Competition Flashback Q3 2026: Ontwikkelingen mededingingsrecht

Bas Braeken & Jade Versteeg & Timo Hieselaar & Demi van den Berg & Joost van Belois & Lisanne Kooijman
07 okt 2026

Dit is de Competition Flashback Q3 2026 van bureau Brandeis met daarin een selectie van de belangrijkste mededingingsrechtelijke ontwikkelingen over het afgelopen kwartaal (klik hier voor het origineel). Wilt u voortaan graag de Competition Flashback van bureau Brandeis per e-mail ontvangen? Dan kunt u zich hiervoor aanmelden via dit formulier.

 

Overzicht Q3 2026


Fusiecontrole, FDI & FSR

Digitale markten

Schadeclaims voor inbreuken mededingingsrecht

Kartels & verticale beperkingen

Consumentenrecht en eerlijke handelspraktijken

Gereguleerde markten

 


Gerecht bevestigt verbod overname Etraveli door Booking op basis van ‘omgekeerde hefboomwerking’ als schadetheorie

Gerecht van de Europese Unie, arrest van 9 september 2026

Op 9 september 2026 verwierp het Gerecht van de Europese Unie (“Gerecht”) het beroep van Booking Holdings Inc. (“Booking”) tegen het besluit van de Europese Commissie (“Commissie”) om haar voorgenomen overname van Etraveli Group (“Etraveli”) te verbieden. De Commissie stelde op 25 september 2023 vast dat de overname Bookings machtspositie op de markt voor online reisbureaus (‘online travel agencies’, “OTA’s”) in de hotelsector in de EER zou versterken. Booking is hoofdzakelijk actief met haar (hotel)boekingsplatform Booking.com, terwijl Etraveli zich richt op vluchtboekingen onder merken als Gotogate en Mytrip. De overname maakte deel uit van Bookings ‘connected travel’-strategie, waarmee klanten verschillende reisdiensten op hetzelfde platform kunnen boeken.

Booking betwistte in essentie de toepassing van de Richtsnoeren voor niet-horizontale fusies en de door de Commissie gehanteerde schadetheorie. Volgens Booking had de Commissie niet aangetoond dat de transactie tot mededingingsbeperkende marktafscherming zou leiden en ten onrechte aangenomen dat iedere versterking van haar positie, hoe gering ook, voldoende was om de overname te verbieden. Ook zou de Commissie onvoldoende rekening hebben gehouden met de bestaande samenwerking tussen Booking en Etraveli en de efficiëntieverbeteringen van de transactie.

Het Gerecht verwerpt deze bezwaren. De Commissie mocht haar schadetheorie baseren op ‘omgekeerde hefboomwerking’: het verwerven van een complementaire activiteit op een andere markt, waarop de betrokken onderneming geen dominante positie heeft, om een reeds bestaande machtspositie te versterken. Een uitgebreider vluchtaanbod zou Booking in staat stellen meer klanten aan te trekken aan wie zij vervolgens hotelkamers kan aanbieden via cross-selling. Het zou tegenstrijdig zijn als de Commissie wel kon ingrijpen wanneer hefboomwerking een niet-dominante positie versterkt, maar niet wanneer zij een bestaande machtspositie versterkt, aldus het Gerecht.

Niettemin constateert het Gerecht verschillende fouten in de analyse van de Commissie van de situatie na de transactie. De berekeningen overschatten de stijging van Bookings marktaandeel op de hotelmarkt. Evenmin was aangetoond dat hotels meer kamers via Booking zouden aanbieden of hun samenwerking met concurrerende OTA’s zouden beëindigen. Deze tekortkomingen tasten het verbod echter niet aan. Doorslaggevend is dat ook een relatief geringe groei op een markt met sterke netwerkeffecten en een grote voorsprong van Booking op haar concurrenten de bestaande netwerkeffecten kan versterken. Het moeilijk te reproduceren reisecosysteem zou de toetredings- en uitbreidingsmogelijkheden van concurrenten verder beperken. Op basis van een algehele beoordeling acht het Gerecht een significante belemmering van de daadwerkelijke mededinging voldoende aangetoond.

Tot slot slaagt ook Bookings beroep op efficiëntieverbeteringen niet. De gestelde voordelen voor hotels en hotelklanten waren niet als zodanig tijdens de administratieve procedure aangevoerd, zodat de daarop gebaseerde argumenten niet-ontvankelijk zijn. De voordelen van de overname voor vluchtklanten konden de schade voor hotels en hotelklanten evenmin compenseren, gelet op de beperkte overlap tussen beide klantgroepen. Per saldo blijft het overnameverbod dus in stand, ondanks de fouten die het Gerecht in onderdelen van de analyse van de Commissie vaststelt.

terug naar boven


Gerecht verwerpt verzoek Goldwind tot opschorting informatieverzoek Commissie in FSR-onderzoek

Gerecht van de Europese Unie, arrest van 20 juli 2026

Het Gerecht heeft op 20 juli 2026 het verzoek tot voorlopige voorziening van Goldwind Science & Technology Co. Ltd (“Goldwind”) tot opschorting van het besluit van de Commissie tot verplichte informatieverstrekking verworpen. De Commissie opende op 3 februari 2026 een tweede-fase onderzoek naar Goldwind op grond van de verordening buitenlandse investeringen (Foreign Subsidies Regulation “FSR”). Dat onderzoek richtte zich op de vraag of buitenlandse financiële bijdragen aan de Chinese windturbineproducent de interne markt verstoren. In het kader van dat onderzoek heeft de Commissie op 20 maart 2026 een besluit genomen waarbij Goldwind werd verplicht aanvullende informatie te verstrekken.

Goldwind stelde beroep in tegen dat besluit op 29 mei 2026 en verzoekt in deze losstaande procedure opschorting van het informatieverzoek in afwachting van haar beroep tegen het besluit. Daartoe voerde zij aan dat bepaalde vragen buiten de reikwijdte van het diepgaande onderzoek zouden vallen. Goldwind stelde daarnaast dat beantwoording van de vragen het onderzoek aanzienlijk zou vertragen en daarmee commerciële en reputatieschade zou veroorzaken. Ook zouden haar rechten van verdediging onherstelbaar worden aangetast zodra de Commissie kennis zou nemen van informatie die zij volgens Goldwind niet had mogen opvragen. Het Gerecht gaat hier niet in mee. Het oordeelt dat Goldwind geen ernstige en onherstelbare schade heeft aangetoond nu een verlenging van het onderzoek vooralsnog hypothetisch is, de termijn van 18 maanden slechts indicatief is en de gestelde commerciële en reputatieschade onvoldoende is onderbouwd. Ook is geen sprake van onherstelbare aantasting van de rechten van verdediging aangezien de Commissie bij een latere nietigverklaring van het informatieverzoek de verkregen informatie uit het dossier moet verwijderen en deze niet als bewijs mag gebruiken.

terug naar boven


Hoogtepunten fusiebeoordelingen Europese Commissie

 

Baker Hughes Company/Chart Industries, Inc.

Op 10 juli 2026 heeft de Commissie de overname van Chart Industries, Inc. (“Chart”) door Baker Hughes Company (“Baker Hughes”) voorwaardelijk goedgekeurd. De twee in de Verenigde Staten gevestigde bedrijven zijn actief in de wereldwijde levering van apparatuur en technologie voor de vloeibaarmaking van aardgas (“LNG”). Als gevolg van de overname zouden de bedrijven over alle essentiële componenten beschikken die nodig zijn voor de oprichting en exploitatie van een LNG-fabriek. Volgens de Commissie zou de overname leiden tot een vermindering van concurrentie op de wereldwijde markten voor LNG-vloeibaarmakingsapparatuur en -technologieën waarop Europese bedrijven actief zijn als concurrenten en klanten. Baker Hughes zou haar machtspositie op de markt voor LNG-compressorinstallaties kunnen benutten om Chart te bevoordelen, bijvoorbeeld door koppelverkoop, verminderde interoperabiliteit met producten van derden of het gebruik van commercieel gevoelige informatie van concurrenten.

Om deze zorgen weg te nemen, heeft de Commissie ingestemd met de toezeggingen dat de ondernemingen – voor een periode van tien jaar – (i) de eigen procestechnologie van Chart en haar activiteiten op het gebied van kleinschalige procestechnologie zullen afstoten aan een geschikte derde koper die door de Commissie moet worden goedgekeurd, en (ii) de interoperabiliteit van hun apparatuur met LNG-apparatuur van derden zullen blijven waarborgen.

 

Paramount/Warner

De Commissie heeft op 22 juli 2026 de overname van Warner Bros. Discovery, Inc. (“Warner”) door Paramount Skydance Corporation (“Paramount”) voorwaardelijk goedgekeurd. Beide ondernemingen zijn wereldwijd actief op het gebied van de productie en distributie van audiovisueel entertainment, waaronder films en televisieseries. De Commissie had met name zorgen over de distributie van films aan bioscopen in EER-landen waar Paramount en NBCUniversal Media, LLC (“Universal”) gezamenlijk actief zijn via de joint venture United International Pictures (“UIP”). Hierdoor zou het filmportfolio van Warner ook via de UIP worden gedistribueerd. Volgens de Commissie zou dit de onderhandelingspositie van bioscopen kunnen verzwakken en kunnen leiden tot ongunstigere distributievoorwaarden met uiteindelijk mogelijk nadelige gevolgen voor consumenten.

Om deze zorgen weg te nemen, heeft Paramount toegezegd haar belang in UIP binnen dertien maanden na voltooiing van de transactie te beëindigen. Daarnaast mag Paramount gedurende tien jaar geen overeenkomsten met Universal aangaan over gezamenlijke filmdistributie binnen de EER. Ook gelden beperkingen voor het onderbrengen van de distributie van Paramount- en Warner-films bij distributeurs die al voor Universal of Disney actief zijn in landen waar UIP opereert. De Commissie concludeert dat zowel op de markt voor filmproductie in de EER als binnen de audiovisuele waardeketen voldoende concurrentiedruk op Paramount zou blijven bestaan.

 

Saipem/Subsea7

Op 22 juli 2026 heeft de Commissie een tweede-fase-onderzoek geopend naar de voorgenomen fusie tussen Saipem SpA (“Saipem”) en Subsea7 SA (“Subsea7”). De ondernemingen zijn allebei actief op het gebied van onderzeese infrastructuur voor offshore activiteiten (“SURF”), waarmee olie- en gasbronnen op de zeebodem worden verbonden met drijvende of vaste productieplatforms. SURF-diensten worden eveneens ingezet voor de opslag van koolstofdioxide onder de zeebodem. Uit het voorlopige onderzoek van de Commissie blijkt dat deze markt reeds sterk geconcentreerd is en dat Saipem en Subsea7 twee van de drie belangrijkste marktpartijen zijn. De Commissie vreest dat na de transactie slechts één vergelijkbare concurrent over zou blijven in een markt die wordt gekenmerkt door hoge toetredingsdrempels. Hoewel de klanten van Saipem en Subsea7 grote ondernemingen in de gas- en olie-industrie zijn, zijn zij mogelijk niet in staat prijsstijgingen als gevolg van de transactie tegen te gaan.

Tijdens het tweede-fase-onderzoek zal de Commissie onder meer onderzoeken of de fusie kan leiden tot hogere prijzen, minder innovatie en een groter risico op gecoördineerd gedrag tussen marktpartijen. Daarnaast zal zij de mogelijke gevolgen op aanpalende markten onderzoeken en eventuele verticale of conglomeraateffecten van de transactie. De Commissie heeft tot 26 november 2026 om een besluit over deze voorgestelde transactie te nemen.

 

MMG/Anglo American

 Op 16 september 2026 heeft de Commissie aan MMG Limited (“MMG”) haar punten van bezwaar medegedeeld over de voorgenomen overname van de nikkelactiviteiten van Anglo American. MMG is een internationaal mijnbouw- en metaalbedrijf dat zich voornamelijk bezighoudt met de productie van onder meer koper en zink. De onderneming is eigendom van China Minmetals Corporation (“CMC”), dat op zijn beurt onder toezicht staat van de Chinese State-owned Assets Supervision and Administration Commission (“SASAC”). De over te nemen activiteiten van Anglo American omvatten twee ferronikkelfabrieken en twee greenfieldontwikkelingsprojecten in Brazilië. Volgens de Commissie bestaat het risico dat MMG na de overname de levering van koolstofarm ferronikkel verplaatst van Europese afnemers naar ondernemingen die eveneens onder zeggenschap van SASAC staan. In combinatie met het beperkte aantal alternatieve leveranciers kan dit negatieve gevolgen hebben voor Europese producenten van roestvrij staal. De Commissie vreest aldus dat de overname de beschikbaarheid van koolstofarm ferronikkel voor Europese afnemers kan beperken en daardoor de kosten voor de Europese roestvrijstaalsector kan verhogen.

terug naar boven


Commissie legt Google DMA-boete op van € 890 miljoen wegens zelfbevoordeling en anti-sturingsregels

Europese Commissie, persbericht van 23 juli 2026

Na de  boetes voor Meta (€ 200 miljoen) en Apple (€ 500 miljoen), legde de Commissie op 23 juli de boetes aan Google op wegens schending van de Digitale Markten Verordening (Digital Markets Act, “DMA”). Het gaat om een totaalbedrag van € 890 miljoen voor twee separate overtredingen. De eerste boete van € 460 miljoen ziet op zelfbevoordeling op Google Search. Volgens de Commissie hanteert Google een gunstigere rangschikking van haar eigen diensten (zoals winkel-, hotel-, sport- en vervoerresultaten) in Google Search ten opzichte van die van derden. Googles eigen aanbod wordt bijvoorbeeld prominenter bovenaan getoond of met verbeterde visuals gepresenteerd. Dit is volgens de Commissie in strijd met artikel 6 lid 5 DMA.

De tweede boete van € 430 miljoen betreft de anti-sturingsbepalingen (anti-steering) die Google hanteert in overeenkomsten met appontwikkelaars. Appontwikkelaars die hun apps via de Play Store distribueren, worden zowel technisch als contractueel belet om buiten de Play Store om aanbiedingen te promoten en contracten te sluiten met gebruikers, in strijd met artikel 5 lid 4 DMA.

Naast deze boetes gelast de Commissie Google om (i) diensten van derden die in haar zoekresultaten worden weergegeven op eerlijke en niet-discriminerende voorwaarden te behandelen ten opzichte van haar eigen diensten, en (ii) appontwikkelaars die hun apps via de Play Store distribueren in staat te stellen vrijelijk aanbiedingen te communiceren, te promoten en overeenkomsten met gebruikers te sluiten buiten de Play Store om. Google dient binnen zestig dagen aan deze verplichtingen te voldoen, op straffe van dwangsommen tot 5% van haar wereldwijde omzet.

terug naar boven


Commissie legt Google maatregelen op onder DMA inzake AI-assistenten en zoekmachinegegevens

Europese Commissie, persbericht van 16 juli 2026

De Commissie heeft op 16 juli 2026 twee sets bindende specificatiemaatregelen opgelegd aan Google onder de DMA. De eerste set maatregelen ziet op de toegang van concurrerende AI-diensten tot belangrijke Android-functionaliteiten. Het doel van deze maatregelen is om op grond van artikel 6 lid 7 DMA te waarborgen dat concurrerende AI-diensten gelijke toegang krijgen tot functies van Android-apparaten en daarmee beter met Google kunnen concurreren. Momenteel hebben concurrerende AI-assistenten namelijk slechts beperkte toegang tot het Android-besturingssysteem, hetgeen het volgens de Commissie minder aantrekkelijk maakt voor de 60% van de EU-gebruikers met een Android-apparaat om alternatieve AI-diensten te gebruiken. De maatregelen moeten ervoor zorgen dat gebruikers onder meer via spraakcommando’s een zelfgekozen AI-assistent kunnen activeren en daarmee handelingen in andere apps kunnen uitvoeren.

Het doel van de tweede set maatregelen is om op grond van artikel 6 lid 11 DMA het speelveld in evenwicht te brengen door concurrerende zoekmachines toegang te geven tot zoekgegevens die Google Search door haar marktpositie op grote schaal kan verzamelen. Volgens de Commissie is toegang tot deze gegevens van belang voor de ontwikkeling en optimalisering van concurrerende zoekdiensten. De maatregelen verduidelijken onder meer dat AI-chatbots met zoekfunctionaliteiten in aanmerking kunnen komen voor toegang en dat Google dezelfde gegevens moet delen die zij gebruikt om haar eigen zoekdiensten te optimaliseren. Google mag vooraf beoordelen of het delen van gegevens met een specifieke derde partij ernstige risico’s voor cyberveiligheid of gegevensbescherming oplevert. Tot slot voorzien de maatregelen in een eerlijke berekening voor de prijs van de gedeelde gegevens en een transparant proces voor toegang tot deze gegevens. Google dient vanaf januari 2027 te starten met het delen van zoekgegevens en vanaf juli 2027 de veranderingen door te voeren voor de Android-functionaliteiten.

terug naar boven


HvJ laat misbruikboete Google Android-zaak in stand en verduidelijkt toets voor uitsluitingseffecten

Hof van Justitie van de Europese Unie, arrest van 2 juli 2026

Op 2 juli heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (“HvJ“) arrest gewezen in het hoger beroep van Google en Alphabet tegen het arrest van het Gerecht van 14 september 2022 in de Android-zaak (CF Q3 2022). De Commissie had Google in 2018 een boete van ruim € 4,3 miljard opgelegd wegens contractuele beperkingen rond Android. Die beperkingen betroffen onder meer een koppeling van de Google Search-app en Chrome aan de Play Store, anti-fragmentatieverplichtingen voor fabrikanten en exclusiviteitsbetalingen (in de vorm van een revenue share agreement, ofwel “RSA”). Het Gerecht liet de eerste twee uitsluitingsmisbruiken in stand, maar oordeelde dat de Commissie het misbruikelijke karakter van RSA’s niet voldoende had aangetoond en daarbij ook de rechten van verdediging had geschonden. Het verlaagde de boete daarom tot € 4,125 miljard.

In hoger beroep houdt het HvJ het arrest van het Gerecht in stand en verduidelijkt hoe uitsluitingseffecten onder artikel 102 VWEU moeten worden beoordeeld. De Commissie dient met concreet en specifiek bewijs aan te tonen dat de gedraging niet gebaseerd is op ‘mededinging op basis van verdienste’. Die beoordeling moet plaatsvinden tegen de achtergrond van alle relevante feitelijke omstandigheden en de werking van de betrokken markt. Het HvJ benadrukt dat de AEC-toets – of een even efficiënte concurrent de gedraging kan evenaren – geen verplichte, universele maatstaf is. In digitale ecosystemen met hoge toetredingsdrempels, netwerkeffecten en complexe interacties kan zo’n toets zelfs ongeschikt of weinig zinvol zijn.

Evenmin bestaat er een algemene verplichting om voor iedere gedraging een contrafeitelijk scenario uit te werken. De Commissie moet wel het causale verband tussen de gedraging en de gestelde mededingingsbeperkende effecten aantonen, maar mag daarvoor verschillende analysemethoden en bewijsmiddelen gebruiken. Ook hoefde zij de door Google gestelde pro-competitieve voordelen niet zelf al in de effectenanalyse mee te nemen; het ligt op de weg van de dominante onderneming om een objectieve rechtvaardiging of efficiëntievoordelen aannemelijk te maken.

Hoewel de RSA’s als zelfstandig misbruik niet waren bewezen volgens het Gerecht, mochten deze alsnog wel als onderdeel van de feitelijke context worden meegewogen bij de beoordeling van de overige misbruiken. Bovendien tast het wegvallen van de RSA’s als zelfstandig misbruik de kwalificatie van de resterende gedragingen als één enkele en voortdurende inbreuk niet aan: de overige misbruiken waren zelfstandig vastgesteld en maakten deel uit van een bredere strategie met een gemeenschappelijk doel.

Tot slot betoogden Google en Alphabet ten aanzien van de boetehoogte onder meer dat het Gerecht het ne-ultra-petita-beginsel had geschonden en de boete veel verder had moeten verlagen nu één van de drie misbruiken in het Commissiebesluit onderuit was gegaan. Het HvJ gaat hier niet in mee. Google en Alphabet hebben zelf om een vernietiging dan wel boeteverlaging verzocht. Het Gerecht mocht dus de boete geheel heroverwegen ook op basis van een andere methode dan in het Commissiebesluit of zoals bepleit door partijen. Bovendien ligt de uiteindelijke boete onder de oorspronkelijke Commissieboete van € 4,343 miljard, zoals gevorderd door Google en Alphabet.

terug naar boven


HR wijst arresten over bevoegdheid en ontvankelijkheid in collectieve LIBOR-kartelzaak

Hoge Raad, arresten van 17 juli 2026

In de collectieve actie op grond van artikel 3:305a (oud) BW van Stichting Elco Foundation tegen Rabobank, Lloyds Bank, UBS en ICAP wegens manipulatie van de JPY LIBOR-rentebenchmark (in strijd met artikel 101 VWEU), heeft de Hoge Raad (“HR”) twee arresten gewezen over enkele bevoegdheidsvraagstukken en ontvankelijkheid.

Het gerechtshof had, anders dan de rechtbank, bevoegdheid aangenomen op basis van de ankergedaagderegel (artikel 8 lid 1 Brussel I-bis-Verordening, artikel 6 lid 1 EVEX II en artikel 7 lid 1 Rechtsvordering (“Rv“) ten aanzien van de vorderingen van de Stichting tegen de buitenlandse banken. De HR bevestigt dat voor een “eenzelfde situatie rechtens” in de zin van artikel 8 lid 1 Brussel I-bis-Verordening niet vereist is dat op de vorderingen tegen verschillende verweerders (vrijwel) hetzelfde materiële recht van toepassing is of dat de vorderingen (exact) dezelfde rechtsgrondslag hebben. Ook facilitators/brokers zoals ICAP bevinden zich in dezelfde situatie rechtens wanneer hun rol (het faciliteren van een kartelinbreuk) niet los kan worden gezien van de vraag of sprake is van een inbreuk door de banken.

Bovendien bevestigt de HR dat voorzienbaarheid géén zelfstandig vereiste is voor toepassing van de ankergedaagderegel, maar een algemeen beginsel dat de invulling van het vereiste van een “nauwe band” mede kleurt (in navolging van onder meer het HvJ-arrest inzake Stroomkabels & Karton). Deelname aan één enkele inbreuk op het kartelverbod brengt mee dat redelijkerwijs voorzienbaar is dat een onderneming voor het gerecht van de zetel van een ander lid van dat kartel kan worden opgeroepen.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de Stichting herhaalt de HR dat artikel 3:305a (oud) BW strekt tot effectieve en efficiënte rechtsbescherming. De belangen van de benadeelden behoeven inhoudelijk en qua omvang niet precies gelijk te zijn om zich voor bundeling te lenen.

terug naar boven


Rechtbank Amsterdam neemt bevoegdheid aan over WAMCA-vorderingen tegen Mastercard en Visa

Rechtbank Amsterdam, uitspraken van 12 augustus 2026

Na een serie verduidelijkingen door het Hof van Justitie van de Europese Unie (“HvJ”) lijkt het aannemen van (internationale en relatieve) bevoegdheid in internationale kartelschadezaken nu eenvoudiger. Zo verklaarde de rechtbank Amsterdam zich in twee vonnissen in incident van 12 augustus 2026 bevoegd om kennis te nemen van de WAMCA-vorderingen van een stichting die optreedt namens Nederlandse ‘merchants’ die stellen schade te hebben geleden door te hoge interregionale multilateral interchange fees (“MIFs”) van Mastercard en Visa.

In de Visa-zaak berust de internationale bevoegdheid ten aanzien van de buitenlandse Visa-entiteiten op de ankergedaagderegel van artikel 7 lid 1 Rv. VEN, de Nederlandse dochterentiteit van Visa, kan volgens de rechtbank als ankergedaagde fungeren omdat voorshands sprake is van een economische eenheid in de zin van het Sumal-arrest. Het bestaan van economische, organisatorische en juridische banden wordt aangenomen nu VEN sinds 2020 actief is en er een aandeelhouderschapsrelatie aanwezig is met de Amerikaanse Visa-entiteiten.

Belangrijk is vooral de invulling van het tweede Sumal-criterium: het bestaan van een concreet verband tussen de activiteit van de dochter en het voorwerp van de inbreuk. VEN stelde niet zelf de MIFs vast, maar verrichtte ondersteunende activiteiten voor het Visa-platform. De rechtbank acht het faciliteren van het Visa-platform voldoende voor het bestaan van een concreet verband met het voorwerp van de inbreuk. Daarbij legt de rechtbank het HvJ-arrest in Stroomkabels & Karton ruim uit. Dat er ‘met name’ sprake is van een concreet verband bij verkoop-, productie-, leverings- en distributieactiviteiten – zoals het HvJ in dat arrest toelicht – toont aan dat die opsomming niet limitatief bedoeld is. Alle economische activiteiten met betrekking tot het betrokken product of de dienst kunnen relevant zijn.

In de Mastercard-zaak wordt Mastercard Europe – gevestigd in België – op grond van artikel 7 lid 2 Brussel I-bis-Verordening aan de rechtbank Amsterdam verbonden. De rechtbank lokaliseert het Erfolgsort in Nederland: de gestelde MIF-meerkosten vormen directe schade die in Nederland is geleden voor de nauw omschreven groep (in Nederland gevestigde merchants). Internationale kenmerken van het betalingsverkeer, settlement accounts of kostenallocaties doen daaraan niet af. Vervolgens kan Mastercard Europe als ankergedaagde dienen voor de Amerikaanse groepsentiteiten, hoewel zij zelf niet in Nederland is gevestigd. De rechtbank verwerpt uitdrukkelijk het standpunt dat een ankergedaagde een Nederlandse gedaagde moet zijn. De rechtbank Amsterdam is ook relatief bevoegd voor merchants buiten haar arrondissement. Met een functionele toepassing van het HvJ-arrest inzake Apple beschouwt de rechtbank de afgebakende groep Nederlandse merchants als getroffen op een hoofdzakelijk Nederlandse markt, ondanks het mondiale Mastercard-platform.

Opmerkelijk is ten slotte dat het relatieve bevoegdheidsverweer van Mastercard als misbruik van procesrecht wordt aangemerkt: het zou enkel vertraging en nodeloze kosten (te weten: elfmaal griffierecht) veroorzaken.

terug naar boven


Rechtbank Amsterdam neemt bevoegdheid aan in follow-on zaak over Google Shopping

Rechtbank Amsterdam, uitspraak van 26 augustus 2026

De rechtbank Amsterdam heeft zich op 26 augustus 2026 bevoegd verklaard te oordelen over de schadevergoeding die Dooyoo c.s. vordert tegen Google Nederland en andere buitenlandse Google vennootschappen.

De rechtbank brengt allereerst in herinnering dat de beoordeling van de bevoegdheid op een prima facie toets berust; voldoende is dat niet is uitgesloten dat de ankergedaagden deel uitmaken van dezelfde onderneming en daarmee dat aan de criteria uit het Sumal-arrest is voldaan. Dit HvJ-arrest vereist – naast het bestaan van economische, organisatorische en juridische banden – dat een concreet verband bestaat tussen de economische activiteit van de aangesproken dochterentiteit en het voorwerp van de inbreuk. Nu vaststaat dat Google Nederland in elk geval marketing- en verkoopondersteunende diensten heeft verleend aan de adverteerders op de Google-platforms, die (mede) plaatsvonden in het kader van de verkoop van advertenties/Shopping Ads van Google, acht de rechtbank het bestaan van het vereiste concreet verband aannemelijk. Het feit dat Google Nederland de advertenties niet zelf verkocht, is daarbij niet doorslaggevend. Dit betekent dat sprake is van de vereiste nauwe band tussen Google Nederland en Google LLC en Alphabet. De rechtbank gebruikt dezelfde redenering voor de vorderingen tegen de andere buitenlandse Google-vennootschappen. De rechtbank is derhalve bevoegd. Het verzoek van Google om de hoofdzaak aan te houden in afwachting van de prejudiciële beslissing in de Trucks-zaak wordt afgewezen.

terug naar boven


Rechtbank Amsterdam oordeelt dat ethyleenkartel niet tot schade leidde

Rechtbank Amsterdam, uitspraken van 29 juli 2026

In twee uitspraken van 29 juli 2026 met betrekking tot het ethyleenkartel oordeelt de rechtbank Amsterdam dat – hoewel het bestaan van het kartel vaststaat – de eisers in deze zaak geen schade hebben geleden. De eerste zaak betreft vorderingen tot schadevergoeding van Stichting Ethylene Claims, waarin de vorderingen van het Repsol-concern zijn ondergebracht. In de tweede zaak vordert Shell schadevergoeding van de karteldeelnemers. De deelnemers aan het ethyleenkartel – Orbia, Clariant en Celanese – zijn in 2020 beboet door de Commissie voor het onderling afstemmen van de inkoopprijs van ethyleen. Er werden boetes van in totaal € 260 miljoen opgelegd; Westlake kreeg geen boete omdat zij het kartel onder de aandacht van de Commissie had gebracht.

De kernvraag was of de verboden informatie-uitwisseling daadwerkelijk invloed heeft gehad op de inkoopprijs van ethyleen. Daartoe zijn in beide zaken uitvoerige deskundigenrapporten ingebracht door zowel eisers als gedaagden. De rechtbank acht de rapporten en schadetheorie van Stichting Ethylene Claims en Shell niet overtuigend. Een daadwerkelijk effect van het kartel op de inkoopprijs van ethyleen is volgens de rechtbank om een aantal redenen niet aannemelijk. Ten eerste wordt een benchmark vastgesteld door overeenstemming van twee paren van kopers en verkopers. De benchmark kwam niet tot stand zonder dat twee aanbieders met een settlement voor een prijs hadden ingestemd. Daarbij konden Shell en Repsol ook met (alle) andere afnemers onderhandelen. Ten tweede, en daarmee samenhangend, overweegt de rechtbank dat de karteldeelnemers gezamenlijk niet meer dan 15% van de te verhandelen ethyleen afnamen. Tot slot acht de rechtbank het van belang dat de markt(prijs) zeer transparant is en dat alle marktdeelnemers, waaronder Shell en Repsol, kennis hadden van de belangrijkste factoren voor de prijsvaststelling, zoals de prijs van ruwe aardolie alsook de vraag naar en het aanbod van (beschikbaar) ethyleen.

Hoewel het kartel dus vaststaat en de Commissie de deelnemers heeft beboet, concludeert de rechtbank dat het kartel in dit geval niet tot enige schade heeft geleid bij Shell of Repsol. De vorderingen worden daarom afgewezen.

terug naar boven


HvJ geeft kader voor beoordeling FIFA-regels voor voetbalmakelaars*

Hof van Justitie van de Europese Unie, arresten van 9 en 16 juli 2026

Het HvJ heeft zich in juli in twee verschillende arresten uitgelaten over verschillende bepalingen uit FIFA’s Football Agent Regulations (“FFAR”). De in 2022 aangekondigde FFAR lagen wereldwijd onder vuur en leidden tot procedures in verschillende EU-Lidstaten. Deze leidden uiteindelijk tot twee sets prejudiciële vragen vanuit Duitse rechters.

In de eerste zaak (ROGON) oordeelt het HvJ dat de Wouters-/Meca Medina-exceptie ook kan gelden voor regelgeving van een sportfederatie die feitelijk het gedrag van derde ondernemingen reguleert die als zodanig geen lid zijn van die federatie, in dit geval: voetbalagenten. De verwijzende rechter hoeft daarbij niet per losse bepaling, maar kan voor clusters van bepalingen beoordelen of sprake is van een legitiem doel van algemeen belang en of de betrokken regels daarvoor geschikt, noodzakelijk en proportioneel is/zijn.

Tegen die achtergrond toetst het HvJ in RRC Sports een aantal specifieke bepalingen uit de FFAR aan artikelen 56, 101 en 102 VWEU (en artikel 6 van de AVG, die wij hier verder buiten beschouwing laten). Het HvJ oordeelt dat de FFAR kwalificeren als een besluit van een ondernemingsvereniging zodat artikel 101 VWEU van toepassing is. Op basis van het beschikbare dossier overweegt het HvJ vervolgens dat – onder voorbehoud van het nadere feitenonderzoek door de verwijzende rechter – de meeste regels uit de FFAR naar waarschijnlijkheid geen doelbeperking (maar mogelijk wel een effectbeperking) opleveren. Alleen ten aanzien van het vervallen van het recht op vergoeding bij vroegtijdige contractbeëindiging (artikel 14 lid 12 FFAR) en de no poaching-bepalingen (artikel 16 lid 1 FFAR) die uitsluitend gelden voor concurrerende makelaars zonder bestaand contract, ziet het HvJ op het eerste gezicht wel aanknopingspunten voor het bestaan van een doelbeperking.

Ten aanzien van artikel 102 VWEU stelt het HvJ dat FIFA als dominant kan worden beschouwd op de markt voor makelaarsdiensten met betrekking tot de internationale transfer van professionele spelers en coaches en op de arbeidsmarkt voor spelers en coaches. Of de betwiste FFAR-bepalingen ook daadwerkelijk misbruik van die machtspositie opleveren, laat het HvJ wederom aan de verwijzende rechter. Interessant daarbij is dat het HvJ uitsluitingsmisbruik conceptueel wel mogelijk acht (hoewel FIFA zelf niet actief is op die markt en dus geen ‘concurrent’ is), gelet op de tegengestelde belangen van FIFA (als vereniging van uiteindelijk de clubs) enerzijds, en de agenten anderzijds.

Tot slot oordeelt het HvJ dat de regels over meervoudige vertegenwoordiging, de licentie-eis inzake straf- of tuchtrechtelijke antecedenten en de no poaching-bepalingen het vrij verkeer van diensten mogelijk kunnen belemmeren. Voor zover van een belemmering sprake is, kunnen doelen zoals het voorkomen van belangenconflicten en de bescherming van spelers en coaches deze mogelijk wel rechtvaardigen, aldus het HvJ. Ook deze beoordeling dient te worden gemaakt door de verwijzende Duitse rechter.

* bureau Brandeis staat voetbalmakelaarorganisaties Pro Agent (NL) en EFAA (EU) bij in een procedure over de FFAR in Nederland.

terug naar boven


CBb bevestigt ACM-boetes inzake eierkartel, maar hervat betalingsregeling

College van Beroep voor het bedrijfsleven, uitspraken van 15 september 2026 en 12 september 2025 (gepubliceerd op 15 september 2026)

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven (“CBb”) heeft op 15 september 2026 geoordeeld dat de Autoriteit Consument & Market (“ACM”) terecht boetes heeft opgelegd aan de drie eierproductfabrikanten Global, Interovo en Wulro. De ACM beboette deze drie ondernemingen in december 2022 voor hun (respectievelijke) deelname aan twee inkoopkartels: één tussen Global en Wulro en één tussen Interovo en Wulro. Het betrof dus twee afzonderlijke enkele voortdurende inbreuken op het mededingingsrecht. De rechtbank Rotterdam bevestigde het boetebesluit van de ACM, maar verlaagde de boetes vanwege de evenredigheid en de duur van de procedure. De eierproductfabrikanten voerden zowel formele als materiële bezwaren aan tegen het oordeel van de rechtbank.

De formele bezwaren zagen onder meer op een schending van de onschuldpresumptie alsook de functiescheiding tussen de Directie Mededinging (“DM”) en de Dienst Juridische Zaken (“DJZ”) binnen de ACM. Volgens de eierproductfabrikanten is DJZ de grens van de functiescheiding overgegaan door, na de beoordeling van het eerste boeterapport, DM in de gelegenheid te stellen aanvullend onderzoek te doen. Daarin gaat het CBb niet mee: DJZ is niet zelf onderzoek gaan doen en heeft DM evenmin aanwijzingen gegeven over hoe het aanvullend onderzoek zou moeten plaatsvinden.

Wat betreft de materiële hoger beroepsgronden wordt allereerst de kwalificatie als strekkingsbeperking betwist. Het CBb oordeelt net als de rechtbank dat de ACM terecht concludeerde dat de twee onderling afgestemde feitelijke gedragingen ieder tot doel hadden de mededinging te beperken. De ACM heeft op goede gronden meegenomen dat de eierproductfabrikanten een sterke tot zeer sterke positie hadden ten opzichte van de leghenhouders, waarvoor geen gelijkwaardige alternatieven bestonden. Ook de eigen verklaringen van de eierproductfabrikanten mochten in deze context worden meegewogen, aldus het CBb. Een exacte berekening van de marktaandelen was dus niet nodig. Ook het beroep op de bagatelvrijstelling is tevergeefs. Daarnaast oordeelt het CBb dat de ACM terecht is uitgegaan van twee afzonderlijke enkele voortdurende inbreuken. Dat het contact tussen de eierproductfabrikanten vanwege pauzes tussendoor onderbroken is geweest, acht het CBb niet aannemelijk. Er is immers ook gedurende die ‘pauzes’ contact geweest over ‘de rust bewaren’ en ‘samenwerken’, hetgeen erop duidt dat de afspraak voortduurde.

Tot slot ziet het CBb in het kader van de evenredigheid aanleiding om de boete aan Wulro te matigen. Wulro is weliswaar terecht tweemaal beboet voor haar betrokkenheid bij beide inbreuken, maar de door de rechtbank verleende korting van 25% acht het CBb niettemin onevenredig. Het CBb past daarom een korting toe van 40% op het totaalbedrag, in aanvulling op de verleende korting wegens het overschrijden van de redelijke termijn in eerste instantie.

In een andere uitspraak van het CBb die ook gepubliceerd is op 15 september 2026 (maar al in september 2025 is gewezen), oordeelt de voorzieningenrechter van het CBb dat de ACM ten onrechte een betalingsregeling voor Wulro heeft ingetrokken. De ACM mocht weliswaar rekening houden met de draagkracht van de houdstermaatschappijen van Wulro bij de boeteberekening, maar heeft ten onrechte de betalingsregeling voor Wulro ingetrokken. Ter zitting is gebleken dat de houdstermaatschappijen niet bereid zijn om bij te springen voor het voldoen van de boetes. De voorzieningenrechter acht het belang van Wulro bij het voorkomen van een dreigend faillissement groter dan het belang van de ACM bij directe betaling van de boete. Daarbij overweegt de voorzieningenrechter tevens dat de ACM de houdstermaatschappijen niet tot betaling van de boete kan dwingen, terwijl Wulro dit evenmin kan afdwingen. Daarom wordt het betalingsbesluit van de ACM geschorst en de hiervoor geldende betalingsregeling weer ingesteld.

terug naar boven


CBb bevestigt handhaving ACM tegen Privilege wegens belemmeringen bij opzeggen

College van Beroep voor het bedrijfsleven, uitspraak van 1 september 2026

Het CBb heeft op 1 september 2026 het hoger beroep van Privilege B.V. (“Privilege”) tegen handhavend optreden van de ACM verworpen. Privilege biedt consumenten tegen betaling van een lidmaatschap toegang tot verschillende producten en diensten op haar website, waaronder puzzel- en winacties. De ACM startte in juli 2021 een onderzoek naar aanleiding van meldingen van consumenten over problemen bij het opzeggen van hun lidmaatschap. Volgens de ACM maakte Privilege het opzeggen onder meer moeilijk door schriftelijke opzegging verplicht te stellen, tussentijdse opzegging te beperken en bij een ‘ongeldige opzegging’ met een boete te dreigen.

Het CBb bevestigt dat Privilege daarmee verschillende regels van consumentenrecht heeft overtreden. De algemene voorwaarden bepaalden onder meer dat lidmaatschappen na een jaar telkens stilzwijgend met een jaar werden verlengd, zonder dat consumenten de verlengde overeenkomst vervolgens maandelijks konden opzeggen. Een dergelijke beperking staat op de zwarte lijst van onredelijk bezwarende bedingen van artikel 6:236 BW. Daarnaast moesten consumenten hun lidmaatschap met een ondertekende brief opzeggen, terwijl voor het aangaan van het lidmaatschap geen vergelijkbare schriftelijke eis gold. Dat Privilege in sommige gevallen ook opzeggingen per e-mail accepteerde, maakt dit volgens het CBb niet anders. Als laatste had Privilege consumenten bij een volgens haar ongeldige opzegging gewezen op een boete. Volgens het CBb was sprake van een agressieve handelspraktijk, omdat de dreiging met een boete ertoe kon leiden dat een gemiddelde consument een andere beslissing nam over het opzeggen van zijn lidmaatschap. Dat Privilege deze brieven ten tijde van het handhavend optreden niet meer verstuurde, doet hier niet aan af.

De ACM mocht vanwege deze overtredingen een last onder dwangsom opleggen. Daaronder viel ook de verplichting om bestaande klanten actief te informeren dat zij niet aan de betreffende bedingen waren gebonden. Privilege probeerde hieraan te voldoen met een pop-up die klanten te zien kregen wanneer zij op hun account inlogden. Volgens het CBb was dit onvoldoende, omdat Privilege de gewijzigde voorwaarden actief aan haar bestaande klanten had moeten toezenden. Omdat zij niet volledig aan de last had voldaan, waren de maximale dwangsommen van € 240.000 verbeurd en mocht de ACM deze invorderen. Het CBb bevestigt daarmee de uitspraak van de rechtbank Rotterdam.

terug naar boven


ACM geeft goedkeuring voor onderzoek Thuiswinkel naar retourkosten

Autoriteit Consument & Markt, besluit van 21 juli 2026

De ACM heeft op 21 juli 2026 toestemming gegeven aan Thuiswinkel.org om op eigen initiatief onderzoek te doen naar de effecten van retourkosten op keuzes van consumenten. In het onderzoek worden online kledingwinkels die retourkosten hanteren gemonitord om het effect van de kosten op het aantal retouren inzichtelijk te maken. Op grond van de Beleidsregel Toezicht ACM op duurzaamheidsafspraken oordeelt de ACM dat hier geen bezwaren tegen zijn. Dit volgt uit het feit dat deelname aan het onderzoek vrijwillig is, deelnemers zelf de hoogte van de retourkosten mogen bepalen, het onderzoek niet langer duurt dan nodig om voldoende informatie te verzamelen en bedrijven na het onderzoek hun retour beleid weer mogen wijzigen. Ook zullen concurrenten geen concurrentiegevoelige informatie uitwisselen. De ACM ziet onder deze omstandigheden dan ook geen mededingingsrechtelijke bezwaren tegen de samenwerking.

terug naar boven


ACM actief in bestrijding niet-onderbouwde duurzaamheidsclaims, nieuwe ECGT-richtlijn

Autoriteit Consument & Markt, nieuwsbericht van 13 augustus 2026

De ACM heeft op 13 augustus 2026 bekendgemaakt dat cruiseaanbieder Captain Cruise niet-onderbouwde duurzaamheidsclaims van haar website heeft verwijderd nadat de ACM het bedrijf hierop had aangesproken. Op de website gebruikte Captain Cruise voor haar reizen onder meer termen als ‘verantwoord’, ‘duurzaam cruisen’ en ‘milieuvriendelijke reis’. Volgens de ACM konden deze claims de indruk wekken dat de reizen duurzamer waren dan zij in werkelijkheid zijn. Duurzaamheidsclaims zijn niet alleen binnen de reissector een aandachtspunt.

Ook andere producenten en verkopers moeten voorzichtig zijn met het gebruik daarvan. Vanaf 27 september 2026 is de Nederlandse implementatiewet van de Richtlijn (EU) 2024/825 betreffende het versterken van de positie van de consument voor de groene transitie (“ECGT-richtlijn”) in werking getreden. De nieuwe regels richten zich onder meer op duurzaamheidsclaims en duurzaamheidskeurmerken. Claims als ‘groen’, ‘milieuvriendelijk’ en ‘ecologisch’ mogen niet langer worden gebruikt wanneer zij niet voldoen aan Europese of nationale standaarden. Voor duurzaamheidslabels geldt daarnaast dat deze alleen mogen worden verleend op een onafhankelijke, transparante en toegankelijke manier. Ook komen er informatieverplichtingen voor consumenten over onder meer de levensduur en repareerbaarheid van producten en de negatieve gevolgen daarvan. Verder komt er een standaard garantie etiket en worden vergelijkingssites verplicht transparanter te zijn over de wijze waarop zij producten vergelijken op milieu- en sociale kenmerken.

terug naar boven


CBb acht TLN ontvankelijk in beroep over luchthavengelden Schiphol

College van Beroep voor het bedrijfsleven, uitspraak van 28 juli 2026

Op 28 juli 2026 deed het CBb uitspraak in de beroepen van branchevereniging Transport Logistiek Nederland (“TLN”) en Fenex tegen de niet-ontvankelijkverklaring van hun aanvragen inzake de tarieven en voorwaarden van luchthaven Schiphol voor de periode 2025-2027. De ACM had de twee aanvragen niet-ontvankelijk verklaard omdat TLN en Fenex volgens haar geen (representatieve organisaties van) gebruikers zouden zijn in de zin van artikel 8.25f Wet luchtvaart. Op 27 mei 2025 nam de ACM vervolgens een inhoudelijk besluit op de aanvragen van meerdere andere partijen. Deze beroepen zullen op 3 november 2026 worden behandeld.

Het CBb volgt de ACM in de uitleg van het begrip ‘gebruiker’; alléén luchtvaartmaatschappijen en andere (rechts)personen die zelf vluchten uitvoeren en luchthavengelden betalen vallen onder deze definitie. Voor zover TLN en Fenex bijvoorbeeld expediteurs en wegvervoerders vertegenwoordigen, zijn zij dus geen belanghebbenden.

Voor het begrip ‘representatieve organisatie’ ligt het anders. De Wet luchtvaart definieert dit als een bij ministeriële regeling aangewezen rechtspersoon die de belangen van gebruikers vertegenwoordigt, maar zo’n regeling is er nooit gekomen. Kijkend naar de wetshistorie overweegt het CBb dat het moet gaan om een organisatie met een vaste structuur die de gemeenschappelijke belangen van gebruikers behartigt. De belangenbehartiging hoeft niet expliciet op Schiphol te zien, maar moet wel onder de doelomschrijving van de organisatie zijn te vatten.

TLN wijst daarbij op de Dutch Express Organisation (“DEA”), een netwerk binnen TLN van koeriers- en expressdienstverleners (waaronder DHL, FedEx, UPS), die met een eigen vliegtuigvloot op Schiphol vluchten uitvoeren en dus gebruikers zijn. Aangezien TLN de organisatorische eenheid achter DEA is en haar doelomschrijving zich ook uitstrekt tot de belangenbehartiging van deze koeriers- en expressdienstverleners, dient TLN wel als representatieve organisatie en daarmee als belanghebbende te worden aangemerkt, aldus het CBb. Dat DHL, FedEx en UPS ook al langs andere weg (via een eigen aanvraag dan wel lidmaatschap van Air Cargo Netherlands) in de procedure waren betrokken, doet daaraan niet af. De ACM heeft de aanvraag van TLN derhalve ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het feit dat de DEA-leden ook bij Fenex zijn aangesloten, acht het CBb onvoldoende om haar (ook) als representatieve organisatie aan te merken. Haar beroep is dus ongegrond.

terug naar boven


Rechtbank vernietigt afwijzing handhavingsverzoek ACM op grond van motiveringsgebrek

Rechtbank Rotterdam, uitspraak van 24 juli 2026

Op 24 juli 2026 heeft de rechtbank Rotterdam geoordeeld dat de ACM ten onrechte een handhavingsverzoek tegen een warmteleverancier heeft afgewezen. Na twee eerdere tussenuitspraken kreeg de ACM de gelegenheid om het besluit beter te motiveren. Inhoudelijk gaat de zaak over de vraag of de door de warmteleverancier gehanteerde methode voor het bepalen van tarieven voor afleversets redelijk is. De rechtbank is van mening dat de ACM de eerder geconstateerde motiveringsgebreken niet heeft hersteld. Ten eerste heeft de ACM onvoldoende gemotiveerd waarom de montagewerkzaamheden voor twee verschillende typen afleversets gelijk zouden zijn. In beide gevallen is weliswaar een warmtewisselaar aanwezig, maar bij het ene type is deze eigendom van de bewoner en bij het andere type van de warmteleverancier.

Ten tweede heeft de ACM geen rechtvaardiging gegeven voor het verschil in berekeningsmethode tussen de schouwkosten en installatiekosten. De rechtbank benadrukt dat de kosten niet alleen herleidbaar moeten zijn tot de daadwerkelijk door de warmteleverancier gemaakte kosten, maar ook op consistente wijze moeten worden berekend. Nu een rechtvaardiging voor dit verschil ontbreekt, had de ACM volgens de rechtbank moeten concluderen dat de gehanteerde kosten niet redelijk zijn. De ACM mocht het handhavingsverzoek daarom niet afwijzen op grond van de redelijkheid van de tariefmethode. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het besluit en draagt de ACM op een nieuw besluit te nemen.

terug naar boven


HvJ geeft duidelijkheid over reikwijdte van de nietigheidssanctie na een inbreukbesluit

Hof van Justitie van de Europese Unie, arrest van 3 september 2026

Op 3 september 2026 heeft het HvJ antwoord gegeven op een prejudiciële vraag over de gevolgen van het door de Commissie vastgestelde Euribor-kartel op hypothecaire leningen waarin naar Euribor-rentetarieven wordt verwezen. Een kredietnemer had in 2005 een hypothecaire lening gesloten bij FT SpA (“FT”), een bankinstelling. Het rentetarief bestond uit een vaste rente en een variabele rente, waarbij de variabele rente werd bepaald aan de hand van het zesmaandelijkse Euribor-rentetarief. De Commissie had eerder vastgesteld dat verschillende banken betrokken waren bij een verboden kartelafspraak wegens manipulatie van het Euribor-rentetarief op de markt voor rentederivaten in euro (de “EIRD-besluiten”). Hoewel FT zelf niet had deelgenomen aan het kartel, stelde de kredietnemer dat het Euribor-beding in zijn hypotheekovereenkomst nietig is. De Italiaanse rechter wenste te vernemen of de EIRD-besluiten tot gevolg hebben dat elk beding in een overeenkomst waarin naar het Euribor-rentetarief wordt verwezen van rechtswege nietig is, ongeacht de markt in kwestie en de bij het kartel betrokken personen, en ten tweede ten minste in aanmerking moet worden genomen door de nationale rechterlijke instanties die uitspraak moeten doen over de geldigheid van een dergelijk beding.

Het HvJ beantwoordt de twee vragen ontkennend. De nietigheid van artikel 101 lid 2 VWEU geldt alleen voor overeenkomsten of bepalingen die zélf in strijd zijn met artikel 101 lid 1 VWEU. Het feit dat een lening gebruikmaakt van een rentetarief dat onderwerp is geweest van mededingingsbeperkend gedrag, is onvoldoende. In dit geval had FT niet zelf aan het kartel deelgenomen en zag de inbreuk op eurorentederivaten en niet op hypothecaire leningen. Hoewel artikel 16 Verordening 1/2003 bepaalt dat nationale rechters niet mogen afwijken van vastgestelde inbreuken van de Commissie, is de strekking van deze bepaling beperkt tot de materiële, personele, temporele en territoriale reikwijdte van het Commissiebesluit in kwestie. De nationale rechter is dus niet verplicht om het beding nietig te verklaren.

terug naar boven


Gemeente geen ‘onderneming’ bij gunning van overheidsopdracht inzake afvalbeheer

Hof van Justitie van de Europese Unie, arrest van 10 september 2026

Het HvJ gaf op 10 september 2026 antwoord op een prejudiciële vraag die was gesteld naar aanleiding van een geschil tussen de Letse gemeente Jelgava en de Letse mededingingsautoriteit. De gemeente Jelgava (de “gemeente”) heeft een meerderheidsaandeel in de vennootschap Jelgavas komunālie pakalpojumi SIA (“Jelgava SIA”) die zich bezighoudt met de inzameling en verwerking van afvalstoffen. De gemeente had in 2004 besloten dat Jelgava SIA tot 31 december 2029 het afvalbeheer mag uitvoeren in de stad. In 2021 legde de Letse mededingingsautoriteit echter een boete op aan de gemeente wegens misbruik van economische machtspositie. Volgens de Letse mededingingsautoriteit handelde de gemeente als een onderneming in de zin van artikel 102 VWEU toen zij besloot om via een quasi-inbestedingsconstructie de afvalbeheersopdracht aan Jelgava SIA te gunnen. De mededingingsautoriteit oordeelde dat de gemeente en Jelgava SIA een machtspositie. De gemeente maakte daarvan misbruik door Jelgava SIA zonder volledige zeggenschap via een interne procedure het exclusieve recht op stedelijk afvalbeheer te verlenen, waardoor andere potentiële aanbieders werden uitgesloten.

Voor het HvJ lag de vraag voor of het besluit van de gemeente om de opdracht aan Jelgava SIA te gunnen, onder de uitoefening van een economische activiteit valt in de zin van het mededingingsrecht. Het HvJ oordeelt dat stedelijk afvalbeheer weliswaar als economische activiteit kwalificeert, maar dat de gemeentelijke gunning daarvan een uitoefening van openbaar gezag vormt en dus niet als economische activiteit kan worden aangemerkt. Daarbij is niet relevant dat de gemeente een meerderheidsaandeel in Jelgava SIA houdt. Ook de kwalificatie van de overeenkomst als concessieopdracht of overheidsopdracht speelt in dit kader geen rol.

terug naar boven


Gerecht oordeelt over vertrouwelijkheid documenten in Meta zaak

Gerecht van de Europese Unie, beschikking van 25 augustus 2026

Op 25 augustus 2026 heeft het Gerecht zich uitgesproken over de vertrouwelijkheid van bepaalde processtukken in het beroep van Meta Platforms, Inc. (“Meta”)  tegen het Facebook Marketplace-besluit van de Commissie van 14 november 2024. In het besluit oordeelde de Commissie dat Meta artikel 102 VWEU had geschonden door Facebook Marketplace aan Facebook te koppelen en concurrerende aanbieders van online advertenties oneerlijke voorwaarden op te leggen.

In deze beschikking stond de vraag centraal of interveniënt Aurelia Netherlands TargetCo B.V. (“Adevinta”) toegang dient te krijgen tot informatie die Meta en de Commissie als vertrouwelijk hadden aangemerkt (financiële rapporten over de marktprestaties van aanbieders van online rubrieksadvertenties en rapporten over multi-homing). Op grond van artikel 144 lid 7 Reglement voor de procesvoering van het Gerecht hebben interveniënten in beginsel toegang tot alle processtukken, tenzij bepaalde informatie als vertrouwelijk moet worden aangemerkt. De partij die om vertrouwelijke behandeling verzoekt, moet daarbij nauwkeurig aangeven om welke informatie het gaat en waarom deze vertrouwelijk is.

Wanneer de vertrouwelijkheid wordt betwist, beoordeelt het Gerecht eerst of de betreffende informatie daadwerkelijk vertrouwelijk is en vervolgens of openbaarmaking noodzakelijk is voor de uitoefening van de procesrechten van de interveniënt. Het Gerecht maakt daarbij onderscheid tussen concrete, actuele marktgegevens en meer algemene informatie. Gegevens over onder meer kosten, winstgevendheid, marktaandelen en gebruikersgedrag kunnen volgens het Gerecht als bedrijfsgeheim worden aangemerkt. Dat geldt niet voor informatie die Adevinta al kende, openbaar beschikbaar was of onvoldoende specifiek was. Ook bepaalde algemene conclusies en onderdelen van de gebruikte onderzoeksmethode hoeven niet vertrouwelijk te blijven. Het Gerecht oordeelt wat betreft de gegevens die wel als vertrouwelijk zijn aangemerkt, dat Adevinta die gegevens niet nodig had om effectief aan de procedure deel te nemen. Het Gerecht wijst de verzoeken om vertrouwelijke behandeling daarom grotendeels toe, maar wijst deze voor een aantal passages en methodologische gegevens af.

terug naar boven


 

Voor al uw vragen met betrekking tot (EU) mededingingsrecht helpt bureau Brandeis u graag verder. U kunt ons bereiken via onderstaande links.

Bas Braeken – Jade Versteeg – Timo Hieselaar – Demi van den Berg – Joost van Belois – Lisanne Kooijman

Naar
boven