine of EUR 1,7 million on the bank for offering consumer credit without the required license. The bank argued in these interim relief proceedings that the AFM had no grounds thereto and that the intended publication of the fine should be suspended. The court however, saw no reason to suspend the AFM’s decision to impose a fine or suspend or alter the publication thereof.

Interesting about this decision is that a significant part of the evidence on the basis of which the AFM imposed a fine is derived from statements of an employee of the bank who was heard by the AFM during the investigation. The bank argued that the AFM could not use these statements as evidence, because the AFM did not read the employee its rights.

Based on recent decisions of the Dutch Council of State (Raad van State), the court decided that, in principle, there is no obligation to caution employees of a legal entity. The regulator only has to caution representatives (i.e. board members) and natural persons involved for having actual control (feitelijk leidinggevenden) who might be imposed a personal fine.

In this case, in addition to the employee’s statements, the AFM based its decision on information obtained from the bank’s Dutch website and the online DNB Register. According to the court, this evidence, when viewed in conjunction with each other, formed sufficient evidence for the AFM to impose an administrative fine on the Maltese bank.

The full decision can be read here in Dutch:

Rb. Rotterdam 20 december 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:10909.

 

Notifying unusual transactions and monitoring client relationships

In two recent cases, the highest appeal court (College van Beroep voor het bedrijfsleven, “CBb”) reviewed administrative fines that were imposed by the Financial Supervision Office (Bureau Financieel Toezicht, “BFT”). These fines were imposed against an accounting firm (boekhouder-fiscalist maatschap) and a tax consultant (fiscalist) respectively for allegedly breaching their obligation to (i) notify the Netherlands Financial Intelligence Unit (FIU) about unusual transactions of their clients and (ii) continuously monitor client relationships.

The court considered that in addition to the relevant law, decrees and available AML guidelines, other factors can also be relevant to determine whether or not a transaction is to be considered unusual. In both cases, the court found that BFT failed to prove that the respective parties wrongfully did not notify the FIU about certain transactions. The respective parties either did not have actual knowledge of the alleged unusual transactions or had a decent explanation on why the transaction could not be considered as unusual.

BFT also accused both parties of failing to properly monitor their client relationships. BFT held it against the tax consultant that she could not immediately provide evidence about a transaction of one of her clients. According to the court, the tax consultant managed to provide a well-founded explanation for the transaction during the course of the investigation and the alleged failure to monitor client relationships was therefore not upheld.

BFT was however successful in proving that the accounting firm failed to successfully monitor its client relationship. So whilst it may have lacked knowledge about certain transactions and could not be fined for failing to notify the FIU about these transactions, the court decided that this lack of knowledge was due to a failure to perform proper client monitoring – which in itself is a violation of the Wwft.
Both judgments can be read here in Dutch:

CBb 5 februari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:48. CBb 5 februari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:58.

 

Unrestricted cooperation charge? Not required to provide will-dependent material

The Dutch Central Bank (De Nederlandsche Bank, “DNB”) investigated whether two related companies were providing payment services without the required license and repeatedly requested them to provide information for this investigation. The companies however claimed they had the right to remain silent. DNB informed them that they had a duty to cooperate (Section 5:20 Awb) and imposed a cooperation charges on each of them, subject to a penalty of EUR 15,000.

The companies only partly complied with the cooperation charges and DNB declared the penalties incurred. In addition, DNB established that the companies violated their duty to assist and imposed an administrative fine of EUR 75,000 on each of them.

On appeal against the cooperation charge, the highest appeal court (College van Beroep voor het bedrijfsleven) held that part of the information requested by DNB was material existing dependent on the will of the companies (wilsafhankelijk materiaal).  DNB therefore should have included a restriction in its cooperation charge, stating that it would not use such will-dependent material for the purpose of imposing a fine or prosecution proceedings.

Given the absence of such restriction, the court declared void the cooperation charge and ordered DNB to amend the decisions. DNB then included the restriction in the cooperation charge and reduced the administrative fines from EUR 75,000 to EUR 65,000.

The court rejected the subsequent appeal of the companies against these amended decisions, as it considered that the companies breached their duty to cooperate. They could – but did not – provide the material that was not will-dependent. The court therefore decided that DNB could rightfully impose the administrative fines. The reduction of the administrative fines was considered proportional. The full decision can be read here in Dutch: CBb 16 april 2019, ECLI:NL:CBB:2019:156.

Visie

bureau Brandeis versterkt zich met de komst van Wesley Vader

Per 1 mei 2019 is het team Corporate & Commercial Litigation van bureau Brandeis versterkt met de komst van Wesley Vader. Wesley is 12 jaar advocaat en was hiervoor werkzaam bij Lexence. Wesley’s ruime ervaring ligt op het vlak van het aansprakelijkheidsrecht in brede zin. Wesley behandelt onder meer bestuurderaansprakelijkheidzaken, aandeelhoudersgeschillen en contractuele geschillen. Wesley heeft een bijzondere focus op de corporate fraude praktijk en een track record op het gebied van schadeverhaal, asset tracing en bewijsbeslag. Met de komst van Wesley zet bureau Brandeis haar groei en specialisatie op het gebied van Litigation verder voort.

 

Visie

Kwartaalbericht Kartelschade #2 2018

Hierbij presenteren wij u het eerste kwartaalbericht van 2018 over ontwikkelingen op het gebied van cartel damage litigation van bureau Brandeis. U kunt het kwartaalbericht hier inzien.

Ontvangt u de volgende editie van ons kwartaalbericht graag per e-mail? Meld u zich dan aan door een mail te sturen via deze link of dit formulier.

Visie

Nieuw arbitragehof voor de kunst

Per 1 april jongstleden ziet een nieuw arbitragehof het leven: the Court of Arbitration for Art (“CAfA”). CAfA is opgericht door het Nederlands Arbitrage Instituut en het instituut Authentication in Art. CAfA biedt zowel arbitrage als mediation aan en geschillen kunnen zien op alle relevante onderwerpen, zoals echtheid, fraude, auteursrecht, vergunningen en overeenkomsten omtrent kunstwerken. CAfA maakt gebruik van de faciliteiten van het Nederlands Arbitrage Instituut maar heeft wel een eigen website: https://www.cafa.world/.

Nederland zet zich met CAfA internationaal op de kaart. Het arbitragehof is op de wereldmarkt gericht, de voertaal is dan ook Engels. Het zou mooi zijn als geschillen in de internationale kunstwereld (waar veel geld in omgaat) in Nederland worden opgelost. Dat is mogelijk indien beide partijen kiezen voor beslechting via CAfA, voorgestelde contractsbepalingen staan op de website.

Een procedure bij CAfA heeft voor partijen dan ook een aantal voordelen. In de eerste plaats blijven de geschillen discreet en is er de optie geschillen achter gesloten deuren te laten behandelen. CAfA is een arbitrage-instantie en heeft daarom geen openbaarheidsplicht zoals die bestaat bij reguliere rechtspraak. Met name in zaken over bekende kunstwerken is dat een belangrijk voordeel, de waarde van die kan immers sterk dalen bij negatieve publiciteit. Ook kan de discrete behandeling de reputatie en mogelijk zelfs veiligheid van partijen beschermen, doordat informatie over handelaars en eigenaars van kunstwerken niet openbaar hoeft te worden.

Een tweede voordeel voor partijen is dat CAfA ervaren arbiters en mediators inschakelt ter beslechting van geschillen. Arbiters en mediators moeten juristen zijn met tenminste vijf jaar ‘significante ervaring’ in de kunstsector. Net als bij andere gespecialiseerde arbitrage-instituten het geval is (zoals de Raad van de Arbitrage voor de Bouw), wordt verwacht dat het gespecialiseerde arbitragehof daardoor betere uitspraken kan doen dan reguliere rechtspraak.

Overigens zijn de kosten van een procedure mogelijk wel hoger dan bij reguliere rechtspraak: een arbiter en mediator moeten door partijen worden betaald, terwijl de rechtspraak door de overheid wordt gefinancierd.

De eerste uitspraken van CAfA worden over een paar maanden verwacht. Die zullen dan uiteraard wel geanonimiseerd worden gepubliceerd.

Visie

bB publiceert in GLI: Cartels 2019

Onlangs verscheen Global Legal Insights to Cartels 2019. Hans Bousie, Louis Berger en Rieneke Reijnen schreven het hoofdstuk over procederen over kartelschade in Nederland. De auteurs bespreken de voordelen die procederen in dergelijke zaken voor de Nederlandse rechter heeft. Dit in het licht van recente Nederlandse jurisprudentie in massaschadezaken. Het hele hoofdstuk is hier te lezen.

 

Visie

Remote Gaming Act adopted in the Dutch Senate

On 19 February 2019, a majority in the Dutch Senate voted in favor of the Remote Gaming Act (Wetsvoorstel Kansspelen op afstand, “KOA”). As a result, online games of chance will finally be regulated in the Netherlands.

 

The Senate also voted on various motions. For example, a motion was passed which requires the Dutch government to ensure that licenses will only be granted to parties that have not targeted actively and specifically to the Dutch market without a license for an uninterrupted period of at least two years, the so-called “cooling-off period” (motion Postema). Other adopted motions relate to the blocking of internet sites through the Dutch Penal Code (motion Postema) and the tasking of the Dutch government to map the consequences of a ban on advertising for (online) games of chance (motion Van Dijk).

 

Although the motions are rather far-reaching, bureau Brandeis is pleased that KOA has been passed by the Senate. Finally, a regulated market is in sight.

 

The branch organizations in the field of online gaming also responded positively to the adoption of the KOA. The European Gaming and Betting Association speaks of an important step towards a functioning market.

 

The government also reacted enthusiastically. According to the Ministry of Justice and Security, online gambling is safer thanks to the new legislation. The Minister for Legal Protection Sander Dekker: “I am glad that we can now offer players a safe offer so that games of chance can be played online in a responsible manner”.

 

The Dutch Gaming Authority sees KOA as a milestone. The KSA’s chairman René Jansen: “The adjustment of the Betting and Gaming Act enables the KSA to protect participants in online games of chance. This is not possible on an illegal market. With this modernization of the law, it is better possible to enforce a safe game on a fair market. If participants will at least play at a licensed operator.”  The KSA also published a timeline on its website. As one of the steps, the KSA will consult the market on the license application form. The Ministry will also consult the draft Ministerial Decree in the upcoming period.

 

The opening of the license application process is expected to start on 1 July 2020.

 

Should you have any questions relating to gaming regulations in the Netherlands, please feel free to contact Machteld Robichon or Oskar Mulder.

Naar
boven