Visie

Hervorming van de publieke omroep en verkiezingen: partijkeuzes in beeld

In de Verenigde Staten leidde de beslissing van netwerk ABC om de talkshow van Jimmy Kimmel tijdelijk van de buis te halen tot opschudding. De Amerikaanse telecomwaakhond FCC dreigde na republikeinse druk maatregelen te nemen tegen het netwerk na opmerkingen van Kimmel over de moord op Charlie Kirk. Commentatoren spraken van een beangstigende en gevaarlijke ontwikkeling voor de onafhankelijkheid van media. Hetzelfde gevoel ontstond bij het recent aangekondigde nieuwe mediabeleid van Amerikaanse ministerie van Defensie waarbij publicatie van ongeautoriseerde informatie werd verboden. Dergelijke voorbeelden benadrukken de kwetsbaarheid van de pers en het belang dat de functie en onafhankelijkheid van de publieke omroep in Nederland zorgvuldig wordt gewaarborgd.

Eerder schreven wij over de plannen voor hervorming van de landelijke publieke omroep; plannen die volgens voormalig minister van Onderwijs en Cultuur Eppo Bruins gericht waren op het waarborgen van die onafhankelijkheid in de landelijke publieke omroep. Inmiddels zijn de contouren van die hervorming verder uitgewerkt.

Kaders voor omroephuizen en tijdschema’s

De concessie- en erkenningsperiode van de publieke omroep is met twee jaar verlengd, tot eind 2028. Daarmee ontstaat de ruimte om de hervorming daadwerkelijk per 1 januari 2029 door te voeren. Wordt dat tijdpad niet gehaald, dan kan pas in 2032 een nieuw bestel worden ingevoerd. Deze verlenging is inmiddels vastgelegd in wetgeving en door zowel de Tweede als Eerste Kamer aanvaard.

In het notaoverleg op 21 mei 2025 werd besproken hoe het nieuwe bestel juridisch en bestuurlijk ingericht kan worden: er bestaat breed draagvlak voor de vorming van omroephuizen, het sluiten van het bestel voor nieuwe organisaties, maar ook voor het behouden van ruimte voor nieuwe geluiden. Minister Bruins gaf aan hoe de taakverdeling tussen NPO en de omroephuizen vorm gaat krijgen, met meer vrijheid voor omroephuizen binnen vooraf afgesproken kaders, terwijl de NPO een coördinerende rol blijft vervullen. Er is nadruk op governance, transparantie en verantwoording: de omroephuizen moeten bestuurlijk robuust zijn en aan wettelijke kaders voldoen.

Er werden eerder aangenomen moties besproken en toezeggingen gedaan over de rol van de NTR, de rol van een procesregisseur die het clusteringproces gaat begeleiden, en over het tijdspad richting wetgeving. Ook werd besproken hoe externe pluriformiteit kan worden beschermd, welke waarborgen er komen voor kwaliteitsjournalistiek, en hoeveel ruimte er blijft voor regionale en lokale omroepen. Minister Bruins stelde dat hij begin 2026 met een wetsvoorstel in internetconsultatie wil komen, zodat de hervorming op 1 januari 2029 ingevoerd kan worden, mits alle stappen tijdig gezet zijn.

Politieke en maatschappelijke reacties

De Kamerbrief bevatte zoals eerder benoemd ook het voorstel om de NTR op te heffen, wat leidde tot massale maatschappelijke steunbetuigingen voor behoud. Een petitie voor behoud werd meer dan 60.000 keer ondertekend, waarna minister Bruins aangaf dat de NTR toch een plek in het mediabestel zal behouden, mogelijk in combinatie met de NOS.

Verdere reacties op de Kamerbrief waren vóór een hervorming van het stelsel, maar niet zonder kritiek. Het Commissariaat voor de Media onderschreef de richting, maar waarschuwde dat minder omroepen kan leiden tot minder pluriformiteit. De Raad voor Cultuur wees er eveneens op dat educatie en cultuur expliciet moeten worden geborgd. De NPO en het College van Omroepen benadrukten dat zij de hervorming steunen, maar wezen op de forse bezuiniging van €157 miljoen per jaar. Naar aanleiding van deze bezuiniging kondigde de NPO aan dat NPO 2 en NPO 3 gaan veranderen waardoor er minder programma’s nodig zijn om de zendtijd te vullen. Ook werd de minister gewezen op de risico’s van een mogelijke verruiming van de STER-reclame.

Advies over hervorming en clustering van 3Rivers

Eerder deze maand kwam het advies van de procesregisseur ‘3Rivers’ beschikbaar over hoe de huidige omroepen zich zouden kunnen clusteren tot omroephuizen. Daaruit blijkt evenwel dat het de omroepen nog niet is gelukt om gezamenlijk tot een breed gedragen clustering te komen. Er wordt namelijk verschillend gedacht over de invulling van de gestelde kaders en er blijken verschillen in belangen en voorkeuren te zijn.

Demissionair minister Gouke Moes (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) stelt in zijn Kamerbrief van 3 oktober 2025 dat het van wezenlijk belang is dat de politiek duidelijke kaders vaststelt en deze aanscherpt. Het doel is om de publieke omroep duurzaam, slagvaardig en bestuurbaar te organiseren, in overeenstemming met diens maatschappelijke opdracht. Onder die kaders valt onder meer vastlegging in de Mediawet 2008 van het aantal omroephuizen. Binnen de vastgestelde kaders is het vervolgens aan de omroepen om op gestructureerde wijze te clusteren in de voorgeschreven omroephuizen. De minister waarschuwt omroepen dat het onverstandig is om vooruitlopend op die wetgeving zelfstandig initiatieven voor clustering te nemen en kondigt aan hierover met hen in overleg te gaan.

Verkiezingsprogramma’s

Nu de kaders na de verkiezingen vorm zullen moeten gaan krijgen is van belang wat de verschillende partijen over de publieke omroep in hun verkiezingsprogramma’s hebben opgenomen:

  • PVV wil de publieke omroep afschaffen en het Mediapark herbestemmen tot woonwijk.
  • GroenLinks-PvdA pleit juist voor een sterke publieke omroep met vier omroephuizen en een taakomroephuis voor NOS en NTR, stabiele financiering en minder reclame. Ook is de partij voor het schrappen van het ledencriterium en onafhankelijke redacties.
  • CDA en VVD steunen hervorming, maar leggen de nadruk op kerntaken en versterking van lokale en regionale omroepen. De VVD wil tevens het ledencriterium afschaffen en meer toezicht door het Commissariaat voor de Media en de ACM.
  • D66 ziet de publieke omroep als instrument tegen desinformatie en wil meer middelen voor onderzoeksjournalistiek. Ook lokale en regionale journalistiek zijn volgens de D66 belangrijk.
  • SP en PvdD pleiten voor structurele steun en een reclame-arme publieke omroep. In plaats van bezuinigen op de publieke omroep zou er als het aan deze partijen ligt juist geïnvesteerd moeten worden in de NPO.
  • BBB benadrukt dat de stem van de regio moet doorklinken. De publieke omroep dient enkel als bron voor neutrale nieuwsvoorziening en educatie maar moet verder sober zijn.
  • JA21 wil de NPO fors afslanken tot twee zenders, uitsluitend gericht op bijvoorbeeld nieuws, sport, documentaire, geschiedenis, debat en duiding.
  • DENK legt nadruk op diversiteit en representatie in het media-aanbod, waarbij behoud van de NTR een grote rol speelt.

Deze uiteenlopende standpunten laten zien dat hervorming van de publieke omroep onderwerp is van een bredere ideologische strijd: gaat het primair om efficiëntie en kostenbeheersing, of om pluriformiteit, onafhankelijkheid en maatschappelijke representatie?

De bredere context

Het hervormingsdebat raakt aan bredere zorgen over de rol van media in de democratische rechtsstaat. Desinformatie en polarisatie hebben de potentie het publieke debat te ondermijnen. In een tijd waarin sociale media, algoritmes en buitenlandse platforms steeds dominanter worden, kan een sterke publieke omroep een anker van betrouwbaarheid en onafhankelijkheid zijn.

Minister Bruins formuleerde de kernwaarden van de hervorming als kwaliteit, verbinding, betrouwbaarheid, onafhankelijkheid en impact. De komende maanden zal moeten blijken of de hervormingsvoorstellen, met alle politieke spanningen en financiële beperkingen, deze waarden daadwerkelijk kunnen waarborgen.

De hervorming van de publieke omroep is juridisch complex en politiek beladen. Met de verlenging van de concessieperiode is de weg vrijgemaakt om het bestel in 2029 te vernieuwen. Of dit (tijdig) lukt zal mede afhangen van de verkiezingsuitslag en het te vormen kabinet plus de maatschappelijke bereidheid om te blijven investeren in een onafhankelijke en pluriforme publieke omroep.

We blijven de ontwikkelingen volgen! Heeft u intussen vragen over dit onderwerp, neem gerust contact op met Machteld Robichon, Ole Oerlemans of Bente van Kan.

Visie

Update recente uitspraken Reclame Code Commissie – oktober 2025

In deze blog praten we jullie bij over enkele interessante uitspraken van de Reclame Code Commissie (“RCC”) van de afgelopen maanden. De blog bevat uitspraken waarin de RCC zich uitspreekt over verschillende thema’s, van stereotypering en gendergelijkheid tot duurzaamheidclaims en misleidende productclaims.

Manonvriendelijk recyclen?

In een uitspraak van 18 september 2025 heeft de RCC zich gebogen over de vraag of een reclame van een drogist manonvriendelijk is. In de betreffende televisiecommercial komt een vrouw haar ex-partner tegen in de winkel. Hij zegt: “Ik zat te denken ik ben weer single jij kan niemand krijgen misschien is het goed dat we onze relatie recyclen?” Waarop de vrouw antwoordt: “Recyclen? Goed idee. Gooi jij even het oud papier weg als je toch gaat. Thanks.”

Klager acht de commercial manonvriendelijk. Klager meent dat mannen tegenwoordig “steeds vaker [worden] voorgesteld als niet erg slim of capabel”, hetgeen in het bijzonder zou gelden voor de “witte hetero man”.

De RCC stelt voorop dat bij de beoordeling of reclame ’nodeloos kwetsend’ is (zoals bedoeld in artikel 4 van de Nederlandse Reclame Code (“NRC”)) terughoudendheid past, gelet op het subjectieve karakter van dit criterium. In dit geval acht de RCC de commercial duidelijk herkenbaar als ludiek bedoeld. De man probeert de relatie weer nieuw leven in te blazen door te laten zien dat hij duurzaamheid belangrijk vindt, omdat de vrouw eerder heeft aangegeven dat belangrijk te vinden. Onderdeel van het ludieke karakter van de commercial is volgens de RCC dat de vrouw de man het huis uit stuurt onder het voorwendsel dat hij een stapel oud papier voor haar moet wegbrengen. Hierin ziet de RCC geen negatieve stereotypering van mannen terug die nodeloos kwetsend is in de zin van artikel 4 NRC. De klacht wordt afgewezen.

Vrouwonvriendelijke horrorcampagne?

In een uitspraak van 12 september 2025 heeft de RCC een klacht over een vrouwonvriendelijke reclame toegewezen. Een attractiepark promootte een Halloweenevenement via een video op Instagram met de tekst: “Eddie veilt slachtoffers aan de hoogste bieder. Eén knik van Eddie één slag en je ziel is verkocht!” In de video is een schaars geklede vrouw te zien die angstig opgesloten zit in een glazen kooi en uiteindelijk ”geveild” wordt aan het publiek. De video leidde tot een groot aantal klachten bij de RCC. Deze uitspraak betreft één van de geselecteerde representatieve klachten die de RCC in behandeling heeft genomen.

Volgens klager is het schadelijk om in een reclame-uiting op een stereotyperende wijze een bange vrouw neer te zetten en daarbij te lachen als ze wordt vermoord. Dit is volgens klager stereotyperend, vrouwonvriendelijk en bagatelliseert gender gerelateerd geweld en vrouwenhaat. Klager meent dat de uiting zodoende nodeloos kwetsend is en in strijd met de goede smaak en fatsoen.

De RCC erkent dat bij fictieve en horror-achtige reclame een ruime vrijheid van meningsuiting geldt, maar stelt dat die vrijheid niet onbeperkt is. Door de RCC moet worden getoetst of de uiting volgens de huidige algemene maatschappelijke opvattingen de grenzen van het toelaatbare te buiten gaat, mede gelet op de wijze waarop deze is gepubliceerd en het effect dat de uiting daardoor op het publiek heeft. De vrijheid van meningsuiting (zoals beschermd onder artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (“EVRM”)) beschermt niet alleen “neutrale” uitingen, maar ook uitingen die “offend, shock or disturb”. De RCC dient te beoordelen of de reclame-uiting naar de huidige maatschappelijke opvattingen de grenzen van het toelaatbare te buiten gaat en komt tot de conclusie dat dat het geval is.

Doordat de vrouw in deze video duidelijk als hulpeloos en verhandelbaar object wordt neergezet, raakt de reclame aan haar menselijke waardigheid, zo oordeelt de RCC. Hieraan doet niet af dat dit gebeurt in de setting van het horrorgenre. Aan de strijdigheid draagt volgens de RCC bij dat “sterk de nadruk wordt gelegd op de kwetsbaarheid en hulpeloosheid van de vrouw, namelijk door haar schaarse kleding in combinatie met haar angstige gedrag en blik”. Dit versterkt het beeld dat de vrouw een (veiling)object is, waarvan het lot – de dood – wordt bepaald door degene die haar opkoopt. Een dergelijke vergaande objectivering van een vrouw hoort niet thuis in reclame, ook los van actuele berichten over geweldsmisdrijven tegen vrouwen, aldus de RCC.

De RCC acht de uiting in strijd met ‘de goede smaak en het fatsoen’ in de zin van artikel 2 NRC en beveelt de adverteerder aan om niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken. De adverteerder gaf in diens verweer aan dat hij geschrokken is van de ophef die de video heeft veroorzaakt en naar aanleiding hiervan de video (tijdelijk) offline had gehaald. Op een later moment, voordat de uitspraak werd gewezen, werd door de adverteerder besloten de video definitief offline te halen.

Gas geven op de Zwarte Cross

In een uitspraak van 25 augustus 2025 heeft de RCC een klacht over een advertentie voor een alcoholhoudende drank afgewezen. De advertentie betreft buitenposters langs autowegen waarin deze drank als colamixer geadverteerd wordt met de woorden: “Gas geven met [naam adverteerder] & cola op de Zwarte Cross”.

De koptekst van de poster, “gas geven”, zou aanzetten tot overmatig alcoholgebruik of onverantwoord gedrag zoals rijden onder invloed, aldus klager.

De RCC volgt die redenering niet. De RCC volgt het verweer van de adverteerder dat de slogan in de context van het festival duidelijk bedoeld is als metafoor voor “feestvieren”. Deze interpretatie wordt volgens de RCC ondersteund door het feit dat de tekst direct is gekoppeld aan het festival en door de visuele vormgeving, waarin geen sprake is van nadruk op meerdere consumpties maar slechts één glas wordt getoond. Er wordt verder in de advertentie geen verband gelegd tussen drinken en deelname aan het verkeer. De gemiddelde consument zal de uitdrukking in de bovengenoemde context niet opvatten als een aanmoediging om onder invloed te rijden, aldus de RCC. De klacht wordt afgewezen.

“Nauwelijks” bescherming tegen de zon?

In een uitspraak van 12 maart 2025 oordeelt de RCC dat een tijdschriftadvertentie voor UV-werende kleding misleidend is. In de advertentie wordt gesteld dat “gewone kleding nauwelijks tegen de zon beschermt”.

Volgens klager is dat onzin, omdat gewone kleding wel degelijk bescherming biedt tegen UV-straling. De term ‘nauwelijks’ is volgens klager niet terecht “je blijft namelijk wel degelijk wit waar je zwempak of T-shirt heeft gezeten”.

De adverteerders (de kledingproducent en de zorgverzekeraar die de tijdschriften produceert) voeren aan dat UV-werende kleding aantoonbaar beter beschermt. Door middel van een link verwijzen adverteerders naar het advies van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (“RIVM”) over UV-werende kleding. Het RIVM stelt UV-straling werende kleding boven insmeren als maatregel om je te beschermen tegen zonnebrand.

De RCC volgt dit verweer niet. Dat UV-werende kleding beter beschermt tegen de zon dan gewone kleding (zoals klager heeft erkend), betekent niet dat gewone kleding “bijna niet” of “nauwelijks” beschermt. De RCC oordeelt dat de mededeling gepaard gaat met onjuiste informatie zoals bedoeld in artikel 8.2 aanhef NRC en bovendien onterecht inspeelt op angstgevoelens rond huidbeschadiging. De uiting wordt daarom misleidend en oneerlijk geacht in strijd met de artikelen 6 en 7 NRC. De RCC beveelt adverteerders aan om niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken.

Bewuster reizen

In een uitspraak van 10 maart 2025 oordeelt de RCC dat een paginagrote online krantadvertentie van een reisorganisatie misleidend is. De advertentie bevatte teksten als “De meerwaarde van bewuster reizen” en “Natuurbehoud is een van de pijlers van de impact van reizen”, aangevuld met foto’s van een Thais resort, een anemoonvis in een koraalrif en een baai en met verwijzingen naar donaties aan natuurbeschermingsprojecten en “vliegen op groene waterstof”.

Volgens klager wordt in de advertentie, door het gebruik van algemene en onbewezen claims, alsmede door het gebrek aan inhoudelijke toelichting en concrete onderbouwing van “bewuster reizen”, ten onrechte een té positief beeld geschetst over de milieu-impact van dergelijke verre (vlieg)reizen naar Thailand.

De RCC oordeelt dat de combinatie van teksten, beelden en duurzaamheidsaanduidingen de indruk wekt dat reizen met adverteerder leidt tot concrete klimaatvoordelen ten opzichte van andere (vlieg)reizen naar Thailand. Voorts wordt niet toegelicht welke resultaten met de genoemde maatregelen worden behaald en hoe die bijdragen aan het verminderen van de klimaatimpact. Volgens de RCC ontbreekt voldoende onderbouwing.

Zo blijkt uit zowel de bestreden uiting als uit de webpagina waarnaar wordt verwezen niet welke resultaten daadwerkelijk met het investeren van (een deel van) 1% van de reissom worden behaald. “Zodoende is onduidelijk in hoeverre deze maatregel daadwerkelijk bijdraagt aan het behoud van lokale natuur en hoe hiermee de klimaatimpact van een (vlieg)reis naar Thailand daadwerkelijk geminimaliseerd wordt”. Een bijdrage aan lokaal natuurbehoud is niet zonder meer een maatregel die bijdraagt aan het klimaat als geheel, aldus de RCC. De RCC meent dat aangenomen kan worden dat het effect van een financiële bijdrage aan het beschermen of in stand houden van lokale ecosystemen “zich beperkt tot het betreffende ecosysteem of natuurgebied en dat dit de negatieve impact van een – in dit geval verre – vliegreis op het klimaat als geheel niet of slechts in zeer beperkte mate minimaliseert”.

De reclame kan de gemiddelde consument ertoe brengen een besluit over een reis te nemen dat hij anders niet had genomen. De RCC acht de uiting daarom misleidend en oneerlijk, in de zin van artikel 3.1 van de Code voor Duurzaamheidsreclame (“CDR”). De RCC beveelt de adverteerder aan om niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken.

“Hoogst beoordeelde” en “100% natuurlijke producten”

In een uitspraak van 10 maart 2025 oordeelt de RCC dat een Google-advertentie en een Instagram-bericht van een sportvoeding producent misleidend zijn.

De klacht richt zich tot een Google-advertentie waarin staat vermeld “100% natuurlijke producten”, terwijl de producten van adverteerder ‘sucralose’ en ‘xanthaangom’ bevatten. Daarnaast wordt op Instagram gesteld dat het eiwitpoeder het “hoogst beoordeelde proteïne poeder in NL” is, zonder bronvermelding. Volgens klager wekt dit ten onrechte de indruk dat het product beter scoort dan andere merken.

Adverteerder stelt dat de advertentie afkomstig is van een Google-campagne, waarbij Google in sommige gevallen zelfstandig koppen aanpast op basis van gebruikersinteresse en klikgedrag. In dit geval zou de zin “100% natuurlijk” afgeleid zijn van specifieke producten van adverteerder waarvoor deze claim wel geldt. De verwijzing naar het “hoogst beoordeelde proteïne poeder” is gebaseerd op klantbeoordelingen op het eigen platform, maar adverteerder erkent dat dit niet duidelijk wordt vermeld en zal dit aanpassen.

De RCC oordeelt dat “100% natuurlijk” een absolute claim is die door de aanwezigheid van kunstmatige toevoegingen in het product feitelijk onjuist is. De term wekt de indruk dat geen enkel synthetisch ingrediënt wordt gebruikt. De advertentie bevat zodoende onjuiste voedselinformatie als bedoeld in artikel 7 lid 1 aanhef en onder a van Verordening (EU) nr. 1169/2011 betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten. Daarom is de uiting in strijd met de wet als bedoeld in artikel 2 NRC.

Ook de claim “hoogst beoordeelde proteïne poeder” is niet onderbouwd; de toelichting of bronvermelding ontbreekt. Dat de claim voortkomt uit beoordelingen op het platform van adverteerder betreft volgens de RCC essentiële informatie die de gemiddelde consument nodig heeft om een geïnformeerd besluit te kunnen nemen. De uiting is daardoor misleidend als bedoeld in artikel 8.3 aanhef en onder c NRC en om die reden oneerlijk in de zin van artikel 7 NRC.

Omdat de adverteerder heeft aangegeven voortaan explicieter de context en de bron van haar claims te vermelden in communicatie, en maatregelen heeft genomen om herhaling te voorkomen, laat de RCC een aanbeveling achterwege.

Vragen over deze onderwerpen? Neem graag contact op met Bente van Kan of Machteld Robichon.

Met dank aan Jean Mattijsen en Kiki Beckers

Visie

Het toepassingsgebied van de Cyberbeveiligingswet

Het toepassingsgebied van de Cyberbeveiligingswet

Na de hack op het Openbaar Ministerie heeft er in de zomer van 2025 nog een grote hack plaatsgevonden, ditmaal op medisch laboratorium Clinical Diagnostics. Bij de hack zijn de medische gegevens van bijna een half miljoen vrouwen gestolen. Dergelijke organisaties in de gezondheidssector vallen mogelijk onder het toepassingsbereik van de aankomende Cyberbeveiligingswet (“Cbw”).

In deze blog zoomen we daarom in op dit toepassingsbereik en bespreken we welke entiteiten straks moeten voldoen aan de Cbw.

Stap 1: vaststellen essentiële en belangrijke entiteiten

De Cbw vormt een implementatie van de NIS2-Richtlijn. De verplichtingen in de NIS2-richtlijn gelden voor essentiële en belangrijke entiteiten. Dit zijn entiteiten die actief zijn in sectoren met een bijzonder hoog maatschappelijk of economisch belang, zoals bijvoorbeeld energiebedrijven, datacenters en ziekenhuizen. Entiteiten die in ieder geval als essentieel of belangrijk worden beschouwd zijn opgenomen in Bijlage I en II bij de NIS2-Richtlijn.

De verschillende sectoren die onder het toepassingsbereik van de Cbw vallen zijn in bijlage 1 en 2 van de Cbw opgenomen. De bijlagen komen grotendeels overeen met de bijlagen uit de NIS2-richtlijn:

  • Entiteiten in de volgende sectoren kunnen kwalificeren als essentiële entiteiten (bijlage 1 Cbw):
  • Energie (elektriciteit, gas, olie);
  • Drinkwatervoorziening;
  • Vervoer (luchtvaart, spoor, scheepvaart, wegvervoer);
  • Gezondheidszorg (ziekenhuizen, laboratoria, klinieken);
  • Digitale infrastructuur (cloud, datacenters, internetknooppunten);
  • Overheidsorganisaties en publieke administratie; en
  • Financiële sector (banken, marktinfrastructuren, verzekeringen).
  • Entiteiten in de volgende sectoren kunnen kwalificeren als belangrijke entiteiten (bijlage 2 Cbw):
  • Post- en koeriersdiensten;
  • Voedselproductie, verwerking en distributie;
  • Chemische industrie;
  • Afval- en afvalwaterbeheer; en
  • Digitale platforms en marktplaatsen.

Stap 2: vaststellen omvang van de organisatie

Of een entiteit onder de Cbw valt, hangt niet alleen af van de sector, maar ook van de omvang van de organisatie. De Cbw maakt een onderscheid tussen micro- en kleine, middelgrote en grote organisaties:

Categorie Criteria Toepassing Cbw
Micro- en kleine organisaties Minder dan 50 medewerkers én Jaaromzet of balanstotaal ≤ €10 miljoen In beginsel buiten de reikwijdte, tenzij:• Cruciale rol in een vitale sector (bijv. enige aanbieder)• Door een ministerie aangewezen
Middelgrote organisaties 50–249 medewerkers of• Jaaromzet of balanstotaal ≤ €50 miljoen Vallen altijd onder de Cbw
Grote organisaties  ≥250 medewerkers of• Jaaromzet > €50 miljoen of balanstotaal > €43 miljoen Vallen altijd onder de Cbw

Stap 3: is een uitzondering of bijzondere bepaling van toepassing?

Ongeacht het type sector of de omvang van de entiteit, bepaalt de Cbw voor sommige entiteiten dat zij alsnog onder het toepassingsbereik van de Cbw vallen of juist niet.

De volgende entiteiten kwalificeren altijd als essentiële entiteit:

  • Overheidsinstanties, zoals ministeries, provincies, gemeenten en waterschappen. Overheidsinstanties die hoofdzakelijk actief zijn op het gebied van nationale veiligheid, openbare veiligheid, defensie of rechtshandhaving vallen echter buiten het toepassingsbereik van de Cbw. Het gaat bijvoorbeeld om het ministerie van Defensie, de MIVD, de AIVD, de politie, het Openbaar Ministerie en de veiligheidsregio’s. Deze organisaties zijn uitgezonderd omdat hun digitale beveiliging al is geregeld via specifieke sectorale wetgeving, zoals de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, de Politiewet en de Wet veiligheidsregio’s.
  • Gekwalificeerde vertrouwensdienstverleners, zoals Qualified Trust Service Providers, digitale vertrouwensdiensten die bijvoorbeeld gekwalificeerde digitale certificaten uitgeven;
  • Aanbieders van registers voor topleveldomeinnamen;
  • DNS-dienstverleners;
  • Middelgrote en grote aanbieders van openbare elektronische communicatienetwerken of -diensten.

De volgende entiteiten kwalificeren altijd als belangrijke entiteit:

  • Micro- en kleine aanbieders van openbare elektronische communicatienetwerken of -diensten; en
  • Micro- en kleine telecomaanbieders. De minister kan deze entiteiten echter ook aanwijzen als essentiële entiteiten.

Ook voor hoger onderwijsinstellingen bestaat een bijzondere regeling: deze kunnen door de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap worden aangewezen als essentiële of belangrijke entiteit, ongeacht hun omvang.

Tot slot bevat de Cbw een koppeling met de met de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten (“Wwke”). De Wwke regelt de fysieke veiligheid en veerkracht van vitale organisaties, zoals energie- en drinkwaterbedrijven, tegen dreigingen zoals natuurrampen, sabotage of terroristische aanslagen. Organisaties die op grond van de Wwke als kritieke entiteit zijn aangewezen, kwalificeren automatisch als essentiële entiteit op grond van de Cbw. Aanwijzing gebeurt door de minister die voor de betreffende sector verantwoordelijk is.

Essentiële of belangrijke entiteit? Onderscheid in toezicht

Het is belangrijk om vast te stellen of een entiteit onder de Cbw valt en of een entitieit als essentieel of belangrijk kwalificeert. Dit bepaalt niet alleen of de Cbw van toepassing is, maar heeft ook directe gevolgen voor het toezichtregime.

Voor essentiële entiteiten geldt een strenger toezichtregime: toezichthouders zullen bij deze entiteiten structureel proactief controleren, bijvoorbeeld door audits uit te voeren. Voor belangrijke entiteiten is het toezicht lichter: hier handelt de toezichthouder met name reactief, wanneer er signalen of aanwijzingen zijn dat de regels worden overtreden.

Conclusie

De Cbw heeft een groot toepassingsbereik: van ziekenhuizen en laboratoria tot digitale dienstverleners en financiële instellingen. Voor organisaties is het van belang om tijdig vast te stellen of zij onder de reikwijdte van de Cbw komen te vallen en of zij kwalificeren als essentiële of belangrijke entiteit.

Vraagt u zich af of uw organisatie onder het toepassingsgebied van de Cbw valt? Neem dan gerust contact op met Bente van Kan of Machteld Robichon. Houd onze website in de gaten! Binnenkort komen we met een update over de meldplicht en de bestuurdersverantwoordelijkheid.

Meer weten over de Cbw? Lees onze andere blogs:

 

Visie

Update recente uitspraken Reclame Code Commissie – augustus 2025

In deze blog praten we jullie bij over enkele interessante uitspraken van de Reclame Code Commissie (“RCC”) van de afgelopen maanden. De uitspraken betreffen verschillende onderwerpen op het gebied van onder meer influencer marketing en duurzaamheid. Verder wordt in de uitspraken nadere uitleg gegeven aan de reikwijdte van de vrijheid van meningsuiting bij reclame die “confronterende” of “kwetsende” boodschappen bevat.

Daarnaast wijzen wij erop dat de Code Reclame via E-mail uit 2012 is gemoderniseerd. Zodoende is per 15 augustus 2025 de herziene ‘Code Reclame via E-mail’ opgenomen in de Nederlandse Reclame Code (“NRC”).

Code Reclame via E-mail

In de herziene Code Reclame via E-mail zijn de regels voor reclame via e-mail op diverse punten verduidelijkt. De herziening speelt onder meer in op technische ontwikkelingen in de e-mailsector en is meer in lijn gebracht met andere zelfregulering op het gebied van direct marketing, zoals de Code Telemarketing.

De RCC vat de belangrijkste wijzigingen als volgt samen:

  1. De code definieert het verschil tussen reclame en een servicebericht;
  2. De adverteerder moet de toestemming of klantrelatie kunnen aantonen;
  3. De vereisten aan hoe adverteerders e-mailadressen verkrijgt zijn duidelijker gemaakt; en
  4. De regels rondom het verwerken van afmeldingen zijn aangescherpt.

De volledige tekst van de herziene Code Reclame via E-mail is hier te vinden.

Melkwagen-metafoor binnen de grenzen van vrijheid van meningsuiting

In een uitspraak van 18 juli 2025 heeft de RCC een klacht over een tv-commercial van een dierenwelzijnsorganisatie afgewezen. In de reclame rijdt een melkwagen van een zuivelcoöperatie achter een koe aan, begeleid door de boodschap dat melkkoeien “tot het uiterste” worden gedreven en worden “gesloopt”.

Volgens de klager is de reclame onjuist omdat goed verzorgde koeien vanzelf meer melk geven en de zuivelcoöperatie boeren niet tot hogere productie dwingt. De koeien van klager zijn duurzaam, gezond en worden ontzettend oud, aldus verweerder. De reclame zou daarom niet op feiten, maar op gevoel zijn gebaseerd.

De RCC overweegt, in lijn met eerdere uitspraken (bijvoorbeeld 2023/00570), dat de dierenwelzijnsorganisatie in reclames haar mening mag uiten om bewustzijn te creëren over problemen in de melkveehouderij. Hierbij geldt een ruime vrijheid van meningsuiting, ook bij eenzijdige of confronterende boodschappen, zolang deze de grenzen daarvan niet overschrijden.

De dierenwelzijnsorganisatie stelt dat melkkoeien door het huidige fok- en prijsbeleid ziek en uitgeput raken en gebruikt de melkwagen van de zuivelcoöperatie als metafoor. Omdat dit verband door de organisatie voldoende is onderbouwd, kan volgens de RCC niet worden gesteld dat het gebruik van deze metafoor in de context van de uiting als geheel ontoelaatbaar is. Zodoende besluit de RCC tot afwijzing van de klacht.

‘Boost your Boomer’-campagne niet nodeloos kwetsend

In een uitspraak op 10 juli 2025 bevestigt het College van Beroep (“CvB”) een uitspraak van de RCC over de ‘Boost your Boomer’-campagne van een uitzendbureau. In deze uitspraak kwam de RCC tot afwijzing van de klacht dat de campagne leeftijdsdiscriminatie en kwetsende stereotypering van oudere werknemers zou bevatten.

De campagne, die bestaat uit een tv-commercial en een via sociale media verspreide video, toont hoe bij een vrouw ‘GenZ extract’ wordt afgetapt en in een blikje wordt verwerkt tot ‘Boomer energy drink’. Daarna volgen beelden van het effect van het drinken van de energyblikjes: te zien is hoe oudere werknemers na het drinken van een blikje enthousiast maar onhandig typen of hulp krijgen bij werken in Excel, gevolgd door een uitbundig personeelsfeest met de teksten “Boost your Boomer” en “Work needs young energy”.

Bij de RCC ging een beroep op discriminatie op grond van de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij arbeid (“WGBL”) niet op; de reclame is niet gericht op personeelswerving maar prijst in het algemeen de diensten van het uitzendbureau aan, aldus de RCC.

Het CvB stelt dat de term ‘boomer’ hier wel degelijk naar leeftijd verwijst, en niet naar slechts een mentaliteit, zoals is gesteld in het verweer en is aangenomen in het oordeel van de RCC. Volgens het CvB is echter geen sprake van (het aanzetten tot) ongelijke behandeling op basis van leeftijd; de uiting benadrukt juist het voordeel van een gevarieerd personeelsbestand, waarbij jongere werknemers oudere werknemers aanvullen in plaats van vervangen.

Hoewel de combinatie van het woord ‘boomer’ en de uitbeelding van de oudere werknemers als “bijzonder onhandig en afhankelijk van ‘GenZ energy’” als beledigend kan worden opgevat, is de stijl volgens het CvB duidelijk absurdistisch en humoristisch bedoeld. Het aftappen van ‘GenZ-extract’ is evident niet realistisch en moeten worden gezien als overdreven aanprijzing van de diensten van het uitzendbureau. De video bevat volgens het CvB “niet een algemene boodschap dat ouderen structureel ongeschikt zijn om te werken”. Voorts moet het uitzendbureau binnen de grenzen van de vrijheid van meningsuiting kunnen wijzen op “de vermeende voordelen van aanvulling van het personeelsbestand met jonge medewerkers”.

Gelet op voorgaande onderschrijft het CvB de conclusie van de RCC dat de uiting niet ‘nodeloos kwetsend’ is in de zin van artikel 4 NRC. De afwijzing van de klacht wordt daarom bevestigd door het CvB.

Lespakketten voor basisscholen zijn onvoldoende herkenbaar als reclame en schetsen te rooskleurig beeld van de zuivelsector

In een uitspraak van 13 juni 2025 oordeelt de RCC dat onderdelen uit drie lespakketten over zuivel voor basisschoolleerlingen in strijd zijn met de NRC en de Kinder- en Jeugdreclamecode (“KJC”).

De RCC kwalificeert de lespakketten als reclame in de zin van de NRC omdat deze niet alleen feitelijke informatie over zuivel bevatten, maar ook een aanprijzing als bedoeld in artikel 1 NRC, zowel van denkbeelden als van goederen. Omdat niet duidelijk is gemaakt dat het materiaal afkomstig is van partijen met commerciële belangen in de zuivelsector, zijn de pakketten in strijd met de herkenbaarheidseis van artikel 11 NRC en de KJC.

Daarnaast bevatten de lesmaterialen volgens de RCC meerdere misleidende elementen die maken dat sprake is van strijd met artikel 1 KJC:

  • De oorspronkelijke teksten en video’s wekten de indruk dat alle koeien ruime, halfopen stallen hebben, vaak zelf naar buiten kunnen en altijd een zachte ligplaats hebben. Dit schetst volgens de RCC een te rooskleurig beeld van de zuivelsector en maakt de uiting misleidend.
  • De video “Wat doet een koe op een dag” suggereert dat koeien na het melken direct naar buiten gaan en de hele dag door gras eten. Dit is onjuist, aangezien klager onweersproken heeft meegedeeld dat 25% van de koeien jaarrond op stal staan en weidekoeien in Nederland gemiddeld 85% van hun tijd binnen staan.
  • De video “Moderne snufjes in de stal” leidt niet tot een gegrond bezwaar over de suggestie dat alle koeien zachte stalmatrassen hebben. In de video wordt verteld dat sommige boeren hun koeien op een waterbed laten liggen. De RCC acht de illustratie van een waterbed voor mensen hierbij wél misleidend, omdat dit zonder toelichting werd gebruikt om een (hiervan afwijkend) waterbed voor koeien uit te beelden.
  • Het lespakket bevatte ook een uiting die suggereerde dat een stal altijd heel groot is. In combinatie met de absolute mededeling “Elke koe heeft in de stal een fijne zachte plek om te liggen” wordt dan ook een te rooskleurige voorstelling van zaken gegeven.
  • Een oorspronkelijke foto in het lespakket toonde groepshuisvesting van kalveren, terwijl deze in de praktijk vaak direct na geboorte individueel in een kalveriglo staan. Het lespakket bevatte daarbij een vraag over de reden van de scheiding van koe en kalf en benoemde alleen gezondheidsredenen, terwijl ook economische redenen een rol spelen. Ook dit acht de RCC misleidend.

Omdat het materiaal via leerkrachten wordt verspreid, oordeelde de RCC bovendien sprake is van het profiteren van het bijzondere vertrouwen dat kinderen in hen stellen. Daarmee zijn de bestreden uitingen eveneens in strijd met artikel 2 lid 1 sub c KJC. De RCC beveelt de verweerders (voor zover nog nodig) aan om niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken.

Sportinfluencer en adverteerders onvoldoende duidelijk over bestaan commerciële samenwerking

In een uitspraak van 10 juni 2025 oordeelt de RCC dat een TikTok-video van een influencer in strijd is met de Reclamecode Social Media & Influencer Marketing (“RSM”).

In de betreffende video laat de influencer zien welke sportkleding zij aantrekt en meeneemt naar een hardloopwedstrijd.  Terwijl zij deze kleding aanprijst, vertelt ze in de voice-over dat ze een aankooplink in de reacties plaatst. Ook toont ze sportgels van een sportvoeding merk, met in beeld een gepersonaliseerde kortingscode.

Onder de video staat in de beschrijving:

“RACE OUTFIT & NUTRITION!

Dit is alles wat ik aan doe en meeneem naar mijn 1/2 marathon wedstrijd! Als je nog vragen hebt, mag je mij altijd een DM sturen op Instagram “(Influencer)!

Code “(naam influencer)” voor %%% op alle items van @adverteerder 1 en code “(naam influencer)” voor %%% op alle items van @adverteerder 2 + je support mij! <3”

Volgens de klager ontbreekt in de video een vermelding dat de influencer samenwerkt met de twee merken. Hierdoor lijkt het alsof zij puur haar eigen mening geeft, terwijl sprake is van een commerciële samenwerking.

De RCC oordeelt dat sprake is van een ‘relevante relatie’ in de zin van artikel 2 onder d RSM. De influencer heeft immers een persoonlijke kortingscode van de merken ontvangen, waarmee zij een financiële vergoeding kan verdienen. Dit kan de geloofwaardigheid van de uiting beïnvloeden.  Bovendien heeft zij gratis producten ontvangen, wat materieel voordeel oplevert.

Het enkel vermelden van een gepersonaliseerde kortingscode gevolgd door “@[naam adverteerder]” beoordeelt de RCC als onvoldoende informatief. Weliswaar volgt hieruit dat er sprake is van enige samenwerking tussen de influencer en adverteerders, maar dit maakt onvoldoende duidelijk wat de inhoud van die relatie is, aldus de RCC. Ook met de toevoeging “+ je support mij! <3” kan van de gemiddelde consument niet worden verwacht dat hij/zij begrijpt dat er sprake is van een onderliggende commerciële relatie, waarbij de influencer een financieel en materieel voordeel ontvangt. Daarmee is de uiting in strijd met artikel 3 onder b RSM.

Op grond van artikel 6 lid 4 van de RSM zijn zowel de adverteerder als de verspreider (influencer) verantwoordelijk voor de naleving van artikel 3 RSM. Omdat de adverteerders niet hebben voldaan aan hun zorgplicht zoals in artikel 6 lid 1 RSM, hebben zij bovendien in strijd met dit artikel gehandeld. De RCC beveelt de influencer en adverteerders om niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken.

Uitstoot kachels vs. uitstoot auto’s geen toegestane vergelijking

In een uitspraak van 3 juni 2025 oordeelt de RCC deels in het voordeel van een klager over verschillende uitingen op de website van een houtkachelaanbieder. In de voorzittersbeslissing van 18 maart 2025 heeft de voorzitter de klacht op twee onderdelen afgewezen, hiertegen is de klager in bezwaar gekomen.

Het eerste klachtonderdeel betreft een overzicht met twee tabellen: één met de uitstoot van verschillende auto’s en één met de uitstoot van verschillende kachels. De klager stelt dat adverteerder hiermee ten onrechte suggereert dat een milieu voorlichtingsorganisatie – die wordt vermeld als bron bij de uitstoottabel van de auto’s – de aankoop van daargenoemde kachels goed acht voor mens, dier en milieu.

De RCC verklaart de klacht op dit punt alsnog gegrond; volgens artikel 7 van de Code voor Duurzaamheidsreclame (“CDR”) mogen producten alleen worden vergeleken als ze in dezelfde behoefte voorzien of voor hetzelfde doel zijn bestemd, en de vergelijking objectief mogelijk is. Een auto en een kachel voldoen daar niet aan, aldus de RCC. Daarmee is de vergelijking in strijd met artikel 7 CDR, en komt de RCC niet meer toe aan de vraag of de indruk wordt gewekt dat het overzicht afkomstig is van de milieu voorlichtingsorganisatie, dan wel of de in het overzicht weergegeven informatie kan worden onderbouwd met cijfers van de milieu voorlichtingsorganisatie. De RCC beveelt de adverteerder aan niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken.

Het tweede klachtonderdeel dat aanvankelijk door de voorzitter werd afgewezen betreft een artikel op de website waarin kritiek wordt geleverd op een onderzoek naar houtstook van de milieu voorlichtingsorganisatie (“Een rammelend onderzoek”). Het artikel zit volgens klager “vol feitelijke onjuistheden” en is daarmee misleidend. Naar oordeel van de RCC gaat het echter duidelijk om een subjectieve kwalificatie van de adverteerder. De titel en inhoud zijn herkenbaar als opinie, zodoende ziet de RCC, in lijn met de voorzittersbeslissing, onvoldoende aanleiding om de uiting in strijd met de NRC te achten.

Vragen over deze onderwerpen? Neem graag contact op met Bente van Kan of Machteld Robichon.

Met dank aan Anne Jorna

Visie

De Cyberbeveiligingswet: nieuw juridisch fundament voor digitale weerbaarheid

De hack op het Openbaar Ministerie, in juni 2025, toont opnieuw aan hoe kwetsbaar maatschappelijk belangrijke organisaties zijn voor cyberaanvallen. Een dergelijk incident benadrukt daarmee nogmaals de noodzaak voor deze organisaties om hun informatievoorziening goed te organiseren en te beveiligen.

Die noodzaak wordt beantwoord met de herziene Network and Information Security Directive (EU 2022/2555; “NIS2-richtlijn”). De NIS2-richtlijn verplicht lidstaten tot het vaststellen van nationale wetgeving die een hoog niveau van cyberbeveiliging waarborgt voor entiteiten in essentiële en belangrijke sectoren. In Nederland wordt de NIS2-richtlijn geïmplementeerd in de Cyberbeveiligingswet. Het voorstel voor deze nieuwe wet is op 2 juni 2025 ingediend bij de Tweede Kamer.

De Cyberbeveiligingswet heeft tot doel de verplichtingen voor entiteiten in sectoren met maatschappelijk of economisch gewicht te versterken. Daarnaast verankert de wet bestuurlijke verantwoordelijkheid en regelt het toezicht, handhaving en de samenwerking met zogeheten Computer Security Incident Response Teams (“CSIRT’s”). Dit zijn gespecialiseerde teams die verantwoordelijk zijn voor het detecteren, analyseren, beperken en oplossen van beveiligingsincidenten. De Cyberbeveiligingswet vervangt de huidige Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen.

De verwachting is dat de Cyberbeveiligingswet begin 2026 in werking treedt. De Rijksoverheid adviseert om niet af te wachten totdat de nieuwe wet in werking treedt. De risico’s die organisaties en systemen lopen, zijn er immers nu ook al. Alvast in actie komen en voorbereiden op de Cyberbeveiligingswet? We zetten de belangrijkste verplichtingen hieronder uiteen.

Reikwijdte Cyberbeveiligingswet

De Cyberbeveiligingswet is van toepassing op essentiële en belangrijke entiteiten. Dit zijn entiteiten die actief zijn in sectoren met een bijzonder hoog maatschappelijk of economisch belang. Essentiële en/of belangrijke entiteiten zijn bijvoorbeeld:

  • Energiebedrijven;
  • Ziekenhuizen en zorginstellingen;
  • Drinkwatervoorzieningen;
  • Cloud- en datacenterdiensten;
  • Digitale dienstverleners;
  • Financiële instellingen; en
  • Overheidsorganisaties.

Hoofdverplichtingen Cyberbeveiligingswet

De Cyberbeveiligingswet kent drie hoofdverplichtingen, die hun grondslag vinden in de NIS2-richtlijn:

  1. Zorgplicht (artikel 21 Cyberbeveiligingswet; artikel 21 NIS2-richtlijn)

Essentiële en/of belangrijke entiteiten moeten passende maatregelen treffen om cyberrisico’s te beperken. De Cyberbeveiligingswet somt minimale maatregelen op en biedt ruimte voor sectorspecifieke invulling via algemene maatregelen van bestuur of ministeriële regelingen (artikel 21 lid 1-5).

  1. Meldplicht (artikel 25 e.v. Cyberbeveiligingswet; artikel 23 NIS2-richtlijn)

Significante incidenten moeten worden gemeld bij een CSIRT en de bevoegde autoriteit (verschilt per sector en type entiteit). De melding vindt gefaseerd plaats: eerst wordt een waarschuwing ingediend, mogelijk volgt daarna een tussentijdse update, en uiteindelijk wordt een eindverslag gemaakt.

  1. Bestuurlijke verantwoordelijkheid (artikel 24 Cyberbeveiligingswet; artikel 20 NIS2-richtlijn)

Bestuurders van essentiële en/of belangrijke entiteiten krijgen expliciete taken: zij moeten cybersecuritybeleid vaststellen, de uitvoering daarvan controleren en zich laten bijscholen op het gebied van cyberbeveiliging en risicobeheer.

De eerste hoofdverplichting, de zorgplicht, omvat tien minimale maatregelen die organisaties moeten treffen om hun netwerk- en informatiesystemen te beschermen. De maatregelen vormen de kern van de zorgplicht en zijn essentieel om de digitale weerbaarheid van organisaties op een structurele manier te borgen. Kort samengevat moeten de entiteiten:

  1. Beleid voor de beheersing van digitale risico’s en de beveiliging van het informatiesysteem opstellen, onderhouden en periodiek evalueren.
  2. Beveiligingsaspecten implementeren voor personeel, toegangsbeleid en beheer van activa.
  3. Procedures opstellen voor bedrijfscontinuïteit, incidentenherstel, en crisismanagement.
  4. Beleid en procedures implementeren voor de detectie, melding en afhandeling van cyberincidenten.
  5. Basis cyberhygiëne en awareness-trainingen en opleidingen geven aan werknemers.
  6. Beveiliging bij verwerving, ontwikkeling en onderhoud van netwerk- en informatiesystemen.
  7. Maatregelen met betrekking tot beveiliging van de toeleveringsketen en leveranciersrelaties opstellen en implementeren.
  8. Beleid opstellen voor gebruik van cryptografie en encryptie (sleutelbeheer).
  9. Beleid opstellen voor toegangsbeheer en toegangscontrole waarbij toegang tot systemen en data tot bevoegde personen beperkt wordt, bijvoorbeeld door gebruik van multifactor-authenticatie.
  10. Beleid en procedures opstellen om de effectiviteit van de genomen maatregelen te beoordelen en regelmatig te toetsen.

Voorbereiden op de Cyberbeveiligingswet

Ter voorbereiding op de tien maatregelen is het voor organisaties raadzaam nu alvast:

  • Na te gaan of zij onder de definitie van een essentiële of belangrijke entiteit vallen, en daarmee binnen de reikwijdte van de Cyberbeveiligingswet;
  • Te beginnen met het opstellen of actualiseren van het cybersecuritybeleid;
  • Zich aan te sluiten bij een CSIRT; en
  • Intern voor te bereiden op meldprocedures en audits.

Hoewel de Cyberbeveiligingswet nog niet in werking is getreden, is het voor essentiële en belangrijke entiteiten wel al mogelijk zich te registreren bij een CSIRT. Voor digitale dienstverleners is er het CSIRT-DSP, voor zorginstellingen Z-CERT, en voor overige sectoren het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC).

Registratie bij een CSIRT biedt toegang tot:

  • Een incidentrespons waar wordt geholpen om de impact van een cyberincident te beperken, de oorzaak te analyseren, verdere schade te voorkomen en getroffen systemen te herstellen;
  • Vroegtijdige waarschuwingen over actuele dreigingsinformatie en cyberdreigingen, zoals nieuwe malwarevarianten, phishingcampagnes en kwetsbaarheden in software of systemen; en
  • Technische analyse en ondersteuning bij verdachte of schadelijke cyberincidenten.

De Cyberbeveiligingswet brengt de nodige nieuwe verplichtingen met zich mee. We zullen u via deze website op de hoogte houden over de ontwikkelingen.

Alvast vragen over de toepassing van het wetsvoorstel op uw organisatie of wilt u voorbereidingsmaatregelen treffen? Neem dan gerust contact op met Bente van Kan of Machteld Robichon.

 

Visie

Aanscherping aanwijzingsprocedure voor lokale publieke omroepen door invoering nieuwe stelsel en tussentijdse verlenging tot 1 januari 2028

Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap werkt aan een wijziging van de Mediawet 2008 met als doel de lokale omroep te versterken, mede door een nieuwe wijze van financiering en een aanscherping van de aanwijzingsprocedure.

Het betrokken wetsvoorstel ligt thans voor advies bij de Raad van State. De planning is om het wetsvoorstel al per 1 juli 2026 in werking te laten treden. Er zit dus enige tijdsdruk achter en de vraag is of de verkiezingen hier nog invloed op zullen hebben.

Dit zijn de belangrijkste wijzigingen uit het wetsvoorstel:

  • Financiering: De rijksoverheid gaat betalen voor de lokale publieke omroep. Nu zijn gemeenten daar nog verantwoordelijk voor. Daarnaast stelt de Rijksoverheid jaarlijks ongeveer € 18 miljoen extra beschikbaar.
  • Minder omroepen: Het aantal lokale omroepen wordt teruggebracht van 220 Nederlandse lokale publieke omroepen naar 80 lokale publieke omroepen, ‘streekomroepen’ genoemd.
  • Samenwerking: De stichting Nederlandse Lokale Publieke Omroepen (“NLPO”) wordt aangewezen als samenwerkings- en coördinatieorgaan voor de lokale publieke omroepen. Dit moet zorgen voor meer samenwerking en uniformiteit tussen lokale omroepen.
  • Aanwijzingsprocedure: De huidige procedure voor het aanwijzen van lokale omroepen wordt als genoemd aangescherpt, onder meer omdat er een beleidsplan moet worden overgelegd dat aan een aantal criteria moet voldoen. Voorts moet er een meerjarenbegroting worden overgelegd. Nieuw is dat de NLPO over de aanvraag een advies zal uitbrengen. Daarnaast wordt de adviesvraag aan de gemeenteraad specifieker geformuleerd.
  • Overgangsperiode: Alle aanwijzingen van lokale publieke omroepen die aflopen tussen 1 juli 2026 en 1 januari 2028 worden verlengd tot 1 januari 2028. Het Commissariaat voor de Media (“Commissariaat”) zal vanwege deze verlenging geen nieuwe aanwijzingsprocedures starten voor de verzorgingsgebieden waar de aanwijzing van de zittende lokale publieke omroep afloopt tussen 1 juli 2026 en 1 januari 2028. De nog lopende lokale aanwijzingsprocedures, die voor 1 juli 2026 aflopen, zullen echter worden afgerond.

Er staan dus de nodige veranderingen voor de boeg. Eind 2026 of begin 2027 zal het Commissariaat de aanwijzingsprocedures starten voor de nieuwe aanwijzing voor de periode vanaf 1 januari 2028-1 januari 2033. Hierover zal op een later moment meer informatie worden gepubliceerd. We zullen u via deze website op de hoogte houden over de ontwikkelingen.

Vragen over het wetsvoorstel of de nieuwe aanwijzingsprocedure? Neem dan gerust contact op met Machteld Robichon of Bente van Kan.

Visie

De komst van de European Media Freedom Act

De interesse, het gebruik en het vertrouwen in het nieuws nemen af in Nederland. Tegelijkertijd neemt de invloed van grote online platforms steeds meer toe en bepalen platforms in toenemende mate welke content zichtbaar is. Gepersonaliseerde aanbevelingen en AI zorgen ervoor dat gebruikers vooral zien wat bij hun voorkeuren past. Dit zet de pluriformiteit van het nieuwsaanbod (de verscheidenheid aan perspectieven, bronnen en meningen in de media) onder druk.

Als reactie op de toenemende invloed van Big Tech en de zorgen over afnemende persvrijheid in sommige Europese landen is de European Media Freedom Act (“EMFA”) op 7 mei 2024 in werking getreden. De EMFA heeft tot doel mediavrijheid, pluralisme en onafhankelijkheid van de media in de Europese Unie te waarborgen. De EMFA versterkt Europese samenwerking en richt zich op een eerlijk speelveld voor mediaorganisaties, met regels over transparantie, eigenaarschap en de omgang met journalistieke content op grote platforms (Very Large Online Platforms; “VLOPs”).

De EMFA sluit nauw aan bij de Digital Services Act (“DSA”) en vult deze aan, met extra waarborgen voor erkende aanbieders van mediadiensten, vanwege het publieke belang van onafhankelijke journalistiek. Zo mogen VLOPs mediacontent niet zonder meer verwijderen. Een uitgebreid stappenplan over de DSA is hier te vinden op onze website.

Binnenkort, op 8 augustus 2025, zijn de bepalingen uit de EMFA van toepassing. Hieronder bespreken we enkele relevante bepalingen.

Rechten en verplichtingen van aanbieders van mediadiensten

De EMFA bevat verschillende verplichtingen aan lidstaten om de feitelijke en redactionele vrijheid en onafhankelijkheid van aanbieders van mediadiensten te eerbiedigen en te waarborgen. Zo wordt lidstaten onder meer verboden maatregelen te nemen die ertoe strekken journalistieke bronnen bekend te maken. Daarnaast moeten lidstaten bijvoorbeeld waarborgen dat de financieringsprocedures voor aanbieders van mediadiensten met een publieke opdracht (in NL: de publieke omroep) gebaseerd zijn op vooraf opgestelde transparante en objectieve criteria.

Artikels 6 EMFA bevat daarnaast enkele verplichtingen voor de aanbieders van mediadiensten. Aanbieders moeten onder meer contactgegevens en actuele informatie over eigendomsstructuren en jaarlijkse inkomsten uit overheidsreclames beschikbaar maken voor het publiek. Voorts moeten aanbieders van mediadiensten maatregelen nemen die passend zijn om de onafhankelijkheid van redactionele beslissingen te waarborgen.

Europese samenwerking en toezicht binnen de EMFA

De EMFA bevat bepalingen om Europese samenwerking tussen toezichthouders te versterken. Hiertoe is een nieuw coördinerend toezichtsorgaan opgericht: de Europese Raad voor mediadiensten (de “Raad”), die bestaat uit vertegenwoordigers van nationale mediatoezichthouders.

Artikel 7 en 8 EMFA beschrijven de taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de Raad:

  • Het stimuleren van samenwerking tussen lidstaten en met de Europese Commissie;
  • Het monitoren van de toepassing van de EMFA in de lidstaten;
  • De coördinatie van grensoverschrijdende kwesties, zoals mediaconcentraties of verwijdering van content;
  • Het faciliteren van samenwerking bij handhaving; en
  • Het uitbrengen van adviezen aan nationale of Europese instanties.

Daarnaast verplicht artikel 9 EMFA tot actieve samenwerking en informatie-uitwisseling tussen nationale toezichthouders, met bijzondere aandacht voor afstemming bij grensoverschrijdende gevallen. Nationale wetgeving die de samenwerking belemmert is verboden. In Nederland is het Commissariaat voor de Media (het “Commissariaat”) de betrokken nationale toezichthouder.

Artikel 22 EMFA gaat over mediaconcentraties waarbij lidstaten worden verplicht om bij belangrijke overnames of fusies in de mediasector elkaar te raadplegen bij grensoverschrijdende gevolgen. Hier worden de Raad en de Europese Commissie bij betrokken. In de beoordeling wordt rekening gehouden met het behoud van redactionele onafhankelijkheid en pluralisme, ook in andere lidstaten. Artikel 23 EMFA versterkt deze verplichting door de Raad een adviesrol te geven in dergelijke fusie- en overnamegevallen. Bij de advisering over de overname van RTL Nederland door DPG heeft het Commissariaat artikel 22 al als uitgangspunt gebruikt voor de invulling van de pluriformiteitstoets.

Regels voor VLOPs

Een belangrijke bepaling in de EMFA  is artikel 18, dat is gericht op de regulering van VLOPs. Dit artikel verplicht grote platforms zoals TikTok, Meta en Google tot specifieke maatregelen ten aanzien van aanbieders van mediadiensten. In artikel 2 lid 2 van de EMFA wordt een aanbieder van mediadiensten gedefinieerd als “een natuurlijke of rechtspersoon die als beroepsactiviteit een mediadienst aanbiedt, die de redactionele verantwoordelijkheid draagt voor de keuze van de inhoud van de mediadienst en die bepaalt hoe deze wordt georganiseerd’’.

VLOPs moeten een functie aanbieden voor deze aanbieders om zich als zodanig te registreren, onder opgave van:

  • Een verklaring, waarin de aanbieder aangeeft dat zij:
    • Mediadiensten aanbiedt;
    • Voldoet aan de eerder genoemde transparantieverplichting van artikel 6 lid 1 EMFA;
    • Redactioneel onafhankelijk zijn van lidstaten, politieke partijen en derde landen;
    • Zijn onderworpen aan regelgeving voor de uitoefening van redactionele verantwoordelijkheid en aan het toezicht van een bevoegde toezichthouder, dan wel dat zij zich conformeren aan een zelfreguleringsmechanisme;
    • Geen inhoud verstrekken die is gegeneerd door AI, en, indien dat wel het geval is, deze eerst door een mens is getoetst of redactioneel is gecontroleerd.
  • Juridische naam en contactgegevens, waaronder een e-mailadres, zodat de VLOP snel contact kan opnemen; en
  • Contactgegevens van de bevoegde nationale toezichthouder of van het betrokken co‑/zelfreguleringsorgaan.

De VLOP moet deze gegevens, met uitzondering van contactinformatie, openbaar toegankelijk maken op het platform.

De content van een geregistreerde aanbieder van mediadiensten krijgt een andere behandeling dan reguliere content, gelet op de speciale positie die deze partijen innemen in de democratische informatievoorziening:

  • Wanneer content van een geregistreerde aanbieder van mediadiensten wordt beperkt of verwijderd door de VLOP, moet de VLOP eerst een verklaring van redenen geven. De aanbieder krijgt vervolgens 24 uur de tijd om te reageren. Pas na deze stappen mag de VLOP overgaan tot verwijdering of beperking van de content.

Dit is alleen anders als sprake is van een crisissituatie, bijvoorbeeld bij een acute dreiging voor de openbare veiligheid of volksgezondheid zoals ten tijde van een pandemie. Hierbij heeft de aanbieder van mediadiensten korter de tijd om te reageren. De verplichting voor de VLOP geldt daarnaast niet bij wettelijke verplichtingen om illegale content te verwijderen, zoals strafbare inhoud of maatregelen ter bescherming van minderjarigen (bijvoorbeeld terroristisch materiaal of kinderporno).

  • Klachten van aanbieders van mediadiensten moeten daarnaast met prioriteit en zonder onnodige vertraging worden behandeld. Zij mogen zich daarbij laten vertegenwoordigen door een beroepsorganisatie.
  • Indien een aanbieder van mediadiensten meent dat content herhaaldelijk ten onrechte wordt beperkt, is de VLOP verplicht in dialoog te treden. De aanbieder van mediadiensten kan van de uitkomst van een dialoog melding maken bij de Raad en de Europese Commissie waarna vervolgens een opinie of aanbeveling kan worden uitgebracht. Als de dialoog mislukt of de registratie wordt afgewezen, kunnen deze aanbieders een beroep doen op mediation onder de Platform-to-Business (P2B) Verordening of op buitengerechtelijke geschilbeslechting via de DSA.

Tot slot moet de VLOP’s jaarlijks rapporteren over:

  • Het aantal verwijderingen of beperkingen van content van geregistreerde aanbieders van mediadiensten, met opgaaf van de motieven en verwijzingen naar platformvoorwaarden;
  • Het aantal gevoerde dialogen met geregistreerde aanbieders van mediadiensten; en
  • Het aantal afgewezen of ongeldig verklaarde registraties.

Conclusie

De EMFA vormt een belangrijke stap in het versterken van persvrijheid, mediapluriformiteit en redactionele onafhankelijkheid. De EMFA legt gemeenschappelijke normen op die lidstaten, VLOPs en aanbieders van mediadiensten verplichten tot meer transparantie en bescherming van journalisten. Dat is belangrijk in een digitale omgeving waarin platforms steeds meer bepalen wat zichtbaar is, en AI-gegenereerde content zonder redactionele toetsing toeneemt.

Vragen over de EMFA, de verplichtingen voor u als VLOP of juist de mogelijkheden voor u als aanbieder van mediadiensten? Neem dan gerust contact op met Bente van Kan, Machteld Robichon of Christiaan Alberdingk Thijm.

 

 

Visie

Het demonstratierecht onder druk: een overzicht

Wie afgaat op de berichten uit Den Haag en de krantenkoppen, zou kunnen denken dat Nederlandse demonstraties zelden zonder problemen verlopen. Dit jaar nam de Tweede Kamer dan ook meerdere initiatieven om het demonstratierecht in te perken, onder andere via  een wetsvoorstel om gezichtsbedekkende kleding te verbieden en door het OM te verzoeken gearresteerde demonstranten vaker gaan te vervolgen. Recent onderzoek van Follow The Money laat echter een ander beeld zien: ondanks een verdrievoudiging van het aantal demonstraties in acht jaar tijd, gaat slechts 3% gepaard met incidenten. Festivals en voetbalwedstrijden blijken in de praktijk zelfs meer politie-inzet te vereisen.[1]

Het demonstratierecht wordt beschermd door artikel 10 en 11 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Deze artikelen waarborgen respectievelijk de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vergadering en vereniging. In Nederland zijn die rechten verankerd in artikel 9 van de Grondwet (Gw), waarin het recht van vergadering en betoging wordt erkend. Zowel artikel 10 en 11 EVRM als artikel 9 Gw voorzien echter in de mogelijkheid tot beperking van deze rechten, mits aan strikte voorwaarden is voldaan.

Op grond van de Wet openbare manifestaties (WOM) kan een burgemeester beperkingen of voorschriften opleggen aan de plaats van een demonstratie, uitsluitend ter bescherming van de openbare orde, verkeersveiligheid of volksgezondheid.[2] Volgens vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) omvat het recht op vergadering echter ook de keuze van tijd, plaats en wijze van betogen.[3] Een demonstratie moet in beginsel kunnen plaatsvinden binnen zicht en gehoor van het doelwit op een moment dat de boodschap het meeste effect sorteert (het zicht- en geluidscriterium).[4] Inhoudelijke bemoeienis van de burgemeester met de demonstratie is nooit toegestaan.[5]

Zowel rechtspraak als recente onderzoeken bevestigen wat de cijfers van Follow The Money suggereren. Ondanks politieke roepen om inperking blijkt het demonstratierecht juist onder toenemende druk te staan. Dit wordt zichtbaar in de rechtszalen, waar rechters regelmatig ingrijpen tegen onrechtmatige bestuurlijke beperkingen: vaak opgelegd nog voordat demonstranten überhaupt de straat op zijn gegaan.

Onderzoeken bevestigen: demonstratierecht onder druk

In een rapport van juli 2024 signaleert Amnesty International dat het wereldwijd steeds moeilijker wordt om vrij te demonstreren. Volgens Amnesty gebruiken de overheden – waaronder ook Nederland – verschillende middelen om demonstranten te onderdrukken. Onder andere door middel van een aanmeldplicht van demonstraties, het verhalen van faciliterende kosten (zoals inzet verkeersregelaars) op demonstranten, het gebruik van zogeheten less-lethal weapons op demonstranten en het nemen repressieve maatregelen en voorschriften.[6] Ook in 2022 concludeerde Amnesty  al dat het demonstratierecht in Nederland onder druk staat.[7]

In 2018 constateerde de Nationale ombudsman al tekortkomingen in de bescherming van het demonstratierecht in Nederland.[8] Deze kritiek blijkt zes jaar later nog steeds actueel. Uit het onderzoeksrapport volgt:

“Overheden beschouwen het demonstratierecht in de praktijk niet zelden als onderdeel van een belangenafweging: het recht op demonstreren versus het belang van de openbare orde en veiligheid. De essentie van het grondrecht tot demonstreren moet voorop staan. Die essentie is dat de overheid zich tot het uiterste moet inspannen om demonstraties te faciliteren en te beschermen, zodat burgers in vrijheid hun mening – hoe impopulair ook – kunnen laten horen. Elke andere houding van de overheid doet afbreuk aan de kern van het demonstratierecht.”

Naar aanleiding van de kritiek uit de Tweede Kamer, publiceerde het Wetenschappelijke Onderzoek- en Datacentrum (WODC) begin 2025 de opzet van een onderzoek naar het Nederlandse wettelijke kader rond het demonstratierecht en het handelingsperspectief van lokale gezaghebbers. Het WODC benadrukt dat het demonstratierecht alleen onder strikte voorwaarden mag worden ingeperkt. Het WODC vraagt zich af in hoeverre het huidig kader toereikend is voor het lokaal bevoegde gezag om de balans te vinden tussen de bescherming demonstratierecht en een eventuele begrenzing daarvan die een burgemeester nodig acht. De resultaten worden in augustus 2025 verwacht.[9]

Het College voor de Rechten van de Mens doet dit jaar ook onderzoek naar belang van het maatschappelijk middenveld voor de bescherming van mensenrechten en de rechtsstaat. Maatschappelijke organisaties signaleren stigmatiserende uitlatingen van politici en voorstellen tot beperking van het demonstratierecht en publiek belang-procedures.. Het rapport verschijnt in september 2025.[10]

Rechtspraak: grenzen aan bestuurlijke beperkingen

Uit de persagenda van de Raad van State blijkt dat er bijna wekelijks rechtszaken met betrekking tot het demonstratierecht door de Afdeling bestuursrechtspraak worden behandeld. Op 10 juni stonden zelfs vier demonstratierechtszaken op één dag gepland, allemaal over locatiebeperkingen bij demonstraties rondom abortusklinieken, meestal opgelegd door de burgemeester op basis van de WOM. De uitspraken worden nog verwacht.

Dat het demonstratierecht onder druk staat, wordt bevestigd door een uitspraak van de Rechtbank Den Haag op 22 april van dit jaar. In deze uitspraak oordeelt de rechtbank over het besluit van de burgemeester van Westland om voorafgaand aan een demonstratie van Stichting Nederland Wordt Beter (NLWB) en Kick Out Zwarte Piet (KOZP) meerdere voorschriften en beperkingen op te leggen. De vreedzame demonstratie vond plaats tijdens de Sinterklaasintocht in De Lier in november 2023.

De burgemeester stelde onder meer verplicht dat spandoekteksten in het Nederlands moesten zijn, dat gezichtsbedekkende kleding verboden was en dat de demonstratie direct beëindigd moest worden bij dreiging van wanordelijkheden. Ook werden negen situaties opgenomen waarin de politie zou optreden, zoals “Het gooien van brandbommen, stenen, hout, verf etc;” en “Het plegen van strafbare feiten waarop voorlopige hechtenis is toegelaten;”.[12] Deze uitgebreide lijst aan voorschriften was ingegeven door signalen die de burgemeester had ontvangen over groepjes die zich zouden organiseren om zich tegen de demonstranten te richten. NLWB en KOZP zijn tegen deze voorschriften in beroep gegaan. De rechtbank acht meerdere van deze voorschriften in strijd met artikel 5 WOM. De uitspraak van de rechtbank bevestigt verschillende cruciale principes van het demonstratierecht:

  • Geen bemoeienis met de inhoud van de demonstratie

De burgemeester had geëist dat spandoekteksten in het Nederlands moesten zijn. De rechtbank oordeelde dat dit in strijd was met de WOM. Overheden mogen zich niet bemoeien met de vorm of inhoud van een demonstratie, inclusief de taal waarin demonstranten zich uitdrukken.

  • Voorschriften moeten noodzakelijk en proportioneel zijn

De rechter oordeelde dat diverse voorschriften niet noodzakelijk of proportioneel waren. Er was bijvoorbeeld geen reden om aan te nemen dat KOZP-demonstranten omstanders zouden intimideren, waardoor een voorschrift hierover onnodig was.

  • Positieve verplichting om demonstraties te faciliteren

De rechtbank benadrukte dat de overheid niet alleen demonstraties moet toestaan, maar ook een positieve verplichting heeft om deze te faciliteren en te beschermen. De overheid moet preventieve en geschikte maatregelen nemen om het vreedzame verloop van een demonstratie en de veiligheid van burgers te waarborgen.

  • Wanordelijkheden door tegendemonstranten zijn geen reden voor verbod

Belangrijk is dat de rechtbank bevestigde dat de mogelijke dreiging van wanordelijkheden door anderen dan de demonstranten zelf niet voldoende reden is om een demonstratie te beperken of te verbieden. Dit kan alleen in uitzonderlijke situaties van “bestuurlijke overmacht”. De burgemeester had geen concrete aanwijzingen dat KOZP-demonstranten omstanders zouden intimideren.

  • Vermijd een “chilling effect”

De rechtbank waarschuwde voor het “chilling effect” (zie mijn eerdere blog daarover) dat bepaalde voorschriften kunnen hebben op mensen die willen demonstreren. Dit effect kan de uitoefening van het demonstratierecht indirect beperken.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van de burgemeester.[13] De burgemeester had onvoldoende duidelijk gemaakt wat de juridische grondslag van de vorderingen was.[14]Daarbij benadrukt de rechtbank dat het recht op demonstratie een fundamenteel grondrecht is en dat de overheid slechts in uitzonderlijke situaties voorafgaand beperkingen mag opleggen. Dat de burgemeester moeite heeft gedaan om de demonstratie toch mogelijk te maken, verandert niets aan het feit dat de opgelegde voorschriften juridisch onhoudbaar waren. Wél benadrukt de rechter de positieve verplichting die op overheden rust om demonstraties te faciliteren en te beschermen. Dat betekent meer dan het slechts toestaan van demonstraties. De overheid moet preventieve en geschikte maatregelen nemen om een vreedzaam verloop en veiligheid te waarborgen.[15]

Politieke paradox: strengere regels ondanks lage incidentcijfers

Ondanks deze uitspraak werkte het kabinet dus onder andere aan een verbod voor gezichtsbedekkende kleding bij demonstraties. GroenLinks-PvdA kamerlid Esmah Lahlah stelde Kamervragen over hoe dat verbod zich verhoudt tot bovenstaande uitspraak en betwistte de juridische houdbaarheid van het verbod, met name in verhouding tot het EVRM. Ze vroeg zich ook af waarom het verbod niet kon wachten tot de uitslag van het WODC-onderzoek. Daarnaast wees ze terecht op het mogelijke “chilling effect” dat zo een verbod teweeg kan brengen.[16]

Het demonstratierecht kent uiteraard ook grenzen, zoals recent geconcludeerd door AG Paridaens in zijn conclusies van 13 mei in acht zaken tegen demonstranten die werden vervolgd voor lokaalvredebreuk.[17] Deze vervolgingen betroffen deelnemers aan acties die weigerden overheidsgebouwen te verlaten na sommaties daartoe.

In alle gevallen voerde de verdediging aan dat strafrechtelijke vervolging in strijd was met het demonstratierecht. De AG concludeert echter dat zowel de strafrechtelijke vervolging als het overheidsoptreden proportioneel waren en gerechtvaardigd in een democratische samenleving. Cruciaal in deze beoordeling was de proportionaliteitstoets, die de AG in lijn met de EHRM-jurisprudentie als maatstaf hanteerde voor de toelaatbaarheid van beperkingen op het demonstratierecht. De uitspraak van de Hoge Raad wordt nog verwacht.

De uitspraak van de rechtbank Den Haag biedt bestuurders een helder kompas: preventieve beperkingen zijn de uitzondering, niet de regel. Het WODC-onderzoek (augustus 2025) en het onderzoek van het College voor de Rechten van de Mens (september 2025) zullen moeten uitwijzen of het huidige wettelijke kader voldoende waarborgen biedt. Tot die tijd geldt: wie het demonstratierecht wil beperken, draagt de bewijslast voor de noodzaak daarvan.

[1] B. de Koning, Worden demonstraties geweldadiger? Een blik op de cijfers leert van niet. Integendeel, 5 juli 2025.

[2] Wet openbare manifestaties, artikel 2 en 5.

[3] O.a. in EHRM 7 februari 2017, ECLI:CE:ECHR:2017:0207JUD005781809 (Lashmankin e.a. t. Rusland), § 405.

[4] O.a. in EHRM 7 februari 2017, ECLI:CE:ECHR:2017:0207JUD005781809 (Lashmankin e.a. t. Rusland), § 405.

[5] Wet openbare manifestaties, artikel 5 lid 3.

[6] Rapport van Amnesty International, ‘Introduction’ in: Under protected and over restricted; the state of the right to protest in 21 European Countries, Londen: 2024, p. 12 – 35.

[7] https://www.amnesty.nl/content/uploads/2022/11/AMN_22_33_demonstratierecht-onder-druk.pdf?x57955.

[8] Nationale ombudsman, Demonstreren, een schurend grondrecht?, rapport 2018/015, p. 4

[9] Nota van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum, ‘Bestendigheid wettelijk kader en versteviging handelingsperspectief van het demonstratierecht: opzet onderzoek’, kenmerk 3548, Den Haag: 20 januari 2025, p. 1.

[10] https://www.mensenrechten.nl/actueel/nieuws/2025/02/20/jaarlijkse-rapportage-over-mensenrechten-in-2024-2025-inspraak-onder-druk.

[11] Persagenda Afdeling Bestuursrecht van de Raad van State, Dinsdag 10 juni 2025 11:00, ‘Vier rechtszaken over demonstraties bij abortusklinieken’, https://www.raadvanstate.nl/actueel/persagenda/?CalDtm=20250610&evt_SttDtm=20250610&evt_EndDtm=20250610 (laatst bezocht op 11 juni 2025).

[12] Rb. Den Haag 22 april 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:7126, r.o. 10.

[13] Idem, r.o. 14.

[14] Idem, r.o.  10.3.

[15] Idem, r.o. 12.

[16] Het beginsel houdt in dat mensen zichzelf kunnen censureren of terughoudend kunnen zijn bij het uiten van hun meningen of bij deelname aan vreedzame bijeenkomsten uit angst voor negatieve repercussies, zoals juridische vervolging of sociale veroordeling. Dit kan de vrije uitwisseling van ideeën en het vreedzaam protesteren belemmeren.

[17] Parket bij de Hoge Raad, 13 mei 2025, ECLI:NL:PHR:2025:528.

 

Visie

Duurder, minder, stiller en schoner: Recente ontwikkelingen in de Nederlandse luchtvaartsector

Inleiding

Met de onlangs door Royal Schiphol Group (“RSG”) aangekondigde tarieven en voorwaarden voor luchthaven Schiphol voor de komende periode (ook wel: havengelden), staat de Nederlandse luchtvaartsector weer op scherp. Na een kritieke periode van verliezen, ontslagen en vervolgens arbeidstekorten als gevolg van de COVID-19 pandemie, werken luchtvaartmaatschappijen en luchthavenexploitanten hard aan het herstellen van hun bedrijfsvoering en financiële positie. Met steeds scherpere regelgeving over brandstof, geluid en uitstoot – en zelfs een steeds dichterbij komende krimp op luchthaven Schiphol – staat tegelijkertijd de verdere verduurzaming van de luchtvaartsector hoog op de Nederlandse en de Europese agenda.

In deze blog zoomen wij in op deze drie actuele ontwikkelingen in de luchtvaartsector.

Overzicht


Havengelden Schiphol 2025-2027

Op 31 oktober 2024 maakte RSG bekend de havengelden voor 2025-2027 met gemiddeld 37% te gaan verhogen. De tariefstijging is volgens RSG met name gelegen in de stijging in operationele kosten (waaronder personeelskosten), de significante inflatie, geplande nieuwe investeringen (zoals de nieuwe A-Pier) en verrekeningen over het verleden. Met de nieuwe tarieven en voorwaarden beoogt RSG bovendien (nog) verder te differentiëren naargelang geluidsbelasting. Met andere woorden: hoe stiller en schoner het vliegtuig, hoe minder de luchtvaartmaatschappij (relatief) betaalt.

Op basis van de Wet Luchtvaart (“Wlv”) is RSG als luchthavenexploitant verplicht iedere drie jaar haar tarieven en voorwaarden vast te stellen. Deze moeten kostengeoriënteerd, redelijk en niet-discriminatoir zijn. Voordat RSG de tarieven en voorwaarden vaststelt, legt zij een toerekeningssysteem ter goedkeuring voor aan de Autoriteit Consument en Markt (“ACM”). Op basis van het toerekeningssysteem wordt bepaald welke kosten worden toegerekend aan luchtvaartactiviteiten (en dus aan gebruikers van de luchthaven (luchtvaartmaatschappijen) kunnen worden doorbelast), en welke kosten voortvloeien uit niet-luchtvaartactiviteiten zoals winkels, horeca en parkeerdiensten. Het toerekeningssysteem voor 2025-2027 is op 19 juni 2024 goedgekeurd door de ACM.

Op aanvraag van verschillende luchtvaartmaatschappijen en representatieve organisaties heeft de ACM de tarieven en voorwaarden getoetst. Op 27 mei 2025 besloot de ACM dat de nieuwe tarieven en voorwaarden grotendeels in lijn zijn met de bij en krachtens de Wlv gestelde regels. De ACM gaat niet mee in de verschillende bezwaren van de luchtvaartmaatschappijen over de gebrekkige transparantie en consultatie, het gebrek aan efficiëntieprikkels, de onvoldoende onderbouwde investeringsbehoefte, en de ongekend forse stijging van de tarieven, mede door verrekeningen als gevolg van de COVID-19 pandemie. Volgens de ACM zijn argumenten reeds in een eerdere tariefperiode beoordeeld, en is dit oordeel reeds door het CBb bekrachtigd.

Ook de bredere kritiek over de door RSG fors aangescherpte differentiatie van de tarieven voor het landen en opstijgen op basis van geluid en uitstoot, wordt verworpen. Volgens de ACM vereist de Wlv immers niet dat de tariefdifferentiatie in het kader van milieudoelstellingen evenredig moet zijn aan de daadwerkelijke uitstoot en/of geluidsbelasting.

Wel oordeelt de ACM – in lijn met haar eerdere opschortingsbesluit – dat de door RSG voorgestelde harde uitsluiting van bepaalde ‘lawaaiige vliegtuigtypen’ op de luchthaven onverenigbaar is met de Wlv. Een dergelijk verbod vormt volgens de ACM een operationele beperking die op basis van de Geluidsverordening niet past binnen de bevoegdheden van een luchthavenexploitant, en staat bovendien haaks op het recente negatieve advies van de Europese Commissie in het kader van de balanced approach-procedure rondom de krimp op Schiphol (zie hieronder). Nu de Minister op basis van het standpunt van de Commissie het verbod voor deze toestellen reeds heeft beperkt tot nachtelijke bewegingen, is RSG niet bevoegd een meer verstrekkend verbod (i.e. ook voor dagbewegingen) op te nemen. Pas na inwerkingtreding van deze ministeriële regeling kan RSG het nachtverbod eventueel opnemen in haar tarieven en voorwaarden, aldus de ACM.

De overige tarieven en voorwaarden zijn reeds per 1 april 2025 in werking getreden. De beroepstermijn tegen het nieuwe havengeldenbesluit verloopt binnenkort.

 

Krimp op Schiphol

Zoals hierboven reeds aangestipt heeft de Europese Commissie onlangs haar besluit over de notificatie van de balanced approach-procedure voor Schiphol uitgebracht. Dit besluit volgt op de door de Nederlandse Staat voorgestelde maatregel om het aantal vliegtuigbewegingen op luchthaven Schiphol structureel te beperken ter vermindering van geluidsoverlast.

In 2023 publiceerde de Minister van IenW de zogenaamde ‘Experimenteerregeling Schiphol’ met als doel de geluidshinder rondom luchthaven Schiphol te beperken. In de Experimenteerregeling gaat de Minister niet langer uit van het sinds 2010 in de praktijk geldende ‘Nieuw Normen- en Handhavingsstelsel’ – waarbij slechts gebruikt wordt gemaakt van de start- en landingsbanen die het minste geluidsoverlast veroorzaken – maar wordt teruggevallen en opnieuw gehandhaafd op het oude systeem uit het Luchthavenverkeerbesluit Schiphol (“LVB”) met specifieke ‘handhavingspunten’ om en nabij de start- en landingsbanen (ook wel: geluidsemmertjes). Als gevolg hiervan wordt het maximum aantal vliegtuigbewegingen op Schiphol volgens de Experimenteerregeling 460.000 per jaar in plaats van 500.000. Omdat het een experiment betreft en wordt teruggevallen op bestaande regelgeving behoefde volgens de Minister niet éérst de in de Geluidsverordening beschreven consultatieprocedure (de balanced approach) te worden doorlopen.

Tegen deze aanpak kwam veel verzet vanuit de luchtvaartsector. Verschillende luchtvaartmaatschappijen startten procedures tegen de Staat (en RSG). Na een uitspraak van rechtbank Noord-Holland en een arrest van het Hof Amsterdam, zette de Hoge Raad in juli 2024 een definitieve streep door deze aanpak. De Hoge Raad oordeelde dat de Experimenteerregeling wel degelijk een ‘exploitatiebeperking’ betreft waarvoor de balanced approach moet worden doorlopen. Kort en wel dient de Staat volgens de Hoge Raad eerst te consulteren en het probleem in kaart te brengen voordat zij eventueel beperkingen kan invoeren. De Geluidsverordening is er immers niet op gericht te krimpen ‘om het krimpen’, maar op het effectief bestrijden van geluidshinder door eerst het probleem in kaart te brengen, en vervolgens – via de balanced approach – de meest passende, kostenefficiënte maatregel te kiezen.

Gedurende deze procedures werd het consultatieproces bij de Europese Commissie reeds gestart, met als initieel doel van de Minister een verlaging van het aantal vliegtuigbewegingen naar 440.000. Gedurende het proces kwam de Minister uiteindelijk uit op een plafond van 478.000 vliegtuigbewegingen per jaar.

In het kader van de balanced approach oordeelde de Europese Commissie op 5 maart 2025 dat de Nederlandse Staat onvoldoende rekening heeft gehouden met de effecten van alternatieve maatregelen (zoals vlootvernieuwing) en dat zij te vroeg is overgegaan tot een exploitatiebeperking. Dit wordt volgens de Geluidsverordening immers als laatste redmiddel gezien. Ook uitte de Commissie kritiek op het feit dat bepaalde luchtvaartsegmenten werden uitgesloten in de analyse. Zo is met name gekeken naar commerciële luchtvaart en niet naar general aviation en business aviation (zoals privévluchten en hulpdiensten). Tot slot wijst de Europese Commissie op intransparantie rondom toekomstige slottoewijzing. Een beperking van het aantal vliegtuigbewegingen betekent immers dat sommige luchtvaartmaatschappijen hun zogenoemde ‘historische slots’ op basis van de Slotverordening zullen moeten inleveren. Slotcoördinator Airport Coordination Netherlands (“ACNL”) bracht in 2023 reeds een beleidsregel uit over hoe zij in de toekomst zal omgaan met de toewijzing van slots indien het aantal beschikbare slots lager ligt dan het aantal historische rechten van luchtvaartmaatschappijen, namelijk: op basis van proportionaliteit (zie Policy Rule Slot allocation in case of exceedance of historic rights).

Ondanks het deels negatieve advies van de Commissie zette de Staat haar voornemen tot de krimp voort. In reactie daarop maakten verschillende luchtvaartmaatschappijen en organisaties nieuwe procedures aanhangig. Op 23 april 2025 verklaarde rechtbank Noord-Holland deze partijen in een civiel kort geding niet-ontvankelijk, omdat zij volgens de rechter tegen het definitieve besluit tot wijziging van het LVB rechtsbescherming kunnen zoeken via de bestuursrechter.

Op 6 mei 2025 publiceerde de Minister vervolgens het definitieve besluit tot wijziging van het LVB, waarin een structureel plafond van 478.000 vliegtuigbewegingen per jaar is vastgelegd, met een maximum aantal nachtbewegingen van 27.000. Het besluit treedt per 1 november 2025 in werking.

De bestuursrechtelijke procedure tegen het wijzigingsbesluit van het LVB duurt voort. De zaak ligt nu bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (“Afdeling”), die waarschijnlijk binnen relatief korte termijn een definitief oordeel zal vellen over de krimpplannen op luchthaven Schiphol. De zitting is gepland voor donderdag 24 juli 2025.

In de tussentijd heeft RSG in haar capaciteitsdeclaratie (“CAPDEC”) voor IATA winterseizoen 2025/2026 van 8 mei jl. reeds rekening gehouden met deze maximum aantallen vliegtuigbewegingen. Op basis van de CAPDEC zal ACNL deze zomer overgaan tot toewijzing van de slots voor het komende winterseizoen. Daarbij is het afwachten hoe de Afdeling zal oordelen en in hoeverre (last minute) wijzigingen in de slotverdeling nog mogelijk zijn.

 

Steeds meer regulering om stiller en schoner te vliegen

Duurzame brandstof

Naast het tegengaan van geluidshinder is ook de vermindering van uitstoot en daarmee duurzame(re) brandstof een belangrijk agendapunt. Eind 2023 hebben het Europees Parlement en de Raad de zogenaamde ‘ReFuelEU Luchtvaart’-Verordening (2023/2405) aangenomen. Deze verordening heeft tot doel om op EU-luchthavens geleidelijk meer gebruik te maken van duurzame vliegtuigbrandstoffen (sustainable aviation fuel, “SAF”). Brandstofleveranciers zijn vanaf begin dit jaar verplicht minimaal 2% SAF bij te mengen in de reguliere kerosine. Dit percentage loopt op naar 6% in 2030, 20% in 2035 en uiteindelijk 70% in 2050. Daarbij worden luchtvaartmaatschappijen verplicht minstens 90% van hun brandstofbehoefte daadwerkelijk te tanken op de luchthaven van vertrek. Dit om het omzeilen van de SAF-verplichtingen via ‘tankering’ te voorkomen.

 

Aanscherping van marktmechanismen

In samenhang met deze ontwikkelingen heeft de Europese Commissie begin april 2025 een voorstel gepubliceerd voor het updaten van de regels voor monitoring, rapportage en verificatie binnen het EU Emissiehandelssysteem (“EU ETS”). Het EU ETS is een marktinstrument van de EU dat de CO₂-uitstoot van verschillende sectoren, waaronder de luchtvaart, beoogt te beperken door bedrijven een maximum aantal uitstootrechten toe te kennen die ze kunnen kopen, verkopen of verhandelen. Door emissierechten een prijs te geven, stimuleert het systeem bedrijven om hun uitstoot kosteneffectief te verminderen.

Deze update van het EU ETS is tevens bedoeld om beter aan te sluiten bij het internationale Carbon Offsetting and Reduction Scheme for International Aviation (“CORSIA”). CORSIA is een wereldwijd initiatief van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (“ICAO”) om de CO₂-uitstoot van internationale vluchten te compenseren en te verminderen via een vergelijkbaar marktmechanisme.

De nieuw voorgestelde regels maken het eenvoudiger voor luchtvaartmaatschappijen om het gebruik van SAF (die onder CORSIA vallen) te rapporteren en om rapporten voor de annulering van emissierechten in te dienen en te verifiëren. Daarnaast worden definities verduidelijkt en beter afgestemd op nieuwe regelgeving zoals de ReFuelEU-verordening.

 

Strengere normen voor nieuwe vliegtuigen

Begin maart 2025 bereikte de lidstaten binnen de ICAO bovendien overeenstemming over een nieuw pakket bindende normen voor brandstofefficiëntie en geluidsreductie bij nieuwe vliegtuigtoestellen. In afwachting van formele vaststelling door de ICAO-raad zijn de lidstaten overeengekomen dat de nieuwe normen voor geluidsniveau van toepassing zijn op vliegtuigen die vanaf 1 januari 2029 worden gecertificeerd; de brandstofefficiëntienormen gelden vanaf 31 december 2031. Commerciële vliegtuigen die na deze data gecertificeerd willen worden, moeten voldoen aan nieuwe wereldwijde CO₂-standaarden die ten minste 10% brandstofbesparing vereisen ten opzichte van de huidige normen. Vergeleken met toestellen uit het jaar 2000 moet de nieuwe generatie circa 35% efficiënter zijn. Daarnaast moeten luchtvaartuigen vanaf 2029 minimaal 6 decibel stiller zijn, wat overeenkomt met ruim 30% minder geluidsemissie.

 

Conclusie

Met een stijging van de havengelden en toenemende duurzaamheidsverplichtingen opereren luchtvaartmaatschappijen en luchthavenexploitanten in een steeds complexer speelveld. Tegelijkertijd zorgt de dreigende krimp voor onzekerheid over de beschikbare capaciteit en mogelijkheden voor investeringen voor de toekomst. Met het nieuwe besluit tot wijziging van het LVB is een finaal antwoord over de krimp op Schiphol in zicht. Dit biedt hopelijk op korte termijn een duidelijker toekomstperspectief voor alle stakeholders in de reissector. Met Schiphol als economische hub blijft de luchthaven immers een belangrijke voorziening voor Nederlandse reizigers, en blijft de reissector een belangrijke pijler in de Nederlandse economie.

Visie

Richtsnoeren artikel 28 DSA: hoe online platforms een veilige en vriendelijke omgeving voor minderjarigen moeten inrichten

In mei 2025 heeft de Europese Commissie (“Commissie”) nieuwe richtsnoeren gepubliceerd voor openbare consultatie. De richtsnoeren geven invulling aan de verplichting voor online platforms zoals Instagram en TikTok om passende maatregelen te treffen ter bescherming van minderjarigen (artikel 28 Digital Services Act; “DSA”).

De consultatie is inmiddels gesloten en de Commissie gaat zich nu beraden over de definitieve versie. In de tussentijd bespreken we in dit blog alvast de belangrijkste aanbevelingen uit de concept richtsnoeren en wat deze mogelijk gaan betekenen voor de praktijk.

Richtsnoeren: doelstelling en reikwijdte

Artikel 28 DSA legt verplichtingen op aan alle online platforms die toegankelijk zijn voor minderjarigen. De aanbieders van deze platforms worden verplicht om “passende en evenredige maatregelen te nemen om een hoog niveau van privacy, veiligheid en beveiliging voor minderjarigen te waarborgen”. De verplichtingen gelden ook wanneer het platform formeel een leeftijdsgrens van 18 jaar hanteert, maar feitelijk toegankelijk is voor of gebruikt wordt door minderjarigen.

De richtsnoeren verduidelijken welke maatregelen platforms minimaal moeten nemen om hun diensten veilig en kindvriendelijk in te richten. Volgens de richtsnoeren moeten alle maatregelen die online platforms nemen voldoen aan vier kernbeginselen:

  1. Zo moeten maatregelen proportioneel zijn ten opzichte van de aard en het gebruik van de dienst, de risico’s voor minderjarigen en andere grondrechten.
  2. Daarnaast moeten de belangen van het kind centraal staan, zoals veiligheid, participatie en privacy.
  3. Bovendien geldt dat, om deze belangen te beschermen, online platforms al vanaf de ontwerpfase aandacht moeten hebben bij het stellen van de beveiligingsnormen.
  4. Het ontwerp van hun diensten moet daarbij afgestemd worden op het cognitieve en emotionele ontwikkelingsniveau van minderjarige gebruikers.

Om passende en proportionele maatregelen te bepalen, moeten online platforms een risicobeoordeling uitvoeren van de risico’s die hun dienst voor minderjarigen oplevert.

Het belang van het kind moet daarbij centraal staan, zonder dat andere rechten (zoals participatie, vrije meningsuiting of informatie) onnodig worden beperkt. Voor VLOP’s maakt de beoordeling deel uit van de systemische risicoanalyse onder artikel 34 DSA en moet zij ook worden herhaald bij ‘significante wijzigingen’.

Doel is om een veilige en kindvriendelijke omgeving te creëren, waarin fundamentele rechten van minderjarigen worden gewaarborgd. De richtsnoeren bevatten daarvoor een aantal praktische aanbevelingen.

Aanbevelingen

  1. Leeftijdsverificatie (age assurance)

Maatregelen die de toegang tot online platforms beperken op basis van leeftijd, zijn volgens de Commissie essentiële instrumenten om de privacy, veiligheid en beveiliging van minderjarigen te waarborgen. De Commissie onderscheidt self-declaration (‘Ik ben ouder dan 18 jaar’), age-estimation (een analyse van gezichtskenmerken of gedrag) en age-verification (bijvoorbeeld door middel van identiteitsbewijs).

Platforms moeten per geval beoordelen of leeftijdscontrole nodig is. Volgens de Commissie is leeftijdsverificatie (age-verification) in ieder geval vereist bij wettelijk vastgelegde leeftijdsgrenzen (zoals alcohol, gokken of pornografie), wanneer platforms zelf een 18+-grens hanteren vanwege geconstateerde risico’s, en in situaties waar hoge risico’s niet anders te beperken zijn.

  1. Veilige toegang vanaf het begin

Het registratieproces kan een belangrijk instrument zijn om minderjarigen veilig toegang te geven tot een platform. Als registratie wordt vereist, moet dit proces transparant, begrijpelijk en toegankelijk zijn voor kinderen. Het platform moet duidelijke uitleg geven over gebruiksvoorwaarden, minimumleeftijd en de mogelijkheid tot eenvoudig afmelden of accountverwijdering.

De Commissie benadrukt daarbij dat standaardinstellingen van kinderaccounts een cruciale rol spelen in de bescherming van minderjarigen op online platforms. Omdat kinderen deze instellingen zelden zelf aanpassen, moeten de standaardinstellingen vanaf het begin een hoog niveau van privacy, veiligheid en beveiliging bieden. Dit betekent onder meer dat tracking, locatiebepaling, camera, microfoon en pushmeldingen standaard zijn uitgeschakeld, net als sociale functies zoals likes, streaks of read receipts. Ook risicovolle filters die het zelfbeeld kunnen schaden, moeten standaard gedeactiveerd zijn.

Als een minderjarige tijdens registratie of op een later moment de instellingen wijzigt of gevoelige functies inschakelt, moet het platform steeds uitleg geven, waarschuwen en eventueel tijdelijke of automatische terugzetmechanismen toepassen. De Commissie beveelt aan dat bepaalde functies, zoals contact met onbekenden of zichtbaarheid in zoekresultaten, geheel uitgeschakeld kunnen worden voor minderjarige gebruikers.

  1. Aanbevelingen voor de online interface

Platforms moeten daarnaast hun interfaces zo inrichten dat minderjarigen controle hebben over hun digitale ervaring. Het platformontwerp moet toegankelijk, inclusief en eenvoudig te bedienen zijn.

Cruciaal hierbij is het vermijden van misleidende of manipulatieve ontwerpelementen zoals automatisch afspelende video’s, gefingeerde meldingen, sociale druk via notificaties of schaarste-trucs. Deze “persuasive design features” stimuleren namelijk eindeloos scrollen en kunnen leiden tot overmatig en problematisch platformgebruik. Hierbij hoort ook dat platforms expliciete voorkeuren van kinderen zwaarder moeten laten wegen dan indirecte gedragsdata, zoals kijktijd of klikgedrag. In plaats daarvan moeten zij juist ‘positieve frictie’ inbouwen – zoals tijdsmanagementtools of bewuste vertragingen (“weet je zeker dat je dit wilt plaatsen?“) – om minderjarigen bewuster te laten omgaan met hun platformgebruik.

Voor aanbevelingssystemen geldt verder dat deze specifiek moeten worden aangepast aan de ontwikkelingsfase en kwetsbaarheden van minderjarigen. Maximaliseren van schermtijd en betrokkenheid mag niet het primaire doel zijn; in plaats daarvan moeten de parameters van aanbevelingssystemen verschuiven naar factoren zoals nauwkeurigheid, diversiteit en eerlijkheid. Aanbieders moeten voorkomen dat kinderen herhaaldelijk worden blootgesteld aan schadelijke content, bijvoorbeeld aan inhoud die onrealistische schoonheidsidealen promoot of geweld verheerlijkt. Ook zoekfuncties vereisen specifieke bescherming, zoals het blokkeren van bekende schadelijke zoektermen. Platforms moeten daarnaast geverifieerde, leeftijdsgeschikte accounts exclusief aanbevelen.

  1. Bescherming tegen commerciële beïnvloeding

In de richtsnoeren wordt ook specifiek ingegaan op de bescherming van minderjarigen tegen commerciële beïnvloeding. Online platforms confronteren kinderen met steeds geavanceerdere marketingstrategieën, waaronder gepersonaliseerde advertenties, product placement, in-game aankopen, influencer marketing en AI-gestuurde nudging. Deze tactieken kunnen ernstige schade toebrengen aan de privacy, veiligheid en het welzijn van minderjarigen, vooral wanneer ze hun commerciële aard verhullen of misbruik maken van groepsdruk en de beperkte kennis van kinderen over economische waarde.

De Commissie eist daarom een verantwoord marketingbeleid dat expliciet rekening houdt met de leeftijd, kwetsbaarheden en beperkte commerciële kennis van minderjarigen. Alle schadelijke, onethische en onwettige reclame-uitingen moeten worden uitgesloten. Ook moet verborgen reclame, zoals product placement door influencers, actief worden bestreden.

Transparantie in economische transacties vormt een tweede cruciaal aandachtspunt. In-app betalingen en het gebruik van virtuele tussenvaluta zoals tokens, coins of loot boxes moeten transparant en begrijpelijk zijn voor minderjarigen. Platforms moeten vermijden dat deze virtuele valuta de werkelijke kosten verhullen of kinderen misleiden over de economische waarde van hun aankopen. Hetzelfde geldt voor verslavende of manipulatieve ontwerpkeuze, zoals willekeurige beloningen, schaarste-signalen (“nog maar 1 uur beschikbaar”) of gokachtige functies. Tot slot worden platforms aangemoedigd ouderlijke toezichttools in te zetten en bewuste frictie in te bouwen tussen contentconsumptie en aankopen, bijvoorbeeld door extra bevestigingen of instelbare uitgavendrempels.

  1. Aanbevelingen rondom transparantie, moderatie en rapportage

De Europese Commissie benadrukt dat effectieve en transparante moderatie essentieel is om minderjarigen online te beschermen. Platforms moeten duidelijk en expliciet definiëren wat zij als schadelijke content en ongewenst gedrag beschouwen, en dienen hiervoor heldere, stapsgewijze procedures op te stellen. Daarbij wordt proactieve inzet van filters en AI-systemen aanbevolen, aangevuld met menselijke beoordeling bij risicovolle situaties zoals populaire accounts. Minderjarigen moeten bovendien eenvoudig, vertrouwelijk en eventueel anoniem schadelijke content kunnen rapporteren.

Daarnaast doet de Commissie aanbevelingen op het gebied van transparantie, gebruikerscontrole en interne governance. Platforms dienen uitleg te geven over waarom specifieke content wordt aanbevolen, inclusief gebruikte parameters, en minderjarigen de mogelijkheid te bieden om hun aanbevelingsfeeds te resetten of voorkeuren aan te passen. Concrete hulpmiddelen zoals het blokkeren van andere gebruikers of het beperken van interacties moeten eveneens beschikbaar zijn, evenals toezicht-tools voor ouders en verzorgers met respect voor privacy. Tot slot vereist de Commissie een kindgerichte interne governance-structuur, waarin platformontwerp en beleid actief en veilig door minderjarigen worden beïnvloed, en waarin risico’s continu gemonitord, geëvalueerd en gerapporteerd worden.

Conclusie

De Commissie beschouwt deze richtsnoeren als een eerste interpretatie van artikel 28 DSA. Hoewel de richtsnoeren ruimte laten voor interpretatie en overlap met andere regelgeving (AI Act en AVG), markeren de richtsnoeren een belangrijke stap richting meer concrete maatregelen voor platforms, waarbij proportionaliteit, kinderrechten, privacy-by-design en leeftijdsgeschikt ontwerp centraal staan. Door expliciete aandacht voor risico’s zoals grooming, overmatig gebruik en manipulatieve, commerciële praktijken, adresseren de richtsnoeren de meest urgente bedreigingen voor minderjarigen online.

Voor nu is het eerst wachten met welke feedback de stakeholders zullen komen op de richtsnoeren en in hoeverre dit invloed zal hebben op de definitieve richtsnoeren. Deze worden naar verwachting later dit jaar gepubliceerd.

Alvast aan de slag met de concept richtsnoeren en/of vragen over de implementatie daarvan? Neem dan gerust contact op met Bente van Kan, Machteld Robichon of Christiaan Alberdingk Thijm.

Met dank aan Coen Buijs

Visie

Civiele handhaving van de Digital Markets Act: a lawyer’s paradise (of toch niet)?

Op 23 april 2025 heeft de Europese Commissie (“Commissie”) de eerste boetes opgelegd aan poortwachters voor het niet-naleven van de Digitale Marktenverordening, of ‘Digital Markets Act’ (“DMA”). Apple en Meta kregen boetes opgelegd van respectievelijk € 500 miljoen en € 200 miljoen. Apple heeft de ‘anti-steering’-verplichting uit de DMA geschonden; Meta heeft haar verplichting geschonden om consumenten de keuzemogelijkheid te geven voor een dienst die minder persoonsgegevens gebruikt.

Hoewel de verplichtingen voor zogeheten ‘gatekeepers’ uit de DMA al sinds 7 maart 2024 gelden, lag de focus vooralsnog op de publiekrechtelijke handhaving van de DMA. Met de eerste niet-nalevingsbesluiten van de Commissie rijst de belangrijke vraag wat de mogelijkheden zijn voor privaatrechtelijke handhaving door gedupeerden van schendingen van de DMA. Deze blog geeft een overzicht van de mogelijkheden voor slachtoffers om op te treden tegen schendingen van de DMA bij de civiele rechter.

Overzicht


Relevante voorvragen: directe werking en toepassing mededingingsrechtelijke concepten

Een belangrijke voorvraag bij de privaatrechtelijke handhaving van de DMA is of private partijen, zoals consumenten of rechtspersonen (afnemers, concurrenten, etc.), de rechten en verplichtingen van de DMA kunnen inroepen jegens de poortwachters. Dat kan alleen als sprake is van horizontale directe werking. Daarvoor is vereist dat de bepalingen uit de DMA voldoende precies en onvoorwaardelijk zijn, waarmee zij rechten voor individuen met zich brengen. Dat lijkt het geval te zijn. Voor de verplichtingen uit de DMA – zoals opgenomen in met name artikelen 5, 6 en 7 DMA – zijn geen nadere uitwerkings- of uitvoeringsmaatregelen vanuit de EU-lidstaten vereist. Dat de verplichtingen uit de DMA horizontale directe werking hebben, lijkt ook de uitdrukkelijke bedoeling te zijn geweest van de Uniewetgever gelet op de expliciete mogelijkheden in de DMA voor samenwerking tussen de Commissie en nationale rechters in nationale procedures (artikel 39 DMA) en het instellen van collectieve vorderingen (artikel 42 DMA).

Een andere voorvraag betreft de relevantie van mededingingsrechtelijke concepten bij de toepassing van de DMA. Ondanks dat de DMA niet tot het generieke mededingingsrecht behoort, zijn er namelijk wel de nodige raakvlakken met het (ex post) toezicht op het mededingingsrecht. Zo is een aantal bepalingen uit de DMA inhoudelijk geïnspireerd op recente mededingingszaken. Neem bijvoorbeeld het verbod op zelfbevoordeling uit artikel 6, lid 2, DMA en de recente zaak daarover met betrekking tot Amazon, of het zelfbevoordelingsverbod in het kader van rankings uit artikel 6, lid 5, DMA en de Google Shopping-zaak.

Ook lijkt de Europese wetgever bij de definities van de DMA bewust aansluiting te hebben gezocht bij het mededingingsrecht. Een daarvan is het ondernemingsbegrip. Een onderneming in de zin van de DMA is een entiteit die een economische activiteit uitoefent, ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd, met inbegrip van alle verbonden bedrijven of verbonden ondernemingen die een groep vormen door de directe of indirecte zeggenschap over een bedrijf of onderneming door een ander(e). Dit begrip wordt ook gehanteerd in het mededingingsrecht, in tegenstelling tot vennootschapsrechtelijke termen als ‘rechtspersoon’. Ook met de term ‘verbonden ondernemingen’ uit de DMA wordt aangesloten bij aan het mededingingsrecht verwante rechtsgebieden, zoals het (Europees) staatssteunrecht.

Het lijkt er dus op dat de DMA aansluit bij het mededingingsrechtelijke ondernemingsbegrip. Dit is van belang omdat dit ondernemingsbegrip de groep entiteiten afbakent die (mede) hoofdelijk aansprakelijk kan worden gehouden. Een relevante vraag is dan hoe zich dit verhoudt tot de breed ingestoken aanwijzingsbesluiten, waarin de Commissie zowel de (uiteindelijke) moedermaatschappij, samen met al diens dochtermaatschappijen, aanwijst als poortwachter die aan de verplichtingen van de DMA moet(en) voldoen. Zo staat in de aanwijzingsbesluiten jegens Alphabet bijvoorbeeld dat “Alphabet Inc., together with all legal entities directly or indirectly controlled by Alphabet Inc.” als poortwachter is aangewezen. Het valt dan ook te beargumenteren dat op al die entiteiten de verplichtingen uit de DMA rusten omdat zij in de aanwijzingsbesluiten worden betrokken. Dit zou kunnen betekenen dat elk van de entiteiten die behoren tot, in dit geval, Alphabet Inc. ieder rechtstreeks en afzonderlijk zouden kunnen worden aangesproken voor (schade voortvloeiend uit) niet-naleving van de DMA.

Hierover is het laatste woord echter nog niet gesproken. Naar verwachting wordt dit voorwerp van discussie voor de nationale en Europese gerechten. Verder geldt dat algemene Unierechtelijke beginselen die relevant zijn voor de privaatrechtelijke handhaving van het mededingingsrecht, zoals het doeltreffendheidsbeginsel, onverminderd van toepassing zijn bij de privaatrechtelijke handhaving van de DMA.

 

Bevoegdheid van de Nederlandse rechter

Voor privaatrechtelijke handhaving is ook de bevoegdheid van de (Nederlandse) rechter van belang. De absolute bevoegdheid van de Nederlandse rechter wordt bepaald aan de hand van Brussel I-bis (bij verweerders binnen de EU) of het commune internationaal privaatrecht uit artikel 1-14 Rv (bij verweerders buiten de EU). In beide gevallen is de hoofdregel dat het gerecht van de zetel van de verweerder bevoegd is.

Hierbij is (opnieuw) relevant welke entiteit(en) als poortwachter is of zijn aangemerkt. Zoals hierboven besproken, zijn dit de uiteindelijke moedermaatschappijen samen met al hun (directe en indirecte) dochterentiteiten. Dat zou betekenen dat de Nederlandse rechter bevoegd is te oordelen over vorderingen ingesteld op grond van de DMA jegens een Nederlandse entiteit die deel uit maakt van de aangewezen poortwachter op grond van de hoofdregel uit artikel 2 Rv. Die Nederlandse entiteit wordt immers aangesproken op basis van diens eigen ‘poortwachtersstatus’. Een alternatief kan zijn om de (uiteindelijke) moedermaatschappij aan te spreken voor diens schendingen van de DMA en de rechtsmacht van de Nederlandse rechter te baseren op bijzondere bevoegdheidsgronden, zoals de ankergedaagderegel uit artikel 8 Brussel I-bis (vgl. artikel 7 Rv) of het Erfolgsort/Handlungsort uit artikel 7 Brussel I-bis (vgl. artikel 6, sub e, Rv).

Op basis van de ankergedaagderegel kunnen, ingeval van meerdere verweerders, deze verweerders gezamenlijk worden opgeroepen voor het gerecht van de zetel van één van hen (de ankergedaagde). Het idee is dan dat de moedermaatschappij (als poortwachter) in rechte wordt aangesproken voor de Nederlandse rechter, samen met haar in Nederland gevestigde dochter (als ankergedaagde). Daarvoor is vereist dat de ankergedaagde zich in dezelfde positie bevindt, feitelijk en rechtens, als de overige verweerder(s). In het kader van een prejudiciële procedure heeft het Europees Hof van Justitie benadrukt dat een moederentiteit als ankergedaagde kan fungeren wanneer het over nagenoeg het gehele kapitaal beschikt van de inbreukmakende dochterentiteit. Advocaat-generaal Kokott heeft recentelijk meer in het algemeen geconcludeerd dat sprake is van eenzelfde feitelijke en juridische positie wanneer de ankergedaagde tot dezelfde onderneming behoort als één van de overige (inbreukmakende) verweerders. Het ondernemingsbegrip wordt in het Sumal-arrest uitgelegd aan de hand van twee criteria: (i) het bestaan van juridische, economische en organisatorische banden en (ii) het bestaan van een concreet verband tussen de economische activiteit van de entiteit in kwestie met het voorwerp van de inbreuk. Indien de DMA zich inderdaad aansluit bij het mededingingsrechtelijk ondernemingsbegrip, dient ook het internationaal bevoegdheidsrecht dienovereenkomstig te worden uitgelegd.

Daarnaast kan de bevoegdheid van de Nederlandse rechter worden gebaseerd op de (bijzondere) bevoegdheidsgrond uit artikel 7 Brussel I-bis (vgl. artikel 6, sub e, Rv). Op basis daarvan is de rechter bevoegd van de plaats waar de schade zich voordoet of kan voordoen. Dit omvat zowel de plaats waar de schade intreedt (Erfolgsort) als de plaats waar de schadeveroorzakende gebeurtenis plaatsvindt (Handlungsort). Vaak wordt voor het Erfolgsort aangesloten bij de woonplaats dan wel zetel van de gedupeerde van de inbreuk. Interessant daarbij zijn de prejudiciële vragen die de rechtbank Amsterdam heeft gesteld in de context van de toepassing van bevoegdheidsregels in digitale context. De zaak betrof schadevorderingen ingesteld door een drietal stichtingen namens (Nederlandse) consumenten als gevolg van het hanteren van te hoge commissies door Apple in diens App Store. In die zaak overwoog de rechtbank dat zowel het Handlungsort als het Erfolgsort voor de meeste gebruikers is gelegen in Nederland, omdat Apple zich met de Nederlandse App Store specifiek op de Nederlandse markt richt en dat daarmee de plaats van de schadeveroorzakende gebeurtenis (het rekenen van te hoge commissies) zich in Nederland bevindt. Over deze interpretatie liggen momenteel prejudiciële vragen voor bij het Europees Hof van Justitie.

 

Follow-on of stand-alone

Het beginnen van een civiele procedure tegen een poortwachter kan geschieden op een stand-alone of follow-on basis. Bij een follow-on zaak ligt er reeds een besluit van de Commissie waarin een inbreuk op de DMA door de poortwachter is vastgesteld. De onrechtmatigheid van de gedraging in kwestie is daarmee gegeven; de nationale rechter mag op grond van artikel 39 DMA ook niet afwijken van de bevindingen in dat besluit. De nationale civiele procedure volgt dan als het ware op dat inbreukbesluit van de Commissie. Bij een stand-alone zaak worden de vorderingen daarentegen ingesteld zonder de aanwezigheid van een Commissiebesluit. Dit betekent dat de eisende partij de feitelijke gedragingen en de onrechtmatigheid daarvan in beginsel zelf zal moeten onderbouwen. Daarbij is relevant dat artikel 8 DMA in publiekrechtelijke context leidt tot een omkering van de bewijslast, nu dit artikel bepaalt dat de poortwachter toeziet op en bewijs levert van nakoming van de verplichtingen uit artikel 5, 6 en 7 DMA. Hoe dit zich in de praktijk verhoudt tot het civiele bewijsrecht zoals neergelegd in artikelen 149 en 150 Rv, moet nog blijken. Tot slot is van belang dat, zeker bij stand-alone zaken, de nationale rechter altijd de mogelijkheid heeft om de procedure aan te houden, bijvoorbeeld wanneer de Commissie een onderzoek begint naar de gedragingen in kwestie terwijl de nationale procedure (nog) loopt (artikel 39, lid 5, DMA). Ook bestaat de mogelijkheid voor de Commissie om zichzelf als amicus curiae bij een zaak te voegen (artikel 39, lid 3, DMA).

Het bestaan van een inbreukbesluit, zoals bij Meta en Apple, maakt de privaatrechtelijke handhaving doorgaans makkelijker. In de context van de DMA is daarbij relevant dat óók het openen van een onderzoek naar de naleving van de DMA door een poortwachter, als besluit kwalificeert (artikel 20 DMA). Dat in tegenstelling tot het mededingingsrecht, waar het openen van een onderzoek en het mededelen van punten van bezwaar geen formeel besluit is. De Commissie heeft reeds een aantal besluiten genomen jegens poortwachters waarmee zij een onderzoek is gestart naar de naleving van hun verplichtingen onder de DMA. Deze onderzoeken zien onder meer op:

De waarde van deze besluiten tot het openen van een onderzoek voor een nationale civiele procedure lijkt echter als zodanig beperkt. De besluiten zijn relatief kort en beschrijven enkel de feitelijkheden, zoals de door de poortwachter verrichte aanpassingen die aanleiding gaven voor het onderzoek van de Commissie. Ook stelt de Commissie uitdrukkelijk dat het openen van een onderzoek niets zegt over de (on)rechtmatigheid van de gedragingen en de naleving door de poortwachters van de DMA. Om die reden zal ook de verjaringstermijn niet beginnen te lopen bij een besluit tot het openen van een onderzoek. Dergelijke besluiten bevatten namelijk geen bevindingen over enige onrechtmatige gedragingen. Zo is er inmiddels ook weer een aantal onderzoeken ingetrokken door de Commissie, zoals het onderzoek naar de verplichtingen van Apple inzake de mogelijkheid om apps te verwijderen en standaardinstellingen aan te passen binnen Apple’s iOS (artikel 6, lid 3, DMA).

Wel is het mogelijk om hangende het DMA-onderzoek al een civiele procedure te starten. Gelet op de inhoudelijke overlap tussen de DMA en bepaalde misbruikvormen onder artikel 102 VWEU, is het dus in het algemeen denkbaar dat een procedure kan worden gestart tegen een poortwachter op grond van zowel de DMA als artikel 102 VWEU. Dit kan dan deels een stand-alone en deels follow-on zaak zijn, wanneer er al een boetebesluit op grond van de DMA of het mededingingsrecht ligt. Het betrekken van het mededingingsrecht in een zaak over (vermeende) DMA-schendingen heeft een aantal voordelen. Mogelijk maakt het bestaan van een niet-nalevingsbesluit onder de DMA het makkelijker om een inbreuk op het mededingingsrecht aan te tonen en vice versa. Ook kan het de schadehoogte beïnvloeden, nu een onrechtmatige gedraging op basis van de DMA in tijd beperkt is (hooguit vanaf maart 2024), terwijl de onrechtmatigheid wegens schending van het mededingingsrecht langer kan hebben voortgeduurd. Dat maakt het bovendien aantrekkelijker voor procesfinanciers om grote zaken tegen poortwachters te financieren. Andersom kan het besluit tot het openen van een DMA-onderzoek of DMA-inbreukbesluit nuttig zijn bij het bepalen van de kring van entiteiten die hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade die voortvloeit uit een mededingingsbesluit.

 

Verschillende mogelijkheden tot privaatrechtelijke handhaving

Slachtoffers van schendingen van de DMA hebben verschillende rechtsmiddelen ter beschikking in Nederland.

Gebod of verbod

Slachtoffers van schendingen van de DMA kunnen een gebod of verbod vorderen jegens de poortwachter. Dit kan zowel in een bodemzaak als bij de voorzieningenrechter in een kort geding (artikel 254 Rv). Hierbij kan tevens om een dwangsom worden verzocht als (extra) drukmiddel. Uiteraard is wel een spoedeisend belang bij de verzochte voorlopige voorziening vereist.

Het instellen van een kort geding is met name relevant wanneer de onrechtmatige gedragingen van de poortwachter onomkeerbare of moeilijk te verhalen schade berokkenen bij de gedupeerde, zoals schade aan de concurrentiepositie van de gedupeerde(n). Denk bijvoorbeeld aan een gebod jegens de poortwachter om interoperabiliteit te bewerkstelligen (artikel 6, lid 7, DMA) of om toegang tot bepaalde data te verlenen (artikel 6, lid 10, DMA). Een verbod kan bijvoorbeeld nodig zijn wanneer een poortwachter op diens platform concurreert met haar zakelijke gebruikers en daarbij gebruik maakt van niet openbare gegevens die door die zakelijke gebruikers worden gegenereerd (zelfbevoordeling), in strijd met artikel 6, lid 2, DMA. Wanneer er reeds een niet-nalevingsbesluit door de Commissie is genomen, en de poortwachter dit besluit (nog) niet naleeft, is de kans op toewijzing van de voorlopige voorziening aannemelijk. De onrechtmatigheid is dan immers gegeven en het is de nationale rechter op grond van artikel 39, lid 5, DMA niet toegestaan om af te wijken van het Commissiebesluit. Maar ook zonder dat een niet-nalevingsbeslissing is genomen, kunnen de verplichtingen uit de DMA worden afgedwongen via de rechter.

Uiteraard kan het vorderen van een gebod dan wel verbod gepaard gaan met een verklaring voor recht en/of een schadevergoedingsvordering.

Schadevergoeding

Wanneer schade is geleden als gevolg van een schending van de DMA, kan schadevergoeding worden gevorderd. Met het schenden van de verplichtingen uit de DMA handelt de poortwachter immers in strijd met een wettelijke verplichting (6:162 BW), waarvoor zowel de geleden schade als gederfde winst gevorderd kan worden. Uiteraard kan tevens een verklaring voor recht en/of een gebod/verbod worden gevorderd.

Net als bij het mededingingsrecht, kan het kwantificeren van de schade complex zijn. Dit heeft veelal te maken met de complexe (technische) marktwerking waardoor het lastig is het juiste counterfactual scenario te bepalen. Daarbij komt dat sommige verplichtingen uit de DMA zien op schendingen van datagebruik, hetgeen eveneens complex is om als (monetaire) schade te kwantificeren. Wat de kwantificatie van schade betreft, geldt tot slot dat de verplichtingen van de DMA pas vanaf maart 2024 gelden is ingetreden en de schade derhalve nog (relatief) gering zal zijn. In dat kader kan het nuttig zijn om de vorderingen tot schadevergoeding ook te baseren op het generieke mededingingsrecht (artikel 102 VWEU), nu die verplichtingen al langer gelden en de onrechtmatigheid derhalve langer heeft voortgeduurd.

Bij het vorderen van schadevergoeding wegens schendingen van de DMA is het bundelen van vorderingen interessant. Het is aannemelijk dat poortwachters met hun gedragingen al snel veel partijen tegelijkertijd raken, van consumenten tot afnemers en concurrenten. In die gevallen is het efficiënter om alle – waarschijnlijk grotendeels gelijkluidende – vorderingen te bundelen. Dit kan via het ‘assignment model’, waarbij een groep gedupeerden hun vorderingen overdraagt aan een claimvehikel zoals een stichting, bijvoorbeeld via een volmacht of cessie. De stichting treedt dan op namens deze partijen. Indien er een zeer grote, wellicht nog niet afgebakende groep slachtoffers is, is het starten van een collectieve actie een nuttige optie om schadevergoeding (of eventueel een verklaring voor recht dan wel gebod of verbod) te vorderen.

Collectieve actie

Onder de WAMCA (artikel 3:305a BW) is het mogelijk om schadevergoedingen te vorderen in een collectieve actie. Meestal betreffen collectieve acties massaschadezaken, waar het gaat om financiële benadeling, maar de zaak kan in principe ook een immaterieel doel hebben en zien op bijvoorbeeld onrechtmatig datagebruik. Bij een collectieve actie begint een stichting een procedure waarin zij opkomt voor de belangen van individuen. Aan deze stichting worden een aantal ontvankelijkheidseisen gesteld, onder meer op het gebied van governance, financiering en representativiteit. Zie ook deze overzichtsblog over de WAMCA en het procesverloop van een collectieve actie.

Zoals hierboven opgemerkt, heeft de Europese wetgever bewust rekening gehouden met de mogelijkheid dat schendingen van de DMA door poortwachters een grote groep consumenten kunnen raken. Om die reden verklaart artikel 42 DMA de Richtlijn Representatieve vorderingen ter bescherming van collectieve consumentenbelangen (2020/1828) van toepassing op de DMA. De meeste voorschriften uit die Richtlijn leidden in Nederland niet tot (aanzienlijke) wijzigingen, nu deze al via de WAMCA golden. Wat nieuw is, is dat de Richtlijn werkt met een ‘lijstsysteem’ voor belangenbehartigers die over de grens willen opereren en grensoverschrijdende consumentenclaims willen indienen. Lidstaten moeten een publiek toegankelijke lijst opstellen van belangenbehartigers (zogeheten ‘bevoegde instanties’) voor grensoverschrijdende vorderingen. Die lijst wordt dan doorgeven aan de Europese Commissie. Met deze Richtlijn, en de uitdrukkelijke toepassing daarvan op (schendingen van) de DMA, is het mogelijk om binnenlandse én grensoverschrijdende collectieve acties te starten namens consumenten tegen poortwachters. Voor meer informatie over de werking van de Richtlijn 2020/1828, zie deze blog.

 

Conclusie

Waar het afgelopen jaar, sinds de inwerkingtreding van de verplichtingen uit de DMA, de focus met name lag op de publiekrechtelijke handhaving, is met de komst van de eerste niet-nalevingsbesluiten de deur voor privaatrechtelijke handhaving (verder) opengezet.

Hoewel er nog onduidelijkheden bestaan over de precieze reikwijdte en toepassing van de DMA in nationale civiele procedures, is duidelijk dat er wel degelijk kansen liggen. De privaatrechtelijke handhaving van de DMA in Nederland staat nog in de kinderschoenen, maar biedt veelbelovende mogelijkheden voor marktpartijen om hun positie te versterken en een eerlijke speelveld af te dwingen, en voor afnemers en consumenten om hun rechten te waarborgen.

Voor vragen over de DMA en de mogelijkheden voor de handhaving daarvan, neem dan contact op met Bas Braeken, Timo Hieselaar of Jade Versteeg.

Visie

Video-uploaders met minder dan 500.000 volgers vanaf 16 juni 2025 ook onder toezicht van het Commissariaat voor de Media

Vanaf 16 juni 2025 vallen video-uploaders met minder dan 500.000 volgers, zoals bijvoorbeeld Ginny Ranu en Daan Alferink (zogeheten ‘micro-influencers’), ook onder het toezicht van het Commissariaat voor de Media (het “Commissariaat”). Dit volgt uit de nieuwe Beleidsregel kwalificatie commerciële mediadiensten op aanvraag 2025 van het Commissariaat (de “Beleidsregel 2025”).

We bespreken de belangrijkste ontwikkelingen hierna.

Kwalificatie commerciële mediadienst op aanvraag

De Beleidsregel 2025 vervangt de Beleidsregel kwalificatie commerciële mediadiensten op aanvraag 2022 (de “Beleidsregel 2022”). De Beleidsregel 2022 geeft invulling aan de wijze waarop bepaald wordt of sprake is van een commerciële mediadienst op aanvraag in de zin van artikel 3.29a Mediawet 2008 (“Mediawet”).

Kort samengevat is sprake van een dergelijke dienst als wordt voldaan aan de volgende vijf criteria:

  • De dienst moet gebaseerd zijn op een catalogus: Een gestructureerde databank waarmee het audiovisueel media-aanbod op aanvraag toegankelijk wordt;
  • De aanbieder heeft redactionele verantwoordelijkheid over de inhoud en organisatie van het media-aanbod. Dit betekent effectieve controle over het aanbod en hoe dat wordt gepresenteerd.
    • Een video-uploader, die een mediadienst verzorgt op het platform van een derde (zoals Instagram, TikTok en Youtube) heeft redactionele verantwoordelijkheid
  • Het aanbod heeft een massamediaal karakter, waarbij het aanbod/de dienst met gewone consumentenapparatuur toegankelijk is;
  • De aanbieder moet materieel (economisch) voordeel hebben; en
  • Het hoofddoel of de essentiële functie van de dienst bestaat uit het verzorgen van audiovisueel media-aanbod ter informatie, vermaak of educatie.

Partijen die commerciële mediadiensten op aanvraag aanbieden vallen onder de reikwijdte van de Mediawet. Zij moeten zich op grond van artikel 3.29b Mediawet melden bij het Commissariaat (via link) en toezichtkosten betalen artikel 3.30 Mediawet.

Uitzondering meldplicht en toezichtkosten voor sommige video-uploaders

Video-uploaders die kwalificeren als ‘commerciële mediadienst op aanvraag’ moeten zich eveneens melden bij het Commissariaat en toezichtkosten betalen. Zij dienen daarnaast onder meer te voldoen aan de regels omtrent reclame. Zo zijn zij bijvoorbeeld verplicht om zowel in de video zelf als in de bijbehorende beschrijving te vermelden of er sprake is van reclame, sponsoring of productplaatsing. Bij het maken van inhoud voor minderjarigen moeten deze vermeldingen bovendien extra duidelijk zijn en is productplaatsing in het geheel niet toegestaan.

Op grond van de Beleidsregel 2022 geldt de meldplicht en verplichting tot het betalen van toezichtkosten echter alleen voor video-uploaders die voldoen aan de volgende criteria:

  • De video-uploader gebruikt een platform zoals YouTube, Instagram of TikTok;
  • De video-uploader heeft op ten minste één van die accounts 500.000 of meer volgers of abonnees;
  • De video-uploader heeft de afgelopen 12 maanden minstens 24 video’s geüpload;
  • De video-uploader behaalt een economisch voordeel met het maken en plaatsen van video’s; en
  • Het economisch voordeel komt ten goede komt van een bedrijf ingeschreven bij de KvK.

Video-uploaders die niet voldoen aan een of meer van deze criteria zijn uitgezonderd van de meldplicht en de verplichting tot het betalen van toezichtkosten. Zij vallen niet onder het ‘actieve toezicht’ van het Commissariaat. Van hen verwacht het Commissariaat dat zij verantwoordelijkheid nemen voor de content die zij aanbieden en hierbij rekening houden met de belangen van hun kijkers in het algemeen en jonge kijkers in het bijzonder. Hoewel het Commissariaat geen actief toezicht uitoefent op deze groep video-uploaders, wordt ook deze groep door het Commissariaat gemonitord. Het Commissariaat zal aan deze groep echter geen boete of last onder dwangsom opleggen, maar in plaats daarvan bijvoorbeeld in gesprek gaan over de aangeboden content.

Beleidsregel 2025: vereiste van 500.000 volgers of abonnees vervalt

De Beleidsregel 2025 heeft de inhoud van de Beleidsregel 2022 grotendeels overgenomen, met één belangrijke wijziging: de groep video-uploaders die onder het actieve toezicht van het Commissariaat valt is uitgebreid. Het vereiste dat een account 500.000 of meer volgers of abonnees moet hebben is namelijk komen te vervallen. Ook video-uploaders met minder dan 500.000 volgers zijn dus verplicht om zich te melden bij het Commissariaat en toezichtkosten te betalen. Zij vallen vanaf 16 juni 2025 onder het actieve toezicht van het Commissariaat.

Aanleiding van deze wijziging is onder meer de groeiende populariteit van eerdergenoemde micro-influencers. Bovendien sluit de uitbreiding van het toezicht volgens het Commissariaat aan bij een van de focusthema’s: het creëren van een veilige online omgeving voor jongeren.

Voor video-uploaders met minder dan 100.000 volgers of abonnees blijft de uitzondering op de meldplicht en de verplichting om jaarlijks toezichtkosten te betalen aan het Commissariaat gelden. Het Commissariaat ziet er wel op toe dat deze video-uploaders zich met betrekking tot hun mediadienst aan de overige regels uit de Mediawet houden, en kan zo nodig handhavend optreden. In dat geval moeten die video-uploaders zich melden bij het Commissariaat en jaarlijks toezichtkosten betalen.

Twijfel of je je als video-uploader moet registreren of vragen over de geldende reclameregels? Neem graag contact op met Bente van Kan of Machteld Robichon.

Visie

Update recente uitspraken Reclame Code Commissie – juni 2025

In deze blog praten we jullie bij over enkele interessante uitspraken van de Reclame Code Commissie (“RCC”) van de afgelopen maanden. De uitspraken betreffen verschillende onderwerpen op het gebied van duurzaamheidsclaims en kindermarketing.

Gebruik van Minecraft in fastfoodreclame niet gericht op kinderen

Op 2 mei 2025 heeft de voorzitter van de RCC een klacht tegen een uiting van een fastfoodbedrijf afgewezen. De uiting betreft een nieuwsbrief van een fastfoodbedrijf waarin een doos in blokkenvorm is afgebeeld met daarbij kipnuggets, een hamburger, frietjes, cola en de tekst “A Minecraft Movie Meal voor Volwassenen”. Volgens klager is de uiting gezien de ontzettend grote populariteit van het spel Minecraft onder kinderen gericht op kinderen (onder de 13 jaar).

Dit is naar het oordeel van de voorzitter niet het geval. De bestreden uiting is opgenomen in een (speciale) digitale nieuwsbrief van het fastfoodbedrijf dat blijkens het verweer alleen wordt verzonden aan personen die zich hiervoor hebben aangemeld via de app en daarbij hebben verklaard 16 jaar of ouder te zijn. Hiermee heeft het fastfoodbedrijf naar oordeel van de RCC voldoende aannemelijk gemaakt dat de reclame-uiting zich niet richt op personen tot en met 12 jaar. De klacht wordt daarom afgewezen.

“Investing in better cotton” (in casu) geen strijdige duurzaamheidsclaim

Op 15 april 2025 oordeelt de RCC dat het aanprijzen van een kledingstuk met een label waarop “investing in better cotton” staat niet in strijd is met de Reclamecode.

Volgens klager is deze uiting oneerlijk, omdat het bedrijf op het label met grote letters sier maakt voor ‘Better Cotton’ terwijl daaronder in veel kleinere letters staat dat het product zelf misschien helemaal geen Better Cotton bevat.

De RCC concludeert dat geen sprake is van strijd met de Reclamecode, omdat:

  • De tekst op het label niet garandeert dat het product uit ‘beter katoen’ bestaat. Uit de tekst blijkt duidelijk dat de reikwijdte van de claim anders, namelijk beperkter, is. Onder meer de zinnen onder de tekst “Investing in better cotton” (By choosing our products, you’re supporting our investment in Better Cotton’s mission; This product is sourced via a system of mass balance and therefore may not contain better cotton), vergezeld door het Better Cotton-logo, maken immers duidelijk dat de aanschaf van een product met dit label bijdraagt aan de katoenproductie volgens de standaarden van Better Cotton, aldus de RCC.
  • Voor zover de consument door de teksten op het label (toch) op het verkeerde been is gezet, wat kan, wordt duidelijkheid geboden met de nuancering “This product is sourced via a system of mass balance and therefore may not contain better cotton”. Hoewel de RCC toegeeft dat deze zinsnede in een beduidend kleiner lettertype is weergegeven, is dit lettertype volgens de RCC niet zodanig klein dat deze de gemiddelde consument zal ontgaan of dat deze onvoldoende leesbaar is.
  • De RCC acht het voorts van belang dat het om een label gaat dat aan een kledingstuk bevestigd is; de gemiddelde consument zal deze labels doorgaans bekijken omdat deze ook informatie over de maat en de prijs bevat. Hierdoor zal in het onderhavige geval de tekst van het label en dus alle informatie over “Investing in better cotton” bij de gemiddelde consument, met of zonder leesbril, voldoende in het oog springen.

‘Milieubewust’ kent geen vaste invulling

In een uitspraak van 14 april 2025 oordeelt het College van Beroep van de RCC (“CvB”) dat een sticker op huurauto’s van een verhuurbedrijf in strijd is met de Code voor Duurzaamheidsreclame (“CDR”). Op de huurauto’s is een sticker te zien waarop rondom de afbeelding van een bloem en over de lengte van de auto de tekst “Huren is milieubewust” is opgenomen. Volgens de klager is dit een niet onderbouwde duurzaamheidsclaim.

Op 16 oktober 2024 oordeelde de RCC dat niet duidelijk is waarop deze claim betrekking heeft, waardoor de gemiddelde consument kan worden misleid over de duurzaamheidsaspecten van de aangeprezen diensten en ertoe worden gebracht een besluit over een transactie te nemen dat hij anders niet had genomen. Om die reden heeft de RCC de bestreden uiting in strijd geacht met artikel 3.1 CDR, waartegen het verhuurbedrijf in beroep is gegaan.

Met de RCC is het CvB van oordeel dat de uiting in strijd is met de CDR, zij het op een andere grondslag (artikel 7 CDR), en overweegt hiertoe als volgt:

  • Door de combinatie van de afbeelding en de tekst spoort het verhuurbedrijf aan tot het huren van een auto, vanuit het oogpunt van het milieu. Daarom is sprake van reclame en wordt voldaan aan de definities van ‘duurzaamheidsreclame’ en ‘milieuclaim’ in de CDR. De uiting impliceert immers een milieuvoordeel.
  • De gemiddelde consument kan niet op voorhand bekend worden geacht met de specifieke invulling die het verhuurbedrijf geeft aan de mededeling “Huren is milieubewust”: het is geen claim die een vaste invulling kent of waarvan de gemiddelde consument zonder toelichting begrijpt hoe het milieuvoordeel wordt verwezenlijkt en hangt daarmee af van de omstandigheden van het geval. De invulling van een dergelijke claim dient duidelijk uit de uiting te blijken.
  • Het huren van een benzine- of dieselauto is volgens het CvB op zichzelf genomen niet milieubewust, nu het een activiteit betreft die nadelig is voor het milieu, bijvoorbeeld door het veroorzaken van schadelijke uitlaatgassen. Het kan daarom niet als een feit van algemene bekendheid worden beschouwd dat huren als zodanig milieubewust is, zoals het verhuurbedrijf stelt, aldus het CvB.
  • Uitsluitend indien men de milieubelasting van het huren van een benzineauto afzet tegen de milieubelasting die de eigendom van een benzineauto veroorzaakt, kunnen naar oordeel van het CvB in bepaalde opzichten milieuvoordelen worden geclaimd. Dat blijkt volgens de CvB in feite de bedoeling van de uiting te zijn, zodat (impliciet) sprake van een vergelijkende milieuclaim.
  • Bij vergelijkende milieuclaims dient vermeld te worden tussen welk (aspect van het) geadverteerde product of bedrijf enerzijds en welk (aspect van het) product of bedrijf anderzijds de vergelijking wordt gemaakt. Hieraan is niet voldaan, nu de duurzaamheidsclaim zonder enige toelichting wordt gebruikt.
  • De gemiddelde consument zal daarom veronderstellen dat het vanuit het oogpunt van een milieubewuste keuze de voorkeur verdient een auto bij het verhuurbedrijf te huren in plaats van bij een andere verhuurder. Niet is gesteld of gebleken dat het bedrijf zich op het gebied van het milieu in positieve zin onderscheidt van haar concurrenten.

Gebruik kinderidolen Hey Duggee en Garfield op chocolade(verpakkingen) in strijd met de RCC

Op 8 april 2024 oordeelt de RCC dat twee uitingen op chocoladeverpakkingen in strijd zijn met de RCC. Op de verpakkingen zijn respectievelijk de figuren Hey Duggee (uiting 1) en Garfield (uiting 2) te zien, welke volgens klager kinderidolen zijn. Daarmee zouden de verpakkingen van de chocola – die niet aan de voedingskundige criteria uit de Reclamecode voor Voedingsmiddelen (“RvV”) voldoet – zijn gericht op kinderen t/m 6 jaar dan wel op kinderen van 7 t/m 12 jaar, aldus klager. Klager richt de klacht op zowel de aanbieder van het product als het platform waarop de producten te koop zijn.

Hey Duggee

Over de chocolade met Hey Duggee op de verpakking overweegt de RCC dat Hey Duggee een, door deelname aan speciaal op kinderen gerichte en/of speciaal voor kinderen ontwikkelde, media bekende personage is. Zowel de aanbieder als het platform waarop het product wordt verkocht kunnen verantwoordelijk zijn voor strijdigheid met de RvV.

  • De aanbieder omdat de RCC ervan uitgaat dat de uiting door de aanbieder mede op Nederland is gericht, nu deze na een zoekopdracht blijkbaar doelbewust ook aan een Nederlands publiek wordt getoond. Daarmee valt de uiting onder de reikwijdte van de RvV en heeft de aanbieder als aanbieder van het product op het platform een zelfstandige verantwoordelijkheid om de bepalingen van de RvV na te leven. Nu er gebruik wordt gemaakt van een kinderidool op een verpakking voor een voedingsmiddel (dat niet aan de voedingskundige criteria uit de RvV voldoet), had de aanbieder in dit geval artikel 8 lid 2 sub a RvV moeten naleven door te voorkomen dat de verpakking in Nederland op de markt wordt gebracht. Het feit dat zij een in het buitenland gevestigde partij is doet niet af aan deze op haar rustende verantwoordelijkheid.
  • Onder de aanwezige omstandigheden ziet de RCC evenwel geen aanleiding om het platform medeverantwoordelijk te houden. Het platform heeft adequaat gehandeld door de uiting direct na de ontvangst van de klacht van haar platform te verwijderen. Daarbij acht de RCC het verschoonbaar dat het platform onbedoeld en onbewust heeft toegestaan dat de inbreukmakende uiting op haar platform is gepubliceerd, omdat het gaat om een uiting in de Engelse taal van een in het buitenland gevestigd bedrijf met een vooral in het buitenland bekende licensed character, die blijkbaar ook primair op een buitenlandse consument is gericht. In die situatie zal voor het platform een overtreding van de RvV onvoorzien zijn.

Garfield

De chocolade met Garfield op de verpakking werd door het platform zelf verkocht. Daarom is het platform hiervoor zelf verantwoordelijk, aldus de RCC.

Volgens het platform is evenwel geen sprake van het verboden gebruik van een kinderidool, omdat de op de verpakking afgebeelde Garfield een ‘stripfiguur’ is die primair op volwassenen is gericht en zijn bekendheid ontleent aan op volwassenen gerichte ‘gagstrips’.

De RCC gaat hier niet in mee en overweegt onder meer dat:

  • Licensed media characters die oorspronkelijk niet specifiek op kinderen zijn gericht, door hun gebruik in speciaal voor kinderen ontwikkelde media alsnog bij kinderen bekend kunnen worden en daardoor, naast de oorspronkelijke doelgroep, ook onder kinderen populair kunnen raken. Hiervan is in dit geval sprake nu Garfield zoals afgebeeld in de recente animatiefilm waar klager naar verwijst, “door zijn visuele stijl, kleurgebruik en levendige animatie duidelijk op kinderen is gericht”;
  • Garfield oorspronkelijk uit een strip voor volwassenen afkomstig is, dus geen afbreuk doet aan de bekendheid van het personage onder kinderen door voornoemde recente mediaproducties.

De RCC acht zodoende aannemelijk dat Garfield voor kinderen een herkenbaar en aantrekkelijk karakter is geworden en daardoor aangemerkt kan worden als kinderidool in de zin van de RvV, zodat de uiting in strijd is met 8 lid 2 sub b RvV.

Vragen over deze onderwerpen? Neem graag contact op met Bente van Kan of Machteld Robichon.

Visie

Parallelhandel: stelplicht en bewijslast ten aanzien van merkenrechtelijke uitputting

Op 16 april 2025 wees de rechtbank Den Haag een interessant vonnis in een procedure tussen Coty Beauty Germany GmbH (‘Coty’) en Easycosmetic Benelux B.V. (‘Easycosmetic’).[1]

In deze parallelhandelzaak staat het leveren van bewijs met betrekking tot merkenrechtelijke uitputting centraal — een leerstuk dat is uitgekristalliseerd in de arresten Van Doren/Lifestyle[2], Harman/AB[3] en HP/Senetic[4] van het Hof van Justitie van de Europese Unie (‘Hof van Justitie’). In dit blog zetten wij uiteen hoe de rechtbank Den Haag – of beter gezegd: hoe partijen – hiermee zijn omgegaan.

Achtergrond van de zaak

Coty is een wereldwijd opererend bedrijf dat parfum- en cosmeticaproducten verkoopt, waaronder producten voorzien van het Uniemerk ‘Hugo Boss’. In deze zaak draait het specifiek om een parfumfles van 200 ml ‘Bottled Night’ van Hugo Boss, die binnen de Europese Economische Ruimte (‘EER’) wordt verhandeld via een selectief distributiestelsel, met verkoopprijzen die per lidstaat verschillen. Door middel van een intern tracking-systeem en het scannen van unieke serienummers op verpakkingen kan Coty bijhouden welke handelsroute de flesjes over de wereld hebben afgelegd.

Easycosmetic is een groothandel in parfums en cosmetica, die tevens parfum van Hugo Boss aanbiedt terwijl zij geen deel uitmaakt van het selectief distributiestelsel van Coty. Eind 2022 komt Coty er via een testaankoop en een factuur achter dat Easycosmetic een batch parfumflessen ‘Bottled Night’ heeft verkocht aan een Nederlandse partij. De (verpakking van de) parfumfles in kwestie is voorzien van de QR-code/serienummer FI14717045 en barcode 737052488257 (de ‘Parfumfles’).

In deze zaak gaat het uiteindelijk om de vraag of Easycosmetic met de verhandeling van deze enkele Parfumfles inbreuk heeft gemaakt op de merkenrechten van Coty. Partijen zijn echter verdeeld over de vraag of Easycosmetic zich met succes op uitputting kan beroepen en op wie in dat verband de stelplicht en bewijslast rusten.

Hoe zat het ook alweer?

De stelplicht en bewijslast ter zake van merkinbreuk rusten op Coty als merkhouder. In onderhavig geval moet Coty dus voldoende concreet stellen dat, hoe en waarom naar haar mening inbreuk wordt gemaakt door Easycosmetic. Als aan deze stelplicht is voldaan, is het vervolgens aan Easycosmetic om de stelling van Coty voldoende gemotiveerd te betwisten of verweer te voeren.

Easycosmetic kiest in deze zaak voor een beroep op uitputting in de zin van artikel 15 lid 1 Uniemerkenverordening (2017/1001). Dit artikel bepaalt, kort gezegd, dat een merkhouder zich niet kan verzetten tegen verder gebruik voor merkwaren die door de houder of met diens toestemming in de EER in de handel zijn gebracht. Een beroep op uitputting kwalificeert als een bevrijdend verweer. Dat houdt in dat de stelplicht en de bewijslast op grond van artikel 150 Rv in beginsel rusten bij degene die zich op uitputting beroept – in dit geval Easycosmetic.

Deze bewijslastverdeling kan een uitdaging vormen voor Easycosmetic als verweerder, die hoogstwaarschijnlijk geen (volledige) kennis heeft over de afgelegde handelsroute en bestemming van de Parfumfles. Merkhouders, zoals Coty, beschikken doorgaans wél over deze informatie. Het risico dat daaraan kleeft is dat uitputting wegens bewijsnood aan de zijde van Easycosmetic niet kan worden bewezen, waardoor de kans bestaat dat Coty mogelijk ongegrond gebruik kan maken van haar merkenrecht om legitieme parallelhandel te verhinderen. Een probleem waarvoor het Hof van Justitie in een oplossing heeft voorzien.

De bewijslast kan namelijk worden aangepast wanneer er een reëel gevaar bestaat dat de nationale markten worden afgeschermd.[5] Aanvullend op de arresten Van Doren/Lifestyle en Harman/AB in dit verband heeft het Hof van Justitie in de zaak HP/Senetic een aantal omstandigheden gewogen die aanleiding kunnen geven tot het aanpassen van de bewijslastverdeling. Dat is het geval wanneer:[6]

  1. de merkhouder een selectief distributiesysteem exploiteert;
  2. de producten geen etiketten bevatten aan de hand waarvan de doelmarkt kan worden geïdentificeerd;
  3. de merkhouder weigert informatie over de doelmarkt met derden te delen; en
  4. de leveranciers van de handelaar niet geneigd zijn om hun eigen bevoorradingsbronnen prijs te geven.

Wanneer sprake is van dergelijke omstandigheden, is aangewezen dat Coty in eerste instantie zal moeten bewijzen dat de Parfumfles buiten de EER in de handel is gebracht. Slaagt Coty hierin, dan zal Easycosmetic moeten aantonen dat Coty toestemming heeft gegeven voor de verkoop van de Parfumfles binnen de EER.

Interne administratie als doorslaggevend bewijs

Terug naar het verloop van het geschil tussen Coty en Easycosmetic. Deze lijkt geknipt te zijn voor toepassing van het leerstuk dat volgt uit de zaak HP/Senetic.

Easycosmetic betoogt dat de stelplicht en bewijslast van uitputting in dit geval bij Coty liggen, onder verwijzing naar overeenkomende omstandigheden als in de zaak HP/Senetic. Volgens haar blijkt voorts dat uit de bepalingen in Coty’s distributieovereenkomst zij prijsverschillen tussen EU-lidstaten kan handhaven, wat wijst op (het risico van) marktafscherming.

De rechtbank laat echter in het midden of sprake moet zijn van aanpassing van de bewijslast, omdat Easycosmetic ter zitting heeft aangegeven dat zij niet langer betwist dat de 480 flesjes ‘Bottled Night’ van Hugo Boss buiten de EER in de handel zijn gebracht. Dit blijkt namelijk uit door Coty overgelegde vervoersdocumenten, die zij “onverplicht” of mogelijk onder druk van inzagevorderingen van Easycosmetic heeft overgelegd. Het enige resterende geschilpunt is of de Parfumfles tot die 480 flesjes behoorde.

In dat kader laat Coty zien dat zij aan de hand van haar tracking-systeem, het serienummer op de verpakking van de Parfumfles en andere beschikbare informatie op gedetailleerde wijze kan aantonen wat er allemaal met de Parfumfles is gebeurd: op 31 juli 2021 is de Parfumfles afgevuld en daarna in een kartonnen verpakking op een pallet geplaatst, op 4 en 18 augustus 2021 is de pallet gescand in distributiecentra in Duitsland en op 19 augustus 2021 is de pallet naar een partij in Zuid-Afrika verscheept.

Het verweer van Easycosmetic dat de gegevens uit de interne administratie van Coty niet te verifiëren zijn, kan haar niet baten. Daarmee slaagt het beroep op uitputting van Easycosmetic niet, en staat merkinbreuk vast. De rechtbank legt een opgaveverplichting, schadevergoeding en een Uniewijd inbreukverbod op, inclusief een dwangsom.

Wat leren wij van deze zaak?

Merkhouders in de cosmeticamarkt blijken op basis van interne gegevensbanken goed in staat te zijn aan te tonen welke handelsroute hun cosmeticaproducten hebben afgelegd. In de onderhavige zaak is deze informatie als doorslaggevend bewijs aangemerkt.

Het administreren van dergelijke informatie is verplicht. De Cosmeticaverordening (1223/2009) vereist van distribiteurs dat cosmeticaproducten en marktdeelnemers in de hele toeleveringsketen traceerbaar moeten zijn.[7] Op de verpakkingen van deze producten moeten onder andere onuitwisbare, duidelijk leesbare en zichtbare partijnummers zijn aangebracht, die tracering mogelijk maken.[8]

Het bijhouden van dergelijke informatie is overigens niet nieuw, zo blijkt uit een uitspraak van de rechtbank Den Haag uit 1998 in een procedure tussen Dior en Tuk.[9] In die zaak werd (pas ter zitting) door Dior uiteengezet dat elk flesje parfum wordt voorzien van een code en dat per fles wordt bijgehouden aan welke afnemer het is verkocht. Voor Dior was het dan ook “geen probleem de juistheid van haar stelling aan te tonen” dat sprake was van merkinbreuk.

Problematisch is veelal de timing van het verstrekken van informatie over de handelsroute en bestemming van de litigieuze producten. In (dreigende) procedures dient dergelijke informatie zo vroeg mogelijk beschikbaar te zijn. Dit kan bijvoorbeeld worden bewerkstelligd via een preprocessueel informatieverzoek aan de merkhouder. Indien een dergelijk verzoek wordt geweigerd, kan dat – in lijn met het arrest HP/Senetic – worden aangemerkt als een van de omstandigheden die aanleiding geven tot een aanpassing van de bewijslast ten aanzien van merkenrechtelijke uitputting.

Vragen over dit onderwerp? Neem graag contact op met Diego Guerrero Obando of Marie-Claire Vogels.

[1]               Rb. Den Haag 16 april 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:6145 (Coty/Easycosmetic).

[2]              HvJ EG 8 april 2003, C-244/00, ECLI:EU:C:2003:204 (Van Doren/Lifestyle).

[3]              HvJ EU 17 november 2022, C-175/21, ECLI:EU:C:2022:895 (Harman/AB).

[4]              HvJ EU 18 januari 2024, C-367/21, ECLI:EU:C:2024:61 (HP/Senetic).

[5]              HvJ EU 18 januari 2024, C-367/21, ECLI:EU:C:2024:61 (HP/Senetic), r.o. 60.

[6]              HvJ EU 18 januari 2024, C-367/21, ECLI:EU:C:2024:61 (HP/Senetic), r.o. 61 en 66-67.

[7]              Overweging 12 en artikel 7 Cosmeticaverordening.

[8]              Artikel 19 lid 1 onder e Cosmeticaverordening.

[9]              Pres. Rb. Den Haag 25 juni 1998, BIE 1999, p. 174 (Dior/Tuk).

Visie

Samenwerking bij toezicht op de DSA: een noodzakelijke schakel in een complex toezichtlandschap

In april 2025 is in de Staatscourant het Samenwerkingsprotocol Digitaledienstenverordening gepubliceerd (“Samenwerkingsprotocol”). Het Samenwerkingsprotocol regelt de samenwerking tussen de Autoriteit Consument & Markt (“ACM”) en onder meer de Autoriteit Persoonsgegevens (“AP”), de Autoriteit Financiële Markten (“AFM”), het Commissariaat voor de Media (“CvdM”) en de Kansspelautoriteit (“Ksa”). Het Samenwerkingsprotocol verduidelijkt de onderlinge rolverdeling bij toezicht op de Digitaledienstenverordening (“DSA”; Verordening (EU) 2022/2065) en vult daarmee een belangrijke leemte in de handhavingspraktijk.

In dit blog bespreken we de rolverdeling tussen toezichthouders en de afspraken over gegevensdeling en bevelen.

Toezicht op digitale diensten: wie doet wat?

De Uitvoeringswet DSA wijst de ACM aan als digitale dienstencoördinator en als primaire toezichthouder op de naleving van de DSA.

Uitzonderingen op deze primaire toezichthouderspositie betreffen de verplichting voor online platforms om transparantie te bieden over hun aanbevelingssystemen en het verbod op reclame op basis van profilering met gebruikmaking van (bijzondere categorieën) persoonsgegevens. Voor deze bepalingen is de AP aangewezen als toezichthouder.

De AP is daarnaast aangewezen als ‘nationale bevoegde autoriteit’ (artikel 49 lid 1 DSA). Die bepaling verplicht lidstaten om één of meer bevoegde onafhankelijke autoriteiten aan te wijzen voor het toezicht op en de handhaving van de verplichtingen uit de DSA. De AP neemt die rol op zich voor bepalingen waar de verwerking van persoonsgegevens centraal staat.

Het Samenwerkingsprotocol benadrukt dat de ACM, als voorzitter van de zogenoemde ‘DSA Kamer’, verantwoordelijk is voor de coördinatie van het toezicht op nationaal niveau. Deze DSA Kamer is door het Samenwerkingsplatform Digitale Toezichthouders en fungeert als knooppunt voor informatiedeling en beleidsafstemming.

Samenwerking tussen autoriteiten

Het Samenwerkingsprotocol werkt de samenwerking tussen de verschillende autoriteiten op drie fronten verder uit: bevelen, gegevensuitwisseling en afstemming bij samenloop van bevoegdheden.

Bevelen

Nationale autoriteiten zijn verplicht om bevelen die zijn afgegeven op grond van artikel 9 lid 3 of 10 lid 3 DSA tijdig aan de ACM te verstrekken. Deze DSA-bepalingen verplichten lidstaten om tussenhandelsdiensten te kunnen bevelen om óf illegale inhoud te verwijderen (artikel 9 DSA) óf specifieke informatie over gebruikers te verstrekken (artikel 10 lid 3 DSA). Doordat de ACM door andere Nederlandse autoriteiten wordt geïnformeerd, kan zij fungeren als doorgeefluik naar autoriteiten binnen de Europese Unie.

Gegevensuitwisseling

Nationale autoriteiten zijn verplicht de ACM te informeren over mogelijke DSA-overtredingen. De ACM coördineert deze overtredingen vervolgens met Europese collega’s.  Omgekeerd stuurt de ACM gegevens die relevant zijn voor de taken van andere nationale autoriteiten proactief door, mits wettelijk toegestaan.

Samenloop van bevoegdheden

Een praktische uitdaging ontstaat wanneer meerdere autoriteiten bevoegd zijn in eenzelfde casus – denk aan onvergunde kansspelaanbiedingen via zeer grote onlineplatforms (VLOP) of de verspreiding van medische desinformatie. Het Samenwerkingsprotocol bevat voor die gevallen een meldplicht: zodra een toezichthouder in een handhavingszaak constateert dat ook een andere partij bevoegd is, moet deze geïnformeerd worden. Deze open communicatie tussen autoriteiten moet versnipperd optreden voorkomen.

Het Samenwerkingsprotocol biedt daarnaast ruimte voor inhoudelijke betrokkenheid van nationale bij vergaderingen van de Digitaledienstenraad, het Europese coördinatieorgaan waarin de ACM zitting heeft.

Een noodzakelijke blauwdruk

Het Samenwerkingsprotocol is geen juridisch bindend document, maar schetst wel een noodzakelijke structuur voor een samenhangende uitvoering van de DSA. Door expliciete afspraken te maken over rolverdeling, gegevensdeling en coördinatie kan het Samenwerkingsprotocol bijdragen aan effectieve handhaving van de complexe en breed gelaagde verplichtingen uit de DSA.

De praktijk zal uitwijzen of deze afspraken voldoende houvast bieden bij conflicterende mandaten en uiteenlopende handhavingsprioriteiten. De eerste evaluatie van het Samenwerkingsprotocol is voorzien na vijf jaar, maar het Samenwerkingsprotocol biedt ruimte om deze eerder te laten plaatsvinden indien daartoe aanleiding bestaat. Gezien de dynamiek van het digitale toezichtsdomein zal vermoedelijk al eerder van deze mogelijkheid gebruik worden gemaakt.

Vragen over dit onderwerp? Neem dan contact op met Machteld Robichon, Bente van Kan of Ole Oerlemans.

Visie

Update recente uitspraken Reclame Code Commissie – april 2025

In deze blog praten we jullie bij over enkele interessante uitspraken van de Reclame Code Commissie (“RCC”) van de afgelopen maanden. De uitspraken betreffen verschillende onderwerpen op het gebied van onder meer media, telecommunicatie en duurzaamheid.

Nepreviews en kunstmatige intelligentie

In een uitspraak van 12 februari 2025 oordeelt de RCC dat het plaatsen van valse reviews en een gebrek aan transparantie over het gebruik van kunstmatige intelligentie in strijd zijn met artikel 7 van de Nederlandse Reclame Code (“NRC”).

Het eerste onderdeel van de klacht ziet op reviews op de website van adverteerder. Klager stelt dat de reviews allemaal van dezelfde datum afkomstig zijn en met behulp van kunstmatige intelligentie zijn geschreven. Naar oordeel van de RCC is twijfel die over deze reviews is gezaaid niet weggenomen door de adverteerder. Op grond daarvan moet worden aangenomen dat de reviews niet door klanten zijn opgesteld en geplaatst. Het “op misleidende wijze voorstellen van consumentenbeoordelingen” is in strijd met artikel 7 NRC.

Het tweede klachtonderdeel betreft de service die adverteerder aanbiedt. Op de website van adverteerder kunnen gepersonaliseerde liedjes besteld worden en kunnen AI-gegenereerde liedjes zelfstandig gecomponeerd worden. De website van de adverteerder bevat de mededeling dat “de liedjes persoonlijk en professioneel zijn gecomponeerd”. Dat deze liedjes door kunstmatige intelligentie worden gegenereerd wordt volgens de RCC niet voldoende toegelicht, waardoor de consument op het verkeerde been wordt gezet.

De bovengenoemde onjuiste informatie kan de gemiddelde consument ertoe brengen een besluit over een transactie te nemen dat zij anders zij niet hadden genomen, waardoor de uiting volgens de RCC misleidend en oneerlijk is en om die reden in strijd is met artikel 7 NRC.

Nu de adverteerder niet heeft aangetoond dat de website is aangepast en niet heeft erkend dat in strijd met de NRC is gehandeld acht de RCC het noodzakelijk om een aanbeveling te doen om niet meer op dergelijke wijze reclame te maken.

Witte jas en tandartsadvies in reclame zijn verboden aanbeveling van ‘gezondheidsprofessional’

In een uitspraak van 13 februari 2025 oordeelt de RCC dat een televisiereclame voor tandpasta misleidend is, omdat daarin de indruk wordt gewekt dat een gezondheidsprofessional het product aanbeveelt.

De reclame laat een vrouw in een witte jas zien die tandpasta aanbeveelt en consumenten adviseert om hun tandarts of mondhygiënist te raadplegen. Volgens de klager suggereert deze combinatie dat een zorgprofessional het product aanbeveelt, hetgeen verboden is op grond van artikel 17 van de Code reclame voor Medische zelfzorg Hulpmiddelen 2019 (“CMH”). De adverteerder stelt dat de vrouw geen tandarts is, maar een laborante met een bedrijfslogo op haar jas, en dat het advies bedoeld is om consumenten te stimuleren professioneel advies in te winnen.

Naar oordeel van de RCC wekt het totaalbeeld inderdaad de indruk van een indirecte aanbeveling door een gezondheidsprofessional. Omdat het bedrijfslogo op de jas onvoldoende duidelijk in beeld komt, wordt de reclame in strijd met artikel 17 CMH geacht en voor zover nodig aanbevolen om niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken.

“The entire place is (not) yours”

In een uitspraak van 18 februari 2025 oordeelt de RCC dat een online advertentie voor een vakantievilla misleidend is, omdat deze de indruk wekt dat de gehele villa beschikbaar is voor huurders, terwijl dit niet het geval blijkt te zijn.

De klacht betreft de aanbieding van een villa op Kreta op de website van een boekingsorganisatie. De advertentie toont foto’s van een villa met twee verdiepingen en vermeldt expliciet: “The entire place is yours”. Bij aankomst wordt de huurder echter geïnformeerd dat alleen de bovenverdieping beschikbaar is; de begane grond wordt gebruikt voor opslag. Daarnaast is volgens klager de achterzijde van de villa niet volledig afgewerkt en dus niet begaanbaar. De klager voelt zich misleid door de advertentie en brengt dit na de vakantie onder de aandacht van de boekingsorganisatie en de RCC.​

De boekingsorganisatie stelt dat de accommodatie verantwoordelijk is voor de verstrekte informatie en dat zij niet kan garanderen dat alle gegevens altijd accuraat zijn. Desalniettemin treft zij maatregelen wanneer informatie onjuist blijkt te zijn.​

De RCC oordeelt dat de boekingsorganisatie verantwoordelijk is voor de juistheid van de informatie op haar website, ongeacht de bron. De combinatie van de foto’s en de tekst “The entire place is yours” wekt de indruk dat de gehele villa beschikbaar is voor huurders. Aangezien dit niet het geval is, acht de RCC de advertentie misleidend en in strijd met artikel 8.3 onder c en artikel 7 van de NRC en beveelt zij aan om niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken.

Voor zover de klacht ziet op het feit dat de achterkant van de villa nog niet geheel af was ten tijde van het verblijf door klager, wordt deze afgewezen door de RCC. Zo overweegt de RCC dat (inderdaad) duidelijk is dat er verschillen zijn tussen de foto’s op de website van de boekingsorganisatie en de door klager gemaakte foto’s. Deze verschillen zijn echter niet dusdanig groot dat moet worden geconcludeerd dat de achtertuin van de accommodatie op zo’n manier is gepresenteerd, dat dit op een incorrecte en misleidende wijze is gedaan.

Duurzaam bananenbrood?

In een uitspraak van 18 februari 2025 oordeelt de RCC dat het gebruik van het woord “duurzaam” in een advertentie voor een zorgverzekeraar niet misleidend is, omdat voldoende duidelijk wordt gemaakt welke invulling de adverteerder aan dat begrip geeft.

De klacht richt zich op een paginagrote krantenadvertentie waarin bananenbrood centraal staat als voorbeeld van een “duurzamere keuze”. De tekst stelt dat “duurzaamheid meer is dan zonnepanelen en windmolens” en legt de nadruk op gezondere keuzes, zoals het volgen van het ‘Gezonde gewoontes programma’. Volgens klager wordt ten onrechte gesuggereerd dat dergelijke gezondheidskeuzes bijdragen aan duurzaamheid in de zin van milieu, terwijl daarvoor geen onderbouwing wordt gegeven. Klager beschouwt de advertentie als een vorm van greenwashing.

De RCC overweegt dat het begrip ‘duurzaam’ geen vastomlijnde betekenis heeft en in het maatschappelijk verkeer breed wordt gebruikt. Omdat de adverteerder in de uiting zelf uitlegt dat zij duurzaamheid koppelt aan een inclusievere, gezondere en groenere samenleving, en in het vervolg van de tekst invulling geeft aan het thema gezondheid, is volgens de RCC voldoende duidelijk welke betekenis aan het begrip wordt gegeven. De gemiddelde consument wordt daardoor niet misleid. De klacht wordt daarom afgewezen.

Een cadeau met een limiet

In een uitspraak van 20 februari 2025 oordeelt de RCC dat de mededeling “lees gratis” bij een gedeelde cadeaulink naar een nieuwsartikel misleidend is, omdat niet duidelijk werd gemaakt dat slechts een beperkt aantal mensen het artikel daadwerkelijk zonder verdere handelingen kan lezen.

De klacht betreft een social media post waarin wordt verwezen naar een artikel met de tekst “lees gratis” en een cadeausymbool. Via de hyperlink kunnen alleen de eerste tien personen het artikel direct lezen. Daarna verschijnt een melding dat registratie vereist is. Volgens de klager wordt hiermee ten onrechte de indruk gewekt dat iedereen zonder meer toegang zou hebben tot het artikel, terwijl er in feite voorwaarden gelden die pas achteraf zichtbaar worden.

De RCC stelt vast dat de uiting kwalificeert als reclame. De gemiddelde consument zal, bij het ontbreken van informatie over de beperking, niet verwachten dat de toegang tot het artikel slechts voor een beperkt aantal personen geldt. Omdat communicatie ontbreekt over het feit dat registratie met persoonsgegevens vereist is zodra de limiet wordt bereikt, is sprake van een omissie in de zin van artikel 8.3 aanhef en onder c van de NRC. De reclame wordt daarom als misleidend en oneerlijk aangemerkt in de zin van artikel 7 NRC. De RCC beveelt aan om niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken.

De RCC benadrukt dat de vorm en inhoud van de cadeaulink automatisch worden gegenereerd door de aanbieder van het artikel, en dat degene die de link deelt — ook wanneer dit de auteur van het artikel betreft — hier geen invloed op heeft. Voor zover de klacht mede gericht was tegen de verspreider van de link, wordt deze dan ook afgewezen.

“Gratis aansluiting” blijkt toch niet gratis

In een uitspraak van 3 maart 2025 oordeelt de RCC dat een brief met de belofte van een “gratis aansluiting” op glasvezelinternet misleidend is, omdat essentiële informatie over hoge bijkomende kosten ontbreekt.

De klacht betreft een brief waarin een consument wordt uitgenodigd over te stappen op glasvezelinternet met de belofte van een gratis aansluiting en een vaste lage prijs. Na telefonisch contact blijkt echter dat op het adres van de consument nog geen glasvezelnetwerk aanwezig is, en dat er alsnog € 16 per maand of eenmalig € 1600 betaald moet worden voor de aanleg ervan. Volgens de klager is het gebruik van het woord “gratis” misleidend, omdat deze kosten nergens in de brief worden genoemd.

De RCC stelt vast dat de gemiddelde consument op basis van de uiting mag aannemen dat de volledige aansluiting kosteloos is, ongeacht de woonsituatie. Door in algemene bewoordingen een gratis aansluiting aan te bieden, zonder te wijzen op mogelijke (hoge) extra kosten, bijvoorbeeld bij een woning in het buitengebied, wordt een onjuiste indruk gewekt. De kleine lettertjes onderaan de brief — waarin staat dat prijzen exclusief vastrechtvergoeding zijn — zijn onvoldoende om deze misleiding te corrigeren. Omdat de consument niet wordt geïnformeerd over de mogelijke extra kosten, ontbreekt essentiële informatie die nodig is om een weloverwogen beslissing te nemen.

De RCC oordeelt zodoende dat de uiting misleidend is in de zin van artikel 8.3 aanhef en onder c NRC, en daarmee ook oneerlijk in de zin van artikel 7 NRC. De RCC beveelt daarom aan om niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken.

De ene smoes is de andere niet

In twee afzonderlijke uitspraken van 6 maart 2025 beoordeelt de RCC nagenoeg dezelfde televisie- en radiocommercials van een reisorganisatie, over vakantieverlenging door middel van “onzinnige smoesjes”.  In één uitspraak wordt de radiocommercial geacht in strijd te zijn met “de goede smaak en fatsoen”, maar de televisiecommercial niet. In de andere uitspraak worden alle klachten afgewezen.

De eerste uitspraak betreft een televisie- en een radiocommercial. In de televisiecommercial wordt aan de telefoon gesuggereerd dat een ouder een blindedarmontsteking heeft, waardoor de kinderen een weekje langer bij hun grootouders moeten blijven. In de radiocommercial worden zogenaamd zieke kinderen afgemeld om langer op vakantie te blijven. De RCC maakt onderscheid tussen beide uitingen. In de televisieversie wordt geen ziekmelding bij school gedaan en verblijven de kinderen bij familie. Daarom wordt deze uiting niet als strijdig met de normen van “goede smaak en fatsoen”, in de zin van artikel 2 NRC, gezien. In de radiocommercial daarentegen wordt nadrukkelijk gesuggereerd dat leerplichtige kinderen ziek worden gemeld bij school om de vakantie te verlengen. De RCC stelt zich, gezien het subjectieve karakter van de criteria van artikel 2 NRC, terughoudend op. Als maatstaf geldt of de bestreden reclame-uiting “naar de huidige algemene maatschappelijke opvattingen de grenzen van het toelaatbare te buiten gaat”. De RCC oordeelt dat dit geval het is. Zodoende wordt de reclame in strijd geacht met artikel 2 NRC en wordt de aanbeveling gedaan om niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken.

In de tweede uitspraak beoordeelt de RCC dezelfde televisie commercial als in de eerste uitspraak en nagenoeg dezelfde radiocommercial. Het verschil tussen de radiocommercials is dat in plaats van een smoes om kinderen thuis te houden van school, een smoes wordt bedacht om de verjaardag van een hoogbejaarde oma over te slaan. Volgens de klager wordt hiermee liegen op humoristische wijze genormaliseerd, hetgeen schadelijk zou zijn voor sociale normen. De RCC erkent dat sommige mensen dit als ongepast kunnen ervaren, maar oordeelt dat deze uitingen — hoewel gebaseerd op het verspreiden van onwaarheden — bedoeld waren als overduidelijke overdrijving en humor. Naar geldende maatschappelijke opvattingen gaan ze volgens de RCC niet de grens van het toelaatbare te buiten. De klachten werden in deze zaak afgewezen.

Vragen over deze onderwerpen? Neem graag contact op met Bente van Kan of Machteld Robichon.

Met dank aan Ole Oerlemans

Visie

De last onder dwangsom in het financieel toezicht

De last onder dwangsom is niet meer weg te denken uit het financieel toezicht. 25 jaar geleden maakte het instrument zijn opwachting in de financiële wetgeving. Met als doel de bestuursrechtelijke handhaving door de financiële toezichthouders naar een hoger plan te tillen. Inmiddels leggen DNB en de AFM jaarlijks een tiental dwangsommen op om overtredingen te beëindigen. Voor de betrokken financiële onderneming kan een dwangsom, ondanks de focus op herstel en niet op straf, grote impact hebben.

Juridische en reputationele risico’s beheersen

Voor het themanummer rond ’25 jaar boetes en dwangsommen in de financiële sector” van Tijdschrift voor Sanctierecht en Onderneming schreef ik een artikel over de positie van de dwangsom in het financieel toezicht.  en de vraag hoe juridische en reputationele risico’s te beheersen.

De Wet op het financieel toezicht bepaalt ten aanzien van de last onder dwangsom in feite twee dingen. Ten eerste dat de financiële toezichthouders een last onder dwangsom kunnen opleggen en ten tweede dat zij het besluit tot het opleggen van een dwangsom openbaar kunnen maken. Bij de verdediging van een (voorgenomen) dwangsom spelen verschillende facetten een rol.

9 Aandachtspunten bij de verdediging van een dwangsom

  1. Dwangsombevoegdheid De wijze waarop de financiële toezichthouders een last onder dwangsom kunnen inzetten, wordt bepaald in een wisselwerking tussen het financieel toezichtrecht en het bestuursrecht. De Wft geeft de bevoegdheid om bij een overtreding een dwangsom op te leggen. De Awb bepaalt de verdere uitvoering van deze bevoegdheid.
  2. Dwangsom als herstelsanctie Een last onder dwangsom strekt ertoe een geconstateerde overtreding ongedaan te maken of verdere overtreding dan wel een herhaling van de overtreding te voorkomen. De dwangsom is een herstelsanctie en onderscheidt zich van de bestuurlijke boete die een bestraffende sanctie is.
  3. Legalisatie en proportionaliteit Hoewel de dwangsombevoegdheid van de financiële toezichthouders discretionair is, is er in de rechtspraak een beginselplicht tot handhaving ontwikkeld. Op die handhavingsplicht bestaan weer uitzonderingen, zoals zicht op legalisatie en onevenredigheid van handhaving.
  4. Herstelmaatregelen De last onder dwangsom omschrijft de te nemen herstelmaatregelen. Soms worden er vrij specifiek te nemen acties opgesomd ter ongedaanmaking van de overtreding, soms worden er diverse mogelijkheden of suggesties genoemd om aan de last te voldoen. De rechtszekerheid vereist dat een last duidelijk en concreet geformuleerd is.
  5. Hoogte van de dwangsom De dwangsom wordt vastgesteld op een bedrag ineens, op een bedrag per tijdseenheid van niet uitvoeren of per overtreding van de last. Ook wordt een bedrag vastgesteld waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd. Een en ander in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang.
  6. Openbaarmaking bij verbeurte Een bestuurlijke sanctie wordt in beginsel bij onherroepelijkheid openbaar gemaakt. De financiële toezichthouder maakt een besluit tot het opleggen van een last onder dwangsom zo spoedig mogelijk openbaar indien een dwangsom wordt verbeurd.
  7. Voorafgaande hoorplicht Zorgvuldige voorbereiding van het dwangsombesluit en een adequate feiten- en belangenverzameling zijn van groot belang. Daartoe is gelegenheid tot het geven van een zienswijze op een lastvoornemen en uitvoering van de hoorplicht essentieel.
  8. Impact op senior managers Een last onder dwangsom kan niet alleen financiële en reputationele gevolgen hebben voor financiële ondernemingen. Ook voor hun senior managers kunnen de consequenties ingrijpend zijn. Zo geldt een last onder dwangsom als toezichtantecedent bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van bestuurders.
  9. Toekomstige dwangsommen Gelet op de lasten onder dwangsom die de AFM en DNB de afgelopen paar jaar aan financiële ondernemingen hebben opgelegd (en gepubliceerd) verwacht ik op korte termijn geen grote veranderingen, hoewel hier en daar wellicht hogere dwangsommen zullen worden uitgevaardigd.

Vragen over dit onderwerp? Neem graag contact met mij op (Simone Peek).

Dit blog is een samenvatting van het artikel ‘De last onder dwangsom in het financieel toezicht’ zoals verschenen in Tijdschrift voor Sanctierecht en Onderneming (TvSO 2025, nr. 1/2) – maart 2025.

Visie

Plannen voor hervorming publieke omroep bekend

De kogel is door de kerk: de lang aangekondigde hervorming van de landelijke publieke omroep begint vorm te krijgen. Althans, de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de “minister”) heeft in een brief aan de Tweede Kamer van 4 april 2025 (referentie: 51410982) zijn plannen voor de hervorming van de publieke omroep kenbaar gemaakt. Doel is een nieuw omroepbestel met meer inhoudelijke flexibiliteit en organisatorische stabiliteit, minder (omroep)spelers, meer gezamenlijkheid en een daarbij passende rol voor de NPO-organisatie.

De minister is van plan in het voorjaar van 2026 een wetsvoorstel in internetconsultatie te brengen. Gezien de vergaande wijziging van het huidige omroepbestel, zetten we de belangrijkste wijzigingen hierna op een rij:

  • In plaats van (nu) elf omroepverenigingen, komen er vier à vijf omroephuizen, naast de NOS. De huidige omroepverenigingen krijgen de ruimte om te verkennen hoe zij kunnen clusteren in de beoogde vier/vijf omroephuizen.
    In het nieuwe bestel is geen plek voor de NTR. Voor de NTR geldt dat de meeste van haar wettelijke taken overgaan naar de nieuw te vormen omroephuizen. De minister gaat onderzoeken hoe de huidige wettelijke taak van de NTR om educatief aanbod voor de jeugd te maken, gewaarborgd blijft in het nieuwe bestel. De NTR is inmiddels een petitie gestart tot haar behoud.
  • De omroephuizen krijgen elk een vaste, wettelijke, plek in het publieke bestel. De omroephuizen vormen vanaf dat moment de landelijke publieke omroep. Van toetreding of uittreding van nieuwe omroepen is geen sprake meer. De (procedure voor de) erkenning (lees: vergunning) die nieuwe en bestaande omroepen op grond van de Mediawet 2008 elke vijf jaar moeten aanvragen komt dus ook te vervallen.
  • Voor de nieuw te vormen omroephuizen zijn onder meer de maatschappelijke worteling en de mate waarin de omroep kan meebewegen met de samenleving van groot belang.
    Daarnaast is volgens de minister het volgende van belang:
    • Omroephuizen moeten stichtingen zijn, die doelmatig worden vormgegeven;
    • Omroephuizen moeten enigszins vergelijkbaar zijn in grootte (budget en producerend vermogen);
    • Binnen een omroephuis moet een bepaalde mate van programmatische verwantschap bestaan. Dit zorgt er ook voor dat omroephuizen ten opzichte van elkaar onderscheidend kunnen zijn. Daarbij is de maatschappelijke worteling van het omroephuis van groot belang. Het aantonen van die maatschappelijke worteling wordt een wettelijke vereiste; en
    • Het omroephuis is de entiteit die de programmatische activiteiten uitvoert en de bestuurlijke verantwoordelijkheid draagt.
  • Voor de Raad van Toezicht, bestuurders of directeuren van omroephuizen, en voor de NPO en NOS wordt de maximale zittingstermijn wettelijk begrensd.
  • De NPO blijft coördinerend orgaan, maar zal zich hierin anders moeten opstellen en anders moeten handelen. De coördinatiebevoegdheid kan meer hoog over worden ingevuld.
  • Vanaf 2027 ontvangt de landelijke publieke omroep structureel € 157 miljoen per jaar minder financiering uit de rijksmediabijdrage. Hiervoor is een wetswijziging nodig. De minister gaat daarnaast een impactanalyse uitvoeren naar aanleiding van de vraag om de (online) reclameruimte van de STER te vergroten.
  • Het externe toezicht op de landelijke publieke omroep dient bij één onafhankelijke toezichthouder te liggen: het Commissariaat voor de Media (“Commissariaat”). De minister vindt het belangrijk dat het Commissariaat een toezichthouder is ‘met tanden’. Mogelijk worden de bevoegdheden van het Commissariaat daarom nog uitgebreid. Daarnaast komen de sanctiebevoegdheden van de NPO te vervallen.
  • Ten aanzien van de journalistiek, wordt de positie van de Ombudsman geheel onafhankelijk en worden de eisen waaraan een redactiestatuut minimaal moet voldoen concreter uitgewerkt.
  • De minister onderzoekt tot slot op welke wijze de positie van de publieke omroep ten opzichte van digitale spelers (vindbaarheid, zichtbaarheid, herkenbaarheid) kan worden vergroot. De minister onderzoekt onder meer de mogelijkheden tot het introduceren van wettelijk geborgde ‘prominentiemaatregelen’. Daarnaast wil de minister kijken naar de rol van (internationale) gatekeepers en televisiefabrikanten als Google, Meta, Samsung en LG.

De voorgestelde hervorming gaat een stuk verder dan de hervorming in 2013, toen een groot aantal omroepverenigingen fuseerden maar de kern van het open bestel overeind bleef.

De minister heeft in een debat op 14 april 2025 de plannen voor de hervorming van de landelijke publieke omroep met de Tweede Kamer besproken. De Tweede Kamer was zeer kritisch over het hervormingsplan. De Tweede Kamer is niet tegen hervormingen van de publieke omroep, maar vindt dat de voorgestelde plannen nog te veel losse eindjes bevatten. Dit uitte zich onder meer in de 32 moties die zijn ingediend door zowel de oppositie als de coalitie. Op 22 april 2025 wordt over deze moties gestemd. Een van de moties, die al een Kamermeerderheid heeft, ziet op het behoud van de NTR. In de motie wordt verzocht de NTR en de NOS te laten opgaan in één taakomroephuis. De minister benadrukte in het debat dat de NTR een plek moet krijgen in het nieuwe bestel. Op welke manier dit wordt vormgegeven moet volgens de minister nog blijken. Hij leek niet direct voorstander van het samenvoegen van de NTR en NOS in één taakomroephuis. De minister heeft verder toegezegd over enkele weken terug te komen met een brief met verdere duiding.

Als genoemd is de minister van plan begin 2026 een wetsvoorstel in internetconsultatie te brengen. De minister merkt op dat als het voorstel niet of niet tijdig wordt aangenomen, een hervorming van het bestel pas in kan gaan na een volledig nieuwe erkenningsperiode, dus pas in 2032.

Kortom, genoeg interessante ontwikkelingen. Wij houden jullie op de hoogte van het vervolg.

Visie

Update recente uitspraken Reclame Code Commissie – februari 2025

Update recente uitspraken Reclame Code Commissie

In deze blog praten we jullie bij over enkele interessante uitspraken van de Reclame Code Commissie (“RCC”) van de afgelopen maanden. De uitspraken betreffen verschillende onderwerpen op het gebied van media, telecommunicatie en duurzaamheid.

Sneller klimaatneutraal?

In een uitspraak van 9 januari 2025 heeft de RCC een klacht met betrekking tot de uiting “Sneller klimaatneutraal – We doen het nu” van een energieleverancier in een e-mailbericht afgewezen.

Met de uiting “we doen het nu” als vervolg op “sneller klimaatneutraal” zou volgens klager de indruk gewekt worden dat het niet gaat om een duurzaamheidsambitie, maar om iets wat nu al gerealiseerd is. Deze toezegging is niet verifieerbaar en niet duidelijk is wie of wat ‘sneller klimaatneutraal’ is. Klager legt ook een publicatie van de Autoriteit Consument en Markt (“ACM”) over, waaruit zou blijken dat de energieleverancier na actie van de ACM zou stoppen met de claim ‘sneller klimaatneutraal’.

De RCC stelt dat uit de gehele uiting duidelijk op te maken is dat het gaat om een streven van de adverteerder om zelf sneller klimaatneutraal te worden. De woorden impliceren verder geen voltooid resultaat, maar wijzen op een proces dat in gang is gezet. Dit wordt verder verduidelijkt door de tekst onder de banner: “Klimaatneutraal in 2035. We doen het nu.” Hoewel deze tekst in een kleiner lettertype staat, is deze voldoende leesbaar en biedt deze de consument extra informatie over de ambitie van de adverteerder en de beoogde termijn. De consument zal hierdoor niet in verwarring raken over het feit dat het een ambitie betreft en zal ook niet in de veronderstelling zijn dat adverteerder nu al klimaatneutraal is, aldus de RCC. De RCC besluit zodoende tot afwijzing van de klacht.

In verband met de publicatie van de ACM brengt de adverteerder naar voren dat zij met de ACM heeft afgesproken om de bestreden claim uit te faseren, maar dat de duur van de uitfasering verschilt per type kanaal. De RCC gaat hier verder niet op in.

“Reclamevrij” streamen

In een uitspraak van 9 december 2024 oordeelde de RCC dat de uiting “reclamevrij” bij de aangeboden premium versie van een streamingdienst misleidend is.

Klager kreeg na aanschaf van deze dienst, tijdens het terugkijken van een programma, reclame te zien. Toen klager hierover contact opnam met de adverteerder bleek dat sommige programma’s onder de categorie ‘replay’ vallen in plaats van ‘on demand’ en dat deze ‘replay’ programma’s de originele reclameblokken bevatten.

Uit de bestreden uiting blijkt niet dat er een onderscheid gemaakt wordt tussen on demand en replay terugkijken, en dat deze laatste manier van terugkijken reclame bevat. Dit is essentiële informatie die de gemiddelde consument nodig heeft om een geïnformeerd besluit over een transactie te nemen, aldus de RCC.

De RCC acht de bestreden uiting misleidend en oneerlijk in de zin van artikel 8.3 aanhef en onder c en artikel 7 van de Nederlandse Reclame Code (“NRC”), en beveelt adverteerder aan om niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken. Adverteerder heeft in haar verweer al aangegeven stappen te nemen om de informatie op de website (op korte termijn) verder te verduidelijken.

Slim elektrisch fietsen?

In een uitspraak van 5 december 2024 heeft de RCC geoordeeld dat de uiting “slim vooruit”, om elektrisch fietsen te adverteren in een krantenadvertentie, niet onjuist of misleidend is.

Met de uiting “slim vooruit” wordt volgens klager gesuggereerd dat elektrisch fietsen altijd slim zou zijn. Deze suggestie is volgens klager onjuist; zo zou elektrisch fietsen onder meer slechter zijn voor de gezondheid, een bijdrage leveren aan oplopende zorgkosten en wordt hiervoor gebruik gemaakt van kostbare grondstoffen.

Volgens de RCC blijkt uit de uiting niet dat “slim” ziet op gezondheidsvoordelen of de milieuaspecten van elektrisch fietsen. Met de advertentie wordt volgens de RCC niet gesuggereerd dat elektrisch fietsen in het algemeen beter voor de gezondheid, dan wel het milieu, zou zijn dan fietsen met een niet-elektrische fiets. Zij acht het voorts aannemelijk dat veel consumenten de term ‘slim’ eerder zullen opvatten als een “innovatieve en praktische keuze” van vervoer. De RCC acht de klacht ongegrond en wijst deze af.

Geen toereikend bewijs dat vlees- en zuivelindustrie “in balans met natuur en milieu” is

In een uitspraak van 5 december 2024 oordeelde de RCC dat de mededeling, dat de vlees-en zuivelindustrie “in balans met natuur en milieu” is, in strijd is me artikel 4 van de Code voor Duurzaamheidsreclame (“CDR”).

De reclame-uiting betreft een campagneposter met de vetgedrukte kop “Gezond en betaalbaar”. Hieronder is een stuk vlees afgebeeld met daarbij de volgende teksten:

“eerlijke prijs voor jou; in balans met natuur en milieu; eerlijke prijs voor de boer”.

Hieronder staat de volgende tekst:

“Beste burgers van Nederland,

Het voortbestaan van boeren en tuinders in Nederland staat op het spel. Dat raakt ons recht in het hart! Want een gezonde toekomst voor de agrarische sector is een gezonde toekomst voor Nederland met gezond, betaalbaar en vers voedsel, maar ook een groen buitengebied. Daarom is het belangrijk dat we onze handen ineen slaan en elkaar juist informeren over het belang van gezond en betaalbaar eten uit Nederland met voldoende perspectief voor boeren en tuinders.”

Het eerste bezwaar van klager is dat de mededeling “Het voortbestaan van boeren en tuinders in Nederland staat op het spel” niet aantoonbaar juist is. De gemiddelde consument zal deze mededeling, gelet op de totale context van de uiting, volgens de RCC echter beschouwen als een “eenzijdige weergave” van het standpunt dat het belangrijk is dat boeren en tuinders een toekomstperspectief hebben in Nederland. Adverteerder heeft bovendien, naar oordeel van de RCC, voldoende aannemelijk gemaakt dat boeren en tuinders te maken hebben met uitdagingen. Dit klachtonderdeel wordt dus afgewezen.

De mededeling “in balans met natuur en milieu” moet worden aangemerkt als ‘duurzaamheidsclaim’ in de zin van artikel 1 van de CDR. Nu er “geen enkele nuance of voorbehoud” bij de claim wordt gemaakt, wordt volgens de RCC de indruk gewekt dat het voedsel van boeren en tuinders in Nederland in balans is met natuur en milieu en daarmee geen negatieve impact heeft op de natuur en het milieu. Daarmee heeft de claim een absoluut karakter en daarom worden zwaardere eisen aan het bewijsmateriaal gesteld.

Adverteerder heeft ter onderbouwing van haar verweer verwezen naar diverse innovaties en uiteengezet dat de CO2-uitstoot van varkensvlees en zuivel de afgelopen jaren flink is gedaald. Dat er door boeren en tuinders stappen gezet worden op het gebied van verduurzaming maakt volgens de RCC echter niet dat er in absolute zin kan worden gesteld dat het voedsel van Nederlandse boeren en tuinders “in balans met natuur en milieu” is.

Omdat de adverteerder geen toereikend bewijs heeft geleverd om de juistheid van deze (absoluut verwoorde) duurzaamheidsclaim aan te tonen, acht de RCC de bestreden uiting in strijd met artikel 4 CDR. De RCC beveelt aan om niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken.

Glasvezel toch niet “binnenkort beschikbaar”

In een uitspraak van 3 december 2024 heeft de RCC geoordeeld dat de uiting op de website van een telecomprovider dat er “binnenkort” glasvezel beschikbaar is op het adres van een klant misleidend is.

De klacht betreft een uiting op de website van de telecomaanbieder, waar klanten kunnen checken of en wanneer glasvezel beschikbaar wordt op hun adres. Volgens klager wordt al bijna een jaar aangegeven dat glasvezel “binnenkort beschikbaar” is op zijn adres. Hierover heeft klager navraag gedaan bij de adverteerder en te horen gekregen dat de verwachte opleverdatum van glasvezel meerdere keren is opgeschoven en met geluk in februari 2025 beschikbaar is op zijn adres. Dit is volgens klager niet “binnenkort” en daarmee misleidend.

De RCC overweegt dat uit een reclame-uiting duidelijk moet blijken wat het aanbod inhoudt, om te voorkomen dat de gemiddelde consument op het verkeerde been wordt gezet. De gemiddelde consument zal er door de uiting vanuit gaan dat glasvezel binnen een kort tijdsbestek beschikbaar zal zijn op het ingevoerde adres. Echter is gebleken dat er vertraging kan optreden in de planning, zoals bij het adres van klager het geval is, waardoor glasvezel op dit adres pas op een later moment beschikbaar komt. Dit maakt dat de bestreden reclame-uiting gepaard gaat met onjuiste informatie als bedoeld in artikel 8.2, aanhef, NRC, en kan deze de gemiddelde consument bovendien ertoe brengen een besluit over een transactie te nemen dat hij anders niet had genomen. Daarom is de uiting misleidend en oneerlijk in de zin van artikel 7 NRC, aldus de RCC.

Omdat de adverteerder de uiting inmiddels heeft aangepast, besluit de RCC een aanbeveling achterwege te laten.

Vragen over deze onderwerpen? Neem graag contact op met Machteld Robichon of Bente van Kan.

Met dank aan Julia Midderham

Visie

Cryptodienstverleners (CASPs): AFM constateert verbeterpunten in reclame-uitingen en informatieverstrekking over kosten

De populariteit van cryptoactiva neemt toe. Volgens onderzoek van het Ministerie van Financiën bezitten in 2024 ongeveer 2,5 miljoen Nederlanders cryptoactiva, een verdubbeling ten opzichte van 2022. Tegelijkertijd staan aanbieders van cryptoactivadiensten (“CASPs”), steeds meer in de schijnwerpers van toezichthouders. Vooral nu CASPs in principe per 30 december 2024 moeten voldoen aan de vereisten op grond van de Markets in Crypto-Asset Regulation (Verordening EU 2023/1114)(“MiCAR”).

Voor CASPs die bewaarportemonnees of diensten om crypto’s en fiat-geld te wisselen aanbieden en daarvoor reeds een registratie hebben bij De Nederlandsche Bank (“DNB”), geldt dat zij per 30 juni 2025 een MiCAR-vergunning nodig hebben van de Autoriteit Financiële Markten (“AFM”). Een alternatief is dat zij de vereiste notificatie-procedure doorlopen (zogenaamde EU-paspoort). Tot die tijd geldt voor deze partijen het nationale regime (op basis van de Implementatiewet wijziging vierde anti-witwasrichtlijn).

CASPs die onder de MiCAR vallen, moeten voldoen aan bepaalde vereisten op het gebied van informatieverstrekking. In dat kader heeft de AFM verkennende onderzoeken gedaan naar de reclame-uitingen van CASPs en hun informatieverstrekking over kosten. Dit is van belang, omdat daarmee wordt voldaan aan de verplichting om eerlijk, billijk en professioneel te handelen in het belang van (potentiële) cliënten, zoals de MiCAR vereist (artikel 66 MiCAR).

Tijdens dit verkennende onderzoek heeft de AFM geconstateerd dat de verplichtingen omtrent de informatieverstrekking, wat betreft reclame-uitingen en kosteninformatie, niet altijd correct worden nageleefd door CASPs.

In deze blog delen wij de belangrijkste bevindingen van de AFM en de betekenis hiervan voor de (handhavings)praktijk.

Informatieverplichtingen voor CASPs op grond van de MiCAR

Informatieverstrekking door CASPs moet correct, helder en niet-misleidend zijn en reclame-uitingen moeten als zodanig herkenbaar zijn (artikel 66 lid 2 en 3 MiCAR). CASPs moeten cliënten daarnaast waarschuwen voor de risico’s die aan een transactie in cryptoactiva verbonden kunnen zijn. Ook dienen CASPs hun tarief-, kosten en vergoedingenbeleid publiekelijk beschikbaar stellen op een prominente plaats op hun website (artikel 66 lid 4 MiCAR).

De AFM houdt toezicht op naleving van deze informatieverplichtingen door CASPs. In haar onderzoeksrapport geeft de AFM aan dat zij voor haar MiCAR-toezicht op CASPs, waar passend en relevant, mede kijkt naar informatievereisten uit bestaande wet- en regelgeving zoals de Markets in Financial Instruments Directive II (“MiFID II”) en artikel 4:19 van de Wet op het financieel toezicht (“Wft”).

Het kan voor CASPs daarom nuttig zijn om te kijken naar de onlangs geactualiseerde Beleidsregel Informatieverstrekking die de AFM op 30 september 2024 heeft gepubliceerd. Alhoewel de AFM in deze beleidsregel geen concrete interpretaties van informatieverstrekking volgens de MiCAR geeft, valt uit dit document wel op te maken hoe de AFM regelgeving rondom informatieverstrekking voor vergelijkbare financiële ondernemingen opvat en toegepast wil zien.

Bevindingen onderzoek AFM

Volgens de AFM zijn de belangrijkste bevindingen uit haar onderzoek als volgt:

  • De AFM heeft geconstateerd dat de verplichtingen omtrent de informatieverstrekking wat betreft reclame-uitingen en kosteninformatie op grond van de MiCAR lang niet altijd correct worden nageleefd door CASPs.
  • Bij reclame-uitingen van CASPs ziet de AFM dat in sommige gevallen geen of onvoldoende duidelijke waarschuwingen worden gegeven over de risico’s van (transacties in) cryptoactiva. De AFM adviseert om duidelijk het betreffende risico weer te geven, bijvoorbeeld dat de cliënt het risico loopt diens inleg te verliezen.
  • CASPs moeten bij zogenaamde staking-diensten, waarbij cliënten kort gezegd hun cryptoactiva uitlenen in ruil voor een vergoeding, de betreffende risico’s aangeven. De AFM wijst er bijvoorbeeld op dat de betreffende vergoeding variabel kan zijn en dat dit benoemd moet worden. In onze ogen kan ook relevant zijn dat helder wordt neergezet voor welke periode de cliënt geen beschikking heeft over de uitgeleende cryptoactiva en wat een eventuele boete zou zijn als de klant gestakete cryptoactiva eerder terug wil hebben.
  • De AFM vindt dat reclame-uitingen die spreken over ‘veilig’ sparen of handelen in cryptoactiva misleidend kunnen zijn als de gepaarde risico’s worden gebagatelliseerd. In Nederland wordt bijvoorbeeld de term ‘sparen’ namelijk vaak geassocieerd met bescherming van het depositogarantiestelsel, wat bij cryptoactiva niet van toepassing is en dus ook niet per se als veilig kan worden gezien.
  • Informatie over tarieven en kosten is volgens de AFM vaak niet vindbaar of niet volledig. Deze informatie wordt volgens haar vaak verspreid weergegeven (bijvoorbeeld in FAQ’s of algemene voorwaarden), ontbreekt deels (vaak worden stortings- of opnamekosten niet vermeld), of het vergoedingenbeleid is niet prominent beschikbaar op de webpagina (bijvoorbeeld met één klik vanaf de homepage).

Toezicht AFM: risico op handhaving 

Aangezien de MiCAR volledig van kracht is verwacht de AFM dat CASPs ervoor zorgen dat hun informatieverstrekking, waaronder bij reclame-uitingen, voldoen aan de MiCAR-normen.

De AFM gaat risicogestuurd toezicht houden op reclame-uitingen en zij gaat de komende periode kritisch kijken naar de naleving van de vereisten in de MiCAR. In het bijzonder vindt de AFM het belangrijk dat partijen hun interne beleid hierover vormgeven.

Goed om te vermelden is dat de AFM stelt dat de bevindingen die zij heeft gedaan in haar ogen zouden kunnen kwalificeren als overtredingen. Hier kan de AFM dus op korte termijn op gaan handhaven, hetgeen tot bestuursrechtelijke maatregelen kan leiden. Daarnaast kan dit voor partijen die onder het overgangsregime vallen, mogelijk een negatieve impact hebben op een vergunningaanvraag.

Zoekt u assistentie in de communicatie met de AFM of wilt u van gedachten wisselen over uw marketingbeleid? Neem dan gerust contact met ons op: bureau Brandeis – Financial Service Litigation.

Visie

Flash Forward Fusiecontrole 2025

Met de feestdagen in het vooruitzicht kijken wij alvast vooruit naar wat het nieuwe jaar op het gebied van het fusiecontrole (mogelijk) brengt. In deze eerste Flash Forward Fusiecontrole 2025 nemen wij jou mee langs enkele van de belangrijkste ontwikkelingen die ons in 2025 te wachten staan en die mogelijk invloed zullen hebben op jouw praktijk en cliënten (klik hier voor het origineel).

In deze korte nieuwsbrief geven wij inzicht in de potentiële gevolgen van de voorgenomen schrapping van het verbod op het toetsen van concentraties aan het verbod op misbruik van machtspositie (artikel 24 lid 2 van de Mededingingswet (“Mw”)) en de mogelijke uitbreiding van de mededingingsrechtelijke bevoegdheden van de Autoriteit Consument & Markt (“ACM”). Ook behandelen wij de verwachte uitbreiding van het toepassingsbereik van de Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames (“Wet Vifo”), en de mogelijke invoering van een investeringstoets voor de defensie-industrie.

 


Overname door dominante partij kan straks misbruik machtspositie vormen

Een belangrijke voorgenomen wijziging is de schrapping van artikel 24 lid 2 Mw. Dit artikel sluit momenteel uit dat het nationale verbod op misbruik van een economische machtspositie kan worden toegepast op concentraties. Deze uitzondering op het misbruikverbod staat haaks op het Towercast-arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie. In dat arrest is bepaald dat artikel 102 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (“VWEU”) – het Europese verbod op misbruik van machtspositie – wél van toepassing kan zijn op concentraties die onder de meldingsdrempels blijven. Het Nederlandse artikel 24 lid 2 Mw vormt op dit moment een blokkade om deze Europese lijn ook in puur nationale situaties toe te passen. Door het schrappen van dit lid wordt harmonisatie met het Europese mededingingsrecht bereikt, waardoor het nationale en Europese kader weer volledig op elkaar aansluiten.

De wetswijziging betekent dat de ACM in de toekomst ook achteraf transacties kan onderzoeken die op basis van de voor het concentratiecontroletoezicht toepasselijke omzetdrempels niet meldingsplichtig waren, maar waarbij de overnemende partij met de transactie mogelijk misbruik maakt van zijn machtspositie. Hiermee krijgt de ACM een extra instrument om fusies en overnames die potentieel mededingingsrechtelijke zorgen oproepen alsnog te beoordelen. Voor M&A-advocaten betekent dit dat het risico op ex-post interventies toeneemt, zelfs bij transacties die niet meldingsplichtig zijn. Bij het begeleiden van fusies en overnames wordt het in de toekomst dan ook belangrijk om niet alleen de meldingsdrempels, maar ook een eventuele machtspositie van de koper en het risico op mededingingsrechtelijke toetsing in kaart te brengen.

Na een positief advies van de Raad van State op 5 juni 2024 is het wetsvoorstel op 11 juni 2024 ingediend. De vaste commissie voor Economische Zaken heeft op 7 oktober 2024 verslag uitgebracht over de voorgestelde wetswijziging. Op 23 oktober 2024 heeft de Minister van Economische Zaken (“Minister”) om uitstel gevraagd voor zijn reactie op dat verslag. Hoewel er nog geen datum is vastgesteld voor de inwerkingtreding van het wetsvoorstel dat de intrekking van artikel 24 lid 2 Mw regelt, zal dit naar verwachting in 2025 gebeuren.

terug naar boven


Wetsvoorstel investeringstoets toeleveranciers defensie-industrie

Er is een wetsvoorstel in behandeling dat voorziet in de invoering van een investeringstoets specifiek gericht op de defensie-industrie. Dit voorstel heeft als doel de strategische en vitale positie van de Nederlandse defensie-industrie te versterken, beschermen en internationaal beter te positioneren. Het wetsvoorstel introduceert een nieuwe sectorale toets die zich richt op investeringen, fusies en overnames in de toeleveringsketen van de krijgsmacht, waaronder militaire goederen- en transportleveranciers. Het kabinet wil hiermee voorkomen dat deze investeringen, fusies en overnames de nationale veiligheid in gevaar brengen, door onder meer meldplichten en goedkeuringsprocedures in te stellen voor verwervingsactiviteiten die de continuïteit van de defensiecapaciteit kunnen beïnvloeden.

Deze investeringstoets zal de huidige toets voor militaire goederen onder de Wet Vifo naar verwachting vervangen, en tegelijkertijd aanvullen doordat het zich richt op een bredere groep van bedrijven, namelijk de toeleveranciers die essentieel zijn voor het vitale proces van ‘Inzet Defensie’ – oftewel het “vermogen van de krijgsmacht om haar taken uit te voeren en daarbij met een zekere mate van autonomie op te treden”. Toeleveranciers vallen nu alleen onder de Wet Vifo als het gaat om activiteiten op het gebied van zeer sensitieve technologie. Dit betekent dat de toets voor de defensie-industrie wordt verruimd en specifiek wordt afgestemd op de unieke eisen van deze sector. Het wetsvoorstel bevat tevens een aantal bepalingen die deels overeenkomen met de Wet Vifo, zoals een meldplicht, een standstill-verplichting en de mogelijkheid om goedkeuringen of nietigheidssancties op te leggen.

De internetconsultatie voor het wetsvoorstel is inmiddels afgerond. Naar verwachting zal het voorstel in 2025 verder in behandeling worden genomen.

terug naar boven


Uitbreiding Wet Vifo naar nieuwe sectoren

De Wet Vifo, die op 1 juni 2023 in werking trad, stelt de overheid in staat om investeringen en overnames van vitale bedrijven en gevoelige technologieën te toetsen op risico’s voor de nationale veiligheid (zie ook onze eerste en tweede Competition Newsflash over de Wet Vifo). In het licht van de snel veranderende geopolitieke situatie is een wetsvoorstel in behandeling om de reikwijdte van de Wet Vifo verder uit te breiden naar nieuwe sectoren en technologieën. De nota van toelichting licht toe dat deze uitbreiding erop is gericht de nationale veiligheid van Nederland nog beter te waarborgen.

Het wetsvoorstel betreft een wijzing van het Besluit toepassingsbereik sensitieve technologie, waarin wordt geregeld welke sensitieve technologieën binnen het toepassingsbereik van de Wet Vifo vallen. Het voorstel ziet op de toevoeging aan dat besluit van biotechnologie, artificiële intelligentie, geavanceerde materialen en nanotechnologie, sensor- en navigatietechnologie en nucleaire technologie met medisch gebruik. In februari 2024 werd nog een motie aangehouden met het verzoek om de Nederlandse groente- en zaadveredelingssector onder de het toepassingsbereik van de Wet Vifo te brengen, gezien de cruciale rol van deze sector in voedselzekerheid en innovatie. De groente- en zaadveredelingssector is desondanks niet meegenomen in het wetsvoorstel.

Voor M&A-advocaten betekent deze ontwikkeling dat fusies en overnames in steeds meer sectoren onderworpen kunnen worden aan nationale veiligheidstoetsen. Dit vereist een nog scherpere analyse van transactierisico’s, tijdlijnen en meldingsverplichtingen wanneer cliënten actief zijn in of betrokken zijn bij vitale of strategische sectoren.

De internetconsultatie van het voorstel vindt plaats van 19 december 2024 tot en met 31 januari 2025. Vervolgens zal het voorstel voor advies aan de Raad van State worden voorgelegd. Het Ministerie van Economische Zaken acht het mogelijk dat het wetsvoorstel daarna in de tweede helft van 2025 in werking kan treden.

terug naar boven


Call-in bevoegdheid niet-meldingsplichtige transacties

Een verwachte uitbreiding van de bevoegdheden van de ACM betreft de zogenoemde call-in bevoegdheid.  Deze toevoeging aan de gereedschapskist van de ACM beoogt een oplossing te bieden voor transacties die onder de huidige omzetdrempels blijven, maar toch mededingingsrechtelijke zorgen oproepen. De ACM duidt hiermee op grote ondernemingen die via opeenvolgende kleine overnames (roll-up acquisitions) marktmacht vergaren, of zogenoemde killer acquisitions, waarbij bedrijven met een sterke marktpositie potentiële concurrenten overnemen om toekomstige concurrentie te voorkomen. Deze transacties blijven nu grotendeels buiten het toezicht van de ACM, wat in bepaalde gevallen schadelijk kan zijn voor de mededinging. Met de invoering van een call-in bevoegdheid zou de ACM de mogelijkheid krijgen om transacties onder de omzetdrempels te beoordelen indien daar mededingingsbezwaren aan kleven.

De ACM heeft meermaals aangegeven dat zij het invoeren van een call-in bevoegdheid noodzakelijk acht. Op 4 september 2024 is een motie over het invoeren daarvan aangehouden in de Tweede Kamer. De Minister heeft toegezegd onderzoek te gaan doen naar het invoeren van de call-in bevoegdheid en de resultaten daarvan, alsmede mogelijke wetsvoorstellen, in 2025 te presenteren.

terug naar boven


Introductie New Competition Tool

Naast aanpassingen aan traditionele mededingingsinstrumenten, zoals het verbod op misbruik van machtspositie, wint de New Competition Tool (“NCT”) terrein als aanvulling op het huidige instrumentarium van de ACM. Dit instrument geeft mededingingsautoriteiten de mogelijkheid om in te grijpen in markten waar de mededinging structureel tekortschiet, zónder dat er sprake hoeft te zijn van een overtreding van het mededingingsrecht. Marktfalen, bijvoorbeeld veroorzaakt door specifieke marktkenmerken of het gedrag van bedrijven, kan leiden tot een gebrek aan effectieve concurrentie en consumenten benadelen. Denk bijvoorbeeld aan het recente onderzoek van de ACM naar de spaarmarkt, waaruit bleek dat beperkte concurrentie heeft geleid tot lage spaarrentes. Anders dan constateren dat (in haar visie) sprake is van marktfalen, kan de ACM op dit moment niet ingrijpen in dergelijke situaties. Met de NCT kunnen toezichthouders de oorzaak van dergelijke problemen aanpakken en de marktstructuur actief hervormen om gezonde concurrentie te bevorderen.

In tegenstelling tot bestaande mededingingsregels richt de NCT zich niet op individuele overtredingen of “verkeerd gedrag” van ondernemingen, maar op structurele problemen in de markt die de concurrentie belemmeren. Het instrument maakt preventieve maatregelen en sneller ingrijpen mogelijk bij dreigende concurrentiezorgen. Daarbij kunnen toezichthouders ingrijpende stappen zetten, zoals het openbreken van markten of het beperken van marktmacht. De Britse mededingingsautoriteit (Competition & Markets Authority) beschikt al langer over vergelijkbare bevoegdheden. De ACM pleit nu actief voor het invoeren van een NCT in Nederland. Voor M&A-advocaten zou dit betekenen dat marktonderzoeken door de ACM vaker kunnen plaatsvinden en dat nieuwe interventiemaatregelen impact kunnen hebben op markten waarin hun cliënten actief zijn.

Op dit moment is invoering van een NCT in Nederland vooral een wens die door de ACM is uitgesproken. De Minister heeft toegezegd onderzoek te gaan doen naar de invoering van een NCT. De resultaten van dit onderzoek, evenals eventuele voorstellen, worden in 2025 verwacht.

terug naar boven


Bedankt voor het lezen van deze eerste editie van de Flash Forward Fusiecontrole en wij wensen jou fijne feestdagen en een succesvol nieuwjaar!

Team Mededinging – bureau Brandeis

Bas Braeken (Partner) | Jade Versteeg (Advocaat) | Lara Elzas (Advocaat) | Timo Hieselaar (Advocaat) | Demi van den Berg (Advocaat) |  Joost van Belois (Juridisch medewerker)

 

Visie

Sanctiewetgeving en tegenhouden van betalingen vanwege mogelijke sanctieomzeiling

De Europese Unie heeft op 16 december 2024 een vijftiende sanctiepakket aangenomen tegen Rusland. Met onder meer extra maatregelen tegen het omzeilen van sancties. Over het tegenhouden van betalingen vanwege mogelijke omzeiling van internationale sancties oordeelde de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam bij uitspraak van 14 augustus 2024 (ECLI:NL:RBAMS:2024:6071). Voor het tijdschrift Jurisprudentie Onderneming & Recht schreef ik een noot bij de uitspraak (JOR 2024/288).

Tegengehouden transactie

De zaak betreft een kort geding van een bedrijf in de luchtvaartbranche tegen haar bank. De bank had binnenkomende betalingen voor landingsgestellen en een vliegtuigmotor van een vliegtuigonderhoudsbedrijf in China tegengehouden. De onderneming vordert vrijgave.

De voorzieningenrechter wijst de vordering tot vrijgave van het binnenkomende bedrag voor de vliegtuigmotor af. De bank kan tot op heden namelijk onvoldoende uitsluiten dat met de betalingsopdracht voor de levering van de vliegtuigmotor sprake is van sanctieomzeiling.

Daarbij speelt volgens de uitspraak in het bijzonder een rol dat de onderneming eerder meedeelde dat het onderhoudsbedrijf de end user van de vliegtuigmotor zou zijn, het end user certificate pas op de dag van de zitting is ontvangen terwijl de transactie plaatsvond in juli 2024 en het certificaat kennelijk is opgemaakt op 6 augustus 2024, en de vliegtuigmotor bedoeld is voor een Airbus A320 terwijl het certificaat vermeldt dat het gaat om een Boeing 737 en de als eindgebruiker genoemde vliegtuigmaatschappij bovendien niet vliegt met Airbus.

Verbod op sanctieomzeiling

Iedereen – dus alle Europese burgers en bedrijven en iedereen op het grondgebied van de EU – is verplicht zich aan EU-sanctieregelgeving te houden. Zakendoen met gesanctioneerde partijen en indirecte handel die een partij op de sanctielijst ten goede komt, zijn verboden

Niet alleen het overtreden van sancties maar ook het omzeilen van sancties is expliciet verboden. Dit om ervoor te zorgen dat landen waartegen sancties zijn gericht niet alsnog worden beleverd via landen waar niet vergelijkbare handelsbeperkingen gelden.

Zo is het volgens de EU-sanctieregelgeving ten aanzien van Rusland verboden “bewust en opzettelijk deel te nemen aan activiteiten die tot doel of tot gevolg hebben dat de verbodsbepalingen van deze verordening worden omzeild”. Dit ook indien een dergelijke deelname een dergelijk doel of gevolg kan hebben en die mogelijkheid op de koop toe wordt genomen. Daarbij wordt van zogenoemde EU-operators een bepaalde mate van due diligence verlangd om ervoor te zorgen dat verboden niet worden omzeild.

Vereiste due diligence

In deze zaak was het veertiende sanctiepakket van de EU met bijkomende instrumenten om omzeiling tegen te gaan, kennelijk aanleiding voor de bank om extra due diligence te doen naar de binnenkomende bedragen voor levering aan China. Bij vliegtuigonderdelen is dit onderzoek extra relevant. Het is verboden om goederen en technologie die zouden kunnen bijdragen aan de militaire en technologische versterking van Rusland of tot de ontwikkeling van de defensie- en veiligheidssector, direct of indirect, te leveren aan personen of entiteiten in Rusland en voor gebruik in Rusland (specifieke autorisaties van bevoegde autoriteiten daargelaten). Dit handelsembargo omvat mede vliegtuigmotoren.

Voor zover uit de uitspraak valt op te maken was er geen concrete aanwijzing dat de vliegtuigmotor voor Rusland bestemd was. Feit is evenwel dat voor de levering is betaald van een rekening bij een bank in China. China wordt in verband gebracht met omzeiling van Ruslandsancties. Bovendien wordt het vliegtuigonderhoudsbedrijf waaraan geleverd werd, in een nieuwsbericht in verband gebracht met Rusland en sanctieomzeiling.

Andersom zijn er geen sluitende gegevens over voor wie of welk vliegtuig de vliegtuigmotor bestemd is zodat (door)levering aan Rusland of reparatie van een Russisch vliegtuig niet is uit te sluiten. Volgens de voorzieningenrechter is het daarom terecht dat de bank de betaling zekerheidshalve heeft tegengehouden en vragen is gaan stellen.

Voor meer informatie over dit onderwerp, kunt u contact met mij opnemen (Simone Peek).

Visie

Update recente uitspraken Reclame Code Commissie – december 2024

In deze blog praten we jullie bij over enkele interessante uitspraken van de Reclame Code Commissie (“RCC”) en het College van Beroep (“CvB”) van de afgelopen maanden. In deze blog staat het thema duurzaamheid en klimaat centraal.

Reclamecampagne schetst te rooskleurig beeld van de energietransitiefase waarin adverteerder zich bevindt

Op 13 november 2024 heeft het CvB verschillende uitingen van een oliemaatschappij toch in strijd geacht met artikel 3 Code voor Duurzaamheidsreclame (“CDR”). De CvB komt (gedeeltelijk) tot een ander oordeel dan de RCC.

In een campagne van de adverteerder worden volgens klager slechts deelonderwerpen onder de aandacht gebracht, namelijk inspanningen op het gebied van duurzame energiebronnen zoals windenergie, elektrisch rijden en biobrandstoffen. Hiermee wordt een misleidend beeld gegeven van de daadwerkelijke bijdrage aan de energietransitie en de wereldwijde uitstoot van de maatschappij, aldus klager. De kern van de klacht is dat de adverteerder essentiële informatie weglaat over de verhouding tussen fossiele en koolstofarme energieproducten in haar totale bedrijfsmodel.

De RCC concludeerde kort samengevat dat geen van de uitingen uit de campagne van dien aard zijn dat de gemiddelde consument, door het ontbreken van informatie over de verhouding (in omvang) tussen koolstofarme en fossiele investeringen, misleid kan worden over de bijdrage van de adverteerder aan het handhaven en bevorderen van duurzaamheid in het algemeen, zoals bedoeld in artikel 3.1 CDR en wees daarom de klacht af.

Het CvB vernietigt de beslissing van de RCC gedeeltelijk. Een aantal specifieke onderdelen van de campagne acht het CvB wel in strijd met artikel 3.1 CDR. Dit betreft online ads/banners waarin staat:

  • “En voor je het weet plaats je snelladers door heel Nederland. Ontdek meer” met daarbij het logo van de adverteerder;
  • “En voor je het weet bouw je een fabriek die biobrandstof maakt. Ontdek meer” met daarbij het logo van de adverteerder; en
  • “Het begint met één windmolen. En voor je het weet bouw je aan vier windparken voor stroom uit wind op zee. Ontdek meer” met daarbij het logo van de adverteerder.

Het CvB overweegt dat in deze gevallen, anders dan bij de andere uitingen van de campagne, de reclameboodschap niet wordt genuanceerd door de mededeling dat men de adverteerder kent van olie en gas. Zo overweegt het CvB dat weliswaar kan worden aangenomen dat de gemiddelde consument adverteerder kent als leverancier van fossiele brandstoffen, maar dat dit niet wegneemt dat een verwijzing naar fossiele brandstoffen in dit geval noodzakelijk is om tot uitdrukking te brengen dat die activiteiten nog steeds de kernactiviteiten van adverteerder vormen. De uitingen bieden voldoende ruimte om te verwijzen naar de primaire fossiele bedrijfsactiviteiten van adverteerder, bijvoorbeeld op de wijze zoals zij ook in de andere uitingen doet, aldus het CvB.

Zonder deze verwijzing zou de gemiddelde consument een te rooskleurig beeld krijgen van de fase van energietransitie waar adverteerder zich in bevindt. Dit kan de gemiddelde consument ertoe brengen een besluit over een transactie te nemen dat hij anders niet zou hebben genomen. Het is namelijk volgens het CvB denkbaar dat consumenten aannemen dat de duurzame(re) initiatieven van adverteerder belangrijker zijn dan in werkelijkheid het geval is en dat zij daar hun aankoopgedrag op afstemmen. Daarmee zijn de betreffende uitingen in strijd met artikel 3.1 CDR volgens het CvB. Het CvB beveelt adverteerder aan om niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken.

“Milieuvriendelijke” houtkachels

Op 9 oktober 2024 oordeelde de RCC dat uitingen in blogs, over milieuvriendelijk stoken en de voordelen die dit zou bieden op het gebied van CO2-productie, zijn aan te merken als duurzaamheidsreclame en in strijd met artikel 4 CDR niet aantoonbaar juist en niet onderbouwd zijn.

Klager acht claims, via blogpagina’s van een houtkachelverkoopwebsite, dat deze houtkachels “milieuvriendelijk” zijn en de uiting “stoken met hout is qua CO2-procuctie duurzamer dan verwarmen met fossiele brandstoffen, zoals aardgas en ’schone verbranding’” onjuist. Hout is nu eenmaal, net als bijvoorbeeld steenkool, een vervuilende brandstof, aldus klager. De claim dat houtstook qua CO2-productie duurzamer is dan verwarmen met fossiele brandstoffen, is volgens klager onjuist omdat hout een laagcalorische brandstof is. Bij de verbranding van hout zou daardoor twee tot drie keer zoveel CO2 vrijkomen als bij het verbranden van kolen of gas bij een gelijke warmteproductie.

Beklaagde stelt dat de blogs niet kwalificeren als advertentie omdat zij een persoonlijke mening en interpretatie bevatten en geen producten aanbevelen. Hier gaat de RCC niet in mee. Zo overweegt de RCC dat de blogpagina’s onderdeel zijn van deze website en de (duurzaamheids)claims daarom in relatie tot de aangeprezen houtkachels dienen te worden gezien.

Milieuclaims dienen ingevolge artikel 4 CDR aantoonbaar juist te zijn, wat moet worden onderbouwd door de adverteerder. Hier is niet aan voldaan volgens de RCC. Op grond daarvan oordeelt de RCC dat de betreffende blogs in strijd zijn met artikel 4 CDR en beveelt zij de adverteerder aan om niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken.

Hoog water

Op 8 oktober 2024 heeft de RCC een klacht tegen reclame voor een bouwproject afgewezen.

De reclame in kwestie betrof een post op X van een brancheorganisatie voor bedrijven in de bouw en infrastructuur, waarin wordt verwezen naar een project in Arnhem. Uit de post volgt onder meer dat Arnhem te maken zou hebben met stijgend water in rivieren en bevat de uiting “Dankzij dit project houdt Arnhem z’n voeten droog!”.

Volgens klager is de echte reden van het project achterstallig onderhoud en herinrichting. De claim van klimaatverandering is volgens klager niet onderbouwd en wetenschappelijk aangetoond en zou onnodig angst opwekken bij de burger.

De RCC stelt vast dat de feitelijke bewering, dat stijgend water onder andere te wijzen is aan klimaatverandering, door de brancheorganisatie is onderbouwd door te verwijzen naar diverse bronnen, waaronder de website van het waterschap waaruit blijkt dat het betreffende bouwproject (mede) noodzakelijk is om ervoor te zorgen dat de betreffende kade bestand is tegen extreem hoog water door klimaatverandering. Zodoende concludeert de RCC dat “niet kan worden gezegd dat de uiting mensen zonder te rechtvaardigen redenen angst aanjaagt voor een niet-bestaand probleem” en besluit de RCC dus tot afwijzing van de klacht.

‘Vlees pusher’ reclame binnen de grenzen van vrijheid van meningsuiting

Op 8 oktober 2024 heeft de RCC de klacht tegen een radiocommercial van een dierenwelzijn organisatie afgewezen.

In de betreffende reclame wordt aangegeven dat “alle grote supermarkten gaan voor meer plantaardig” behalve één supermarkt, “die blijft ongegeneerd veel vlees opdringen”, aldus de adverteerder. Ook bevat de reclame het standpunt dat “de wereld snakt naar minder dier, meer plant”.

Klager vindt het ongepast en in strijd met het goede fatsoen om kleinerend en kwetsend over een supermarkt te spreken met als enig doel een punt te maken. Dit zou in de bestreden reclame gebeuren door een supermarkt neer te zetten als “klein” en een “vlees pusher”. Daarnaast vraagt klager zich af waar de opmerking “de wereld snakt naar meer plant” op gebaseerd is.

De RCC stelt voorop dat de adverteerder vrij is om haar mening kenbaar te maken, met als doel het creëren van bewustzijn bij het algemene publiek over de volgens haar bestaande problemen in de veehouderij. Voor een dergelijke opiniërende verkondiging van een denkbeeld, die als doel heeft een bijdrage aan het maatschappelijk debat te leveren, geldt een ruime vrijheid van meningsuiting. Dit geldt ook voor denkbeelden waarover verschillend kan worden gedacht, aldus de RCC. Gelet hierop stelt de RCC zich bij de beoordeling van de bestreden reclame terughoudend op; zij beperkt zich tot de vraag of de wijze waarop adverteerder haar mening verkondigt de grenzen van de vrijheid van meningsuiting overschrijdt. Dit is volgens de RCC niet het geval; de wijze waarop adverteerder in de onderhavige reclame haar mening uit, is weliswaar direct en confronterend, maar valt in beginsel onder de ruime vrijheid van meningsuiting die aan de adverteerder toekomt.

Het is volgens de RCC duidelijk dat de adverteerder via deze reclame de betrokken supermarkt onder druk wil zetten met betrekking tot de samenstelling van het winkelassortiment. Dit is toelaatbaar en hiermee is geen sprake van een nodeloos kwetsende of anderszins ontoelaatbare uiting, aldus de RCC. Dat niet iedereen de oproep om meer plantaardige eiwitten aan te bieden zal onderschrijven en sommigen zich hieraan kunnen storen, acht de RCC onvoldoende om de radiocommercial in strijd met de Nederlandse Reclame Code (“NRC”) te achten. Zodoende besluit zij tot afwijzing van de klacht.

Cruising the blue in a green way?

De RCC heeft op 30 september 2024 verschillende reclame-uitingen, waarin expliciet gerefereerd wordt aan milieuaspecten van de door een cruisemaatschappij aangeprezen cruisereizen, in strijd geacht met de CDR. De RCC beveelt adverteerder aan om niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken.

Dit betreft de volgende uitingen:

  • Een tv-commercial waarin wordt gerefereerd aan “de nieuwste energie” acht de RCC misleidend en in strijd met artikel 3.1 CDR. Voor de gemiddelde consument zou namelijk onduidelijk zijn dat hiermee wordt bedoeld dat het schip in de commercial wordt aangedreven door LNG, ook zouden consumenten niet beseffen dat het hierbij gaat om een fossiele brandstof.
  • Ook de uiting “het zit in een verantwoorde manier om naar de toekomst te varen” is volgens de RCC voor de gemiddelde consument onduidelijk. Hierdoor kan de consument misleid worden over de duurzaamheidsaspecten van het aangeprezen product en zo ertoe gebracht worden een besluit over een transactie te nemen die anders niet was genomen.
  • Hetzelfde geldt voor de uitingen “wij stellen milieuverantwoordelijkheid centraal bij alles wat we doen”, “een verklaring van ons betrokkenheid bij de toekomst van de planeet”, “cruising the blue in a green way” en “#save the sea”. Deze laatste mededelingen maken volgens de RCC ook niet duidelijk welke invulling adverteerder geeft aan de termen ‘groen’ en ‘het redden van de zee’. Zodoende acht de RCC deze uitingen in strijd met artikel 3.1 CDR.
  • Over de uiting “hopelijk kunnen we in de niet al te verre toekomst bio- en synthetische LNG gebruiken en onze impact op de reis naar netto nul broeikasemissies verder verminderen” oordeelt de RCC dat de adverteerder heeft geadverteerd met een doel waarvan redelijkerwijs niet verwacht kan worden dat het haalbaar is. Het ligt volgens de RCC op de weg van de adverteerder aan te tonen dat er sprake is van duidelijke, objectieve en verifieerbare doelen, waarbij er concrete plannen liggen om de gestelde doelen te bereiken. De RCC is van oordeel dat onvoldoende is aangetoond dat “in de niet al te verre toekomst” op (commerciële) schaal voldoende bio- en synthetische LNG beschikbaar is voor de scheepvaart en hiermee het resultaat van netto nul uitstoot van broeikasgassen wordt bereikt. Daarmee is de uiting in strijd met artikel 3.2 CDR.
  • Uitingen “our goal is net zero emissions by 2050”, “we zijn vastbesloten om onze overgang naar een netto nul uitstoot tegen 2050 te versnellen” en “in 2022 hebben we ons eerste schip op LNG te water gelaten – een belangrijke mijlpaal op deze belangrijke reis” acht de RCC om vergelijkbare redenen in strijd met art. 3.2 CDR.
  • De mededelingen “dat is de reden waarom onze nieuwe schepen worden gedreven een van de schoonste scheepsbrandstof: Liquified Natural Gas (LNG)” en “the cleanest marine fuel available at scale today” zijn voorts volgens de RCC niet aantoonbaar juist en daarom in strijd met artikel 4 CDR. Zo overweegt de RCC dat, ook al zou de uitstoot van broeikasgassen bij het varen op LNG minder zijn in vergelijking tot het varen op conventionele brandstof en er dus sprake zou zijn van een relatief milieuvoordeel, dan maakt dat nog niet dat kan worden gezegd dat LNG één van de schoonste brandstoffen kan worden genoemd. “Hiervoor moet immers naar de totale milieu impact worden gekeken”.

Duurzame pinda(kaas)?

In een uitspraak van 19 september 2024 oordeelde de RCC dat een deel van de (duurzaamheids)claims op de verpakking van pindakaas onduidelijk is en daarom in strijd met artikel 3.1 van de CDR

Op het etiket van de verpakking was opgenomen dat “duurzaam geteelde pinda’s” werden gebruikt. Volgens klager werd hiermee ten onrechte gesuggereerd dat het product als geheel een “duurzaam product” zou zijn, de indruk wordt gewekt dat het product volledig uit duurzaam geteelde pinda’s bestaat en dat de gebruikte pinda’s niet als duurzaam geteeld gezien kunnen worden.

De RCC oordeelde dat het voor de gemiddelde consument voldoende duidelijk is dat het woord ‘duurzaam’ op de verpakking enkel ziet op de geteelde pinda’s en niet op het hele product. De eerste klacht werd daarom afgewezen.

De klacht met betrekking tot de gewekte indruk dat het product volledig uit duurzaam geteelde pinda’s bestaat werd wel toegewezen. Duurzaamheidsclaims moeten op grond van artikel 3.1 CDR op een duidelijke, specifieke, juiste en ondubbelzinnige wijze gepresenteerd. De gemiddelde consument kan de uiting “wij gebruiken duurzaam geteelde pinda’s” zo interpreteren dat de pindakaas enkel uit duurzaam geteelde pinda’s bestaat, terwijl dit in feite voor 95% van de pinda’s geldt.

Ten aanzien van de gebruikte pinda’s overweegt de RCC dat de adverteerder de milieuvoordelen niet duidelijk heeft gepresenteerd, waardoor de gemiddelde consument eveneens misleid wordt over de duurzaamheidsaspecten van het betreffende product en zodoende ertoe gebracht wordt een besluit over een transactie te nemen dat hij anders niet had genomen. De adverteerder had op de verpakking weliswaar een QR-code heeft opgenomen voor meer informatie over de pindakaas, maar deze stond niet direct bij de duurzaamheidsclaim en leek daar volgens de RCC ook inhoudelijk daarmee geen direct verband mee te houden. Daarmee heeft adverteerder onvoldoende duidelijk gemaakt dat de QR-code is bedoeld om de duurzaamheidsclaim toe te lichten.

De RCC geeft verder een nuttig inkijkje in hoe de adverteerder dit wel duidelijk(er) had kunnen maken:

“Indien een adverteerder ervoor kiest om de duurzaamheidsclaim op de verpakking van een product toe te lichten via een specifieke webpagina, moet duidelijk zijn welke webpagina het betreft dan wel dat men om die webpagina te bereiken gebruik kan maken van de daartoe afgebeelde QR-code.”

Overigens werd naar oordeel van de RCC op de webpagina met algemene uitgangspunten van de adverteerder niet concreet gemaakt op welke wijze invulling wordt gegeven aan de duurzaamheidsclaim bij de teelt van de pinda’s, en op grond waarvan deze teelt als duurzaam aangemerkt kan worden. Hierdoor is de gemiddelde consument niet in staat de mate van duurzaamheid van het product te beoordelen.

Gelet op het voorgaande acht de RCC de uiting in strijd met artikel 3.1 CDR. De adverteerder wordt aanbevolen om niet meer op deze wijze reclame te maken.

Vragen over dit onderwerp? Neem graag contact op met Machteld Robichon of Bente van Kan.

Met dank aan Don Bakker

Visie

Hoge Raad geeft nadere duiding aan begrippen speel- en kansspelautomaten

In een arrest van eind november 2024 heeft de Hoge Raad nadere duiding gegeven aan de begrippen speelautomaat en kansspelautomaat in de zin van artikel 30 van de Wet op de kansspelen (“Wok”). In dit blog bespreken we de relevante overwegingen.

Juridisch kader

In de procedure staat de kwalificatie van speel- en kansspelautomaten centraal. Deze begrippen worden in artikel 30 Wok als volgt gedefinieerd:

  1. Speelautomaat: een toestel, ingericht voor de beoefening van een spel, dat bestaat uit een door de speler in werking gesteld mechanisch, elektrisch of elektronisch proces, waarbij het resultaat kan leiden tot de middellijke of onmiddellijke uitkering van prijzen of premies, daaronder begrepen het recht om gratis verder te spelen;
  2. Kansspelautomaat: een speelautomaat, die geen behendigheidsautomaat is.

Wat vooraf ging

In een reisbureau in Oss werden in 2017 vijf computers aangetroffen waarmee gewed kon worden op voetbalwedstrijden. De eigenaar van het reisbureau werd strafrechtelijk veroordeeld voor het zonder vergunning exploiteren en aanwezig hebben van kansspelautomaten. De eigenaar ging in beroep. Hij was namelijk van mening dat de computers die zich in zijn reisbureau bevonden niet kwalificeerden als speelautomaten of kansspelautomaten in de zin van artikel 30 Wok.

Het Gerechtshof ‘s Hertogenbosch (“Hof”) ging niet mee in het standpunt van de eigenaar (ECLI:NL:GHSHE:2023:555). Het Hof overweegt dat de apparaten een houten behuizing hadden, waarin een computerscherm, een toetsenbord, een muis, een scanner en een eenheid voor de invoer van munten waren bevestigd. Deze apparaten waren, ook naar hun uiterlijke verschijningsvorm, uitsluitend bedoeld om op (voetbal)wedstrijden te gokken. De eigenaar heeft tijdens de zitting ook verklaard dat de apparaten waren bedoeld om “in te leggen op voetbalwedstrijden”.

Gelet op de bestemming van de apparaten is het Hof daarom van oordeel dat sprake is van speelautomaten, zijnde kansspelautomaten. Dat de daadwerkelijke wedstrijd wordt beïnvloed door de voetballers op het veld, deed hieraan volgens het Hof niet af.

Hoge Raad

De Hoge Raad neemt op grond van de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 30 Wok aan dat voor de vraag of een apparaat als speelautomaat kwalificeert vereist is dat het spel zelf moet bestaan uit een mechanisch, elektrisch of elektronisch proces, dat door de speler in werking wordt gesteld.

Volgens de Hoge Raad getuigt het oordeel van het Hof in een onjuiste rechtsopvatting.

Bij een sportweddenschap is het ‘spel’ waar artikel 30 Wok op doelt namelijk de sportwedstrijd waarop de weddenschap wordt afgesloten. Dit spel wordt niet door de speler van de weddenschap in werking gesteld, maar door de scheidsrechter op het voetbalveld. Vervolgens is het niet het mechanisch, elektrisch of elektronisch proces wat leidt tot het resultaat, maar zorgen de kunsten van de sporters op het veld daarvoor. Dat een computer (mede) is bestemd voor het afsluiten van sportweddenschappen brengt dan ook niet mee dat deze is aan te merken als een ‘speelautomaat’ en dus ook niet als een ‘kansspelautomaat’ in de zin van artikel 30 Wok.

De Hoge Raad sluit hiermee aan bij haar uitspraak van 2 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:157.

Vragen over dit onderwerp? Neem graag contact op met Machteld Robichon.

Met dank aan Don Bakker

 

Visie

Handhaving registratieplicht voor aanbieders van cryptodiensten

Wat gaat er veranderen met de Markets in Crypto-Assets Regulation die vanaf 30 december 2024 van toepassing wordt? Wordt het allemaal anders met het vervallen van de registratieplicht voor cryptodienstenaanbieders waarover veel discussie is geweest, of toch niet?

DNB heeft de afgelopen jaren diverse boetes opgelegd vanwege het aanbieden van cryptodiensten in Nederland zonder de wettelijk vereiste registratie, o.a. aan Cryptocom, Binance en Coinbase. Voor Jurisprudentie Onderneming & Recht (JOR 2024/230) schreef ik een noot over één van de vermoedelijk laatste rechtszaken over de handhaving van deze registratieplicht voor aanbieders van cryptodiensten onder de Wwft.

De voorzieningenprocedure

DNB heeft aan een internationale aanbieder van cryptodiensten een bestuurlijke boete van € 2.850.000 opgelegd met publicatie van het boetebesluit. Het springende punt voor DNB is dat de onderneming in Nederland diensten met betrekking tot virtuele valuta aanbiedt, terwijl zij niet bij DNB geregistreerd is. Volgens DNB is daarmee sprake van overtreding van art. 23b lid 1 en 2 en art. 23c lid 3 Wwft.

Het cryptobedrijf is het er niet mee eens en heeft Rechtbank Rotterdam gevraagd een voorlopige voorziening te treffen en de openbaarmaking van het boetebesluit te schorsen. Dat de onderneming diensten met betrekking tot virtuele valuta aanbiedt, is niet in geschil. Het bedrijf ontkent ook niet dat het geen registratie bij DNB heeft. Zij stelt in het bijzonder aan de orde dat geen sprake zou zijn van het “in of vanuit Nederland” aanbieden van cryptodiensten.

Voorlopig oordeel

De voorzieningenrechter van Rechtbank Rotterdam komt in haar uitspraak van 13 maart 2024 (ECLI:NL:RBROT:2024:2110) tot de conclusie dat DNB de bevoegdheid heeft om een boete op te leggen, dat zij daar gebruik van mocht maken en dat zij ook het boetebesluit openbaar mocht maken. Na een uiteenzetting van de jurisprudentie van het Europese Hof over het bepalen of een aanbieder “activiteiten richt op” de markt van een lidstaat, wordt vooral ingegaan op de feitelijke aanwijzingen dat het cryptobedrijf in kwestie zich met zijn diensten zou richten op de Nederlandse markt.

Voor wat betreft de aanwijzing van apps in Nederlandse appstores overweegt de voorzieningenrechter dat er een cruciaal verschil is met een website die doorgaans een mondiaal karakter heeft, doordat een uitgever van een app zelf kan bepalen in welke landen deze beschikbaar moet zijn. Dit bewust beschikbaar stellen geldt als de uitdrukking van de wil van de uitgever om consumenten uit Nederland als klant te winnen, aldus de voorzieningenrechter.

Wijzigingen in cryptowetgeving

De overwegingen van de voorzieningenrechter gaan op korte termijn deels ingehaald worden door de nieuwe MiCA-wetgeving. Daarom heb ik op bepaalde punten een vergelijking gemaakt tussen de huidige en de toekomstige situatie, met o.a. aandacht voor:

  • Passporting van de MiCA-vergunning binnen de EU

Onder MiCA, met een vergunningplicht voor cryptodienstenaanbieders, gaat straks van passporting van vergunningen uit een andere lidstaat sprake zijn. Aanbieders van cryptoactivadiensten hebben dan middels de MiCA-vergunning het recht om hun diensten door de hele EU aan te bieden, hetzij door middel van het recht van vestiging, onder meer via een bijkantoor, hetzij door de vrijheid van dienstverrichting.

  • Aanwijzingen van aanbieden van cryptodiensten in een bepaalde markt

Onder MiCA, die crypto’s en aan crypto’s gerelateerde diensten gaat reguleren, gaat het niet meer om het aanbieden van cryptodiensten in Nederland of een andere specifieke lidstaat. De focus komt dan te liggen op het “in de Unie” aanbieden van cryptoactivagerelateerde diensten (art. 2 lid 1 MiCA) (naast het zich bezighouden met de uitgifte, de aanbieding aan het publiek of de toelating tot de handel van cryptoactiva).

  • Concept-richtsnoeren van ESMA over reversed solicitation

ESMA heeft over verzoeken om cryptodienstverlening op eigen initiatief van een cliënt concept-richtsnoeren gepresenteerd (Consultation Paper On the draft guidelines on reverse solicitation under the Markets in Crypto Assets Regulation (MiCA) 29 January 2024). Volgens deze concept-richtsnoeren mogen cliënten niet worden uitgesloten van het gebruik van ondernemingen uit derde landen als zij daarvoor kiezen zonder door dergelijke ondernemingen daartoe te zijn uitgenodigd.

  • Uitbreiding van handhavingsbevoegdheden voor toezichthouder AFM

Onder MiCA wordt de AFM de toezichthouder ten aanzien van cryptoactiva-dienstverleners. De toezichthouder krijgt bovendien in aanvulling op het bestaande instrumentarium van de Wft meer specifieke handhavingsbevoegdheden. Zo zijn in het Voorstel van wet Uitvoeringswet verordening cryptoactiva bevoegdheden opgenomen om diverse diensten en activiteiten te verbieden of op te schorten, en om bepaalde informatieverstrekking af te dwingen.

Voor meer informatie over dit onderwerp, kunt u contact met mij opnemen (Simone Peek).

Naar
boven