Wet Vifo | 7×7 Mededingingsrecht #2

Bas Braeken & Jade Versteeg & Timo Hieselaar & Demi van den Berg & Joost van Belois & Lisanne Kooijman
22 sep 2026

Mededingingsrecht wordt nogal eens beschouwd als een ingewikkeld en weinig toegankelijk rechtsgebied. Toch raakt het dagelijks de praktijk van ondernemingen in uiteenlopende sectoren. Wij zijn er echter van overtuigd dat ook de meest complexe juridische onderwerpen helder kunnen worden uitgelegd. Met de 7×7-blogreeks bieden wij daarom een praktische gids voor zeven onderwerpen binnen het mededingingsrecht. Zeven blogs, elk opgebouwd rond zeven vragen en zeven antwoorden die direct kunnen worden toegepast in de praktijk.

In deze tweede editie staat de Wet Vifo centraal. De Wet Vifo verplicht ondernemingen om bepaalde investeringen, fusies en overnames vooraf te melden bij het Bureau Toetsing Investeringen (“BTI”) ter bescherming van de nationale veiligheid. Voor ondernemingen in vitale sectoren of met sensitieve technologieën roept dit tal van (praktische) vragen op. In deze editie beantwoorden wij de zeven meest gestelde vragen over dit onderwerp:

  1. Hoe bepaal je of de activiteiten van een onderneming onder het toepassingsbereik van de Wet Vifo vallen?
  2. Welke soorten investeringen zijn meldingsplichtig?
  3. Wordt het toepassingsbereik van de Wet Vifo nog uitgebreid, en zo ja, wanneer?
  4. Hoe ziet het meldingsformulier en -traject eruit?
  5. Hoelang duurt een meldingstraject en welke maatregelen kunnen het proces versnellen?
  6. Wat gebeurt er indien er niet of niet tijdig is gemeld?
  7. Welke veranderingen brengen de nieuwe Europese FDI-Verordening in de praktijk mee?

 

1. Hoe bepaal je of de activiteiten van een onderneming onder het toepassingsbereik van de Wet Vifo vallen?

De Wet Vifo geldt voor de volgende drie categorieën ondernemingen:

De categorie ‘sensitieve technologie’ blijkt in de praktijk het lastigst. Hieronder vallen over het algemeen (i) militaire goederen, (ii) goederen voor ‘tweeërlei gebruik’ (dual use), en een aantal aanvullende technologieën – op dit moment kwantum-, fotonica-, en semiconductortechnologieën en ‘High Assurance’ producten (zie voor de toekomstige uitbreiding vraag 3). Deze vier aanvullende technologieën zijn samen met een aantal specifieke technologieën uit de dual use-lijst daarnaast als zéér sensitief aangemerkt. Voor meer informatie over deze categorieën, lees hier onze blog.

Op basis van een beknopte beschrijving van de onderneming en/of een snelle desktop-research is niet altijd goed te bepalen of de activiteiten van die onderneming als ‘sensitief’ worden aangemerkt. Zo is de dual use-lijst een uitgebreid document met veel technische specificaties en nuances. Het is daarom van belang om de activiteiten samen met de onderneming in kwestie te kwalificeren. Een exportvergunning of ander door de douane afgetekend document kan daarbij een eerste aanknopingspunt bieden. In sommige gevallen zijn die documenten echter (nog) niet beschikbaar, bijvoorbeeld in de start-upfase.

 

2. Welke soorten investeringen zijn meldingsplichtig?

De Wet Vifo is van toepassing bij ‘verwervingsactiviteiten’ die leiden tot het verkrijgen van ‘zeggenschap’. Denk daarbij aan een directe investering, een fusie of de oprichting van een volwaardige joint venture. Net als bij het reguliere concentratiecontroletoezicht betekent zeggenschap het kunnen uitoefenen van beslissende invloed. Zeggenschap hoeft hier echter niet duurzaam te zijn; ook tijdelijk beheer kan meldingsplichtig zijn.

In de praktijk gaat het vaak om de verwerving van een meerderheid van de aandelen, maar ook bepaalde vetorechten of andere bevoegdheden kunnen leiden tot zeggenschap. Ook het verwerven van essentiële vermogensbestanddelen is meldingsplichtig onder de Wet Vifo. Beoordeel daarom altijd zorgvuldig de volledige transactiedocumentatie.

Voor ondernemingen die actief zijn op het gebied van zogenaamde zéér sensitieve technologie (zie vraag 1) geldt een verlaagde meldingsdrempel: ook investeringen die leiden tot ‘significante invloed’ moeten worden gemeld. Voor deze ondernemingen is het verkrijgen van 10% van de stemrechten al meldingsplichtig, en dienen vervolgens ook de stappen naar 20%, 25% en uiteindelijk naar zeggenschap opnieuw te worden gemeld. Ook de verkrijging van een benoemings- of nominatierecht voor het bestuur kan meldingsplichtig zijn. Bij de berekening van stempercentages worden afspraken tussen aandeelhouders meegerekend. Bij consortia kan deze drempel dus al redelijk snel worden behaald.

 

3. Wordt het toepassingsbereik van de Wet Vifo nog uitgebreid, en zo ja, wanneer?

Ja. Op 9 juni 2026 heeft de minister een ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit toepassingsbereik sensitieve technologie aan de Kamers aangeboden. Het gaat om deze zes nieuwe technologieën:

  • geavanceerde materialen;
  • artificiële intelligentie (“AI”);
  • biotechnologie;
  • nanotechnologie;
  • sensor- en navigatietechnologie; en
  • nucleaire technologie voor medisch gebruik.

Niet alles wat onder deze categorieën valt wordt aangewezen; het gaat steeds om specifieke technologieën daarbinnen. Voor artificiële intelligentie geldt de aanwijzing bijvoorbeeld alleen voor zover de technologie is gericht op de identificatie van personen en groepen. Al deze zes gebieden worden direct aangemerkt als ‘zéér sensitief’, samen met enkele aanvullende dual use-technologieën op het gebied van informatiebeveiliging en laser-satellietcommunicatie.

Het besluit gaat nog voor advies naar de Raad van State. De beoogde inwerkingtreding is op dit moment 1 januari 2027.

Op 16 juli 2026 is bovendien de nieuwe Europese FDI-Verordening in werking getreden. Dit zal op termijn ook een aanpassing van de Wet Vifo meebrengen (zie vraag 7).

 

4. Hoe ziet het meldingsformulier en -traject eruit?

Het meldingsformulier moet worden ingediend bij het BTI, onderdeel van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat (“EZK”). In dit formulier worden onder meer de transactie en de betrokken partijen beschreven, de structuur en activiteiten van verwerver en doelonderneming toegelicht, en vragen over de nationale veiligheid beantwoord. Ook moeten de transactiedocumenten en jaarrekeningen worden meegestuurd.

Het BTI beoordeelt vervolgens of de transactie mogelijk risico’s meebrengt voor de nationale veiligheid. Is dat niet het geval, besluit het BTI dat géén ‘toetsingsbesluit’ vereist is. Deze goedkeuring geldt alleen onder de Wet Vifo en staat los van eventuele andere (fusie)meldingen zoals bij de ACM.

Indien het BTI voornemens is te oordelen dat er mogelijk wel risico’s zijn (en dus een toetsingsbesluit vereist is), zal het dit voornemen in de meeste gevallen voorleggen aan partijen. In sommige gevallen kan een aanvullende zienswijze, eventueel met ‘soft commitments’, het advies van het BTI doen aanpassen zodat toch goedkeuring wordt verleend.

Volgt toch de mededeling dat een toetsingsbesluit vereist is, dan dient de onderneming een nieuwe aanvraag in te dienen. Ziet het BTI na deze aanvraag en een diepgaand onderzoek daadwerkelijk risico’s voor de nationale veiligheid, dan kan het BTI bepalen dat de transactie slechts onder voorwaarden wordt goedgekeurd. In het uiterste geval kan het BTI de transactie volledig verbieden.

 

5. Hoelang duurt een meldingstraject en welke maatregelen kunnen het proces versnellen?

Na melding heeft het BTI in beginsel acht weken om te beoordelen of een toetsingsbesluit vereist is. Is dat het geval, geldt na de aanvraag ook een termijn van acht weken voor het toetsingsbesluit zelf. Beide termijnen kunnen worden verlengd tot in totaal zes maanden. Bij een directe investering door een niet-EU-partij kan daar nog eens drie maanden bovenop komen. Bij aanvullende vragen vanuit het BTI wordt ‘de klok’ in beginsel stilgezet.

De gemiddelde doorlooptijd bij het BTI was in 2025 iets minder dan 50 dagen. Een kwart van de onderzoeken werd in 2025 binnen twintig dagen afgerond en bij de helft van de meldingen werd binnen 27 dagen medegedeeld dat er geen toetsingsbesluit vereist was. Het langst lopende onderzoek heeft in totaal 176 dagen geduurd, aldus het BTI (zie hier het jaarverslag over 2025).

Om het proces te versnellen kan het helpen om al bij de melding zoveel mogelijk (extra) informatie te verstrekken. Het BTI vraagt bijvoorbeeld steeds vaker naar meer informatie rondom minderheidsaandeelhouders en/of limited partners. Indien niet op goedkeuring kan worden gewacht en er een dringende financieringsbehoefte bestaat (bijvoorbeeld in de start-/scale-upfase), kunnen partijen ook naar (tussentijdse) alternatieve structuren zoeken, zoals een converteerbare lening. Belangrijk is daarbij wel dat conversie niet plaatsvindt zonder goedkeuring. Zo niet, bestaat het risico op hoge boetes wegens het vroegtijdig implementeren van de transactie (gun-jumping, zie vraag 6). Controleer deze voorwaardelijkheid daarom goed in de transactiedocumentatie.

 

6. Wat gebeurt er indien er niet of niet tijdig is gemeld?

Het uitvoeren van een transactie die niet gemeld is maar wel gemeld had moeten worden (ook wel: gun-jumping) kan leiden tot een boete tot 10% van de omzet van de onderneming. In 2025 deelde het BTI de eerste boete uit wegens gun jumping.

Daarnaast worden de met de transactie verworven rechten (zoals stemrechten) geschorst. De verwerver mag deze rechten niet uitoefenen totdat het BTI een beslissing heeft genomen. Het recht op dividend blijft wel bestaan. Wordt geen gevolg gegeven aan de schorsing, dan kan de minister ook daarvoor een boete tot 10% van de omzet van de onderneming opleggen. Indien nodig kan de minister een of meer personen aanwijzen die de doelonderneming bindende opdrachten geven om de schorsing te verzekeren, en bij een vitale aanbieder zelfs het bestuur (tijdelijk) vervangen.

Zodra de minister op de hoogte raakt van de niet-gemelde transactie, zal hij deze bovendien alsnog kunnen beoordelen op risico’s voor de nationale veiligheid (eventueel met een last om alsnog een melding in te dienen).

 

7. Welke veranderingen brengen de nieuwe Europese FDI-Verordening in de praktijk mee?

Op 16 juli 2026 is de nieuwe Europese FDI-Verordening in werking getreden. Voor de Nederlandse praktijk verandert er op korte termijn nog weinig. De verordening introduceert een minimumbereik aan sectoren en technologieën die iedere lidstaat moet kunnen toetsen. Dit minimumbereik komt grotendeels overeen met wat in Nederland al wordt getoetst onder de Wet Vifo en sectorale investeringstoetsen (gas, elektriciteit, telecommunicatie). Op bepaalde punten is echter nog wel een wetswijziging nodig. Daarvoor heeft Nederland tot uiterlijk 17 januari 2028.

Zo zal de Nederlandse wetgever bedrijven die zich bezighouden met de exploratie, (terug)winning, verwerking of recycling van bepaalde strategische grondstoffen zoals bauxiet en koper onder de reikwijdte moeten brengen. Ook investeringen in infrastructuur voor verkiezingen zoals kiezersregistratie- en stemsystemen moeten in de toekomst worden getoetst.

Naast de reikwijdte schrijft de verordening voor welke mogelijke negatieve gevolgen en risicofactoren bij de beoordeling van een investering moeten worden meegewogen, en welke mogelijke voorwaarden aan een transactie kunnen worden gesteld. Deze zijn op sommige punten ruimer dan de Wet Vifo nu voorziet. Zo worden bijvoorbeeld ook mediapluriformiteit en de toegang tot bepaalde kritieke geneesmiddelen genoemd. De daadwerkelijke screening van investeringen in producenten van kritieke geneesmiddelen is als zodanig nog niet verplicht, maar dat wordt bij een volgende evaluatie (2031) mogelijk alsnog ingevoerd.

Qua proces zal eveneens het een en ander moeten worden aangescherpt. De verordening schrijft een harde termijn van 45 dagen na melding voor om te bepalen of een diepgaand onderzoek nodig is. De huidige werkwijze van het kunnen inzetten van (een deel van de) zes maanden verlenging in de ‘eerste fase’, zal dus moeten worden aangepast.


Voor al uw vragen met betrekking tot (EU) mededingingsrecht helpt bureau Brandeis u graag verder. U kunt ons bereiken via onderstaande links.

Bas Braeken (Partner) | Jade Versteeg (Advocaat) | Timo Hieselaar (Advocaat) |

 Demi van den Berg (Advocaat) |  Joost van Belois (Advocaat) | Lisanne Kooijman (Juridisch medewerker)

Naar
boven