Visie

Wet Vifo | 7×7 Mededingingsrecht #2

Mededingingsrecht wordt nogal eens beschouwd als een ingewikkeld en weinig toegankelijk rechtsgebied. Toch raakt het dagelijks de praktijk van ondernemingen in uiteenlopende sectoren. Wij zijn er echter van overtuigd dat ook de meest complexe juridische onderwerpen helder kunnen worden uitgelegd. Met de 7×7-blogreeks bieden wij daarom een praktische gids voor zeven onderwerpen binnen het mededingingsrecht. Zeven blogs, elk opgebouwd rond zeven vragen en zeven antwoorden die direct kunnen worden toegepast in de praktijk.

In deze tweede editie staat de Wet Vifo centraal. De Wet Vifo verplicht ondernemingen om bepaalde investeringen, fusies en overnames vooraf te melden bij het Bureau Toetsing Investeringen (“BTI”) ter bescherming van de nationale veiligheid. Voor ondernemingen in vitale sectoren of met sensitieve technologieën roept dit tal van (praktische) vragen op. In deze editie beantwoorden wij de zeven meest gestelde vragen over dit onderwerp:

  1. Hoe bepaal je of de activiteiten van een onderneming onder het toepassingsbereik van de Wet Vifo vallen?
  2. Welke soorten investeringen zijn meldingsplichtig?
  3. Wordt het toepassingsbereik van de Wet Vifo nog uitgebreid, en zo ja, wanneer?
  4. Hoe ziet het meldingsformulier en -traject eruit?
  5. Hoelang duurt een meldingstraject en welke maatregelen kunnen het proces versnellen?
  6. Wat gebeurt er indien er niet of niet tijdig is gemeld?
  7. Welke veranderingen brengen de nieuwe Europese FDI-Verordening in de praktijk mee?

 

1. Hoe bepaal je of de activiteiten van een onderneming onder het toepassingsbereik van de Wet Vifo vallen?

De Wet Vifo geldt voor de volgende drie categorieën ondernemingen:

De categorie ‘sensitieve technologie’ blijkt in de praktijk het lastigst. Hieronder vallen over het algemeen (i) militaire goederen, (ii) goederen voor ‘tweeërlei gebruik’ (dual use), en een aantal aanvullende technologieën – op dit moment kwantum-, fotonica-, en semiconductortechnologieën en ‘High Assurance’ producten (zie voor de toekomstige uitbreiding vraag 3). Deze vier aanvullende technologieën zijn samen met een aantal specifieke technologieën uit de dual use-lijst daarnaast als zéér sensitief aangemerkt. Voor meer informatie over deze categorieën, lees hier onze blog.

Op basis van een beknopte beschrijving van de onderneming en/of een snelle desktop-research is niet altijd goed te bepalen of de activiteiten van die onderneming als ‘sensitief’ worden aangemerkt. Zo is de dual use-lijst een uitgebreid document met veel technische specificaties en nuances. Het is daarom van belang om de activiteiten samen met de onderneming in kwestie te kwalificeren. Een exportvergunning of ander door de douane afgetekend document kan daarbij een eerste aanknopingspunt bieden. In sommige gevallen zijn die documenten echter (nog) niet beschikbaar, bijvoorbeeld in de start-upfase.

 

2. Welke soorten investeringen zijn meldingsplichtig?

De Wet Vifo is van toepassing bij ‘verwervingsactiviteiten’ die leiden tot het verkrijgen van ‘zeggenschap’. Denk daarbij aan een directe investering, een fusie of de oprichting van een volwaardige joint venture. Net als bij het reguliere concentratiecontroletoezicht betekent zeggenschap het kunnen uitoefenen van beslissende invloed. Zeggenschap hoeft hier echter niet duurzaam te zijn; ook tijdelijk beheer kan meldingsplichtig zijn.

In de praktijk gaat het vaak om de verwerving van een meerderheid van de aandelen, maar ook bepaalde vetorechten of andere bevoegdheden kunnen leiden tot zeggenschap. Ook het verwerven van essentiële vermogensbestanddelen is meldingsplichtig onder de Wet Vifo. Beoordeel daarom altijd zorgvuldig de volledige transactiedocumentatie.

Voor ondernemingen die actief zijn op het gebied van zogenaamde zéér sensitieve technologie (zie vraag 1) geldt een verlaagde meldingsdrempel: ook investeringen die leiden tot ‘significante invloed’ moeten worden gemeld. Voor deze ondernemingen is het verkrijgen van 10% van de stemrechten al meldingsplichtig, en dienen vervolgens ook de stappen naar 20%, 25% en uiteindelijk naar zeggenschap opnieuw te worden gemeld. Ook de verkrijging van een benoemings- of nominatierecht voor het bestuur kan meldingsplichtig zijn. Bij de berekening van stempercentages worden afspraken tussen aandeelhouders meegerekend. Bij consortia kan deze drempel dus al redelijk snel worden behaald.

 

3. Wordt het toepassingsbereik van de Wet Vifo nog uitgebreid, en zo ja, wanneer?

Ja. Op 9 juni 2026 heeft de minister een ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit toepassingsbereik sensitieve technologie aan de Kamers aangeboden. Het gaat om deze zes nieuwe technologieën:

  • geavanceerde materialen;
  • artificiële intelligentie (“AI”);
  • biotechnologie;
  • nanotechnologie;
  • sensor- en navigatietechnologie; en
  • nucleaire technologie voor medisch gebruik.

Niet alles wat onder deze categorieën valt wordt aangewezen; het gaat steeds om specifieke technologieën daarbinnen. Voor artificiële intelligentie geldt de aanwijzing bijvoorbeeld alleen voor zover de technologie is gericht op de identificatie van personen en groepen. Al deze zes gebieden worden direct aangemerkt als ‘zéér sensitief’, samen met enkele aanvullende dual use-technologieën op het gebied van informatiebeveiliging en laser-satellietcommunicatie.

Het besluit gaat nog voor advies naar de Raad van State. De beoogde inwerkingtreding is op dit moment 1 januari 2027.

Op 16 juli 2026 is bovendien de nieuwe Europese FDI-Verordening in werking getreden. Dit zal op termijn ook een aanpassing van de Wet Vifo meebrengen (zie vraag 7).

 

4. Hoe ziet het meldingsformulier en -traject eruit?

Het meldingsformulier moet worden ingediend bij het BTI, onderdeel van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat (“EZK”). In dit formulier worden onder meer de transactie en de betrokken partijen beschreven, de structuur en activiteiten van verwerver en doelonderneming toegelicht, en vragen over de nationale veiligheid beantwoord. Ook moeten de transactiedocumenten en jaarrekeningen worden meegestuurd.

Het BTI beoordeelt vervolgens of de transactie mogelijk risico’s meebrengt voor de nationale veiligheid. Is dat niet het geval, besluit het BTI dat géén ‘toetsingsbesluit’ vereist is. Deze goedkeuring geldt alleen onder de Wet Vifo en staat los van eventuele andere (fusie)meldingen zoals bij de ACM.

Indien het BTI voornemens is te oordelen dat er mogelijk wel risico’s zijn (en dus een toetsingsbesluit vereist is), zal het dit voornemen in de meeste gevallen voorleggen aan partijen. In sommige gevallen kan een aanvullende zienswijze, eventueel met ‘soft commitments’, het advies van het BTI doen aanpassen zodat toch goedkeuring wordt verleend.

Volgt toch de mededeling dat een toetsingsbesluit vereist is, dan dient de onderneming een nieuwe aanvraag in te dienen. Ziet het BTI na deze aanvraag en een diepgaand onderzoek daadwerkelijk risico’s voor de nationale veiligheid, dan kan het BTI bepalen dat de transactie slechts onder voorwaarden wordt goedgekeurd. In het uiterste geval kan het BTI de transactie volledig verbieden.

 

5. Hoelang duurt een meldingstraject en welke maatregelen kunnen het proces versnellen?

Na melding heeft het BTI in beginsel acht weken om te beoordelen of een toetsingsbesluit vereist is. Is dat het geval, geldt na de aanvraag ook een termijn van acht weken voor het toetsingsbesluit zelf. Beide termijnen kunnen worden verlengd tot in totaal zes maanden. Bij een directe investering door een niet-EU-partij kan daar nog eens drie maanden bovenop komen. Bij aanvullende vragen vanuit het BTI wordt ‘de klok’ in beginsel stilgezet.

De gemiddelde doorlooptijd bij het BTI was in 2025 iets minder dan 50 dagen. Een kwart van de onderzoeken werd in 2025 binnen twintig dagen afgerond en bij de helft van de meldingen werd binnen 27 dagen medegedeeld dat er geen toetsingsbesluit vereist was. Het langst lopende onderzoek heeft in totaal 176 dagen geduurd, aldus het BTI (zie hier het jaarverslag over 2025).

Om het proces te versnellen kan het helpen om al bij de melding zoveel mogelijk (extra) informatie te verstrekken. Het BTI vraagt bijvoorbeeld steeds vaker naar meer informatie rondom minderheidsaandeelhouders en/of limited partners. Indien niet op goedkeuring kan worden gewacht en er een dringende financieringsbehoefte bestaat (bijvoorbeeld in de start-/scale-upfase), kunnen partijen ook naar (tussentijdse) alternatieve structuren zoeken, zoals een converteerbare lening. Belangrijk is daarbij wel dat conversie niet plaatsvindt zonder goedkeuring. Zo niet, bestaat het risico op hoge boetes wegens het vroegtijdig implementeren van de transactie (gun-jumping, zie vraag 6). Controleer deze voorwaardelijkheid daarom goed in de transactiedocumentatie.

 

6. Wat gebeurt er indien er niet of niet tijdig is gemeld?

Het uitvoeren van een transactie die niet gemeld is maar wel gemeld had moeten worden (ook wel: gun-jumping) kan leiden tot een boete tot 10% van de omzet van de onderneming. In 2025 deelde het BTI de eerste boete uit wegens gun jumping.

Daarnaast worden de met de transactie verworven rechten (zoals stemrechten) geschorst. De verwerver mag deze rechten niet uitoefenen totdat het BTI een beslissing heeft genomen. Het recht op dividend blijft wel bestaan. Wordt geen gevolg gegeven aan de schorsing, dan kan de minister ook daarvoor een boete tot 10% van de omzet van de onderneming opleggen. Indien nodig kan de minister een of meer personen aanwijzen die de doelonderneming bindende opdrachten geven om de schorsing te verzekeren, en bij een vitale aanbieder zelfs het bestuur (tijdelijk) vervangen.

Zodra de minister op de hoogte raakt van de niet-gemelde transactie, zal hij deze bovendien alsnog kunnen beoordelen op risico’s voor de nationale veiligheid (eventueel met een last om alsnog een melding in te dienen).

 

7. Welke veranderingen brengen de nieuwe Europese FDI-Verordening in de praktijk mee?

Op 16 juli 2026 is de nieuwe Europese FDI-Verordening in werking getreden. Voor de Nederlandse praktijk verandert er op korte termijn nog weinig. De verordening introduceert een minimumbereik aan sectoren en technologieën die iedere lidstaat moet kunnen toetsen. Dit minimumbereik komt grotendeels overeen met wat in Nederland al wordt getoetst onder de Wet Vifo en sectorale investeringstoetsen (gas, elektriciteit, telecommunicatie). Op bepaalde punten is echter nog wel een wetswijziging nodig. Daarvoor heeft Nederland tot uiterlijk 17 januari 2028.

Zo zal de Nederlandse wetgever bedrijven die zich bezighouden met de exploratie, (terug)winning, verwerking of recycling van bepaalde strategische grondstoffen zoals bauxiet en koper onder de reikwijdte moeten brengen. Ook investeringen in infrastructuur voor verkiezingen zoals kiezersregistratie- en stemsystemen moeten in de toekomst worden getoetst.

Naast de reikwijdte schrijft de verordening voor welke mogelijke negatieve gevolgen en risicofactoren bij de beoordeling van een investering moeten worden meegewogen, en welke mogelijke voorwaarden aan een transactie kunnen worden gesteld. Deze zijn op sommige punten ruimer dan de Wet Vifo nu voorziet. Zo worden bijvoorbeeld ook mediapluriformiteit en de toegang tot bepaalde kritieke geneesmiddelen genoemd. De daadwerkelijke screening van investeringen in producenten van kritieke geneesmiddelen is als zodanig nog niet verplicht, maar dat wordt bij een volgende evaluatie (2031) mogelijk alsnog ingevoerd.

Qua proces zal eveneens het een en ander moeten worden aangescherpt. De verordening schrijft een harde termijn van 45 dagen na melding voor om te bepalen of een diepgaand onderzoek nodig is. De huidige werkwijze van het kunnen inzetten van (een deel van de) zes maanden verlenging in de ‘eerste fase’, zal dus moeten worden aangepast.


Voor al uw vragen met betrekking tot (EU) mededingingsrecht helpt bureau Brandeis u graag verder. U kunt ons bereiken via onderstaande links.

Bas Braeken (Partner) | Jade Versteeg (Advocaat) | Timo Hieselaar (Advocaat) |

 Demi van den Berg (Advocaat) |  Joost van Belois (Advocaat) | Lisanne Kooijman (Juridisch medewerker)

Visie

DMA Enforcement: a Visual State of Play in Five Slides

The European Commission’s (“Commission”) enforcement of the Digital Markets Act (“DMA”) has progressed steadily and has grown more complex since its entry into force. The Commission continues to assess which providers of core platform services (“CPS”) should fall within the scope of the DMA, so far having resulted in the designation of seven undertakings as gatekeepers for various CPS. The Commission also issued several decisions in which it identified services as CPS, but in which it ultimately decided to not designate the provider of those CPS as a gatekeeper (“non-designation decisions”).

Compliance with the DMA has also become of increasing concern to the Commission. This has led to a growing number of investigations, non-compliance decisions and specification decisions, each addressing different aspects and obligations of the DMA.

Many of the Commission’s decisions have furthermore been appealed and now sit at different stages of the judicial process – some pending before the General Court, others having already proceeded to the Court of Justice.

Keeping track of the DMA’s “state of play” has become increasingly challenging for practitioners and stakeholders alike. In earlier blogs we have already paid attention to the DMA’s general mechanisms, its obligations and the potential for private enforcement. In this blog, we provide a structured visual overview of the Commission’s actions to date, mapping key decisions and situating them within the broader procedural picture.

 

 

Last updated: 14 September 2026

Visie

Horizontale samenwerkingsafspraken | 7×7 Mededingingsrecht #1

Mededingingsrecht wordt nogal eens beschouwd als een ingewikkeld en weinig toegankelijk rechtsgebied. Toch raakt het dagelijks de praktijk van ondernemingen in uiteenlopende sectoren. Wij zijn er echter van overtuigd dat ook de meest complexe juridische onderwerpen helder kunnen worden uitgelegd. Met de 7×7-blogreeks bieden wij daarom een praktische gids voor zeven onderwerpen binnen het mededingingsrecht. Zeven blogs, elk opgebouwd rond zeven vragen en zeven antwoorden die direct kunnen worden toegepast in de praktijk.

In deze eerste editie staan horizontale samenwerkingen, ofwel samenwerkingen tussen concurrenten, centraal. Samenwerken met concurrenten biedt kansen, maar roept ook mededingingsrechtelijke vragen op. Waar liggen de grenzen, en welke ruimte biedt het recht voor geoorloofde samenwerking? In deze editie beantwoorden wij de zeven meest gestelde vragen over dit onderwerp.

 

1. Speelt het (gezamenlijk) marktaandeel een rol om te bepalen of een samenwerking is toegestaan?

Het marktaandeel is geen allesbepalende factor, maar speelt op meerdere plekken in de mededingingsanalyse een cruciale rol. Allereerst is het relevant voor het merkbaarheidsvereiste: een samenwerking valt alleen onder het kartelverbod van artikel 101 lid 1 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (“VWEU“) (en het nationale equivalent, artikel 6 Mededingingswet (“Mw“)) als zij de mededinging merkbaar beperkt. De Europese Commissie hanteert hiervoor de de minimis-bekendmaking: bij horizontale samenwerkingen geldt een gecombineerde marktaandeeldrempel van 10%. Blijf je daaronder, dan is de samenwerking in beginsel niet merkbaar mededingingsbeperkend (tenzij sprake is van een doelbeperking). In Nederland kent de Mededingingswet daarnaast een absolute bagatelbepaling (artikel 7 Mw) voor kleine ondernemingen.

Liggen de gezamenlijke marktaandelen hoger, dan kan het marktaandeel bepalend zijn voor de vraag of een groepsvrijstelling of soft safe harbour van toepassing is: zo geldt de Groepsvrijstellingsverordening Specialisatieovereenkomsten tot een gezamenlijk marktaandeel van 20% en de Groepsvrijstellingsverordening O&O-overeenkomsten tot 25% (zie ook vraag 4). Bij een individuele analyse op grond van artikel 101 lid 1 VWEU kan het marktaandeel bovendien een indicator zijn voor de ernst van de mededingingsbeperkende effecten van de samenwerking. Tot slot speelt ook bij de rechtvaardigingstoets van artikel 101 lid 3 VWEU het marktaandeel een rol: hoe groter het gecombineerde aandeel, hoe moeilijker het is aan te tonen dat voldoende restconcurrentie overblijft. De vuistregel is dus over het algemeen: hoe lager het gezamenlijke marktaandeel, hoe lager (de kans op) mededingingsrechtelijke risico’s.

 

2. In hoeverre is het doel van de samenwerking bepalend in de mededingingsanalyse?

Het doel van een samenwerking is één van de meest bepalende factoren in de mededingingsanalyse, en wel op meerdere niveaus. Centraal staat namelijk het onderscheid tussen een doelbeperking en een gevolgbeperking binnen het kartelverbod. Bij een doelbeperking is de afspraak naar haar aard dusdanig schadelijk voor de mededinging – denk aan prijsafspraken, marktverdeling of productiebeperking – dat een grondig onderzoek naar de concrete gevolgen niet nodig is. De beoordeling of sprake is van een doelbeperking kijkt naar de inhoud van de afspraak (content), de bedoeling van partijen (intent) en de context waarbinnen zij is gemaakt. Met name de inhoud en rationale van de afspraak zijn relevant hierbij. De intentie van partijen is niet doorslaggevend.

Sommige samenwerkingen dienen een duidelijk pro-competitief doel, zoals efficiëntieverbeteringen of duurzaamheidsdoelen (zie ook vraag 5); die kwalificeren doorgaans niet als doelbeperking. Zij kunnen nog wel als gevolgbeperking worden gekwalificeerd. Het doel speelt ook een rol bij een eventuele rechtvaardigingsgrond, bijvoorbeeld in het kader van artikel 101 lid 3 VWEU waarbij als primaire voorwaarde geldt dat de samenwerking bijdraagt aan efficiëntieverbeteringen (en daarnaast een billijk aandeel van de voordelen ten goede komt aan gebruikers, de mededingingsbeperking onmisbaar is en de restconcurrentie niet wordt uitgeschakeld).

 

3. Welke informatie mag je wel/niet uitwisselen met een (potentiële) concurrent?

Informatie-uitwisseling tussen concurrenten is een van de meest onderschatte risico’s in de mededingingspraktijk, maar ook een terrein met nuances. De hoofdregel is dat het uitwisselen van concurrentiegevoelige informatie – zoals prijzen, kortingen, kostenstructuren, capaciteitsplannen of klantgegevens – een zelfstandige inbreuk op artikel 101 VWEU kan vormen (zelfs als er geen verdere afspraak aan ten grondslag ligt). Een voorbeeld hiervan is het T-Mobile-arrest: door strategische informatie te delen, wordt de onzekerheid over het marktgedrag van concurrenten weggenomen. Tenzij publiekelijk afstand wordt gedaan van de ontvangst van dergelijke informatie, geldt het juridische vermoeden dat die informatie ook is gebruikt in het concurrentieproces.

De beoordeling of uitwisseling problematisch is, hangt af van de kenmerken van de informatie: hoe actueler, individueler en strategischer de informatie, hoe riskanter. Geaggregeerde, historische of openbaar beschikbare gegevens zijn over het algemeen minder problematisch. Wanneer informatie wordt uitgewisseld via een facilitator of derde partij (zoals een brancheorganisatie, consultant of platform), is voorzichtigheid geboden: ook de facilitator kan aansprakelijk zijn (AC Treuhand-doctrine), en de indirecte uitwisseling maakt de uitwisseling niet per se rechtmatig (Tabakskartel). Als informatie toch moet worden gedeeld – bijvoorbeeld in het kader van due diligence of legitiem samenwerkingsverband – verdient het aanbeveling te werken met NDA’s, Chinese Walls en/of Clean Teams en de uitwisseling te beperken tot wat strikt noodzakelijk is voor het legitieme samenwerkingsdoel.

 

4. Welke vormen van samenwerking met concurrenten kunnen als legitiem of pro-competitief worden beschouwd?

Niet elke samenwerking tussen concurrenten is verboden; het mededingingsrecht erkent verschillende categorieën van geoorloofde horizontale samenwerking. Ten eerste zijn er samenwerkingen met een objectief legitiem doel waarbij een beperking van de mededinging inherent is aan het nastreven van dat doel – de zogeheten ‘inherente beperking’. In dat geval valt de beperking buiten het bereik van het kartelverbod, mits de mededingingsbeperking noodzakelijk en proportioneel is aan het legitieme doel. Opgelet: dit geldt niet als de samenwerking een doelbeperking vormt (ISU-arrest). Een bijzondere variant zijn de wettelijke nevenrestricties bij fusies en overnames (artikel 10 Mw): een non-concurrentiebeding dat direct samenhangt met en noodzakelijk is voor de overdracht van een onderneming, valt buiten het kartelverbod voor de duur die de Commissie daarvoor aanvaardt (doorgaans twee tot drie jaar).

Voorts bieden de Groepsvrijstellingsverordening Specialisatieovereenkomsten (Verordening 2023/1066) en de Groepsvrijstellingsverordening O&O-overeenkomsten (Verordening 2023/1067) een veilige haven voor respectievelijk productiespecialisatie en gezamenlijk onderzoek en ontwikkeling, mits aan de marktaandeeldrempels wordt voldaan (zie vraag 1 hierboven). De Europese Commissie heeft in haar Horizontale Richtsnoeren 2023 ook kaders uitgewerkt voor onder meer geoorloofde gezamenlijke inkoop, commercialisering, standaardiseringsovereenkomsten en duurzaamheidsafspraken.

 

5. Hoe moet je een (sectorbrede) afspraak op het gebied van duurzaamheid toetsen?

Duurzaamheid is een steeds belangrijker thema in de mededingingsrechtelijke praktijk. Toezichthouders erkennen inmiddels dat duurzaamheidsinitiatieven een bijdrage kunnen leveren die het mededingingsrecht niet onnodig mag doorkruisen. Tegelijkertijd vormt duurzaamheid in toenemende mate een mededingingsparameter: het beperken van duurzaamheidsinspanningen tussen concurrenten kan zelf al een mededingingsbeperking zijn (Car emissions-zaak).

Met de komst van de Horizontale Richtsnoeren 2023 is een specifiek kader ontwikkeld voor duurzaamheidsafspraken (Hoofdstuk 9): afspraken die bijdragen aan duurzamere productie of consumptie kunnen onder artikel 101 lid 3 VWEU zijn vrijgesteld als zij efficiëntievoordelen opleveren, ook als de voordelen deels bij een andere groep in de samenleving dan de consumenten. De ACM heeft een Leidraad Duurzaamheidsafspraken gepubliceerd die ruimhartig omgaat met collectieve duurzaamheidsafspraken, met name wanneer zij bijdragen aan het halen van wettelijke klimaatdoelstellingen. De ACM heeft bovendien in meerdere informele zienswijzen al groen licht gegeven aan (sector-brede) duurzaamheidsinitiatieven.

Tot slot geldt voor de landbouwsector een bijzondere bepaling: artikel 210bis GMO-Verordening (Verordening 1308/2013) creëert een categorische uitzondering op het kartelverbod voor duurzaamheidsafspraken in de agri-foodketen, mits aan strikte voorwaarden wordt voldaan.

 

6. Welke adviezen en regels mag je als brancheorganisatie communiceren dan wel opleggen aan (aspirant-)leden?

Brancheorganisaties vervullen een nuttige rol, maar zijn ook een klassiek vehikel voor mededingingsrechtelijke overtredingen (bewust of onbewust). Informatie-uitwisseling via een brancheorganisatie is tot op zekere hoogte toegestaan: het publiceren van geaggregeerde marktstatistieken, het delen van best practices en het organiseren van benchmarks (mits niet herleidbaar tot individuele leden) zijn in beginsel geoorloofd. De brancheorganisatie dient niet te fungeren als facilitator van concurrentiegevoelige informatie-uitwisseling tussen de leden (zie vraag 3).

Wat in ieder geval niet mag, zijn (indicatieve) prijsadviezen: zelfs een vrijblijvend aanbevolen prijsniveau kan een doelbeperking vormen als het de prijsconcurrentie tussen leden beïnvloedt of coördineert, zo heeft de rechtspraak herhaaldelijk bevestigd. Ook bindende gedragscodes die leden verplichten tot een bepaald (prijs)gedrag zijn in beginsel verboden.

Tot slot spelen brancheorganisaties of ondernemingsverenigingen soms een rol in zogenaamde erkenningsregelingen (waaronder kwaliteitskeurmerken en autorisatiestelsels). Omdat hiermee in feite eisen kunnen worden gesteld aan toetreding tot de markt, is van belang dat de criteria objectief, transparant en niet-discriminatoir zijn. Eén en ander heeft de ACM uitgewerkt in haar Leidraad samenwerking concurrenten.

 

7. Welke handhavingsrisico’s loop je bij horizontale afspraken?

De beschikkingspraktijk laat zien dat de meeste kartelboetebesluiten van zowel de Europese Commissie als de ACM zien op horizontale doelbeperkingen (prijsafspraken, marktverdeling, productiebeperking en bid rigging), al dan niet met tussenkomst van een brancheorganisatie (wat de betrokken ondernemingen niet vrijwaart van aansprakelijkheid). De sancties kunnen aanzienlijk zijn: de Commissie kan boetes opleggen tot 10% van de wereldwijde jaaromzet, de ACM tot 10% van de Nederlandse jaaromzet, en daarnaast kunnen betrokken bestuurders persoonlijk worden beboet. Verder vormen ook de nietigheid van mededingingsbeperkende afspraken en het risico op civiele (follow-on) kartelschadeclaims een reden tot extra voorzichtigheid.

Het uitgangspunt in het kader van artikel 101 lid 1 en 3 VWEU is self-assessment: ondernemingen moeten zelf beoordelen of hun samenwerking toelaatbaar is, er is geen voorafgaand toestemmingssysteem. Vaak is die mededingingsanalyse sterk casuïstisch. Eén en ander hangt af van de relevante feiten, zoals de marktcontext, de inhoud van de afspraken en de positie van de betrokken partijen. Indien gewenst kan meer comfort kan worden verkregen door een informele zienswijze bij de ACM aan te vragen – een instrument dat de ACM actief inzet, met name op het terrein van duurzaamheidsafspraken. Voor afspraken in de agri-foodsector die onder artikel 210bis GMO-Verordening vallen, kan bij de Europese Commissie om een informeel oordeel worden gevraagd.

 


Voor al uw vragen met betrekking tot (EU) mededingingsrecht helpt bureau Brandeis u graag verder. U kunt ons bereiken via onderstaande links.

Bas Braeken (Partner) | Jade Versteeg (Advocaat) | Timo Hieselaar (Advocaat) |

 Demi van den Berg (Advocaat) |  Joost van Belois (Advocaat) | Lisanne Kooijman (Juridisch medewerker)

Visie

Cyber incident response – bureau Brandeis publiceert stappenplan bij een significant incident onder de Cyberbeveiligingswet

Op 15 augustus 2026 is de Cyberbeveiligingswet (“Cbw”) in werking getreden. Onder de Cbw moeten essentiële en belangrijke entiteiten ‘significante incidenten’ melden bij hun Computer Security Incident Response Team (“CSIRT’’) en de bevoegde autoriteit.

De wettelijke ondergrens van wanneer sprake is van een significant incident volgt uit artikel 25 lid 2 Cbw: een incident is significant als het:

(a) een ernstige operationele verstoring of financiële verliezen voor de entiteit veroorzaakt of kan veroorzaken, of;

(b) andere entiteiten door aanzienlijke materiële of immateriële schade treft of kan treffen.

Deze normen zijn open. Per ministeriële regeling wordt de meldplicht per sector verder uitgewerkt met specifiekere drempelwaarden. Lees bijvoorbeeld onze blog over de ministeriële regeling voor de zorgsector of onze blog over de ministeriële regeling voor de sector digitale infrastructuur.

Heeft uw bedrijf (mogelijk) te maken met een significant incident? Raadpleeg dan het onderstaande stappenplan, of download het stappenplan hier.

Ontvangt u graag een hard copy (in postervorm) van dit stappenplan, neem dan contact op met iemand van het Cybersecurityteam van bureau Brandeis (Machteld Robichon, Lucas de Vet of Bente van Kan).

 

Visie

Netherlands: Competition Litigation

What types of conduct and causes of action can be relied upon as the basis of a competition damages claim?

Any type of conduct infringing Articles 101 and/or 102 of the Treaty on the functioning of the European Union (“TFEU”) and/or Articles 6 and/or 24 of the Dutch competition act (‘Mededingingswet’, “Mw”)) can be relied upon as the basis of a competition damages claim. Infringements of competition law constitute a tort under Dutch law (Article 6:162 of the of the Dutch Civil Code (‘Burgerlijk Wetboek’, “BW”)), allowing injured parties to claim damages for harm suffered from such infringements.

What is required (e.g. in terms of procedural formalities and standard of pleading) in order to commence a competition damages claim?

In order to commence competition litigation before the Dutch courts, several formalities need to be passed. Although it is in principle permitted to sue a party without prior notice (‘rauwelijks dagvaarden’), it is custom to send a demand or cease-and-desist letter to the counterparty before commencing proceedings, informing them of the claim and potential proceedings and setting a deadline within which the party is expected to reply before commencing proceedings. Whilst commencing litigation without prior notice is thus legal, it can affect the order for costs. The court may, for example, decide that each party bears its own expenses or modify the cost order to the detriment of the claimant who sued without prior notice – the rationale being that the defendant has had to make legal costs without being able to solve the matter amicably.

The writ of summons needs to be served on the defendant(s) by a bailiff, requesting the defendant(s) to appear before the court at a certain docket date taking into account the relevant summons period (see question 16). The writ of summons then needs to be filed at the court on that docket date, too, including the exhibits to the writ of summons (if any). The writ of summons has to contain several elements, such as (inter alia) the domicile of the claimant in the Netherlands, the claim and the grounds on which it is based, the identification of the court seised including the address of the courthouse where the hearing will take place, the date on which the defendant is summoned to appear, and a notice that that the defendant is required to appear through legal counsel (Article 111 Dutch Code of Civil Procedure (‘Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering’, “Rv”)), except for proceedings before the subdistrict court (‘kantonrechter’) in case of claims with a value of up to EUR 25,000 (Article 79 Rv).

Furthermore, the court fees (‘griffierechten’) need to be paid. The claimant is required to pay the court fees within four weeks following the date on which the writ of summons is filed before the court; the defendant is obliged to do so within four weeks following the date on which it is summoned to appear before the court (Article 3 Court Fees (Civil Cases) Act).

What remedies are available to claimants in competition damages claims?

Claimants are not restricted to a closed list of remedies as such. The following kinds of remedies are available to claimants in competition law cases. Foremost, claimants can claim compensation for the damages suffered as a result of anticompetitive conduct. This includes the actual loss as well as the loss of profit, and interest from the moment the damage occurred. Victims of competition law infringements are entitled to compensation, but this may not lead to overcompensation; hence, there is no such thing as ‘triple damages’ in the Netherlands. In one case regarding the cathode ray tubes or ‘CRT’ cartel, the District Court of Oost-Brabant explicitly ruled out the possibility of triple damages – even though the applicable Turkish law provided for it – as this would be incompatible with the fundamental principle of Dutch law on liability and damages that ‘compensation’ must restore the injured party to the position they would have been in had the event causing the damage not occurred, and no more than that (ECLI:NL:RBOBR:2024:117).

Furthermore, claimants can – either together with obtaining damages or separately – request a declaratory judgment from the court confirming that the conduct in question is anticompetitive and qualifies as a tort/unlawful act, and that the defendant is (jointly and severally) liable for the damages in that respect. It is also possible to order a declaratory relief on (joint and several) liability and to also request the court to refer the case to follow-up damages quantification proceedings (‘schadestaatprocedure’) pursuant to Article 612 Rv. These are separate proceedings that follow up on the substantive matters in which solely the extent of the damages is discussed – the substantive legal issues have been resolved by then (see questions 9 and 15). The court may refer a claim for damages to such a procedure if (i) the basis of the debtor’s liability has been established, (ii) the possibility of damage is plausible, and (iii) quantification of the damage is not possible in the main proceedings. Importantly, new forms of damages/losses may be included in these follow-up damages quantification proceedings, provided that they were caused by the unlawful conduct established in the main proceedings.

Similarly, claimants can request a court order or injunction against an (alleged) infringer of competition law, for instance requiring the latter to cease its conduct. These orders can also be requested in interim proceedings (‘kort geding’).

What is the measure of damages? To what extent is joint and several liability recognised in competition damages claims? Are there any exceptions (e.g. for leniency applicants)?

In principle, all undertakings are (jointly and severally) liable for their (joint) anticompetitive conduct pursuant to Article 6:193m(1) BW. This means claimants can claim the full amount of damages from any one of the undertakings involved in the infringement or of any of the subsidiaries belonging to the same undertaking as those infringing entities in line with the CJEU’s judgment in Sumal (case C-882/19).

Regarding leniency applicants, Article 6:193m(4) BW stipulates that, by way of derogation from the joint and several liability as laid down in Article 6:193m(1) BW, an immunity recipient shall be jointly and severally liable only to its direct and indirect customers and suppliers for the harm caused by the infringement, unless full compensation for that harm cannot be obtained from the other undertakings involved in the infringement. Article 6:193n BW subsequently stipulates that the amount of the contribution to the compensation of the harm suffered by the immunity recipient is in principle limited to the amount of damages incurred by its own customers/suppliers. This, thus, forms a limitation on the principle of joint and several liability for competition law infringements for leniency applicants.

What are the relevant limitation periods for competition damages claims? How can they be suspended or interrupted?

The limitation period for damages claims is five years (pursuant to Article 6:193s BW). The limitation period for damages claims in the Netherlands was already set at five years before the entry into force of Directive 2014/104/EU (“Damages Directive”), which harmonised the limitation period to five years throughout the European Union (“EU”). The limitation period begins to run after the day following the date on which the infringement ceased and the injured party became aware, or could reasonably be expected to have become aware, of the infringement, the harm suffered as a result, and the person liable for that harm. The CJEU held in Heureka Group (case C-605/21) that knowledge of the information necessary for bringing an action in principle coincides with the date of publication in the Official Journal of the summary of the European Commission’s decision, irrespective of whether that decision has not yet become final. Injured parties can nevertheless rely on such a non-final decision as support for their damages claims. Contrary to decisions of the European Commission, the CJEU held in CP/Nissan (C-21/24) that the limitation period with regard to decisions of national competition authorities only begins to run when that decision has become final.

The limitation period can be interrupted in several ways:

(i) by initiating legal proceedings or taking another act of legal recourse (Article 3:316 BW), e.g., by commencing damages litigation (by way of serving a writ of summons);

(ii) by a written demand or notice from the creditor (Article 3:317(1) BW), in which it reserves its right to compensation; and

(iii) by acknowledgment of the debt by the debtor (Article 3:318 BW), e.g., by (partial) payment of the damages or by a letter confirming the liability/damages.

Article 6:193t BW – the implementation of Article 10(3) Damages Directive – further stipulates that acts performed by a competition authority in the context of an investigation or procedure relating to the infringement of competition law to which the legal claim pertains, constitutes a ground for extending the limitation period. The extension commences the day after the expiry of the limitation period. The duration of the extension is equal to the time required to establish a final infringement decision or to otherwise terminate the procedure, plus one year. It furthermore states that out-of-court dispute resolution procedures also constitute a ground for extending the limitation period between the parties involved.

Which local courts and/or tribunals deal with competition damages claims?

There is no court specifically appointed to deal with competition law cases in the Netherlands. All civil district courts and appeals courts as well as the Supreme Court deal with competition law matters, including competition damages claims. Furthermore, the Netherlands Commercial Court (‘NCC’) was introduced in 2019, before which proceedings are (by default) in English. The NCC is specifically developed for efficient case handling in complex proceedings, including competition law matters. Judgments rendered by the NCC – or the appellate body, NCC Appeals – are enforceable throughout the entire EU in the same manner as decisions of other national courts.

How does the court determine whether it has jurisdiction over a competition damages claim?

How Dutch courts determine their jurisdiction over a competition damages claims depends on the place of residence of the parties involved. If the case concerns solely Dutch and/or non-EU defendants, the Dutch jurisdictional rules apply (Article 1-14 Rv). Insofar the defendants are based within the EU, Brussels I-bis Regulation will be applied. With respect to Swiss defendants, the Lugano Convention/EVEX II applies.

As for all these legal frameworks, the main jurisdictional rule stipulates that courts of the defendant’s place of domicile have jurisdiction. There are alternative grounds on which jurisdiction can be assumed. For competition damages claims, the most relevant alternative grounds are usually based on (i) the place where the harmful event occurred or may occur (i.e., both the Erfolgsort and the Handlungsort – Article 6(e) Rv, Article 7(2) Brussels I-bis Regulation and Article 5(3) Lugano Convention) or (ii) in case of a plurality of defendants, on the place where one of the defendants is based (the so-called ‘anchor defendant’ rule – Article 7(1) Rv, Article 8(1) Brussels I-bis Regulation and Article 6(1) Lugano Convention).

Both of these alternative jurisdictional grounds have been and still are the subject of debate in Dutch competition damages claims. The Dutch courts (Amsterdam District Court, Amsterdam Appeals Court and the Dutch Supreme Court) have referred multiple preliminary questions on the interpretation and relevance of substantive competition law (such as the ‘concept of undertaking’) with respect to the assessment of jurisdiction pursuant to international private law, such as the Brussels I-bis Regulation. The following Dutch cases are relevant in this respect.

First, the Dutch Supreme Court referred preliminary questions to the CJEU in proceedings between, on one side, Greek brewery Macedonian Thrace Brewery (“MTB”) and, on the other side, a competing Greek brewery Athenian Brewery (“AB”) and its (ultimate) Dutch parent company Heineken. The question before the CJEU was whether Heineken can act as an ‘anchor defendant’ (Article 8 Brussels I-bis) for the assumption of jurisdiction by the Dutch courts, because it forms an economic unit together with AB and is therefore jointly and severally liable for the damage caused by AB (so-called ‘upward liability’). The CJEU held that a parent company (Heineken) can be held jointly and severally liable for competition infringements by a subsidiary (AB) if it is capable of exercising decisive influence over the conduct of that subsidiary. It also held that, when assessing jurisdiction, the national court may limit itself to ascertaining whether decisive influence by the parent company, in this case Heineken, has not been ruled out a priori. The Court may therefore rely on the presumption of decisive influence under competition law, provided that the defendants retain the opportunity to rebut that presumption with conclusive evidence. Lastly, the CJEU confirmed that foreseeability is not a stand-alone criterion for the assumption of jurisdiction under Article 8 Brussels I-bis (CJEU AB and Heineken/MTB, case C-393/23). The Dutch Supreme Court followed the judgment of the CJEU and concluded that the Dutch court can indeed assume jurisdiction in the case at hand (ECLI:NL:HR:2026:814).

Second, the Amsterdam Appeals Court referred two cases for a preliminary ruling, which have been jointly answered by the CJEU in its judgment in Powercables and Cardboard (joined cases C‑672/23 and C‑673/23). In both cases, the claimants sought damages for infringements of Article 101 TFEU which had been established by the Commission (Powercables) and the Italian competition authority (Cardboard) respectively. The jurisdiction of the Dutch court was based on the presence of a Dutch ‘anchor defendant’ which was not itself an addressee of the infringement decision, but forms part of the same undertaking as the cartel participants on whom fines were imposed and that, on that basis, that Dutch entity is (also) jointly and severally liable for the alleged damage following the CJEU’s judgment in Sumal (case C-882/19). These preliminary referrals contained several peculiarities, e.g., the potential anchor defendant in the Powercables case was an intermediate holding company, and some of the damages claimed occurred outside the EEA.

The CJEU holds that it suffices, for the purposes of establishing jurisdiction, that it cannot be ruled out that the defendants concerned form part of the same undertaking. Additionally, it is irrelevant for the assessment of jurisdiction that the claimed damages have occurred outside of the EEA. Moreover, the CJEU concludes that holding companies – which merely hold shares and engage in no (other) economic activities – may also act as anchor defendants. The economic activities of a subsidiary may be attributed to a holding company where that subsidiary does not determine its market conduct independently but primarily follows the instructions from its parent company. This is particularly the case where the subsidiary of the holding company over which that holding company exercises decisive influence (in light of the Akzo presumption) carries out an economic activity that has a specific link to the subject matter of the infringement committed by the ‘grandmother company’. This is particularly the case where the subsidiary in question is responsible for the production, sale, supply or distribution of these cartelised products and for the provision of the cartelised services, according to the CJEU. Lastly, the CJEU clarifies that Article 8 Brussels I-bis determines both the international and relative jurisdiction of the national court. The judgment by the Amsterdam Appeals Court whether it will indeed assume jurisdiction is currently still pending.

Finally, the Amsterdam District Court referred preliminary questions to the CJEU regarding the application of Handlungsort and Erfolgsort (Article 7(2) Brussels I-bis) to competition law infringements on digital markets. The case concerned class actions brought under the WAMCA (‘Wet afwikkeling massaschade in collectieve acties’, Article 3:305a BW) by two foundations against Apple regarding the latter’s anticompetitive conduct in relation to the App Store. The Amsterdam District Court asked whether it could assume (relative) jurisdiction over all the claims, as not all the users whom the foundations claim to represent are domiciled within the Amsterdam District Court’s territorial jurisdiction. The CJEU ruled that, as regards ‘the place where the harmful event occurred or where the alleged damage occurred’, the App Store in question was designed specifically for the Netherlands, with amongst others a Dutch-language interface, a Dutch store front, and an Apple ID linked to the Netherlands. The damage resulting from Apple’s conduct has therefore occurred in the Netherlands. Subsequently, the CJEU held that in this case – where foundations represent a yet unidentified but identifiable group of persons – a court cannot be required to establish the specific place where the damage occurred for each individual injured party: any court with jurisdiction to hear a collective claim has international and territorial jurisdiction to hear the entire claim on the basis of Article 7(2) of Brussels I-bis. Importantly, the CJEU emphasises that the complexity of competition law cases and the fundamental right to compensation for competition law infringements in particular justify the consolidation of individual claims as well as the concentration of jurisdiction (CJEU Apple App Store, case C-34/24). This has subsequently been confirmed by the Amsterdam District Court, which assumed jurisdiction over all the claims requested by the foundations on behalf of users throughout the Netherlands (ECLI:NL:RBAMS:2026:4577).

How does the court determine what law will apply to the competition damages claim?

With respect to non-contractual unlawful conduct giving rise to damages, the Dutch courts generally rely on either the Tort Conflict of Laws Act (‘Wet Conflictenrecht Onrechtmatige Daad’, “WCOD”) or the Rome II Regulation, depending on the date on which the unlawful conduct causing the damage occurred. The WCOD applies to harmful events that occurred before 11 January 2009, whereas the Rome II Regulation applies to such events that occurred on or after 11 January 2009. Which of these regimes applies (either exclusively or simultaneously) to single and continuous infringements that started before the entry into force of the Rome II Regulation but lasted until after its entry into force, is still subject of debate.

The main rule under both the WCOD (Article 3) and the Rome II Regulation (Article 4) is that the law applicable to a non-contractual obligation arising out of a tort shall be the law of the country in which the damage occurs. More particularly, pursuant to Article 4 WCOD, non-contractual obligations resulting from competition law infringements are governed by the law of the country in whose territory the anticompetitive conduct affects the competitive relations (i.e., the affected market).

A similar rule is contained in Article 6 Rome II Regulation, which stipulates that the law applicable to a non-contractual obligation arising out of a restriction of competition shall be the law of the country where the market is, or is likely to be, affected. Unlike the WCOD, Article 6 Rome II Regulation actually contains provisions regulating the applicable law in case the market is (or is likely to be) affected in more than one country (Article 6(3)(b)). In that case, the claimant may choose to base their claim on the law of the court seised.

The Appeals Court of Amsterdam held that the applicable law in competition damages claims following on cross-border competition infringements is to be determined on the basis of Article 6(3)(b) Rome II Regulation. This provision allows for a choice of law for the claimant in case multiple affected markets can be identified. The Appeals Court of Amsterdam ruled, essentially, that the affected markets were located in different States. Consequently, it concluded that – since the market is, or is likely to be, affected in more than one country – the claimant seeking compensation for damage who sues in the court of the domicile of the defendant, may choose to base his or her claim on the law of the court seised pursuant to Article 6(3)(b) Rome II – i.e. Dutch law. The Amsterdam Appeals Court draws the same conclusion in case the WCOD applies, as that legal act contained a lacuna when dealing with cross-border (competition) damages claims and that lacuna is filled by using Article 6(3)(b) Rome II Regulation (see Appeals Court Amsterdam, ECLI:NL:GHAMS:2021:1940).

This interpretation by the Appeals Court of Amsterdam was recently appealed before the Dutch Supreme Court, which decided to refer preliminary questions to the CJEU on (inter alia) this matter on 20 June 2025 (ECLI:NL:HR:2025:946). This case is still pending before the CJEU (Deutsche Lufthansa/Stichting Cartel Compensation, case C-426/25).

What is the applicable standard of proof?

Under Dutch civil procedural law, Articles 149 and 150 Rv govern the rules regarding the burden of proof and the obligation to furnish facts and substantiate claims.

Article 149 Rv entails that facts which are not disputed by the opposing party are deemed to be established and do not require further proof. As such, it simplifies the evidentiary process by focusing only on contested facts. However, the court retains the discretion to require (further) evidence for certain facts if it deems this necessary for the proper administration of justice.

Article 150 Rv outlines the general rule for the allocation of the burden of proof. It states that the party invoking the legal consequences of a fact bears the burden of proving that fact. Read in conjunction with Article 149 Rv, this essentially boils down to the following structure: the claimant asserts claims and, upon reasoned challenge by the defendant, has to prove those challenged claims.

Exceptions to this rule may arise from specific statutory provisions or the principles of reasonableness and fairness, which can shift the burden of proof in certain circumstances.

Furthermore, claimants can request the court to refer the case to follow-up damages quantification proceedings (‘schadestaatprocedure’). These are separate proceedings that follow up on the substantive matters in which solely the extent of the damages is discussed – the substantive legal issues have been resolved by then (see questions 3 and 15). The burden of proof for referral to such proceedings entails that the claimant (only) has to demonstrate the plausibility of possible damages, which is a (relatively) low threshold. In that respect, the Appeals Court of The Hague held in a case concerning the lifts cartel that this threshold is met where the claimant demonstrates that it has purchased at least one product/service from one of the cartel participants in the relevant infringement period (ECLI:NL:GHDHA:2024:141). This judgment has since been confirmed by the Dutch Supreme Court (ECLI:NL:HR:2025:1761).

There are also rules on (assumptions) on proof specific to competition law, such as the (rebuttable) presumption that a parent company who holds almost all the shares in its subsidiary has or can exercise decisive control over that subsidiary. Another rule affecting the general evidentiary rules can be found in Article 6:193l BW, which is the implementation of Article 17(2) Damages Directive and stipulates that cartels are presumed to cause harm and that defendants are able to rebut that presumption.

Lastly, Article 22 Rv allows the court to ‘intervene’ in the regular burden of proof. Pursuant to Article 22 Rv, the court may order one or both parties to elaborate on specific claims or to submit documents or data relevant to the case. In a case concerning Dieselgate (emissions fraud), the Amsterdam District Court recently ruled that, if the fact that the burden of proof lies with a party would render it impossible or excessively difficult for that party to provide the requested proof, particularly because the evidence concerns information not available to that party, the national judge must, in order to ensure compliance with the principle of effectiveness, make use of all procedural means available to him under national law including the ordering of necessary measures of inquiry, such as the production of a deed or document by one of the parties or by a third party. Accordingly, it ordered the defendants in that case to provide information/data – which lies exclusively within their respective domains and which would be impossible or difficult to access for the claimants – to ascertain whether manipulation instruments were included in certain cars (ECLI:NL:RBAMS:2025:1124).

See question 23 for more detailed information on the rules of evidence in the Dutch legal order.

To what extent are local courts bound by the infringement decisions of (domestic or foreign) competition authorities?

National courts are bound by the decisions of the European Commission, irrespective of whether decisions are under appeal before the European courts. As Article 16(1) of Regulation 1/2003 stipulates, when national courts rule on matters regarding Article 101/102 TFEU, they cannot take decisions running counter to the decision adopted by the European Commission. While the operative part of the decision is binding, courts have discretion as to the evidentiary value they give to the body of the decision.

National courts are also bound by infringement decisions of the Dutch competition authority (the Authority for Consumers and Markets (‘Autoriteit Consument & Markt’, “ACM”)) pursuant to Article 161a Rv read in conjunction with Article 6:193k BW. This follows from Article 9(1) Damages Directive, which stipulates that Member States shall ensure that an infringement of competition law found by a final decision of a national competition authority or by a review court is deemed to be irrefutably established for the purposes of an action for damages brought before their national courts under Article 101 or 102 TFEU or under national competition law.

Regarding infringement decisions of foreign (EU) competition authorities, the national courts are bound to a lesser extent. Pursuant to Article 9(2) Damages Directive, final decisions of a competition authority of another Member State may, in accordance with national law, be presented before their national courts as at least prima facie evidence that an infringement of competition law has occurred and, as appropriate, may be assessed along with any other evidence adduced by the parties.

To what extent can a private damages action proceed while related public enforcement action is pending? Is there a procedure permitting enforcers to stay a private action while the public enforcement action is pending?

Private damages claims can in principle proceed regardless of any parallel public enforcement on the (same) matter. A private damages claim can thus proceed concurrently with an investigation by a competition authority. However, national courts can decide to stay the proceedings pending an investigation by a competition authority either ex officio or upon request by one of the parties involved, but they are not obliged to do so.

There is no procedure permitting enforcers to stay civil proceedings while public enforcement is pending/ongoing.

What, if any, mechanisms are available to aggregate competition damages claims (e.g. class actions, assignment/claims vehicles, or consolidation of claims through case management)? What, if any, threshold criteria have to be met?

There are numerous ways to aggregate or otherwise bundle competition damages claims.

First, there is the possibility of a class action under the WAMCA regime (Article 3:305a BW). The WAMCA is based on an opt-out system for Dutch residents belonging to the determination of the class. Beneficiaries residing outside the Netherlands have to actively opt-in to the class (unless the court expressly decides that an opt-out regime applies). All collective actions filed under the WAMCA are to be registered in a central register with open access. In case of competing class actions under the WAMCA, the court will ultimately appoint one exclusive class representative. That organisation will then represent the entire class. The WAMCA imposes a strict set of admissibility requirements on the representative organisation, which are tested by the court. These relate inter alia to the funding of the representative organisation and the claim as well as the governance of the organisation.

It should be noted that the WAMCA entered into force on 1 January 2020. Its predecessor – Article 3:305a (old) BW – still applies where the class action concerns harmful events that took place prior to 15 November 2016. A debate is currently ongoing on whether the (new) WAMCA-regime applies in its entirety to a series of events which started prior to 15 November 2016 but yet still continued after that period.

Second, another possibility for collective settlement can be found in Articles 7:907-910 BW (the so-called WCAM). Pursuant to that regime, the appeals court of Amsterdam can (exclusively) declare a settlement agreement regarding mass damages, concluded between an interest organisation and the liable party or parties, binding for an entire group of affected individuals. This would prevent the need for individual proceedings (Article 7:907 BW and Article 1013 Rv).

Third, claims can be bundled through assignment (Article 3:94 BW). For the assignment of a claim, for instance to a claim vehicle or (other) interest organisation, it is required that the transfer is based on a valid title by a person authorised to dispose of the claim (the transferor) to the transferee. The transfer takes place by way of a deed. Article 3:94(3) BW allows for the possibility of silent cession, meaning that the debtor is not notified of the assignment.

Fourth, claims can be transferred and bundled by way of a power of attorney (Article 3:60 BW). Unlike assignment, the claim itself is not transferred. Rather, the interest organisation is entitled to act on behalf of the initial claimant in claiming damages from the debtor.

Fifth, claims can be bundled through a mandate (‘lastgeving’) pursuant to Article 7:414-7:424 BW. Essentially, this is a contractual arrangement whereby one party, the agent (‘lasthebber’), undertakes to perform one or more legal acts on behalf of and for the account of another party, the principal (‘lastgever’).

Generally, in practice, bundling claims in B2B cases – where multiple professional parties have suffered damages from anticompetitive conduct – is usually done through assignment, power of attorney or a mandate. In cases where consumers are harmed, the WAMCA (or WCAM) is generally used.

Additionally, it is worth noting that the CJEU in its case law emphasises that the complexity of competition law cases and the fundamental right to compensation for competition law infringements in particular justify the bundling of individual claims as well as the concentration of jurisdiction (CJEU Apple App Store, case C-34/24).

Lastly, regarding case management, in case of more complex and vast/sizeable cases, the courts often schedule a pre-trail hearing in which agreements are made between the parties and the court inter alia on timing and extensions. The reason for this is to make the procedure more efficient and pragmatic.

See also question 22 on the ways through which collective settlements can be reached.

Are there any defences (e.g. pass on) which are unique to competition damages cases? Which party bears the burden of proof?

There are several defences unique to competition law. The pass-on defence is the most common. Article 6:193p BW specifically provides for the ability of a defendant to claim that a party alleging to have suffered damages has passed on the overcharge. In line with Article 149/150 Rv, as described above (Question 8), the burden of proof rests, in principle, on the party invoking the defence. Article 6:193q BW – implementing Article 14(2) Damages Directive – establishes a rebuttable presumption of passing-on for the benefit of the indirect customers of an infringer. After all, the indirect customers themselves did not purchase directly from the infringer, which makes their evidentiary position more difficult. Therefore, the burden of proof is reduced for the indirect customer. Article 6:193q BW specifies that an indirect customer is presumed to have proven the pass-on of overcharges, provided that they demonstrate that:

(a) the infringer has committed an infringement of competition law;

(b) the infringement resulted in additional costs for the direct customer of the infringer, and;

(c) the indirect customer acquired the goods or services that were the object of the infringement, or goods or services into which those were incorporated or that were derived from them.

Aside from the pass-on defence, other defences can also be used in competition law cases. One can think of challenging the alleged damage despite the existence of an infringement, for instance by claiming that the (relevant) counterfactual scenario is different than asserted by the claimants. Another defence, relating to the quantification of damages, could be the argument that there are no damages since the market is characterised by a ‘zero-sum-game’ – i.e., one person’s gain is exactly balanced by another person’s loss. The total value of the outcomes then adds up to zero meaning that there are no damages suffered despite the existence of a competition law infringement.

Is expert evidence permitted in competition litigation, and, if so, how is it used? Is the expert appointed by the court or the parties and what duties do they owe?

Expert evidence is permitted in competition litigation. In almost all cases, competition damages claims are supported by an economic report setting out the market functioning and/or harm suffered as a result of the anticompetitive conduct in question.

Economic expert reports are generally submitted by the parties involved without the court appointing experts. This is most often the claimant, but it is not unlikely that a defendant submits a counter report. The court then studies both reports and draws its conclusions.

Although uncommon in competition litigation – where oftentimes parties submit economic reports themselves proactively – in some cases the court appoints (economic) experts itself pursuant to Article 186-192 Rv. This could be the case if, for instance, the court finds that it cannot draw the proper conclusions from the diverging economic reports submitted before it and needs a third, independent report to fill in the remaining gaps.

Describe the trial process. Who is the decision-maker at trial? How is evidence dealt with? Is it written or oral, and what are the rules on cross-examination?

Generally speaking, the trial process is as follows.

  • Cases are brought before the court by way of a writ of summons.
  • The defendant(s) can reply to the writ of summons by way of a statement of defence, after which a hearing is scheduled.
  • If the defendant(s) raise(s) incidents in their reply, for instance a motion of lack of jurisdiction – which are dealt with before the substantive aspects of the case (‘voor alle weren’) – the claimants can reply to those in writing, after which (most often) a separate hearing is scheduled in the incident proceedings.
  • During hearings, the claimant (in incident proceedings) is first allowed to speak, then the defendant. Subsequently, both parties are allowed a response on the first stage of the debate. Afterwards, but also during the speaking time, the courts can ask questions to the parties. Under the new evidence rules that entered into force as of 1 January 2025, it is also possible to bring (expert) witnesses to the hearing (see question 23).
  • The court will then render its judgment (in incident or main proceedings), in principle on the first docket date six weeks after the date of the hearing.

In more complex and vast/sizeable cases, such as competition damages litigation, it is not uncommon for the court to schedule a pre-trail hearing in which agreements are made between the parties and the court inter alia on timing and extensions. The reason for this is to make the procedure more efficient and pragmatic.

Competition damages litigation proceedings in the Netherlands often consist of several phases in which matters relating to jurisdiction, applicable law and other (pre-)substantive defences are addressed in (multiple) interlocutory judgments (‘tussenvonnissen’) (see also question 16). In class action cases under the WAMCA, the proceedings also have separate phases on admissibility and the appointment of the exclusive representative. It is furthermore not uncommon, especially in bundled claims, to separate the main proceedings from proceedings in which the extent of the damages is calculated. Often, a claimant orders a declaratory relief stating that the competition law infringement constitutes tort and request the court to refer the case to follow-up damages quantification proceedings (‘schadestaatprocedure’). These are separate proceedings that follow up on the substantive matters in which solely the extent of the damages is discussed – the substantive legal issues have been resolved by then (see questions 3 and 9).

The burden of proof and the obligation to furnish facts under Dutch (procedural) law is dealt with under question 9. Evidence may be provided by any means, so both orally and/or in writing (Article 152(1) Rv). In the Dutch legal order, the court has the discretion to assess the evidence submitted, including statements made by party witnesses, as it deems fit – aside from (statutory) exceptions on the valuation of evidence, such as the prohibition to decide contrary to a decision of the European Commission and/or ACM (Article 152(2) Rv). This means that the judge independently determines the probative value to be attributed to the evidence.

The proceedings mainly focus on the written rounds in Dutch competition litigation. The oral part of the proceedings in principle concern one hearing after which a judgment is rendered. Evidence is, thus, mainly dealt with in the written rounds of the proceedings.

The decision-makers is (or are) the judge(s). There is no jury in Dutch litigation.

How long does it typically take from commencing proceedings to get to trial? Is there an appeal process? How many levels of appeal are possible?

The time it takes from commencing proceedings to the actual trial is dependent on several factors, including most notably the domicile of the defendant(s) as well as the (amount of) procedural issues (‘incidenten’) raised by the defendant(s).

The domicile of the defendant is relevant for determining the summons period – i.e., the period between the service of the writ of summons and the date on which the defendant is requested to appear before court. For defendants with a known residence in the Netherlands, the summons period is at least one week, provided the service is made in person or at a domicile chosen by the defendant in the Netherlands.

For foreign defendants domiciled in the EU or in other countries that are party to either the Service Regulation (EC) No. 1393/2007 or The Hague Service Convention, the summons period amounts to at least four weeks. For foreign defendants who are domiciled in States which are not party to the above regulations – such as parties domiciled outside the EU – the summons period is at least three months.

Furthermore, procedural issues raised by defendants can (further) delay the proceedings getting to trial on the substantive matters. Oftentimes issues on jurisdiction, applicable law or admissibility/standing are raised. These procedural issues are dealt with first in a separate procedure within the main proceedings to which appeal is open as well. Put differently, if a defendant challenges the jurisdiction of the Dutch court after being summoned, it will file a motion contesting jurisdiction prior to submitting its statement of defence. The initial claimant will then be able to reply to that motion and the court will subsequently schedule a hearing and render its judgment solely on its jurisdiction. That judgment can then be appealed, provided that the court does not assume jurisdiction (making it a final judgment; where jurisdiction is assumed, the court will do so in an interlocutory judgment against which no appeal is open in principle). In the meantime, the main proceedings are put on hold (but not stayed as such) until the incidental issues are resolved. Since the CJEU has rendered several judgments on jurisdiction in follow-on competition law damages claims (see question 7), the expectation is that jurisdiction will be less contested, or at least, that preliminary referrals will be limited in the future. Hence, it is expected that this phase will not take as much time as in previous damages claims.

Regarding the appeals process, the Dutch civil legal order has three instances: a court of first instance (district courts), an appeals court and ultimately the Supreme Court. A ruling by a district court can be appealed before the court of appeals, and, similarly, an order by the appeals court can be appealed before the Supreme Court. Additionally, these courts can, or sometimes, must refer questions to the CJEU for (further) clarification.

Do leniency recipients receive any benefit in the damages litigation context?

See question 4 above. In principle, all undertakings are jointly and severally liable for their (joint) anticompetitive conduct pursuant to Article 6:193m(1) BW. However, Article 6:193m(4) BW stipulates that, by way of derogation form paragraph 1, an immunity recipient shall be jointly and severally liable only to its direct and indirect customers and suppliers for the harm caused by the infringement, unless full compensation for that harm cannot be obtained from the other undertakings involved in the infringement. Article 6:193n BW subsequently stipulates that the amount of the contribution to the compensation of the harm suffered by their direct and indirect customers and suppliers is in principle limited to the amount of damages incurred by its own customers/suppliers. This, thus, forms a limitation on the principle of joint and several liability for competition law infringements for leniency applicants.

How does the court approach the assessment of loss in competition damages cases? Are “umbrella effects” recognised? Is any particular economic methodology favoured by the court?

Pursuant to art 6:97 BW, the courts are to assess the damages in the manner most consistent with the nature of the harm. If the exact extent/amount of the damage cannot be determined with precision, the court can estimate the damages (see also Article 17(1) Damages Directive).

Damages resulting from competition law infringement can consist of the actual loss as well as the loss of profit (and the interest from the moment the damage occurred). Thus, in principle, all kinds of damages, including the overcharge, indirect damages and umbrella damages can be claimed provided that there is a causal link between the damages claimed and the tort in question, and that the injured parties are not overcompensated. The recognition of umbrella damages in competition damages claims also follows from the CJEU’s ruling in Kone (case C-557/12) in which it held that any other interpretation would put at risk the full effectiveness of EU competition law.

There is no particular method favoured by the court when determining the damages. The most suitable method for quantifying damages is contingent on inter alia the type of competition law infringement, the relevant market (functioning) as well the type of damages claimed. In a case from November 2024, though, the Amsterdam District Court ruled on its preferred method for determining the overcharge in case of a pass-on defence (ECLI:NL:RBAMS:2024:6650). The case concerned damages claims following on the air cargo cartel. The defendants proposed a two-step model to calculate the overcharge – i.e., determining, first, the initial overcharge at the level of the direct purchasers and then, second, to what extent this overcharge was passed on to the indirect purchasers. The court, however, favoured the one-step model proposed by the claimants according to which the overcharge is calculated solely on transaction data from the indirect purchasers, which would be easier to implement as this would require less economic analyses (which in turn could create more uncertainty as to the results), according to the court. In a different case, concerning damages claims following the trucks cartel, the Amsterdam District Court favoured a regression analysis carried out by the claimant’s economic experts when assessing the percentage of overcharge – despite it containing some inherent uncertainties as to the calculations – before finally determining the overcharge to be 7%. The court also adopted the lingering effects of the cartel as calculated by the claimant’s experts (ECLI:NL:RBAMS:2026:373).

Lastly, as mentioned under question 15 above, a separate procedure exists for the determination of damages which is often used in competition damages cases given the difficulty of quantifying damages in those cases. A low threshold applies in order for the court to refer a case to that follow-up procedure for the quantification of damages: the possibility of damages should be plausible. Of course, the causal link between the alleged damage and the competition law infringement needs to be demonstrated nevertheless. To that extent the claimant(s) must furnish sufficient facts in the main proceedings, demonstrating for instance that (each of) the claimant(s) has purchased at least one cartel product/service from one of the undertakings involved in the infringement, during the infringement period (see also questions 3 and 9).

How is interest calculated in competition damages cases?

The statutory interest on damages, including those based on competition law in the Netherlands, is calculated in accordance with the rules of Article 6:119 BW. This provision stipulates that compensation for delay in the payment of a sum of money, for instance compensation for damages suffered from a competition law infringement, consists of statutory interest over the period during which the debtor has been in default.

The starting point from which interest is calculated is the moment the debtor is in default – i.e., the moment the damage resulting from the competition law infringement occurred – and runs until the compensation is paid. The amount of statutory interest is set by decree (Article 6:120 BW) and is reevaluated twice a year. The statutory interest with respect to tort has been set at 10.15% as of July 2025 and has not been amended in since.

Can a defendant seek contribution or indemnity from other defendants? On what basis is liability allocated between defendants?

The general principle is that cartel participants are jointly and severally liable for their joint anticompetitive conduct. Their respective individual conduct within the infringement or the duration of their participation therein is irrelevant in case of a single and continuous infringement. This means that a claimant can claim its full damages from any one of these undertakings.

Subsequently, the defendants then have a right of recourse and can seek contribution pursuant to Article 6:10 BW. This provision stipulates that joint and several debtors are, each for the portion of the debt that concerns them in their mutual relationship, obliged to contribute to the debt and costs.

A debtor who is sued for damages can involve another party in the proceedings if they believe that the latter should ultimately bear (part of) the financial burden (Article 210 Rv). The initial defendant has to request permission from the court to do so and subsequently summon the co-debtor, who is then added to the ongoing proceedings.

In what circumstances, if any, can a competition damages claim be disposed of (in whole or in part) without a full trial?

While unusual, there are several circumstances under which a claim can be disposed of without a full trial. This could be the case for instance where a claim is manifestly unfounded, there is an abuse of process or when the claims have prescribed. Similarly, if procedural issues are raised by the defendants and the court agrees that those procedural issues stand in the way of a continuation of the proceedings on the merits, the case will be dismissed as well – for instance when the court determines it has no jurisdiction to rule on the claims or when an interest organisation commencing a class action fails to meet the admissibility criteria under the WAMCA.

Particularly in relation to the WAMCA, Article 1018c(5)(c) Rv further stipulates that a substantive assessment of the (collective) claim will only take place if the claim does not appear to be manifestly unfounded at the time the proceedings are initiated.

What, if any, mechanism is available for the collective settlement of competition damages claims? Can such settlements include parties outside of the jurisdiction?

The Dutch legal order has numerous mechanisms available for claimants to collectively file and subsequently settle damages claims, including those stemming from competition law infringements.

First, Articles 7:907-910 BW establish a system for collective settlement (the so-called ‘WCAM’). Pursuant to that regime, the appeals court of Amsterdam can (exclusively) declare a settlement agreement regarding mass damages, concluded between an interest organisation and the liable party or parties, binding for an entire group of affected individuals. This would prevent the need for individual proceedings (Article 7:907 BW and Article 1013 Rv).

The Amsterdam appeals court can declare such a settlement agreement binding provided that:

(a) the agreement includes a description of the event(s) it pertains to, the group of affected individuals, and the compensation granted (Article 7:907(2) BW);

(b) the amount of compensation is reasonable, taking into account the extent of the damage and the ease with which the compensation can be obtained (Article 7:907(3)(b) BW);

(c) the interests of the affected individuals are sufficiently safeguarded (Article 7:907(3)(e) BW); and

(d) the interest organisation concluding the agreement is sufficiently representative for the group of affected individuals (Article 7:907(3)(f) BW);

Individuals who do not wish to be bound by the agreement can opt-out.

Secondly, Article 3:305a BW provides for a regime on collective proceedings. It is important to note from the outset that this provision has been amended as of 1 January 2020, introducing the WAMCA-regime. A class action initiated under Article 3:305a (old) BW – i.e., pre-WAMCA – allows an interest organisation to request declaratory relief in a class action. However, that provision explicitly ruled out the possibility to claim monetary damages. Furthermore, a judgment rendered following a claim based on Article 3:305a (old) BW only has res judicata between the parties involved in the proceedings, i.e., the claim organisation and the defendant(s). If a declaratory judgment is obtained, then the organisation can enter into settlement negotiations with the defendant(s) in question on the basis of that judgment on behalf of its constituency. Article 3:305a (old) BW still applies in case the class action concerns harmful events that took place prior to 15 November 2016. It should be noted, though, that there is currently a debate ongoing on whether the (new) WAMCA-regime applies in its entirety to a series of events which started prior to 15 November 2016 but yet still continued after that period.

The WAMCA imposes a strict set of admissibility requirements on the representative organisation, which are tested by the court. These relate inter alia to the funding of the representative organisation and the claim as well as the governance of the organisation.

Under the new Article 3:305a BW (the WAMCA), it is now possible to (also) collectively claim monetary damages. The representative organisation is often a foundation protecting a certain class of individuals with similar interests. The WAMCA is based on an opt-out system for Dutch residents belonging to the description of the class. Beneficiaries residing outside the Netherlands have to actively opt in to the class (unless the court expressly decides that an opt-out regime applies). All collective actions filed under the WAMCA are to be registered in a central register with open access. In case of competing class actions under the WAMCA, the court will ultimately appoint one organisation as the exclusive class representative. That organisation will then represent the entire class.

What are the rules for disclosure of documents (including documents from the competition authority file or from other third parties)? Are there any exceptions (e.g. on grounds of privilege or confidentiality, or in respect of leniency or settlement materials)?

As of 1 January 2025, new laws of evidence entered into force introducing a pre-procedural right of inspection/access to documents. This is laid down in Articles 194 to 204 Rv, replacing the previously applicable procedure for obtaining access contained in Article 843a Rv. The aim is to allow for a cost-effective and efficient alternative to other evidentiary measures. The criteria for assessing access requests have been aligned with those for other evidentiary measures, which promotes consistency and simplicity.

Particularly, it is possible to combine various preliminary evidentiary measures into a single application (‘verzoekschrift’), for instance an expert opinion as well as a request for access to documents. This shifts the process of gathering evidence to the phase before the proceedings on the merits start.

Article 194 to 195a Rv concern the right to access to documents and stipulate that a party to a legal relationship has the right to inspection, a copy, or an extract of certain data concerning that legal relationship from the person who possesses such data, provided the party has a legitimate interest. The party in possession of the requested information is obliged to provide access, unless they have a right of right of nondisclosure or there are compelling reasons to refuse the request. The court can also order a third party who is not a party to the legal relationship in question to grant access to certain documents (Article 195a Rv).

Article 196 to 204 Rv deal with (other) pre-processual evidentiary measures. These provisions essentially stipulate that – before a case has been initiated or if proceedings have been initiated but the case has not yet been entered on the court docket – the court may, at the request of an interested party, order one or more preliminary evidentiary measures. Following such a request, the opposing party and other interested parties may also request one or more preliminary evidentiary measures, which the court may then consider jointly. The court will grant the request, unless it finds that (i) the requested information is insufficiently specified; (ii) there is insufficient interest in the preliminary evidentiary measure; (iii) the request for preliminary evidentiary measures is contrary to the proper conduct of proceedings (iv) there is an abuse of rights; or (v) there are other compelling reasons to oppose the preliminary evidentiary measure.

These abovementioned provisions form the implementation of Article 5 of the Damages Directive.

What procedures, if any, are available to protect confidential or proprietary information disclosed during the court process?

There are multiple mechanisms available to protect confidential or proprietary information disclosed during the court process.

First, pursuant to Article 843a(2) Rv, the court may determine how access to documents is granted. This allows for measures such as redacting confidential information or limiting access to a specific group of individuals through a confidentiality ring. Specifically with respect to trade secrets, Article 1019ib Rv allows for the restriction of access to documents containing trade secrets to attorneys or a limited number of specified individuals.

Second, Article 22a Rv allows the court to restrict access to confidential documents to specific individuals (e.g., attorneys). This can be applied if sharing the information with a party to the proceedings would cause significant harm. However, it should be noted that when the court decides to do so, there is a risk that the case will be transferred to another judge who has not examined the confidential information to render the final judgment.

Third, Article 27 paragraph 1(c) Rv allows for court sessions to be held entirely or partially behind closed doors. This can be applied, for example, to protect the privacy of the parties, including confidential business information.

Can litigation costs (e.g. legal, expert and court fees) be recovered from the other party? If so, how are costs calculated, and are there any circumstances in which costs recovery can be limited?

The general rule is that the party who is unsuccessful in the proceedings is ordered to pay the legal costs (Article 237 Rv). These costs include the court fees, legal fees and bailiff’s fees, but can also include travel expenses, lost time compensation (‘verletkosten’), or costs for witnesses and experts.

In principle, the actual litigation costs are not fully reimbursable. Rather, the courts use a standardised (liquidation) tariff system, which assigns points to procedural actions (e.g., filing a writ of summons, filing a reply, attending a hearing, etc.). These points are given a certain monetary value which depends on the value of the claim brought before the courts (the higher the claim, the higher the points value).

Solely in exceptional circumstances are the litigation costs fully reimbursed. This only happens in case of abuse of process or where the claims are manifestly unfounded. Specifically in relation to class actions under the WAMCA regime, Article 1018l Rv stipulates that if it has been established, on a summary basis, that the claim is manifestly unfounded, the court may increase the opposing party’s counsel’s fees up to five times, to be borne by the unsuccessful party, unless equity dictates otherwise.

Are third parties permitted to fund competition litigation? If so, are there any restrictions on this, and can third party funders be made liable for the other party’s costs? Are lawyers permitted to act on a contingency or conditional fee basis?

Third party litigation funding (“TPLF”) is allowed under Dutch law and often/increasingly used in the Netherlands, also in relation to competition damages claims, especially since the introduction of the WAMCA-regime. Whilst there are limited statutory restrictions to this – aside from the admissibility criteria for interest organisations under the WAMCA-regime – the sector has decided to self-regulate TPLF. In that respect, Claim Code 2019 was introduced to ensure transparency, and integrity among interest organisations that initiate class actions within the meaning of Article 3:305a BW (WAMCA). Although Claim Code 2019 is not legally binding, it is generally used in practice by Dutch courts and other stakeholders as a normative framework. It sets rules/governing principles on inter alia governance and funding of an interest organisation/claim vehicle.

Regarding the WAMCA, the debate on the amount of the funder’s fee is currently still ongoing. While the case law is still relatively scattered on the matter, a best practice is emerging pursuant to which funders can receive a maximum fee of 25% of the damages paid out to the interest organisation by the defendant(s). However, a higher fee is also accepted provided that it is demonstrated that this is reasonable in the case at hand. The Dutch courts have accepted a fee of 28,75% on that basis (ECLI:NL:RBMNE:2025:10). Conversely, the Amsterdam District Court (also) considered that an agreed-upon fee may be excessive if it is based on a fixed percentage of the damages awarded, regardless of the total amount of damages granted or the number of injured parties entitled to claim compensation. Accordingly, the Amsterdam District Court held that it intends to apply a maximum multiple of five times the amount invested by the litigation funder (see ECLI:NL:RBAMS:2023:6694). The Amsterdam Appeals Court has subsequently held that this aspect of the Amsterdam District Court’s judgment was preliminary and that, in general, the reasonableness of a funder’s fee cannot be assessed preliminarily but only after the result of the proceedings and the actual amount of the fee are known (ECLI:NL:GHAMS:2025:2666). The amount and structuring of the funder’s fee is still subject to (much) debate. In non-WAMCA cases, there are in principle no such rules on TPLF nor the amount of the funder’s fee.

Regarding the adverse costs, third party litigation funders are not liable in principle since they are not a party to the proceedings, unlike the interest organisation. However, generally, this matter is dealt with in the litigation funding agreement between the interest organisation and the funder, in which they are free to determine between themselves how and by whom the adverse costs are paid in case of a loss.

Contingency fees, such as no cure – no pay, are not permitted within the Dutch legal order. However, conditional fees, such as a success fee in case of a win or reduced fee in case of a loss, are in principle allowed, provided that they are capped/not excessive and a base fee is paid in any case.

What, in your opinion, are the main obstacles to litigating competition damages claims?

There are certain obstacles in competition damages claims, which can be overcome.

First, the jurisdiction of the Dutch courts over claims against foreign defendants has so far presented a hurdle to overcome by the claimant(s) in case non of the addressees of the infringement decision is domiciled in the Netherlands. In several instances, the question has arisen whether an undertaking’s joint and several liability under competition law also confers jurisdiction on the Dutch courts over foreign defendants together with a Dutch anchor defendant, based on the circumstance that the Dutch anchor defendant belongs to the same undertaking as one of the foreign defendants. Other questions concerned the scope of the jurisdictional rule regarding Erfolgsort and Handlungsort and the possibility of assuming (territorial) jurisdiction over all claims, regardless of the individual’s place of residence (see question 7).

The CJEU answered all these questions in the affirmative in case C‑393/23 (AB and Heineken/MTB); see joined cases C‑672/23 and C‑673/23 (Powercables and Cardboard), and case C-34/24 (Apple App Store), thereby effectively resolving this debate. Therefore, the expectation is that this (previous) hurdle will be overcome relatively easily from now on.

Second, the determination of the applicable law in cross-border competition damages claims can be considered an obstacle (see also question 8 in that regard).

Third, the quantification of damages in competition cases is difficult. Whilst the Dutch legal order has a separate procedure for the quantification of damages, there are several peculiarities to competition damages claims such as the pass-on defence (as also laid down in question 13). Generally speaking, pursuing competition law claims requires economic evidence which increases the complexity of the case and, by extension, the timing as well as the costs.

What, in your opinion, are likely to be the most significant developments affecting competition litigation in the next five years?

One of the most significant developments affecting competition litigation has been the recent judgments of the CJEU on jurisdiction in competition law cases (see question 7). These judgments of the CJEU pave the way for clearer and quicker jurisdictional phases in competition litigation.

Nevertheless, there are still several important developments to be expected in the next five years. First, the assessment of the applicable law is relevant. On 20 June 2025, the Dutch Supreme Court has referred preliminary questions on how to deal with damages claims following on cross-border competition law infringements (ECLI:NL:HR:2025:946). This case is still pending before the CJEU (Deutsche Lufthansa/Stichting Cartel Compensation, case C-426/25). The principle of effectiveness of EU (competition) law is also considered in these cases, which could benefit competition litigation and the pursuit of private damages claims.

Furthermore, it will be significant how the WAMCA-regime develops. Within the next five years, procedural issues are expected to have been sorted out, such as matters relating to the admissibility criteria of interest organisations (e.g., the condition of representativeness) and the (maximum) amount of the funder’s fee. Consequently, more WAMCA-cases will reach the substantive phase, which will probably raise new legal questions. Moreover, the WAMCA has now been evaluated after the first five years of its entry into force. An evaluation report has been published in November 2025. One of the main findings of this report is that, whilst the WAMCA regime as such is welcomed and appreciated, the admissibility phase is currently taking too long; no class action under the WAMCA has yet reached a settlement (decision) after five years. This is to the detriment of its objectives of effective judicial protection, according to the report. The report has been submitted to parliament and the senate by the State Secretary for Justice and Security. It is now up to them whether and how the WAMCA will be amended.

Furthermore, it will be interesting to see how the new Dutch rules on (obtaining) evidence as elaborated upon in question 23 will be applied further and whether it will actually improve the position of claimants in (potential) competition litigation.

Lastly, while strictly speaking not a matter of competition law, the private enforcement of the Digital Markets Act, possibly in combination with (private enforcement of) competition law could become increasingly relevant and important in the field of competition litigation. Several obligations under the DMA are also relevant in the field of competition law. The DMA could then form a second pillar for injured parties on which they can base their damages claims.

 

Please read the Q&A on the website of Legal500 here

Visie

Cyberbeveiligingsregeling voor de zorg gepubliceerd: zorgplicht en meldplicht voor de zorgsector nader uitgewerkt

Op 14 augustus 2026 is de Regeling van de minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, houdende regels ter uitvoering van de Cyberbeveiligingswet en het Cyberbeveiligingsbesluit voor de sector Gezondheidszorg en de subsector Vervaardiging van medische hulpmiddelen en medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek gepubliceerd (hierna: “Regeling zorg”).

Deze ministeriële regeling geeft uitwerking aan de Cyberbeveiligingswet (“Cbw”) en het Cyberbeveiligingsbesluit (“Cbb”), die beiden op 15 augustus 2026 in werking zijn getreden. In onze eerdere blog stond de meldplicht onder de Regeling EZK voor de sector digitale infrastructuur centraal. In deze bijdrage staan de nadere regels voor de zorgsector centraal: zowel de zorgplicht als de meldplicht.

Voor wie geldt de Regeling zorg?

De Regeling zorg is van toepassing op de sector Gezondheidszorg en de subsector Vervaardiging van medische hulpmiddelen en medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek, zoals bedoeld in bijlage 1 en bijlage 2 van de Cbw. De regeling werkt de zorgplicht, meldplicht en drempelwaarden voor significante incidenten uit de Cbw verder uit en spitst deze toe op de zorg.

Belangrijk is dat kleinere organisaties met een beperkte capaciteit buiten het bereik kunnen vallen: organisaties die niet voldoen aan de omvangscriteria (‘size cap’) vallen niet onder de reikwijdte van de wet. Dat ontslaat hen echter niet van de verplichting om hun netwerk- en informatiesystemen te beveiligen en te voldoen aan de NEN 7510.

De zorgplicht: aansluiting bij bestaande normen in de zorg

Waar de Regeling zorg zich onderscheidt, is de bewuste aansluiting bij normen die in de zorg al gelden. De 10 verplichte maatregelen als bedoeld in artikel 21 lid 1 Cbw en hoofdstuk 4 Cbb worden geacht toereikend te zijn als zij (artikel 2.1):

  • aantoonbaar voldoen aan NEN 7510;
  • aantoonbaar voldoen aan NEN-ISO-IEC 27001 en 27002; of
  • een aantoonbaar gelijkwaardig beschermingsniveau

Kiest een entiteit voor een gelijkwaardig niveau, dan moet zij zélf aantonen dat voldoende maatregelen zijn genomen; daarvan is in elk geval sprake bij een beschermingsniveau vergelijkbaar met ISO 27001/27002. Door aan te sluiten bij de al wettelijk geldende NEN 7510 (zorginformatiesystemen moeten hier op grond van het Besluit elektronische gegevensverwerking door zorgaanbieders al aan voldoen) beoogt de wetgever de regeldruk te beperken en dubbele lasten te voorkomen. Onderdeel van de NEN 7510 is een verplichte risicobeoordeling, waaronder het in kaart brengen van risico’s in de toeleveringsketen.

Ter ondersteuning stelt het ministerie van VWS via het NEN kosteloos opleidingen, implementatiehandvatten en een community beschikbaar en biedt Z-CERT (het expertisecentrum cybersecurity in de zorg) ondersteuning door te informeren over kwetsbaarheden in gebruikte software.

Wanneer is een incident significant?

Onder de Cbw moeten essentiële en belangrijke entiteiten ‘significante incidenten’ melden bij hun Computer Security Incident Response Team (“CSIRT”) en de bevoegde autoriteit. De wettelijke ondergrens volgt uit artikel 25 lid 2 Cbw: een incident is significant als het: (a) een ernstige operationele verstoring of financiële verliezen voor de entiteit veroorzaakt of kan veroorzaken, of; (b) andere entiteiten door aanzienlijke materiële of immateriële schade treft of kan treffen.

Deze normen zijn open. De regeling werkt de meldplicht daarom uit met drempelwaarden specifiek voor de zorg (artikel 2.2), die entiteiten en toezichthouders duidelijkheid moeten bieden over wanneer in ieder geval sprake is van een meldplichtig incident. Kenmerkend voor de zorg is dat de drempelwaarden aansluiten bij de gevolgen voor de patiënt.

Zo is sprake van een significant incident indien als gevolg van het incident:

  1. een kritisch bedrijfsproces langer dan vier uur (deels) stilligt. De grens van vier uur markeert de periode waarin een verstoring merkbare, ernstige gevolgen krijgt; korter is doorgaans op te vangen. Denk aan het afzeggen van meer dan 20% van de geplande zorg of productie.
  2. cruciale netwerk- en informatiesystemen zijn gecompromitteerd of vernietigd. Bijvoorbeeld beademingsapparatuur die door een aanval onbruikbaar wordt of een configuratiefout die de geneesmiddelenproductie verstoort.
  3. de integriteit, vertrouwelijkheid of beschikbaarheid van bedrijfsgevoelige informatie is aangetast. Dit omvat bij zorgaanbieders ook patiënt- en cliëntgegevens.
  4. de vertrouwelijkheid van bijzondere persoonsgegevens of BSN is aangetast door een vermoedelijke kwaadwillende handeling. Het vermoeden (hack, ransomware, phishing) volstaat al voor de meldplicht.
  5. sprake is van blijvend letsel, ziekenhuisopname of overlijden van een persoon. Dit kan ook bij een korte verstoring (< 4 uur), mits er een direct causaal verband tussen incident en gevolg bestaat.

Van belang is dat de Cbw een ‘all-hazard-benadering’ kent: de meldplicht is niet beperkt tot kwaadwillige handelingen, maar omvat ook menselijke fouten, natuurrampen en branden. Een incident is bovendien al meldplichtig wanneer het aan een drempelwaarde “kan gaan voldoen“, dat wil zeggen bij een reële kans op de genoemde gevolgen waarvan het gevaar nog niet is geweken. Gepland onderhoud en vooraf overeengekomen onderbrekingen gelden echter in beginsel niet als significant incident.

Toezicht, CSIRT en samenloop met andere meldplichten

Het toezicht in de zorg ligt bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (“IGJ”). De CSIRT-taken worden feitelijk uitgevoerd door Z-CERT, al is Z-CERT formeel nog niet aangewezen door de minister.

Een belangrijk praktisch aandachtspunt is de samenloop van meldplichten. Het Nationaal Cyber Security Centrum (“NCSC”) beheert het registratie- en meldportaal voor de Cbw, terwijl de Autoriteit Persoonsgegevens (“AP”) een eigen portaal voor AVG-meldingen heeft. Een incident kan zowel onder de Cbw als bijvoorbeeld onder de AVG (artikel 33) meldplichtig zijn; een centraal, gecombineerd meldloket is er (nog) niet. Het is belangrijk om dan beide meldingen tijdig te doen.

Vragen over de Cbw, het Cbb of de Cyberbeveiligingsregeling zorg? Of wordt u geconfronteerd met een significant incident? Neem gerust contact op met Machteld Robichon, Bente van Kan of Lucas de Vet.

Visie

Beëindiging van financiële dienstverlening: zo toetst de rechter of dit gerechtvaardigd is

Een brief van de bank of betaaldienst valt op de mat waarin de relatie of financiële dienst wordt opgezegd. Het komt voor ondernemers of particulieren vaak als een schok. Zonder financiële diensten is het vrijwel onmogelijk om deel te nemen aan het maatschappelijk en economisch verkeer: bijv. belastingen en salarissen kunnen niet worden betaald, leveranciers kunnen niet worden voldaan en pinbetalingen worden niet uitgevoerd. De opzegging is lang niet altijd rechtmatig. De Nederlandse wet- en regelgeving en rechters bieden belangrijke waarborgen, zowel voor zakelijke als particuliere klanten.

In deze blog leggen wij uit wanneer een bank of betaaldienst de relatie of een dienst mag opzeggen, welke toets de rechter daarbij hanteert en wat u kunt doen als u het niet eens bent met de opzegging.

NB. Overigens staan wij ook financiële dienstverleners bij, en bekijken dus ook van hun kant of opzegging mag; voor de eenvoud gaan wij daar in deze blog niet op in.

Wettelijke en contractuele kaders

Banken en (gereguleerde) betaaldiensten zijn gebonden aan wettelijke kaders, waaronder maar niet uitsluitend de Wet op het financieel toezicht (Wft), de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) en de Transfer of Funds Regulation (die ziet op de informatie die bij geldovermakingen moet worden gevoegd ter voorkoming van witwassen en terrorismefinanciering).

De relatie tussen een bank en haar klant is verder gebaseerd op een of meer overeenkomsten, waaronder algemene voorwaarden zoals de Algemene Bankvoorwaarden (ABV). Artikel 35 ABV kent zowel de bank als de klant in beginsel de bevoegdheid toe om de relatie schriftelijk geheel of gedeeltelijk op te zeggen, zonder dat daarvoor verzuim van de klant is vereist. Dit kan de gehele dienstverlening raken, dus niet alleen de betaalrekening maar ook de rekening-courant, spaarproducten, leningen etc.

Dat een contractuele opzegbevoegdheid bestaat, betekent echter niet dat de bank of betaaldienst daarvan altijd gebruik kan maken. De rechtsgeldigheid van een opzegging wordt niet alleen bepaald door de overeenkomst, maar ook door de aanvullende en corrigerende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW)).

De toets van artikel 6:248 lid 2 BW

Uit vaste rechtspraak volgt dat een contractuele opzegging niet rechtsgeldig is indien dit, gelet op de feiten en omstandigheden van het geval, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (zie o.a. Hoge Raad 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2929). Deze maatstaf wordt onverkort toegepast bij de opzegging van financiële dienstverlening.

Deze maatstaf geldt ook voor betaaldiensten. Dit is onder meer bevestigd in een arrest van het Gerechtshof Amsterdam over Mollie (arrest van 24 oktober 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:3304); en in een uitspraak van de rechtbank Amsterdam (5 maart 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:1237).

Om te beoordelen of een opzegging (on)aanvaardbaar is, maakt de rechter een belangenafweging: het belang van de bank/betaaldienstverlener bij opzegging wordt afgewogen tegen het belang van de klant bij voortzetting van de relatie. Daarbij speelt ook de (bijzondere) zorgplicht van de dienstverlener een belangrijke rol. De zorgplicht is onder meer neergelegd in artikel 2 ABV, dat bepaalt dat de bank bij haar dienstverlening zorgvuldig moet zijn en zo goed mogelijk rekening moet houden met de belangen van de klant, gelet op de maatschappelijke functie die banken vervullen (rechtbank Amsterdam 24 augustus 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:5062; rechtbank Den Haag 25 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:11174). Artikel 35 lid 1 ABV verbindt de zorgplicht expliciet ook aan de opzegging zelf.

Hoe werkt de belangenafweging?

Uit de rechtspraak blijkt dat rechters zeer feitelijk toetsen welke belangen op het spel staan en hoe de bank of betaaldienstverlener tot haar besluit is gekomen.

In een zaak over de opzegging van een zakelijke betaalrekening naar aanleiding van een strategische beleidswijziging overwoog de rechtbank Amsterdam dat de keuze van een bank om haar internationale activiteiten terug te dringen wegens toegenomen compliance-kosten legitiem is, maar moet worden afgewogen tegen de belangen van de klant. Omdat de klant niet afhankelijk was van de rekening en via andere banken kon blijven deelnemen aan het economisch verkeer, woog het belang van de bank op zijn minst even zwaar, zodat de opzegging niet onaanvaardbaar was (rechtbank Amsterdam 24 augustus 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:5062).

Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelde dat een bank onrechtmatig handelde door overhaast en zonder rekening te houden met de gerechtvaardigde belangen van de rekeninghouder tot onmiddellijke beëindiging van de relatie over te gaan, op basis van een onvolledig beeld van de feiten (Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26 maart 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:1989).

Categorale uitsluiting is hoe dan ook niet toegestaan

Ook categorale uitsluiting van bepaalde branches wordt kritisch getoetst. Het Hof ‘s-Hertogenbosch oordeelde dat het enkele feit dat de klant een coffeeshop exploiteert geen integriteitsrisico oplevert dat uitsluiting van het betalingsverkeer rechtvaardigt, en dat de opzegging willekeurig en onevenredig schadelijk was voor de klant (Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26 maart 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:1989).

Deze lijn is recent bevestigd in een zaak over een betaaldienst. Wij procederen voor coffeeshops tegen betaaldienstverlener Worldline, die pinbetalingen voor de coffeeshops verzorgt. De rechter oordeelde dat Worldline de overeenkomsten met de coffeeshops niet categoraal mocht beëindigen, omdat categorale uitsluiting niet is toegestaan, ook niet door een betaaldienstverlener. Daarbij woog mee dat meer dan 80% van de betalingen bij de coffeeshops pinbetalingen zijn en dat overstap naar een andere aanbieder op korte termijn niet mogelijk is (rechtbank Midden-Nederland 6 maart 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:881).

Wanneer wijkt de belangenafweging voor de Wwft?

Een belangrijke nuancering geldt wanneer de opzegging is ingegeven door de Wwft. Op grond van artikel 3 lid 1 Wwft is de bank verplicht klantonderzoek te verrichten. Klanten moeten (op grond van artikel 3 ABV) hieraan meewerken. Kan de bank, ondanks herhaalde verzoeken, geen toereikend klantonderzoek afronden, dan is zij op grond van artikel 5 lid 3 Wwft zelfs verplicht de relatie te beëindigen. In zo’n geval zal de opzegging meestal niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn (bijv.: rechtbank Rotterdam 27 maart 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:3985). In diezelfde uitspraak benadrukt de rechter overigens dat als de relatie met de onderneming wordt opgezegd, dit niet automatisch betekent dat ook de eigen persoonlijke relatie met de ondernemer (UBO) mag worden opgezegd, wanneer niet blijkt welk concreet risico die persoon voor de bank meebrengt.

Ook bij Europese sanctiewetgeving (bijvoorbeeld het EU-sanctiepakket na de Russische inval in Oekraïne in de zin van Verordening (EU) 296/2014 (als gewijzigd) en Verordening 833/2014 (als gewijzigd)) kan een bank op grond van de Algemene Bankvoorwaarden en aanvullend beleid de relatie opzeggen (rechtbank Rotterdam 11 maart 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:2409).

Wat kunt u doen als de relatie / financiële dienst wordt opgezegd?

De rechtspraak laat zien dat een opzegging door de bank of betaaldienst geen automatisme is, maar het resultaat moet zijn van een zorgvuldige, kenbare belangenafweging – tenzij een dwingende wettelijke opzegplicht (zoals artikel 5 lid 3 Wwft) die afweging opzijzet.

Daarbij zijn relevante vragen onder meer: bent u tijdig gewaarschuwd, is er sprake van een voldoende zwaarwegende (en rechtmatige) grond, is de opzegtermijn redelijk, zijn er alternatieven overwogen en is het besluit kenbaar en gemotiveerd onderbouwd? Ook is van belang of de klant zelf voldoende heeft meegewerkt aan klantonderzoek.

Wordt de relatie, uw betaalrekening of ander product of dienst opgezegd, dan is het van belang de opzeggrond, de gehanteerde termijn en de onderliggende feiten kritisch te (laten) beoordelen. Vaak is een sommatiebrief of zelfs een kort geding tot voortzetting of opschorting van de opzegging een geschikt instrument om op korte termijn duidelijkheid te krijgen.

Heeft u te maken met een opzegging van de relatie of dienst of dreigt dit, en wilt u weten of de bank of betaaldienst hiertoe gerechtigd is? Neem dan gerust contact op met Eric Meijer van Gelderen of Joris Viellevoije voor een beoordeling van uw situatie.

Visie

Ministeriële regeling cyberbeveiliging EZK: de meldplicht onder de Cyberbeveiligingswet nader toegelicht

Op 21 juli 2026 is de Regeling van de staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat (“staatssecretaris EZK”), houdende regels voor essentiële en belangrijke entiteiten in de EZK-sectoren (“Regeling EZK”), gepubliceerd. Deze ministeriële regeling geeft nadere uitwerking aan de Cyberbeveiligingswet (“Cbw’’) en het Cyberbeveiligingsbesluit (“Cbb’’), die beiden op 15 augustus 2026 in werking treden.

In onze eerdere blog van 25 november 2025 stond de zorgplicht onder de consultatieversie van de Regeling EZK centraal. In deze bijdrage staat een andere kernverplichting centraal, namelijk de meldplicht.

Voor wie geldt de Regeling EZK?

De Regeling EZK is van toepassing op de sectoren digitale infrastructuur, beheer van ICT-diensten, ruimtevaart, vervaardiging en post- en koeriersdiensten. Deze blog beperkt zich tot de nadere regels in verband met de meldplicht voor de sector digitale infrastructuur. Binnen de sector digitale infrastructuur is de Regeling EZK van toepassing op de volgende drie soorten entiteiten:

  • Aanbieders van openbare elektronische communicatienetwerken;
  • Aanbieders van openbare elektronische communicatiediensten; en
  • Aanbieders van internetknooppunten.

Voor de overige entiteiten binnen de sector digitale infrastructuur die onder de Cbw vallen, geldt voor de verplichtingen aangaande de zorgplicht en de meldplicht rechtstreeks de Uitvoeringsverordening (EU) 2024/2690. Het gaat hierbij om DNS-dienstverleners, registers voor topleveldomeinnamen, aanbieders van cloudcomputingdiensten, aanbieders van datacentrumdiensten, aanbieders van netwerken voor de levering van inhoud en verleners van vertrouwensdiensten. Hetzelfde geldt voor aanbieders van beheerde beveiligingsdiensten en digitale aanbieders, zoals onlinemarktplaatsen, onlinezoekmachines en sociale netwerkplatforms.

Wanneer is een incident significant?

Onder de Cbw moeten essentiële en belangrijke entiteiten significante incidenten melden bij hun Computer Security Incident Response Team (“CSIRT’’) en de bevoegde autoriteit. Hiervoor richt de minister van Justitie en Veiligheid één centraal meldloket in.

De wettelijke ondergrens volgt uit artikel 25, tweede lid, van de Cbw. Een incident is ingevolge dit artikel significant als het:

  • Een ernstige operationele verstoring van de diensten of financiële verliezen voor de betrokken entiteit veroorzaakt of kan veroorzaken; of
  • Andere entiteiten heeft getroffen of kunnen treffen door aanzienlijke materiële of immateriële schade te veroorzaken.

Deze normen zijn open. Artikel 23, eerste lid, van het Cbb geeft de betrokken minister daarom de bevoegdheid om bij regeling nadere, per (sub)sector gedifferentieerde criteria vast te stellen.

Algemene criteria

Artikel 7 Regeling EZK bevat algemene criteria die voor alle onder de regeling vallende sectoren gelden. Een incident is ingevolge dit artikel in ieder geval significant als:

a) Het de dood van een of meerdere personen veroorzaakt of kan veroorzaken; of

b) Aanzienlijke schade aan de gezondheid aan een of meerdere personen heeft veroorzaakt of kan veroorzaken.

Daarbij is van belang dat voorziene gevolgen van gepland onderhoud, zoals een tijdelijke onderbreking van de dienstverlening, in beginsel geen significant incident vormen. Voor het meldmoment geldt dat een entiteit meldt zodra zij kennis heeft van het incident, ook wanneer de gevolgen pas op een later moment duidelijk worden. Van entiteiten wordt niet verlangd dat zij informatie verzamelen waartoe zij redelijkerwijs geen toegang hebben.

Nadere criteria openbare elektronische communicatienetwerken en -diensten

In artikel 8 Regeling EZK is bepaald dat een incident bij aanbieders van openbare elektronische communicatienetwerken en -diensten in ieder geval significant is als:

a) Bij een onderbreking ten minste 50.000 gebruikers zijn getroffen gedurende vier uur of langer;

b) De integriteit, vertrouwelijkheid of authenticiteit van gegevens die in verband met de dienstverlening worden verwerkt is aangetast, met gevolgen voor ten minste 1% van de gebruikers, met een minimum van 10.000 gebruikers; of

c) Het alarmnummer niet beschikbaar is.

De drempels zijn na consultatie afgestemd op een balans tussen impact en regeldruk. De vier-uursgrens en de ondergrens voorkomen dat iedere kortdurende storing of beperkte aantasting tot een meldplicht leidt. Het gaat bij ‘gebruikers’ om iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die gebruikmaakt van de dienst, ook zonder abonnement.

Met dienstverlening wordt niet alleen het aangeboden openbare elektronische communicatienetwerk of de openbare elektronische communicatiedienst verstaan, maar ook de ondersteunende diensten of netwerk- en informatiesystemen van de entiteit die noodzakelijk zijn voor het aanbieden ervan.

Een incident is onder onderdeel c) alleen meldplichtig indien het plaatsvindt binnen de 112-keten bij of onder de verantwoordelijkheid van de aanbieder van het openbare elektronische communicatienetwerk of de openbare elektronische communicatiedienst.

Nadere criteria internetknooppunten

Ingevolge artikel 9 Regeling EZK is voor aanbieders van internetknooppunten een incident in ieder geval significant als:

a) Ten minste 25% van het actuele totale verkeer (in bits per seconde) gedurende ten minste 30 minuten is uitgevallen; of

b) De integriteit, vertrouwelijkheid of authenticiteit van gegevens die in verband met de dienstverlening worden verwerkt is aangetast, met gevolgen voor meer dan 5% van de gebruikers.

Voor de drempel van 5% is bewust aangesloten bij de bestaande meldcriteria onder Uitvoeringsverordening (EU) 2024/2690, zodat aanbieders met herkenbare, onderling consistente regels te maken hebben.

Het vangnet

De meldcriteria in de Regeling EZK zijn niet uitputtend. De genoemde criteria bepalen wanneer in ieder geval sprake is van een significant incident. Voldoet een incident aan één of meer van deze criteria, dan moet het worden gemeld. De wettelijke criteria van artikel 25, tweede lid, van de Cbw blijven onverkort gelden als vangnet. De beoordeling verloopt daarom in twee stappen. De criteria in de Regeling EZK vormen het primaire kader. Als een incident daar niet onder valt, moet alsnog aan de hand van de open normen worden beoordeeld of sprake is van een significant incident.

Slot

De toelichting bij de Regeling EZK benadrukt: de meldplicht is niet beperkt tot incidenten die het gevolg zijn van kwaadwillige handelingen of ongeoorloofde toegang; ook incidenten die het gevolg zijn van menselijke fouten vallen hieronder. Ingevolge de toelichting kan daarbij gedacht worden aan het onbedoeld openbaar maken van vertrouwelijke gegevens of het onjuist uitvoeren van een systeemupdate, waardoor de netwerk- en informatiesystemen niet meer naar behoren functioneren.

Vragen over de Cbw of de Regeling EZK? Neem dan contact op met Machteld Robichon, Bente van Kan of Lucas de Vet.

Met dank aan Daan Zwinkels

Visie

De Cyberbeveiligingswet: definitief volgende maand van kracht

Op dinsdag 7 juli is het wetsvoorstel van de Cyberbeveiligingswet (“Cbw”) aangenomen door de Eerste Kamer, samen met de Wet weer baarheid kritieke entiteiten (“Wwke”). Eerder, op 15 april, had de Tweede Kamer al ingestemd met het wetsvoorstel. De wet treedt al in werking op 15 augustus 2026. De Cbw implementeert de Europese NIS2-richtlijn en zal de huidige Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen (“Wbni”) vervangen.

Wat betekent dit voor u?

Vanaf 15 augustus 2026 zullen de verplichtingen uit de Cbw gelden voor ruim 8000 organisaties die essentiële of belangrijke diensten leveren. De organisaties die onder de Wwke vallen zullen vanaf dat moment als kritieke organisatie worden zijn aangewezen.

Organisaties zullen zelf moeten nagaan of zij onder de Cbw vallen. Dit kunnen zij bijvoorbeeld doen met deze zelfevaluatietoolvan de Rijksoverheid. De wet is van toepassing op 18 sectoren, zoals het bankwezen, energie, digitale aanbieders en digitale infrastructuur.

Bron: https://www.nctv.nl/onderwerpen/c/cyberbeveiligingswet/welke-organisaties-vallen-onder-de-cyberbeveiligingswet

Belangrijkste verplichtingen onder de Cbw

Omdat de verplichtingen al vanaf 15 augustus 2026 gelden, is het belangrijk dat organisaties nu al stappen ondernemen om compliant te zijn. In onze vorige blogs van 7 april , 30 oktober en 19 september kunt u meer lezen over de inhoud van deze verplichtingen. In het kort zijn de belangrijkste verplichtingen:

  • Registratieplicht: Organisaties moeten zich registreren in het entiteitenregister via het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC). Ook financiële instellingen vallend onder de Digital Operational Resilience Act moeten dat doen. Organisaties kunnen zich alvast voorbereiden met deze checklist. Na de registratie kunnen de organisaties gebruik maken van de diensten van hun Computer Security Incident Response Team (“CSIRT”), ter ondersteuning van het vergroten van de weerbaarheid.
  • Zorgplicht: Organisaties moeten passende maatregelen nemen om risico’s voor de beveiliging van hun netwerk- en informatiesystemen te beheersen. De zorgplicht uit de Cbw is risicogebaseerd, waarbij organisaties op basis van een door hen uit te voeren risicoanalyse, een eigen invulling mogen geven aan de in het kader van die zorgplicht te nemen maatregelen om incidenten te voorkomen en gevolgen te beperken.
  • Meldplicht: Organisaties moeten significante incidenten melden bij het CSIRT en de bevoegde toezichthouder via het meldportaal.
  • Bestuurders eindverantwoordelijk: De bestuurders van organisaties zijn eindverantwoordelijk voor de naleving van alle Cbw verplichtingen. Zij moeten hiertoe beschikken over aantoonbare kennis en vaardigheden om risico’s en beveiligingsmaatregelen te kunnen beoordelen en daarvoor regelmatig trainingen volgen. Zie ook onze eerdere blog over bestuurders en de Cbw.

Wat staat er op de planning?

Guidelines van de Europese Commissie

In de Nota naar aanleiding van het tweede verslag (29 juni jl.) heeft de minister van Justitie en Veiligheid (de “minister”) vragen van de Eerste Kamer beantwoord over het wetsvoorstel. Een veelgehoorde zorg is de verwachte regeldruk. De minister legt uit dat bij het opstellen van de Cbw, binnen de kaders van de NIS2-richtlijn, lage regeldruk voor bedrijven steeds een belangrijk uitgangspunt was, vooral als het gaat om de toeleveringsketen.

Volgens de minister, heeft ook de Europese Commissie hier aandacht voor. De laatste stelt voor om guidelines te ontwikkelen met aanbevelingen over hoeveel detail en welk format bedrijven moeten gebruiken als zij (vanwege de op hen berustende zorgplicht) informatie opvragen bij partijen in hun toeleveringsketen. Dit kan de lasten voor leveranciers en dienstverleners verlichten en zorgen voor een consistente en efficiënte aanpak om de  toeleveringsketen te beveiligen. De minister heeft dit voorstel, mede met het oog op de toeleveringsketen, positief beoordeeld.

Cyberbeveiligingsbesluit

Het Cyberbeveiligingsbesluit, dat uitvoering geeft aan de regels ter uitvoering van de Cbw treedt eveneens op 15 augustus 2026 in werking. De Afdeling advisering van de Raad van State heeft op 1 juni jl. advies gegeven om het ontwerpbesluit nog aan te passen op vier onderwerpen: de bewaartermijn voor persoonsgegevens; de criteria voor wat een “significant incident” is; de aanwijzing van CSIRT’s bij of krachtens algemene maatregel van bestuur in plaats van bij ministeriële regeling en de nafase na een significant incident.

Ten aanzien van de consultatieversie verdienen verschillende wijzigingen in de uiteindelijke versie van het Cyberbeveiligingsbesluit bijzondere aandacht, bijvoorbeeld:

  • Artikel 8, tweede lid, beperkt de monitoringsverplichting tot incidenten. Opvallend is dat de bepaling ‘bijna-incidenten’, cyberbedreigingen en kwetsbaarheden niet langer noemt, terwijl de consultatieversie deze categorieën uitdrukkelijk wel vermeldt.
  • Artikel 9 vervangt het gecombineerde bedrijfscontinuïteits- en noodvoorzieningenplan door afzonderlijke verplichtingen. Het besluit verplicht organisaties tot een bedrijfscontinuïteitsbeleid, processen voor bedrijfscontinuïteit, een bedrijfscontinuïteitsplan, een zelfstandig herstelplan (vierde lid) en een crisisbeheerplan. Het herstelplan moet schriftelijk worden vastgelegd, toegepast en periodiek getest.
  • Artikel 10 schrapt de verplichting om schriftelijke afspraken met rechtstreekse leveranciers vast te leggen en een leveranciersoverzicht bij te houden. Daarvoor in de plaats toetst de organisatie leveranciers periodiek aan de eigen beveiligingseisen van artikel 7, vijfde lid.
  • Artikel 24 (voorheen artikel 25) breidt de inhoud van de vroegtijdige waarschuwing uit. De waarschuwing bevat voortaan ook een beschrijving van de aard en de op dat moment merkbare gevolgen van het incident (onder b) en, naast reeds genomen maatregelen, de voorgenomen maatregelen om de gevolgen te beperken of herhaling te voorkomen (onder d).

Aan de slag

Als nog niet duidelijk is of uw organisatie onder de Cbw valt, is dat de eerste stap gelet op de inwerkingtreding op 𝟏𝟓 𝐚𝐮𝐠𝐮𝐬𝐭𝐮𝐬 𝟐𝟎𝟐𝟔.

Vragen over de juridische impact van de Cbw: van scope-analyse tot  bestuursaansprakelijkheid en toezicht & handhaving. Voor u als bestuurder of voor uw organisatie? Neem dan contact op met Machteld Robichon, Bente van Kan of Lucas de Vet.

Met dank aan Daan Zwinkels

Visie

ESMA trekt grens bij prediction markets: event contracts met financiële onderliggende waarde vallen in het MiFID II-regime

ESMA trekt grens bij prediction markets: event contracts met financiële onderliggende waarde vallen in het MiFID II-regime

Prediction markets zijn platforms waarop deelnemers event contracts kunnen kopen en verkopen met een binaire uitkomst. De deelnemer wint een vast bedrag bij een juiste voorspelling, of helemaal niets bij een onjuiste voorspelling. De bekendste voorbeelden van platformen zijn Polymarket en Kalshi, waarop gebruikers kunnen wedden op uiteenlopende toekomstige gebeurtenissen. Denk aan: ‘Bereikt de S&P 500 een all-time high vóór 1 januari 2026?’, ‘Winnen de Republikeinen de volgende Amerikaanse verkiezingen?’ of ‘Wie zullen er aanwezig zijn bij de bruiloft van Taylor Swift?’.

De inzetvolumes zijn indrukwekkend. Analisten schatten dat de markt in 2030 bijna 1 biljoen Amerikaanse dollars zou kunnen bereiken.[i]

Op 3 juli 2026 publiceerde ESMA een Public Statement waarin zij verder stelling neemt dat event contracts in veel gevallen worden ondervangen in het bestaande MiFID II-regime.[ii]

ESMA-statement: event contracts kwalificeren als binaire opties

De kern van het ESMA-statement is relatief eenvoudig maar heeft vergaande gevolgen. ESMA stelt dat event contracts met een binaire uitkomst hoogstwaarschijnlijk kwalificeren als een als derivaat en/of als binaire optie, zijnde een ‘financieel instrument’ in de zin van MiFID II.[iii]

De redenering keert terug naar de structuur van Bijlage I, Deel C van MiFID II.[iv] Alleen event contracts waarvan de onderliggende waarde valt onder de punten C(4) tot en met C(10) kwalificeren als financieel instrument. Denk aan derivaten/opties met een breed scala aan gekoppelde onderliggende waarden zoals valuta, rentevoeten, inflatiepercentages, grondstoffen of financiële indices.

Event contracts met een puur niet-financiële onderliggende waarde (zoals een sportuitslag of een verkiezingsuitslag zonder koppeling aan een economische maatstaf) vallen dus buiten dit kader.

ESMA benadrukt dat de commerciële benaming van een weddenschap/product zoals ‘event contract’ en ‘prediction market’, of anderszins, irrelevant is voor de kwalificatie onder bestaande Europese financiële toezichtregels. Wat telt, zoals gebruikelijk bij nieuwe financiële producten of diensten, zijn de daadwerkelijke productkenmerken. ESMA wijst aanbieders erop dat zij verplicht zijn een zorgvuldige juridische analyse te maken van hun producten en dat zij zich niet enkel mogen verschuilen achter creatieve naamgeving.

Juridische implicaties: verbod voor retailklanten, MiFID II-vereisten van toepassing

Indien het MiFID II-regime van toepassing is zijn er twee gevolgen die het meest in het oog springen:

  • Er geldt een verkoopverbod en andere restricties ten aanzien van retailklanten. Event contracts die als binaire optie kwalificeren vallen onder de permanente nationale productinterventie­maatregelen die zijn gebaseerd op de oorspronkelijke ESMA-beslissing uit 2018 (EU) 2018/795.[v] Deze maatregelen verbieden de marketing, distributie en verkoop van binaire opties aan retailklanten. De toewijzing van een coupon of reward aan het event contract doet aan de binaire aard niets af, aldus ESMA.
  • Het aanbieden van event contracts aan professionele beleggers is toegestaan, mits de aanbieder beschikt over een MiFID II-vergunning. Het is verboden om in Nederland zonder een daartoe door de AFM verleende vergunning beleggingsdiensten te verlenen of beleggingsactiviteiten te verrichten.[vi] Een vergunning als beleggingsonderneming is aldus vereist, tezamen met naleving van onder meer de gedragsregels en product governance. Binaire opties worden aangemerkt als complexe producten, waardoor het uitvoeren van passendheidstoets is vereist.[vii]

Overlappende bevoegdheid toezichthouder AFM of KSA?

Het lijkt voor de hand liggend dat event contracts zonder een financiële onderliggende waarde als vermeld in MiFID II, zoals bijvoorbeeld een politieke of sportweddenschap, kwalificeren als het organiseren van een kansspel onder Wet op de kansspelen (‘Wok’).[viii] In de Wok is het verboden om ‘in Nederland gelegenheid te geven om mede te dingen naar prijzen of premies, indien de aanwijzing der winnaars geschiedt door enige kansbepaling waarop de deelnemers in het algemeen geen overwegende invloed kunnen uitoefenen, tenzij daarvoor een vergunning is verleend’.[ix] Het is eveneens verboden om de deelneming aan onvergunde kansspelen te bevorderen.[x]

De werkingssfeer van de Wok is daarmee in beginsel ruimer dan die van MiFID II: waar MiFID II uitsluitend van toepassing is op weddenschappen met een financiële onderliggende waarde, kent de Wok geen vergelijkbare beperking. In gevallen waarin beide regimes samenlopen, zijn zowel de AFM als de KSA bevoegd tot handhaving. Om een overlap in toezichtdomein te vermijden, zullen de toezichthouders in de praktijk onderling afstemmen, waartoe zij gehouden zijn op grond van het Convenant dat tussen de KSA en de AFM is gesloten. [xi]

Conclusie: ESMA en regulatoire realiteit laten weinig ruimte

Het ESMA-statement consolideert de bestaande Europese lijn: prediction markets zijn geen juridisch niemandsland. Aanbieders die event contracts met een financiële onderliggende waarde op de Europese markt willen brengen, moeten zich realiseren dat zij vermoedelijk opereren in het hart van het MiFID II-kader.

Indien u van gedachten wilt wisselen over dit onderwerp, neem dan contact op met Joris Viellevoije.

 

 

[i] CNBC, ‘Prediction markets will grow to $1 trillion by 2030, Bernstein estimates’, 14 april 2026, te raadplegen op: https://www.cnbc.com/2026/04/14/prediction-markets-will-grow-to-1-trillion-by-2030-bernstein-says.html.

[ii] ESMA, ‘ESMA reminds firms of existing rules and obligations under binary option measures amid growing popularity of prediction markets globally’, 3 juli 2026, te raadplegen op: https://www.esma.europa.eu/press-news/esma-news/esma-reminds-firms-existing-rules-and-obligations-under-binary-option-measures.

[iii] Een binaire optie dient onder meer in contacten te worden afgewikkeld, voorziet uitsluitend in betaling ten tijde van vroegtijdige beëindiging of aan het einde van de looptijd, en de betaling is beperkt tot een vooraf bepaald vast bedrag als het derivaat wel/niet aan een of meer vooraf bepaalde voorwaarden voldoet. Zie ook voetnoot 3 van de ESMA Public Statement van 3 juli 2026 of het volgende AFM-besluit: https://www.afm.nl/~/profmedia/files/onderwerpen/productinterventie/besluit-productinterventie-bo.pdf.

[iv] Richtlijn 2014/65/EU (MiFID II)(als gewijzigd), te raadplegen op: https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=CELEX:02014L0065-20260606.

[v] ESMA Besluit (EU) 2018/795 van 22 mei 2018 inzake de verkoop van binaire opties aan niet-professionele cliënten, te raadplegen op: https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=CELEX:32018X0601(01). Dit besluit is inmiddels verwerkt in artikel 42 MiFIR; zie voor het verbod ook: artikel 1:77f Wft.

[vi] Artikel 2:96 Wft.

[vii] In de zin van artikel 25, lid 3, van MiFID II.

[viii] In dat kader is de gepubliceerde last onder dwangsom van de Kansspelautoriteit aan Polymarket (One QSS Inc.) interessant: KSA, ‘Last onder dwangsom voor illegaal kansspelaanbod Polymarket’, 17 februari 2026, te raadplegen op: https://kansspelautoriteit.nl/last-onder-dwangsom-voor-illegaal-kansspelaanbod-polymarket.

[ix] Artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a van de Wok.

[x] Artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b van de Wok.

[xi] Convenant tussen de Kansspelautoriteit en de Stichting Autoriteit Financiële Markten van 18 mei 2016.

Visie

Update recente uitspraken Reclame Code Commissie – juni 2026

In deze blog praten we jullie bij over enkele interessante uitspraken van de Reclame Code Commissie (“RCC”) van de afgelopen maanden. In de blog komen uitspraken van de RCC aan bod over uiteenlopende thema’s, zoals influencer marketing en de grenzen van de vrijheid van meningsuiting bij ideële en maatschappelijk gevoelige reclame.

#Onvoldoende duidelijke reclamevermelding 

In een uitspraak van 21 mei 2026 behandelt de RCC een klacht over een Instagrambericht van een influencer waarin een ‘In Real Life’ (IRL) streamingtour door zeven Belgische steden wordt gepromoot. Deze tour werd georganiseerd in samenwerking met een sportretailer. In de afbeelding staat de tekst “Together with [adverteerder]”. Onderaan de beschrijving worden het account van de adverteerder en de hashtag “#ad” vermeld.

Geklaagd wordt dat niet onmiddellijk duidelijk is dat het om een reclame-uiting ging, omdat de vermelding ‘#ad’ pas zichtbaar wordt nadat de beschrijving is uitgeklapt en bovendien helemaal onderaan staat. Op grond van artikel 3 van de Reclamecode Social Media & Influencer Marketing (“RSM”) moet de relatie tussen adverteerder en influencer onmiddellijk en ondubbelzinnig herkenbaar zijn.

De adverteerder voert aan dat de contractuele voorwaarden ten tijde van de post nog niet definitief waren overeengekomen en dat er nog geen overeenkomst bestond op grond waarvan de influencer verplicht was te posten of waarvoor werd betaald. Er werd wel een samenwerking overwogen en uit de standaardvoorwaarden van de adverteerder volgt een verplichting om commerciële samenwerking duidelijk te markeren.

Voor het bestaan van een ‘relevante relatie’ in de zin van artikel 2 RSM is volgens de RCC niet vereist dat sprake is van een schriftelijke overeenkomst. Doorslaggevend is of sprake is van een relatie die is gericht op het (doen) verspreiden van reclame via social media tegen enig voordeel, en die de geloofwaardigheid daarvan kan beïnvloeden. Nu de influencer in het bericht zelf expliciet naar de adverteerder verwijst als partij met wie de tour wordt georganiseerd, gaat de RCC ervan uit dat ten tijde van de klacht sprake was van enige vorm van samenwerking waarbij voor de influencer sprake was van enig voordeel.

De RCC stelt vast dat de volledige beschrijving ten tijde van de klacht pas zichtbaar werd nadat de beschrijving werd uitgeklapt. Omdat het mogelijk is dat een consument het bericht bekijkt zonder de beschrijving uit te klappen, is volgens de RCC niet voldaan aan het vereiste dat de relevante relatie uitdrukkelijk in de uiting moet worden vermeld. De uiting is daarom in strijd met artikel 3 onder a en b RSM. Omdat op grond van artikel 6 lid 4 RSM zowel de adverteerder als de influencer verantwoordelijk is voor naleving van artikel 3 RSM, en niet is gebleken dat de adverteerder aan zijn zorgplicht heeft voldaan, heeft ook de adverteerder in strijd met de RSM gehandeld. De RCC beveelt verweerder aan om niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken. Omdat de influencer het bericht al had aangepast, laat de RCC ten aanzien van de influencer een aanbeveling achterwege.

Aanprijzing van historische Duitse legervoertuigen

In een uitspraak van 12 mei 2026 behandelt de RCC een klacht over een uiting op de website van een oorlogsmuseum, waarin reclame wordt gemaakt voor een evenement waar Duitse voertuigen uit de Tweede Wereldoorlog worden getoond. In de uiting worden de voertuigen aangeprezen als “vooral afkomstig van de Wehrmacht” en wordt onder meer gesteld dat “de Duitse voertuigtechniek (…) in die tijd vaak kwalitatief beter [was] dan de geallieerde’’.

Geklaagd wordt dat de uiting (in strijd met de regels van de Museumvereniging) niet neutraal is en dat de getoonde voertuigen louter in positieve bewoordingen worden omschreven, zoals ‘’bijzondere voertuig’’, ‘’volle glorie’’ en ”imposante’’. Volgens klager wordt ten onrechte geen link gelegd tussen de getoonde voertuigen en de Holocaust, waarbij hij in het bijzonder wijst op kinderen die het evenement bezoeken.

De RCC overweegt dat het voor de gemiddelde consument, duidelijk zal zijn dat de voertuigen betrokken zijn geweest bij de Tweede Wereldoorlog, en wel aan Duitse zijde. Dat de aanprijzing positieve bewoordingen bevat en dat geen gebruik is gemaakt van termen als ‘nazi’ en ‘Holocaust’, betekent volgens de RCC nog niet dat de uiting in strijd is met de van de Nederlandse Reclame Code (“NRC”). Dit geldt evenmin voor zover kinderen van de uiting kennisnemen. Ook voor zover het evenement niet kan voldoen aan regels van de Museumvereniging betekent dit niet dat sprake is van een ontoelaatbare reclame in de zin van de NRC. Dat sprake zou zijn van het aanzetten tot of toelaten van strafbare feiten, is niet gebleken. De klacht wordt daarom afgewezen.

De RCC merkt tot slot op dat de klager tijdens de zitting heeft verwezen naar “RCC-jurisprudentie”, waarbij de betreffende dossiernummers niet corresponderen met de daarbij in de pleitnota gegeven omschrijving.

Advertentie voor hoger opgeleiden

In een uitspraak van 29 april 2026 behandelt de RCC een klacht over een radiocommercial van een verzekeraar waarin een autoverzekering wordt aangeboden met de belofte van “minimaal 20%’’ besparing en de toevoeging dat het gaat om ”verzekeringen voor hoger opgeleiden’’.

De klager stelt dat de boodschap maatschappelijk ongewenst is. Door onderscheid te maken op basis van opleidingsniveau wordt de suggestie gewekt dat mensen zonder hogere opleiding een hoger risico vormen of minder verantwoordelijk zijn. De uiting raakt klager ook persoonlijk, omdat zijn dochter haar schoolloopbaan onder meer door mentale problemen niet heeft kunnen afronden. Volgens klager is de uiting discriminerend, denigrerend en onnodig kwetsend, en daarmee in strijd met de NRC.

De adverteerder voert aan dat het iedere verzekeraar vrijstaat zich op een specifieke doelgroep te richten en dat dit is gebaseerd op schadestatistieken en jarenlange ervaring, waaruit blijkt dat deze groep minder schade claimt. Opleidingsniveau is bovendien niet als discriminatiegrond opgenomen in de Algemene wet gelijke behandeling. Eind 2025 concludeerde ook het kabinet dat onderscheid op basis van studieachtergrond als onderdeel van een risicoprofiel is toegestaan.

De toelichting bij artikel 2 NRC verwijst naar de Richtlijn Audiovisuele Mediadiensten, die voorschrijft dat reclame de menselijke waardigheid niet mag aantasten en geen discriminatie mag bevatten of bevorderen op grond van onder meer geslacht, ras, etnische afkomst, nationaliteit, levensovertuiging of seksuele geaardheid. Volgens de RCC  kan niet worden geconcludeerd dat de uiting, waarin verzekeringen ”voor hoger opgeleiden’’ worden gepromoot, in strijd is met deze bepalingen inzake discriminatie. Het staat de adverteerder vrij om reclame te richten op een specifieke doelgroep die wordt bepaald door opleidingsniveau. De uiting is daarom niet in strijd met artikel 2 NRC.

Ook van een nodeloos kwetsende uiting als bedoeld in artikel 4 NRC is geen sprake. De RCC stelt zich daarbij terughoudend op vanwege het subjectieve karakter van dat criterium. Dat de uiting niet door iedereen wordt gewaardeerd en dat sommigen zich eraan storen, is onvoldoende om te concluderen dat de uiting ontoelaatbaar is en dat de vrijheid van meningsuiting moet worden beperkt. Het feit dat de verzekering niet voor iedereen toegankelijk is, maakt de uiting op zichzelf nog niet ontoelaatbaar. De RCC wijst de klacht af.

Schelden in reclame: niet door iedereen gewaardeerd, niet ontoelaatbaar

In een uitspraak van 23 april 2026 behandelt de RCC een klacht over een televisiecommercial voor een ijsthee waarin een bekende rapper figureert. In de commercial vestigen de rapper en zijn collega op humoristische wijze de aandacht op de ‘originele’ ijsthee, in tegenstelling tot personen die ‘niet-originele’ ijsthee drinken. Op het moment dat een ‘niet-originele’ ijsthee wordt gedronken, klinkt de tekst “little fake-ass b*tch”.

Het is volgens klager onbegrijpelijk hoe de jeugd wordt beïnvloed en slecht taalgebruik wordt genormaliseerd. Geklaagd wordt dat het taalgebruik in de commercial erg provocerend is en in strijd is met de goede smaak en het fatsoen, dan wel nodeloos kwetsend is, zoals bedoeld in artikel 2 en artikel 4 NRC.

Bij deze beoordeling stelt de RCC zich terughoudend op, gelet op het subjectieve karakter van deze criteria. Uitgaande van deze terughoudende toets kan de klacht niet slagen. De reclame is bedoeld om op een humoristische wijze de (originele) ijsthee onder de aandacht te brengen. De RCC heeft er begrip voor dat dergelijke taalgebruik niet door iedereen wordt gewaardeerd, maar dat leidt niet tot het oordeel dat de uiting om die reden ontoelaatbaar is. Niet kan worden geoordeeld dat de tekst, gelet op de huidige algemene maatschappelijke opvattingen, de grenzen van het toelaatbare overschrijdt. De RCC wijst de klacht af.

Een indringende campagne: niet vóór 20:00 uur

In een uitspraak van 23 maart 2026 behandelt de RCC een klacht over een televisiecommercial van een goededoelenorganisatie over meisjesbesnijdenissen. De commercial begint met de tekst ”Elke 15 minuten gaat er in Afrika een meisje dood door meisjesbesnijdenis’’ en een waarschuwing over een gedetailleerde beschrijving van kindermishandeling. Vervolgens komen verschillende meisjes in beeld en wordt onder meer beschreven dat meisjes die 8 jaar oud worden tegen hun wil worden besneden, zonder verdoving. Ook vertelt een van de meisjes het verhaal over hoe haar zusje bij een besnijdenis zo hevig bloedde dat zij bewusteloos raakte.

Geklaagd wordt dat de commercial om 18:45 uur werd uitgezonden, een tijdstip waarop doorgaans met het gezin naar de televisie wordt gekeken. Daarnaast werd aangevoerd dat de commercial, ondanks de voorafgaande waarschuwing, te confronterend is om op dat tijdstip uit te zenden.

De adverteerder voert aan dat de campagne bedoeld is om onder volwassenen bewustwording te creëren en middelen te werven, en dat zorgvuldig rekening is gehouden met de gevoeligheid van het onderwerp: er wordt zendtijd ingekocht rond programma’s met een volwassen doelgroep, er gaat een waarschuwing aan de commercial vooraf en er is bewust gekozen voor een sobere vertelvorm. Naar aanleiding van een eerdere uitspraak van de RCC had de adverteerder bovendien een “zachtere versie” ontwikkeld, en had de adverteerder toegezegd de commercial na afloop van de lopende campagne niet meer vóór 20:00 uur uit te zenden.

De RCC overweegt dat zij in een eerder dossier een versie van de commercial ongeschikt voor jonge kinderen en in strijd met de goede smaak in de zin van artikel 2 NRC achtte, voor zover deze vóór 20:00 uur werd uitgezonden. Naar het oordeel van de RCC is, ondanks de voorafgaande waarschuwing, ook bij de “zachtere versie” nog steeds sprake van een commercial die ongeschikt is voor kinderen. De beschrijvingen in de commercial zijn, mede gelet op de emotionele context waarin zij worden gepresenteerd, dermate indringend dat zij door jonge kinderen als schokkend of angstaanjagend kunnen worden ervaren.

Gelet hierop is de uiting in strijd met de goede smaak als bedoeld in artikel 2 NRC, voor zover deze vóór 20:00 uur wordt uitgezonden. De RCC geeft het vrijblijvende advies om voortaan niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken en om de reclame in deze vorm niet vóór 20:00 uur te (laten) programmeren.

Met dank aan Daan Zwinkels

Visie

Update recente uitspraken Reclame Code Commissie – april 2026

In deze blog praten we jullie bij over enkele interessante uitspraken van de Reclame Code Commissie (“RCC”) van de afgelopen maanden. De uitspraken betreffen verschillende onderwerpen op het gebied van onder meer influencer marketing, (misleidende) voedingsclaims en de reikwijdte van de vrijheid van meningsuiting bij ideologische reclame – waaronder reclame afkomstig van een pro-life organisatie en twee (fondsenwervende) reclames over Gaza.

Het verband tussen een historisch oprichtingsjaar en het einde van de slavernij

In een uitspraak van 12 maart 2026 beoordeelt de RCC een klacht over een biercommercial die zou verwijzen naar de manier waarop Nederlanders hebben geprofiteerd van de slavernij. In de reclame wordt een biertje getapt en verschijnt de tekst: “die verfrissende smaak sinds 1873”.

Volgens de  klager is de commercial stuitend omdat in 1863 slavernijgelden via een Surinaamse weduwe in de brouwerij zijn geïnvesteerd en 1873 voor Surinamers een beladen jaar is: het einde van het Staatstoezicht en de daadwerkelijke vrijlating. De uiting zou daarom in strijd zijn met de goede smaak en/of fatsoen (artikel 2 Nederlandse Reclame Code (“NRC”)) en nodeloos kwetsend zijn (artikel 4 NRC).

De adverteerder voert aan dat “Est. 1873” en “sinds 1873” gangbare, feitelijke verwijzingen zijn naar traditie, historie en kwaliteit, zonder schokkende of aanstootgevende elementen. Ook verwijst hij naar onafhankelijk historisch onderzoek waaruit niet blijkt dat de eerste brouwerij met slavernijgelden is gefinancierd.

Vanwege  het subjectieve karakter van de normen goede smaak, fatsoen en nodeloos kwetsend hanteert de RCC een terughoudende toets. Dat het oprichtingsjaar samenvalt met het einde van de slavernij in Suriname, en het veronderstelde financiële verband daartussen, maakt de uiting volgens de RCC niet ontoelaatbaar. De klacht wordt afgewezen.

#gekregen

Op 10 maart 2026 behandelt de RCC een klacht over reclame in Instagram Stories van een influencer.

De klager stelt dat de influencer in twee opeenvolgende Stories een op maat gemaakte kast aanprijst en vier kortingscodes deelt, zonder duidelijk te maken dat het om een betaalde samenwerking gaat. Dat is volgens de klager misleidend.

De influencer voert aan dat in eerdere Stories in dezelfde reeks de hashtag “#gekregen” in beeld stond, zodat het publiek al wist dat sprake was van een samenwerking met de adverteerder. Deze vermelding ontbrak in de twee onderhavige Stories. De adverteerder wijst erop dat in het contract staat dat de influencer de samenwerking als commercieel moet markeren via de juiste platformtools. Deze Stories zijn echter niet vooraf ter goedkeuring voorgelegd, waardoor de fout niet is opgemerkt.

De RCC oordeelt dat zowel de influencer als de adverteerder tekort is geschoten:

  • Sprake is van een ‘relevante relatie’ in de zin van artikel 2 Reclamecode Social Media & Influencer Marketing (“RSM”), omdat de influencer een vergoeding en een kast heeft ontvangen om reclame te maken. Omdat deze relatie niet uitdrukkelijk in de uiting wordt vermeld, is sprake van strijd met artikel 3 onder b RSM:
    • Het enkele gebruik van een “@” met de naam van adverteerder is hiertoe onvoldoende;
    • Ook de vermelding van kortingscodes is onvoldoende om duidelijk kenbaar te maken dat de video op een samenwerking, door middel van een gratis gekregen product en vergoeding, berust.
  • Op grond van artikel 6 lid 4 RSM is de adverteerder mede verantwoordelijk voor naleving van artikel 3 RSM. Een contractuele verplichting alleen is daarvoor niet genoeg: de adverteerder moet zich actief inspannen om de influencer aan de regels te houden en op overtredingen te reageren, wat hier niet is gebeurd. De adverteerder zegt maatregelen te hebben genomen, zoals een aanvullende training over reclamerecht, om herhaling te voorkomen.

De RCC acht de uitingen daarom in strijd met artikel 3 onder b RSM en beveelt zowel de influencer als de adverteerder aan om niet meer op deze wijze reclame te maken.

Toezicht door het Commissariaat voor de Media

Het is dus belangrijk om transparant te zijn over het bestaan van een betaalde samenwerking. Dit wordt verder onderstreept door het nieuwsbericht van het Commissariaat voor de Media (het “Commissariaat”) deze week. Zo laat het Commissariaat weten dat onderzoek is uitgevoerd naar de herkenbaarheid van reclame voor jonge kijkers (via YouTube, Instagram en TikTok). Het Commissariaat bekeek meer dan duizend video’s van verschillende influencers en constateert dat influencers duidelijker moeten maken wanneer hun content reclame bevat. Dit moet worden gedaan door middel van een reclamevermelding die “in één oogopslag zichtbaar of hoorbaar” moet zijn in een video en geldt ook voor reclame die zij maken voor hun eigen merk. Het Commissariaat biedt verdere guidance over hoe aan deze regels kan worden voldaan.

Sinds juni 2025 valt een grotere groep influencers onder actief toezicht van het Commissariaat. Zie ook onze eerdere blog hierover: https://bureaubrandeis.com/video-uploaders-met-minder-dan-500-000-volgers-vanaf-16-juni-2025-ook-onder-toezicht-van-het-commissariaat-voor-de-media/. Zij riskeren een formele waarschuwing of boete bij niet-naleving van voornoemde regels.

Misleidende zwangerschapskaartjes van een pro-life organisatie

In een uitspraak van 4 maart 2026 beoordeelt de RCC of een wervende kaart voor hulp bij onbedoelde zwangerschappen in strijd is met de reclamecode, wanneer de organisatie met een uitgesproken anti-abortusstandpunt niet wordt genoemd. Op de voorkant staat: “Onbedoeld zwanger? Je staat er niet alleen voor. Er is hulp.” Op de achterkant staan een hartje en een link naar de website waarvoor de organisatie hulp verleent.

Volgens de  klager voldoet het kaartje niet aan de NRC omdat onduidelijk is welke organisatie erachter zit. Vrouwen in een kwetsbare positie die onafhankelijke informatie zoeken, komen zo uit bij een hulpaanbod met pro-life standpunten, wat misleidend zou zijn.

De RCC stelt voorop dat organisaties vanuit ideologische overtuiging hulp mogen aanbieden, maar dat wel duidelijk moet zijn door wie en vanuit welke context een boodschap komt. Omdat de naam waaronder de hulp wordt verleend en de organisatienaam sterk verschillen, ontbreekt essentiële context over het pro-life perspectief. Gezien de kwetsbare doelgroep schaadt dit het vertrouwen in reclame, zodat de uiting in strijd is met artikel 5 NRC is. De RCC geeft de adverteerder het vrijblijvend advies om voortaan niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken.

81% + 27% is niet 100%?

In een uitspraak van 3 maart 2026 beoordeelt de RCC of de claim “met 81% fruit” op een pot abrikozenfruitspread misleidend is als het eindproduct ook 27% suiker bevat. De klager vindt dat misleidend, omdat 81% en 27% samen meer dan 100% zijn.

De adverteerder stelt dat “81% fruit” ziet op de hoeveelheid abrikoos die bij aanvang van het proces wordt gebruikt. Tijdens het koken verliest de vrucht vocht en daalt het gewicht, maar blijft het aandeel fruit hoog. Volgens de adverteerder sluit dit aan bij artikel 22 lid 2 en bijlage VII onder 4 van de Verordening (EU) Nr. 1169/2011 betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten (“VIC Verordening”).

De RCC volgt dit verweer. De adverteerder past de regels van de VIC Verordening correct toe, waarin staat dat bij producten met vochtverlies moet worden uitgegaan van de hoeveelheid ingrediënt vóór de bereiding. Dat het percentage abrikoos in het eindproduct lager is dan 81% is daarom geen reden om van deze etiketteringsregels af te wijken. De klacht wordt daarom afgewezen.

Vrijheid van meningsuiting over Gaza

In een uitspraak van 24 februari 2026 beoordeelt de RCC een klacht over een fondsenwervende brief over het conflict in Gaza. Op de envelop staat: “Schokkend: meer dan 250 journalisten gedood door Israël”. In de brief wordt onder meer gesteld dat:

  • dit het hoogste aantal gedode journalisten in een conflict in de afgelopen twee jaar betreft;
  • Gaza voor journalisten nog steeds de meest dodelijke plaats ooit is; en
  • journalisten daar zes keer meer risico lopen om te worden gedood dan burgers.

Als voorbeeld wordt de dood van journalist Saleh al-Jafawari genoemd. Adverteerder verzoekt om donaties om journalisten in Gaza te steunen.

Volgens de klager zijn de uitingen feitelijk onjuist en daarom misleidend. Klager wijst op hogere aantallen gedode journalisten in bijvoorbeeld Syrië (715) en tijdens de Tweede Wereldoorlog (1232 Joodse journalisten), betwist dat het zesvoudige risico is onderbouwd en stelt dat de genoemde journalist volgens bronnen door een Palestijnse militie is gedood. Fondsenwerving op basis van deze onjuistheden zou volgens klager, in strijd met artikel 8 en 10 NRC, het vertrouwen in reclame schaden.

De adverteerder voert primair aan:

  • dat sprake is van ideële reclame, zodat artikel 8 NRC niet van toepassing is;
  • dat artikel 10 NRC – bedoeld om consumenten tegen misleidende commerciële praktijken te beschermen – niet geldt voor haar niet-commerciële, ideële fondsenwerving;
  • dat de uitingen onder het recht op vrijheid van meningsuiting (artikel 10 EVRM) vallen, dat slechts mag worden beperkt bij een dringende maatschappelijke noodzaak; en
  • dat beide partijen het eens zijn over de kernboodschap: journalisten in Gaza lopen gevaar.

Subsidiair stelt de adverteerder dat de beweringen in de brief feitelijk kloppen. Adverteerder verwijst in het verweer naar onder meer VN-uitspraken en academisch onderzoek die Gaza “the deadliest conflict ever for journalists” noemen, geeft het voorbeeld van een omgekomen journalist als illustratie en onderbouwt het zesvoudige risico met een berekening waarbij het aandeel gedode journalisten wordt vergeleken met het aandeel gedode burgers.

De RCC oordeelt dat het ontbreken van (voornoemde) bronvermeldingen in de reclame-uiting niet maakt dat het gebruik van de zin – “In de afgelopen twee jaar werden meer dan 250 Palestijnse journalisten gedood – het hoogste aantal in een conflict” – van dien aard is dat daardoor, naar de huidige maatschappelijke opvattingen, de grens van het toelaatbare wordt overschreden.

Ook suggereert het voorbeeld van Saleh al-Jafawari niet dat hij tot die 250 journalisten behoort; in de brief is niet vermeld dat deze journalist om het leven is gebracht door Israël, aldus de RCC. Zodat dit klachtonderdeel ongegrond wordt geacht.

Ten aanzien van de stelling dat journalisten zes keer meer risico lopen dan burgers overweegt de RCC dat het ontbreken van feitelijke onderbouwing nog niet betekent dat de uiting ontoelaatbaar is. Verder heeft adverteerder in reactie op de klacht toegelicht op welke berekening deze uitspraak is gebaseerd.

De RCC concludeert dat van ontoelaatbare reclame geen sprake is en wijst de klacht af.

Toelaatbaarheid van het gebruik van de term ‘genocide’ in reclame

In een uitspraak van 19 februari 2026 beoordeelt de RCC een klacht over een televisiecommercial waarin volgens de klager ten onrechte het woord genocide wordt gebruikt voor onder meer de situatie in Gaza. De commercial toont beelden van puin na bombardementen, extreme arbeidsomstandigheden en andere verwoestende situaties, terwijl een voice-over onder meer zegt: “Wegkijken is een keuze. Terwijl in Gaza een genocide gezinnen verscheurt. (…) Welke keuze maak jij? Doneer nu op [website adverteerder]”.

De klager stelt dat in Gaza wel sprake kan zijn van oorlogsmisdaden of genocidaal geweld, maar niet van genocide. Fondsen werven acht klager toelaatbaar, maar dan op basis van feiten en niet op meningen.

De RCC oordeelt dat het gebruik van het woord genocide toelaatbaar is, omdat dit duidelijk een mening van de adverteerder is en geen definitief juridisch of feitelijk oordeel. Voor een donatie-oproep geldt een ruime vrijheid van meningsuiting. Dat het woord genocide alleen zou mogen worden gebruikt als een rechter daar een uitspraak over heeft gedaan, vindt geen steun in het recht, aldus de RCC. Dat meningen over hoe de situatie in Gaza moet worden geduid uiteenlopen maakt de commercial evenmin ontoelaatbaar; ook een mening die niet door iedereen wordt gedeeld mag worden geuit. De RCC komt tot afwijzing van de klacht.

Vragen over deze onderwerpen? Neem graag contact op met Bente van Kan of Machteld Robichon.

Met dank aan Roemer van Stekelenburg

Visie

Cyberbeveiligingswet in de praktijk: de zorgplicht, ISO-certificering en de rol van het bestuur

Op 23 maart besprak de Tweede Kamer de Cyberbeveiligingswet (“Cbw”), de Nederlandse implementatie van de Network and Information Security Directive (EU 2022/2555; “NIS2-richtlijn”). Streven is nog steeds om de wet dit kwartaal in te voeren.  De hack op Odido en de recente hack bij Ajax laten zien dat het beveiligen van je informatievoorziening geen overbodige luxe is, maar noodzakelijk om incidenten te voorkomen. Bij de Odido hack zijn van veel mensen persoonsgegevens op het dark web gepubliceerd. Deze persoonsgegevens kunnen worden gebruikt om phishing mails te sturen, bestellingen of abonnementen op uw naam af te sluiten of een poging te doen uw bankaccount over te nemen. Dergelijke cyberincidenten kunnen voorkomen worden met een goede cybersecurity. Daarom zoomen we in deze blog in op de zorgplicht onder de Cbw.

Inmiddels is er vanuit verschillende instanties informatie gedeeld over de Cbw, zoals het Nationaal Cyber Security Centrum en de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur (“RDI”), die voor veel partijen onder de Cbw als toezichthouder zal optreden. De Rijksoverheid adviseert dan ook aan organisaties om nu alvast te beginnen met implementatie van de regels uit de Cbw, omdat de risico’s op cyberincidenten nu al aanwezig zijn.

Zorgplicht

Een van de verplichtingen onder de Cbw is de zorgplicht uit artikel 21 Cbw. De zorgplicht onder de Cbw houdt in dat essentiële en belangrijke entiteiten passende en evenredige technische en organisatorische maatregelen moeten treffen. Of aan de zorgplicht wordt voldaan wordt door de aangewezen toezichthouders gecontroleerd, onder andere door entiteiten te verplichten schriftelijk vast te leggen wat de entiteit doet na een attendering van de toezichthouder, het Computer Security Incident Response Team (“CSIRT”) of een andere overheidsinstantie.

In de Cbw zijn een aantal minimummaatregelen opgenomen om invulling te geven aan de zorgplicht:

  • Beleid inzake risicoanalyse en beveiliging van informatiesystemen
  • Incidentenbehandeling
  • Bedrijfscontinuïteit, zoals back-upbeheer, herstelplannen en crisisbeheer
  • De beveiliging van de toeleveringsketen, met inbegrip van beveiligingsgerelateerde aspecten met betrekking tot de relaties tussen de entiteit en haar rechtstreekse leveranciers of dienstverleners
  • Basispraktijken op het gebied van cyberhygiëne en opleiding op het gebied van cyberbeveiliging
  • Beveiliging bij het verwerven, ontwikkelen en onderhouden van netwerk- en informatiesystemen met inbegrip van de respons op en bekendmaking van kwetsbaarheden
  • Beveiligingsaspecten ten aanzien van personeel, toegangsbeleid en beheer van assets
  • Wanneer gepast, het gebruik van multifactor-authenticatie- of continue-authenticatieoplossingen, beveiligde spraak-, video- en tekstcommunicatie en beveiligde noodcommunicatiesystemen binnen de entiteit
  • Beleid en procedures inzake het gebruik van cryptografie en, in voorkomend geval, encryptie
  • Beleid en procedures om de effectiviteit van maatregelen voor het beheersen van cyberbeveiligingsrisico’s te beoordelen.

Het Nationaal Cyber Security Centrum in Nederland heeft op haar website inmiddels een aantal adviesproducten ontwikkeld die kunnen helpen bij het implementeren van deze maatregelen.

ISO-certificering als handvat voor compliance

Een ander handvat bij de implementatie van de Cbw zijn de ISO 27001 normen. ISO 27001 is de internationale standaard voor informatiebeveiliging. Een ISO-certificering toont aan dat de informatiebeveiliging van een organisatie goed beveiligd is. Een ISO-certificaat kan NIS2 compliance ondersteunen. Mede daarom heeft zowel het Europese agentschap voor Cyber Security (“ENISA”) als De Baseline informatiebeveiliging Overheid een tabel gemaakt waarin de ISO-normen vergeleken worden met de Cbw. De Baseline informatiebeveiliging Overheid bevat basisnormen voor informatiebeveiliging binnen de overheid (Rijk, gemeenten, waterschappen en provincies). ENISA bekommert zich over de cybersecurity in Europa. Verschillende maatregelen, zoals multi-factor authenticatie of incidentenbehandelingen, vallen onder de normen van ISO 27001 en zijn verplicht onder de zorgplicht van de Cbw. Het bezitten van ISO 27001 certificering kan dus helpen bij het voldoen aan de verplichtingen uit de NIS2, maar is niet voldoende om aan de verplichtingen onder de NIS2 te voldoen.

Grotere verantwoordelijkheid voor het bestuur

Waar de ISO-normen enkel eisen stellen aan de techniek en de organisatie daarvan, stelt de Cbw ook eisen aan het bestuur van een entiteit. Zoals ook in een eerdere blog beschreven, bepaalt artikel 24 van de Cbw dat bestuurders eindverantwoordelijk zijn voor de naleving van de Cbw verplichtingen. De NIS2, gaat niet in op de definitie van ‘het bestuur’. In de memorie van toelichting bij de Cbw wordt voor ‘bestuur’ aanknoping gezocht bij de Digital Operational Resilience act (“DORA”), een verordening met het doel de digitale weerbaarheid van financiële instellingen te verhogen. Uit deze verordening wordt afgeleid dat onder het bestuur wordt verstaan:

  • Het dagelijks bestuur en niet een toezichthoudend orgaan (zoals een RvC)
  • En in het geval van een one-tier board, de uitvoerende bestuurders en niet de niet-uitvoerende bestuurders.

Het bestuur is bij rechtspersonen dus de gebruikelijke term uit boek 2 van het Nederlands Burgerlijk Wetboek (“BW”). De zorgplicht uit artikel 24 van de Cbw rust dus op het bestuur van een rechtspersoon in de zin van boek 2 BW. De memorie van toelichting verwijst in lijn hiermee naar de taak van het bestuur voor de N.V.  en B.V. in respectievelijk artikel 2:129 en artikel 2:239 BW.

Aansprakelijkheid feitelijk leidinggevende onder Algemene wet bestuursrecht

Naast bestuurders kunnen ook andere natuurlijke personen aansprakelijk gesteld worden voor schending van verplichtingen onder de Cbw. Het gaat hier om personen die, hoewel ze geen bestuurder zijn, in feite de besluiten nemen en controle uitoefenen over de naleving van de verplichtingen uit de Cbw. Deze aansprakelijkheid is dus niet beperkt tot bestuurders, maar kan ook zien op andere personen binnen een organisatie. In NIS2 is niet uitgewerkt hoe deze aansprakelijkheid vormgegeven moet worden. In Nederland wordt dit ingevuld met bestuursrechtelijke handhaving waarop de Algemene wet bestuursrecht (“Awb”) van toepassing is. Op basis van artikel 5:1 van de Awb geldt dat indien een rechtspersoon een overtreding begaat, degene die tot het feit opdracht gegeven heeft of degene die feitelijk leiding heeft gegeven ook een sanctie opgelegd kan krijgen, zoals een bestuurlijke boete. Dit wel onder de voorwaarde dat voldaan is aan het leerstuk feitelijk leidinggeven in de zin van de Awb.

Conclusie

De zorgplicht onder de Cbw brengt dus veel nieuwe verplichtingen en verantwoordelijkheden voor bestuurders van entiteiten mee. De ISO-normen kunnen steun bieden bij het voldoen aan de technische en organisatorische maatregelen die uit de Cbw volgen.

Wilt u meer weten over de verplichtingen die gelden voor u als bestuurder en hoe u uw organisatie en positie kunt beschermen? Neem dan contact op met Machteld Robichon of Bente van Kan.

Met dank aan Maartje Nelemans

Lees daarnaast onze andere blogs, waaronder:

Visie

Hervorming van de publieke omroep: update 2026

Hervormingen binnen het publieke omroepbestel

In het coalitieakkoord ‘Aan de slag’, dat op 30 januari jl. is gepresenteerd, wordt opnieuw stilgestaan bij de toekomst van het publieke omroepbestel. Tegelijkertijd vinden binnen de sector gesprekken plaats over de concrete uitwerking van deze plannen. In deze blog bespreken we de meest recente ontwikkelingen rondom de hervorming van de publieke omroep.

Coalitieakkoord 2026–2030: hoofdlijnen voor het publieke omroepbestel

In hoofdlijnen heeft het kabinet het volgende voorgesteld voor de inrichting en financiering van de publieke omroep:

  • Het kabinet wil dat de dertien publieke omroepen worden samengevoegd tot vier organisaties. Daarnaast moet er een taakomroep komen voor de NOS en NTR.
  • Er moet meer worden ingezet op digitalisering om jongere doelgroepen te bereiken, met meer aandacht voor samenwerking met commerciële partijen en coproducties. Ook zal de NPO een meer transparante en efficiënte rol als coördinator vervullen.
  • De bestuurlijke inrichting zal worden vereenvoudigd door dubbelfuncties uit te sluiten en bestuurstermijnen te maximeren op tweemaal vier jaar.
  • De regionale en lokale omroepen worden versterkt door meer samenwerking met de NPO.
  • Om het gelijke speelveld voor commerciële en publieke omroepen en media te beschermen, compenseert het kabinet de opgave die de NPO heeft voor extra reclame-inkomsten.
  • Het kabinet stelt structureel 50 miljoen euro beschikbaar voor intensiveringen in de media.

Reclameruimte, bezuinigingen en het gelijke speelveld

Met de jaarlijkse investering van 50 miljoen euro lijkt het kabinet het zogeheten amendement-Bontenbal deels terug te draaien. Dit amendement verhoogde de eerder aangekondigde bezuiniging op de NPO van 106 miljoen euro met een extra 50 miljoen euro, die deels zou moeten worden opgevangen door extra reclame-inkomsten van de Ster. Door de investering die het huidige kabinet beschikbaar wil stellen voor de media, is de NPO in mindere mate afhankelijk van inkomsten uit reclame en beoogt het kabinet het gelijke speelveld tussen de publieke omroepen en de commerciëlen, die volledig afhankelijk zijn van reclame-inkomsten, te waarborgen. Helemaal zeker is dit nog niet: het is nog onduidelijk welk gedeelte van het bedrag naar de NPO gaat. Daarnaast moeten de plannen uit het regeerakkoord nog door de Tweede Kamer te worden goedgekeurd.

De demissionaire BBB-minister van OCW, Gouke Moes, kondigde in november 2025 aan dat hij de reclametijd op lineaire televisie wilde verruimen van 8 procent naar 10 procent van de totale zendtijd. Daarmee zou de eerdere beperking van reclametijd, die onder voormalig minister Arie Slob werd ingevoerd, gedeeltelijk worden teruggedraaid. Voor online reclame werd geen structurele uitbreiding voorzien; alleen ideële campagnes, zoals campagnes van goede doelen of overheidscampagnes, blijven mogelijk. Ook riep Moes op om te onderzoeken of binnen de bestaande regelgeving meer reclame-inkomsten kunnen worden gerealiseerd, bijvoorbeeld bij podcasts. Volgens Moes zou dit de Ster ongeveer 11,7 miljoen euro extra inkomsten kunnen opleveren.

In het huidige regeerakkoord en in het wetgevingsoverleg van 26 januari 2026 over de OCW-begroting Media klinkt een ander geluid: houd de publieke omroep publiek. Zo zijn er in het wetgevingsoverleg over de OCW-begroting Media verschillende moties aangenomen die beogen de reclameruimte niet te verhogen omdat dit zowel afbreuk zou doen aan het publieke karakter van de publieke omroep, als tot gevolg zou hebben de balans tussen publieke en commerciële media te verstoren.

Het kabinet lijkt voornemens het gelijke speelveld tussen publieke en commerciële media te willen beschermen. Wat dit concreet zal betekenen, en welke invloed dit zal hebben op de beschikbare reclameruimte, is nog niet duidelijk.

Vooruitblik: wat betekent dit voor mediapartijen?

De NPO heeft aangegeven blij te zijn met de vermindering van de bezuinigingen op de media, maar is ook in afwachting van hoe het bedrag wordt verdeeld.  Een bewogen periode voor de publieke omroep, die voorlopig niet rustiger lijkt te worden. De hervorming naar vier omroephuizen, de discussie over de financiering van de publieke omroep en de balans tussen publieke en commerciële media staan centraal in het gesprek over de toekomst van de publieke omroep.

Of de sector zelf tot een gezamenlijke oplossing komt of dat het kabinet uiteindelijk zelf knopen moet doorhakken, zal afhangen van de uitkomsten van de lopende gesprekken tussen omroepen, NPO en het ministerie van OCW.

Het doel is om in 2029 de hervormingen van de nieuwe omroephuizen door te voeren. Om dit doel te halen moet er vaart worden gemaakt omdat het gehele wetgevingstraject nog moet starten. Volgens de minister zou hiertoe de behandeling van het wetsvoorstel uiterlijk in de zomer van 2027 door het parlement behandeld moeten zijn.

Naar aanleiding hiervan is een motie aangenomen en wel om het wetsvoorstel uiterlijk voor 1 juni 2026 in internetconsultatie te brengen en de Tweede Kamer voor het zomerreces te informeren over het verdere tijdpad van parlementaire behandeling is aangenomen. De internetconsultatie zal dus vermoedelijk binnen afzienbare tijd starten.

We blijven de ontwikkelingen volgen! Heeft u intussen vragen over dit onderwerp, neem gerust contact op met  Machteld Robichon, Bente van Kan of Sophie Mostert.

Visie

Mededinging en regulering van de energietransitie

In 2050 wil Nederland alleen nog energie uit duurzame bronnen gebruiken. De transitie van fossiele brandstoffen naar duurzame energiebronnen neemt daarmee een prominente plek in het politieke debat en beleid. Dit heeft reeds geleid tot verschillende wijzigingen in regelgeving en een toenemende actieve rol van de Autoriteit Consument en Markt (“ACM”) op dit gebied. De ACM heeft, als mededingingsautoriteit en toezichthouder op de energiemarkt, de energietransitie onlangs (weer) als één van de speerpunten op haar agenda voor 2026 geplaatst.

Om de energietransitie in goede banen te leiden en waar mogelijk te versnellen, strekt het toezicht van de ACM zich uit over tal van onderwerpen. Van tariefmethodes tot consumentenbescherming en van algoritmehandel tot warmtenetten. Uit het recente beleidsdocument ‘Focus op Energie 2026’ blijkt dat de ACM aankomende tijd haar pijlen vooral richt op het versnellen van de transitie, het veiligstellen van voorzieningszekerheid (inclusief weerbaarheid) en het waarborgen van betaalbaarheid voor consumenten.

In deze blog bespreken wij een kleine greep uit het bredere energietoezicht van de ACM, en focussen op de kaders voor netwerkcongestie, de ontwikkeling van waterstofinfrastructuur en handhaving van de REMIT-verordening. Tot slot zal kort worden ingegaan op toepassing van het meer traditionele mededingingsrechtelijke kader op duurzaamheidssamenwerkingen tussen (energie)bedrijven.

Nieuwe energiewetgeving

Vanwege de vele ontwikkelingen op nationaal maar ook op Europees niveau op het gebied van duurzame en hernieuwbare energie, is per 1 januari 2026 de nieuwe Energiewet gaan gelden in Nederland. De Energiewet strekt tot implementatie van Richtlijn 2024/1711 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2024 (wijziging van de Richtlijnen 2018/2001 en 2019/944 inzake de verbetering van de opzet van de elektriciteitsmarkt van de Unie). De hervorming van de Europese energiemarkt (Electricity Market Design) is onderdeel van de welbekende European Green Deal. De nieuwe Nederlandse wetgeving voegt de oude Gaswet en de Elektriciteitswet 1998 samen en kent als één van de doelstellingen ‘de transitie naar een schonere, betrouwbare, veilige en betaalbare energievoorziening’. Het bevat dan ook nieuwe regels voor onder meer de versterking van consumentenbescherming, verbetering van het recht op energiedeling, efficiënter gebruik van het transportnet, een systeem voor gegevensuitwisseling en bescherming van de groothandelsmarkt voor energie.

Congestiemaatregelen

De voor het bereiken van de doelstellingen benodigde overstap van fossiele brandstoffen naar elektriciteit leidt logischerwijze tot een toename in elektriciteitsverbruik. Tegelijkertijd wordt er steeds meer duurzame (maar minder controleerbare) energie opgewekt. Deze ontwikkelingen zorgen voor een toenemende druk op het elektriciteitsnet (in de nieuwe Energiewet wordt er gesproken over ‘systemen’ voor elektriciteit), wat in gevallen kan leiden tot een capaciteitstekort. Dit tekort wordt aangeduid als ‘congestie’ en heeft gevolgen voor zowel de afname- als de opwekkant van elektriciteit.

Op basis van de (voorheen) Elektriciteitswet en (huidige) Energiewet is de ACM de bevoegdheid om regels op te stellen voor de energiemarkt, zogenaamde codes. De ACM heeft die mogelijkheid onder meer ingezet om de ‘Netcode elektriciteit’ aan te nemen met verschillende congestiemaatregelen om flexibiliteit te bevorderen.

Flexibele contracten

Vanwege de krapte in het systeem is de ACM op zoek gegaan naar mogelijkheden om het net beter te benutten. In haar in juli 2025 geüpdatete overzicht en inzicht congestiemaatregelen bespreekt de ACM verschillende mogelijkheden voor een alternatief transportrecht. Dit houdt in dat een aangeslotene ervoor kan kiezen niet langer te allen tijde recht te hebben op toegang tot het net.

De ACM heeft verschillende mogelijkheden gecreëerd in het “Codebesluit non-firm aansluit- en transportovereenkomst” (ATO), waaronder een volledig variabel transportrecht, een tijdsduur gebonden transportrecht (85% van het jaar recht op transport) en een tijdblok gebonden transportrecht (toegang tot het net op van tevoren afgesproken dagdelen). Een reeds aangeslotene kan bovendien met de netbeheerder een capaciteitsbeperkingscontract sluiten. In zo’n overeenkomst stemt de aangeslotene ermee in om tijdelijk geen of slechts beperkt gebruik te maken van het gecontracteerde transportvermogen, in ruil voor een vergoeding. Ook op deze manier kan er extra ruimte op het transmissiesysteem beschikbaar komen voor andere gebruikers.

Om ervoor te zorgen dat de inzet van congestiemaatregelen daadwerkelijk toeneemt, heeft de ACM netbeheerders opgedragen verbeterplannen op te stellen die beter inzicht geven in het netgebruik. Ook hebben netbeheerders en (organisaties voor) netgebruikers onlangs een akkoord ondertekend over een nieuwe reguleringsmethode. De ACM meent dat door het wegnemen van juridische geschillen over de methode, er adequater kan worden gefocust op de implementatie van de nodige maatregelen.

Verder gaat de ACM in 2026 naar eigen zeggen besluiten nemen over tijdsafhankelijke nettarieven (op regionale netten) en onderzoekt de ACM nog hoe bedrijven die beschikken over batterijsystemen (die extra stroom kunnen afnemen of juist terugleveren op piekmomenten) of elektrolysers (die een overschot aan stroom omzetten in waterstof) kunnen bijdragen aan een aan efficiënter gebruik van het net, en welke korting/beloning hier tegenover dient te staan.

Vormen van energiedeling

Ook door gezamenlijk gebruik te maken van een netaansluiting kan congestie worden verminderd. In december 2025 heeft de ACM de mogelijkheid geïntroduceerd om als grootverbruiker een groepstransportovereenkomst aan te gaan met andere grootverbruikers. In deze overeenkomst kunnen zij vraag en aanbod van de transportcapaciteit verdelen. Door deze lokale onderlinge afstemming is er voor de groep in totaal minder capaciteit nodig en wordt de druk op het net verlaagd.

Een andere optie die de ACM geschikt acht is ‘cable-pooling’. In dat geval delen twee of meer aangeslotenen die in elkaars onmiddellijke nabijheid liggen, een fysieke aansluiting waardoor deze efficiënter wordt benut. Deze mogelijkheid is vooral ontwikkeld met het oog op een combinatie van een zonnepark en een windpark (als complementaire opwekkers), een batterij en/of een afnemer. Om gebruik te kunnen maken van deze regeling dienen de ‘cable-poolers’ een aanvraag te doen bij de desbetreffende systeembeheerder en een overeenkomst te sluiten. Vervolgens dient de ACM op de hoogte te worden gebracht van de gedeelde aansluiting.

Tot slot publiceerde de ACM vorig jaar een paper met kansen en aandachtspunten voor energiedeling. Energiedelen is het gelijktijdig verbruiken van elektriciteit door een ‘energieontvanger’ op het moment dat een ‘energiegever’ duurzame elektriciteit opwekt (en deze niet zelf verbruikt). Hierover zal een overeenkomst moeten worden gesloten waarbij het tarief onderling wordt bepaald. Energiedeling kan plaatsvinden binnen een energiegemeenschap of andere groep van consumenten (buren). Het delen van energie wordt een recht dat gefaciliteerd moet worden door energieleveranciers en netbeheerders.

Recht op (nieuwe) aansluiting

In beginsel volgt uit artikel 23 van de Elektriciteitswet 1998 dat een systeembeheerder verplicht is om degene die daarom verzoekt op redelijke termijn te voorzien van een aansluiting op het elektriciteitsnet. Voor iedere onroerende zaak (WOZ-object) moet ten minste één aansluiting worden gerealiseerd. In de praktijk is (snelle) toegang tot het systeem echter niet meer vanzelfsprekend. Door de toenemende congestie en een overbelast net heeft de ACM daarom nieuwe regels opgesteld omtrent het vergeven van aansluitingen. Wanneer er sprake is van congestie, heeft de systeembeheerder bijvoorbeeld meer flexibiliteit ten aanzien van de aansluittermijn voor grootgebruikers. De ACM gaat in 2026 ook een besluit nemen over (langere) aansluittermijnen voor kleingebruikers.

Omdat nieuwe aansluitingen niet meer zomaar uitgegeven kunnen worden, belanden nieuwe aanvragen op een wachtrij. Dit vormt een probleem wanneer essentiële bedrijven een nieuwe aansluiting nodig hebben. Daarom heeft de ACM een maatschappelijk prioriteitskader opgesteld op basis waarvan bedrijven voorrang kunnen krijgen. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft onlangs uitspraak gedaan over het ‘Codebesluit prioriteitsruimte’. Hierin oordeelt het CBb dat de ACM de bevoegdheid heeft om dit prioriteitskader op te stellen en dat dit ook van belang is met het oog op congestieproblemen, maar dat de ACM beter moet onderzoeken en motiveren welke partij voorrang krijgt.

Waterstof

Naast de klassieke energiesystemen, zal (duurzame) waterstof een belangrijke rol gaan spelen bij het behalen van de klimaatdoelen in 2050 met name als brandstof voor transportmiddelen en de verwarming van gebouwen als vervanging voor aardgas. Vanwege de belangrijke rol die (blauwe en groene) waterstof kan spelen in het behalen van de klimaatdoelen heeft het Europees Parlement en de Raad richtlijnen opgesteld om een goede werking van de interne markten voor aardgas en waterstof te waarborgen. De ‘Richtlijn (EU) 2024/1788 betreffende de gemeenschappelijke regels voor de interne markten voor hernieuwbare gassen, aardgas en waterstof’ stelt onder meer dat het van belang is dat gebruikers van waterstof dezelfde rechten hebben als aardgasafnemers, en onnodige belemmeringen op de markt moeten worden weggenomen.

Dit idee ligt nu ook verankerd in de Nederlandse wetgeving: de nieuwe Energiewet geldt ook expliciet voor waterstof (hetgeen nog niet het geval was in de oude Gaswet). Een belangrijke wijziging is dat de Energiewet een verplichting kent voor de transmissiesysteembeheerder om waterstof toe te laten tot het gasnetwerk, mits aan bepaalde voorwaarden is voldaan.

Ondanks de hoge verwachtingen van groene waterstof voor de energietransitie blijven de grote ontwikkelingen achter. De onzekerheden aan zowel de vraag- als aanbodkant van de waterstofmarkt zorgen voor een vertraging van de ontwikkeling van de markt. Door onzekerheden over volumes, prijzen en infrastructuur blijft het doen van grote investeringen risicovol. De ACM onderstreept de noodzaak van duidelijke overheidsregulering om een stimulans te geven aan de waterstofmarkt en heeft hier recent gehoor aan gegeven door beleid op te stellen voor derdentoegang en tariefregulering.

Derdentoegang waterstofterminals

Potentiële gebruikers moeten op basis van Europese regelgeving toegang kunnen krijgen tot de capaciteit van een waterstofterminal op basis van objectieve, transparante, niet-discriminerende voorwaarden. De ACM heeft een systeem voor onderhandelde derdentoegang ontwikkeld. Het is dus aan de waterstofterminalbeheerder en (potentiële) gebruikers zelf om onderling afspraken te maken waarbij gebruikers in beginsel gelijk moeten worden behandeld maar er objectieve rechtvaardigingen kunnen bestaan om gunstigere voorwaarden af te spreken met een launching customer (een eerste afnemer die een belangrijke rol heeft gespeeld in de ontwikkeling van de infrastructuur). Regels voor derdentoegang kunnen bijdragen aan de mogelijkheid tot opschalen van de markt en aan de investeringszekerheid. De ACM zal in 2026 verdere duidelijkheid bieden over derdentoegang in vervolgpublicaties, aldus de toezichthouder.

Tariefregulering

Verder onderzoekt de ACM verschillende reguleringsinstrumenten om hoge waterstofnettarieven te voorkomen. Zo biedt Europese regelgeving de mogelijkheid om het terugverdienen van kosten van waterstoftransportnetten over de tijd te spreiden (intertemporele kostentoerekening), opdat toekomstige gebruikers bijdragen aan de initiële kosten. Ook kan de Nederlandse overheid directe subsidies verstrekken aan Gasunie/Hynetwork, of indirecte steun bieden via garantstellingen. Europese wetgeving biedt eveneens ruimte voor een tijdelijke kruissubsidie waarbij een extra heffing bij gebruikers van gastransportnetten in rekening wordt gebracht om waterstoftarieven te verlagen.

De ACM zal in 2026 een verdiepend paper opstellen met een uitwerking van de tariefregulering waterstof. Mogelijk dat zij hierin specifieke keuzes zal maken over hoe efficiënte kosten over de tijd dient te worden verdeeld (bijvoorbeeld door aanpassing van afschrijvingsmethoden of het WACC-stelsel) en over de tariefstructuur, zoals de verdeling van kosten tussen invoeders en afnemers (bijvoorbeeld 50/50 of 40/60 split), tussen locatieonafhankelijke versus afstandsgebonden tarieven, en tussen capaciteits- of volumetarieven.

Tot slot is de ACM voornemens om in de tweede helft van dit jaar haar visie te geven op regulering van CO2-transport en CCS (het afvangen, transporteren en opslaan van CO2).

Groothandelsmarkten: REMIT

Het toezicht van de ACM op de groothandelsmarkten voor elektriciteit en gas is de afgelopen tijd verscherpt. Dit toezicht vindt plaats op basis van de Verordening betreffende de integriteit en transparantie van de groothandelsmarkt voor energie (REMIT). Gedurende het jaar publiceert de ACM updates over indicatoren van haar toezichtwerk op grond van deze Verordening. Hieruit blijkt dat de ACM in de eerste helft van 2025 17 signalen heeft ontvangen van mogelijke verboden handel (vergelijkbaar met de periode ervoor). De meeste signalen hadden betrekking op mogelijke marktmanipulatie, zoals marking the close, layering/spoofing, off market orders, erroneous orders, capacity hoarding, quote stuffing, en wash trades.

De ACM kan ingrijpen met een waarschuwing of een boete. Een jaar geleden is bijvoorbeeld een internationale marktdeelnemer gewaarschuwd vanwege aanwijzingen op marktmanipulatie. Het ging hierbij om handelsgedrag dat bekend staat als marking the close. Dit houdt in dat een marktdeelnemer de referentieprijs op de markt beïnvloedt door vlak voor het moment dat de slotprijs wordt vastgesteld bewust koopt of verkoopt waardoor de prijs omhoogschiet. Contracten die eerder zijn afgesloten worden dan afgerekend tegen deze kunstmatig verhoogde slotprijs.

De ACM ziet ook voor 2026 een actieve rol voor zichzelf om integere, transparante en toenemende grensoverschrijdende handel op de groothandelsmarkten voor energie in goede banen te blijven leiden. Zo kondigt de ACM aan dat zij zal optreden bij signalen over marktmisbruik, zoals het frustreren van eerlijke prijsvorming of het niet of niet tijdig openbaar maken van voorwetenschap. Bij het prioriteren tussen de verschillende signalen weegt de ACM expliciet mee wat de invloed is van het gedrag op de energietransitie.

Voorts heeft de ACM de bevoegdheid om informatie over algoritmische handel op te vragen bij bedrijven die hier gebruik van maken. Het gebruik van algoritmische handel neemt toe omdat de opwekking van hernieuwbare energiebronnen minder voorspelbaar is voor handelaren. Dit verhoogt risico’s op bijvoorbeeld algoritmische collusie of marktmanipulatie. De ACM onderzocht in 2025 of er adequate systemen worden gebruikt en bedrijven risicocontroles uitvoeren. Volgens de ACM heeft het onderzoek geleid tot meer bewustwording en zichtbare verbetering in de naleving.

Mededingingsrecht in de energietransitie en verduurzaming

Mededingingsrecht speelt ook een rol bij het aangaan van samenwerkingen tussen bedrijven die actief zijn op het gebied van energietransitie in de breedste zin van het woord. Juist in opkomende en nog ontwikkelende markten met relatief hoge toetredings- of groeibarrières zijn er mogelijkheden om samen te werken tussen concurrenten of tussen leveranciers en afnemers indien dit noodzakelijk is of (duidelijke) efficiëntievoordelen met zich brengt. Ook valt er nog veel winst te behalen op het gebied van duurzaamheid door intensievere samenwerking tussen (andere) bedrijven (die actief zijn buiten de energiesector), zo blijkt uit een onderzoek van de ACM. De afgelopen jaren wordt er al steeds meer samengewerkt door grote bedrijven, maar nog minder binnen het midden- en kleinbedrijf. Volgens de ACM zou dit te maken kunnen hebben met een tekort aan kennis over de concurrentieregels.

Het mededingingsrecht biedt verschillende generieke en duurzaamheidgerichte kaders waarbinnen samenwerking is toegestaan. Zo bieden de horizontale groepsvrijstellingen en richtsnoeren opties voor bedrijven die een beperkt marktaandeel vertegenwoordigen om samen op te trekken, bijvoorbeeld door af te spreken gezamenlijk te produceren of duurzame producten te vermarkten. Grofweg is daarbij van belang dat de voordelen opwegen tegen de nadelen, en dat de mededingingsbeperking niet verder gaat dan noodzakelijk om de (duurzaamheids)voordelen te verwezenlijken. Ook in verticale relaties kunnen duurzaamheidsafspraken worden gemaakt. Daarnaast bestaan er specifieke regimes voor duurzaamheidsnormen en (alleen in Nederland ook) voor milieuschadebeperkingen.

Informele beoordelingen

De ACM heeft zich in het verleden positief uitgelaten over verschillende initiatieven waarbij bedrijven samenwerken in de energiesector. Zo stelde de ACM in 2022 dat bedrijven gezamenlijk meerjarige contracten mochten sluiten voor de inkoop van elektriciteit uit een (nog te bouwen) windmolenpark: bedrijven kunnen op die manier hun prijs voor groene stroom voor langere tijd vastleggen, terwijl ontwikkelaars verzekerd zijn van afname. Ook systeembeheerders mochten afspreken bij investeringskeuzes een CO₂-prijs te hanteren, om schonere keuzes aantrekkelijker te maken. De ACM heeft beide initiatieven beoordeeld op basis van haar (destijds concept) Leidraad duurzaamheidsafspraken.

Een ander voorbeeld uit 2022 is de informele beoordeling van een samenwerking tussen Shell en TotalEnergies voor grootschalige CO2-afvang en -opslag (CCS) op de Noordzee. De ACM meende dat de voordelen van deze samenwerking ruimschoots opwegen tegen de mogelijke concurrentiebeperkingen. De samenwerking werd als cruciaal gezien voor de haalbaarheid van het project (dat wil zeggen: het verminderen van de financiële en operationele risico’s voor de betrokken partijen en zekerheid over een minimumafname). Hoewel er in de opstartfase sprake zou zijn van gezamenlijke prijsstelling, blijft er volgens de ACM toch voldoende concurrentie bestaan omdat de samenwerking betrekking heeft op slechts een deel van de totale capaciteit, en derden eerlijke en non-discriminatoire toegang krijgen tot de resterende capaciteit.

Verder heeft de ACM afgelopen jaren zich regelmatig positief uitgesproken over tal van duurzaamheidsafspraken in andere sectoren, waaronder duurzaamheidsnormen (asfalt, e-commerce), ESG-rapportages (bancaire sector), afspraken tussen concurrenten inzake recycling (afval, koffiecapsules) alsmede verduurzaming van de productie(keten) (metaal, natuursteen, kleding en textiel).

Heeft u of wilt u afspraken maken met één of meer andere bedrijven op het gebied van duurzaamheid dan assisteren wij u graag bij de mededingingsrechtelijke beoordeling van de samenwerking. Wij kunnen ook adviseren over de nut of noodzaak om de ‘self-assessment’ informeel voor te leggen aan de ACM via het speciale portaal dat de ACM daartoe heeft ontwikkeld.

 

Visie

Verordening Transparantie en Gerichte Politieke Reclame

Met de gemeenteraadsverkiezingen in zicht, heeft u vermoedelijk de volgende boodschap voorbij zien komen: “Hier volgt een politieke reclameboodschap voor de gemeenteraadsverkiezingen.”  Of deze tekst gelezen: “Dit is een politieke reclameboodschap in het kader van de gemeenteraadsverkiezingen.”

Dat komt omdat op 10 oktober 2025 de Verordening (EU) 2024/900 betreffende transparante en gerichte politieke reclame (“VPR”) in werking is getreden. De VPR is rechtstreeks van toepassing wanneer een politieke reclameboodschap wordt gericht op burgers in de EU.  Hierdoor gelden er veel nieuwe verplichtingen voor aanbieders, opdrachtgevers en uitgevers van politieke reclame. In deze blog bespreken we het doel en de achtergrond is van de VPR, welke verplichtingen deze met zich meebrengt en wat dit in de praktijk voor u betekent.

Doel en context

Het Europees Parlement sloeg alarm na systematische pogingen van buitenlandse actoren om Europese verkiezingen en andere democratische processen te beïnvloeden. Al in 2019 signaleerden de parlementsleden een sterke toename van Russische propaganda in Europa. Deze inmenging kan bestaan uit zogenoemde “desinformatiecampagnes” of uit content die ten goede komt aan extremistische of populistische kandidaten. De aanvallen zijn bedoeld om de democratie in Europa te ondermijnen en worden gefinancierd door partijen die daar baat bij hebben. Een recenter voorbeeld zijn de verkiezingen in Roemenië in 2024, die door het Roemeens Constitutioneel Hof van Roemenië ongeldig waren verklaard nadat een pro-Russische kandidaat plotseling won door een agressieve verkiezingscampagne op sociale media, afkomstig uit Rusland.

Een van de belangrijkste pijlers van onze democratie zijn vrije verkiezingen. Om deze zo eerlijk mogelijk te laten verlopen is het onwenselijk dat kiezers niet weten of hetgeen zij zien politieke reclame is, of van wie het afkomstig is.  De VPR heeft als doel om:

  • meer transparantie te bieden aan burgers over politieke reclame, zodat zij beter in staat zijn om deze als zodanig te herkennen;
  • inzage te krijgen in de herkomst en financiering hiervan; en
  • te weten of én waarom ze persoonlijk gerichte politieke reclame hebben ontvangen.

Ook stelt de VPR extra regels om buitenlandse beïnvloeding van stemgedrag tegen te gaan. Hierdoor zouden EU-burgers beter bestand moeten zijn tegen onbewuste beïnvloeding en mogelijke verkiezingsmanipulatie worden tegengegaan.

Wat valt er onder de definitie van politieke reclame?

Veel, de definitie van politieke reclame is vrij breed. Het kan gaan om allerlei vormen van reclame: zowel online als fysieke boodschappen, waarbij de hele keten van productie tot verspreiding ervan wordt gereguleerd. De activiteiten die voorafgaan aan de publicatie of verspreiding op uw scherm of in de krant, vallen dus evenzo onder de VPR.

Belangrijk is dat de productie, plaatsing, promotie, publicatie, aanlevering of verspreiding van de boodschap gewoonlijk tegen een vergoeding geschied (geldelijk of in natura) of via interne activiteiten van een organisatie. Denk aan situaties waarin een organisatie zelf berichten ontwikkelt en plaatst zonder betaalde promotie. Tot slot kan de boodschap onderdeel vormen van een politieke reclamecampagne, waardoor het als politieke reclame kan worden aangemerkt.

Van wie is de politieke reclame afkomstig?

Een politieke reclameboodschap valt onder de definitie als deze is overgebracht:

  • Door, voor of namens een politieke actor. Denk aan politieke partijen, kandidaten maar ook influencers. Andere partijen of personen die worden ingezet namens een politieke partij of kandidaat om een politieke reclameboodschap te verspreiden vallen hier eveneens onder.
  • Door een organisatie die invloed probeert uit te oefenen op verkiezingen, referenda of wet- en regelgevingsprocessen. Ook wel ‘social issue ads’ genoemd. Hiermee kunnen boodschappen afkomstig van ngo’s zoals Amnesty onder de VPR vallen.

De partijen hoeven zelf niet in de EU gevestigd te zijn om onder de scope van de VPR te vallen. Doorslaggevend is dat de politieke reclame wordt gericht aan EU-burgers.

Wanneer is iets géén politieke reclame?

De VPR zondert de volgende categorieën uit van de definitie:

  • Redactionele inhoud, zoals columns of artikelen, zolang er niet voor wordt betaald.
  • Zuiver particuliere of commerciële boodschappen door, voor of namens een politieke actor, zolang er niet voor wordt betaald.
  • Officiële communicatie vanuit overheidsinstellingen of de EU die tot doel heeft burgers te informeren.
  • De presentatie van kandidaten in openbare ruimte of media, die kosteloos is, bij wet is voorzien en de gelijke behandeling van kandidaten waarborgt.

Op de website van het Commissariaat staat een nuttige beslisboom om te bepalen of er sprake is van een politieke reclameboodschap.

Verplichtingen: voor wie, wat en wanneer?

Hoofdstuk 2 van de VPR bevat de verplichtingen voor opdrachtgevers, aanbieders en uitgevers van politieke reclame. Dan rijst de kwalificatievraag: onder welke categorie valt welke partij?

  • Opdrachtgevers zijn de partijen op wiens verzoek of namens wie een politieke boodschap wordt geproduceerd, geplaatst, gepromoot, gepubliceerd, aangeleverd of verspreid. Denk hierbij weer aan de politieke partijen of ngo’s.
  • Aanbieders van politieke reclame zijn de partijen die zich bezighouden met het aanbieden van politieke reclame. Dit zijn vaak de partijen die de politieke reclame maken of ontwerpen, zoals marketingbureaus.
  • Uitgevers van politieke reclame zijn de partijen die politieke reclame publiceren, aanleveren of verspreiden. De VPR bevat geen aparte definitie van de categorie ‘uitgevers’. Deze categorie valt namelijk onder de juridische definitie van ‘aanbieders’, maar houdt zich alleen bezig met het aanbieden van reclame aan het einde van de keten. Voorbeelden hiervan zijn sociale media, influencers, kranten of tv- of radiokanalen.

Stel je voor dat je als opdrachtgever, aanbieder of uitgever aan de verplichtingen van de VPR moet voldoen, wat zijn dan de belangrijkste verplichtingen?

  • De politieke reclameboodschap moet door middel van een label herkenbaar zijn als zodanig. De VPR bevat specifieke vereisten voor het label, zoals waar de transparantieverklaring te vinden is en wie de opdrachtgever is. Ook bevat het verplichtingen hoe het label eruit moet zien die verschillen per type medium.

Daarnaast moet de politieke reclameboodschap verwijzen naar een transparantieverklaring. De VPR bevat specifieke vereisten wat in deze verklaring moet staan. Denk aan informatie over de opdrachtgever, het totale bedrag of waarde dat aan de boodschap of campagne is uitgegeven en met welke verkiezingen deze heeft te maken. Daarnaast gelden er verplichtingen over hoe deze eruit moet zien. Meer informatie over de verplichtingen voor het label en de transparantieverklaring vindt u hier.

Drie-maandenregel: bescherming tegen externe beïnvloeding

Ter voorkoming van gemanipuleerde verkiezingen zoals zich in Roemenië hebben voorgedaan, stelt de VPR strenge regels om beïnvloeding van buiten de EU te voorkomen. Drie maanden voorafgaand aan een verkiezing of referendum is het verboden politieke reclamediensten te verlenen aan opdrachtgevers die buiten de EU zijn gevestigd of worden aangestuurd.

Targeting

De VPR bevat specifieke regels voor opdrachtgevers die persoonsgegevens verwerken ten behoeve van gepersonaliseerde politieke reclameboodschappen. Het gebruik van zogenoemde ‘technieken die worden gebruikt om een politieke reclameboodschap alleen op een specifieke persoon of groep personen te richten of om deze op basis van de verwerking van persoonsgegevens uit te sluiten’ (hierna: targeting) om onbewuste, gerichte manipulatie te voorkomen is geregeld in hoofdstuk 3 van de VPR.

Het targeten van politieke reclameboodschappen is alleen toegestaan als:

  • De organisatie persoonsgegevens gebruikt die zij zelf heeft verzameld en de organisatie verwerkingsverantwoordelijke is voor die persoonsgegevens (en dus het doel en de essentiële middelen van de verwerking bepaalt). Voor verwerkers gelden alleen verplichtingen om de opdrachtgever te informeren.
  • De organisatie uitdrukkelijke toestemming (vrij, specifiek, geïnformeerd en ondubbelzinnig door een actieve handeling of verklaring) heeft gekregen voor het gebruik van hun persoonsgegevens.
  • Er geen gebruik is gemaakt van bijzondere persoonsgegevens. Deze mogen nooit worden gebruikt voor gerichte politieke reclame.
  • De targeting ziet op een kiesgerechtigde betrokkene. Als de verwerkingsverantwoordelijke met redelijke zekerheid weet dat de betrokkene minderjarig is, is de verwerking van de persoonsgegevens ten behoeve van targeting volledig verboden.

Organisaties die politieke reclameboodschappen targeten moeten inzichtelijk maken dát er gebruik is gemaakt van targeting, waarom deze betrokken persoon de getargete reclame te zien krijgt en welke persoonsgegevens daarvoor worden gebruikt. Daarnaast moeten zij duidelijk informeren over hoe de targeting werkt en over de rechten van de betrokkene, zoals het recht om toestemming in te trekken. Kortom: wie gebruikmaakt van gepersonaliseerde politieke reclameboodschappen, moet aan aanvullende transparantievereisten voldoen.

Toezicht en handhaving: waar staat de VPR op dit moment?

De regels van de VPR zijn als genoemd sinds 10 oktober 2025 van kracht en dienen daarom door marktpartijen te worden nageleefd. Het toezicht is verdeeld onder:

  • het Commissariaat voor de Media, die toezicht houdt op de transparantie over de herkomst van politieke advertenties;
  • de Autoriteit Persoonsgegevens, die toeziet op de verplichtingen met betrekking tot targeting; en
  • de Autoriteit Consument en Markt, die een coördinerende rol heeft en hiertoe onder meer toezicht houdt op de DSA-regels in Nederland en met de Europese Commissie en toezichthouders in binnen- en buitenland schakelt.

Zodra de Uitvoeringswet is aangenomen zullen de toezichthouders over de benodigde toezicht- en handhavingsbevoegdheden beschikken. In afwachting daarvan ontvangt het Commissariaat al meldingen over politieke reclames die niet in lijn zijn met de verplichtingen uit de VPR. Het Commissariaat zal bij grote tekortkomingen  de betrokken partijen daarop aangespreken. Marktpartijen doen er dus goed aan om hun compliance op orde te hebben.

Impact VPR

Intussen heeft de VPR de nodige impact: grote platforms als Meta en Google weren sinds de inwerkingtreding van de VPR politieke reclame, waaronder in Nederland. Meta verspreidt ook geen advertenties meer van maatschappelijke organisaties, met verstrekkende gevolgen voor organisaties als goede doelen of andere ngo’s. Deze zijn hierdoor aangewezen op de traditionele media.

Wij houden u via deze website op de hoogte over de ontwikkelingen rondom de VPR en de Uitvoeringswet.

Hebt u intussen vragen over politieke reclame en de toepassing van de VPR op uw organisatie? Neem dan gerust contact op met Machteld Robichon, Christiaan Alberdingk Thijm, Minke Gommer of Sophie Mostert.

Visie

Geen ontkomen aan de DSA: Europees Gerecht verwerpt alle bezwaren van Amazon tegen aanwijzing als VLOP

Op 19 november 2025 heeft het Gerecht van de Europese Unie een belangrijke uitspraak gedaan over de Digital Services Act (“DSA”). Amazon verzette zich tegen haar aanwijzing als Very Large Online Platform (“VLOP”) en de bijbehorende verplichtingen uit de DSA. Het Gerecht verwerpt alle bezwaren.

Waar ging het om?

Amazon publiceerde in februari 2023 cijfers waaruit bleek dat het Amazon Store-platform meer dan 45 miljoen maandelijks actieve gebruikers in de EU heeft. Op grond van artikel 33 DSA wees de Europese Commissie Amazon daarom aan als VLOP. Dat brengt aanvullende verplichtingen met zich mee (artikelen 34–43 DSA), zoals het uitvoeren van risicobeoordelingen, het bijhouden van een openbaar advertentieregister en het bieden van een niet-gepersonaliseerd aanbevelingssysteem.

Amazon stelde dat deze verplichtingen in strijd zijn met zes fundamentele rechten uit het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (“Handvest”), waaronder de vrijheid van ondernemerschap, het recht op eigendom, gelijke behandeling en privacy.

Het oordeel: grondrechten zijn niet absoluut

Het Gerecht toetst de VLOP-verplichtingen aan artikel 52 lid 1 van het Handvest. Dat artikel bepaalt dat grondrechten mogen worden beperkt, mits de beperking bij wet is gesteld, een erkend algemeen belang dient, de kern van het recht respecteert en evenredig is. De DSA dient consumentenbescherming (een expliciet erkende doelstelling van algemeen belang) en is vastgelegd in een EU-verordening. Daarmee is aan de eerste voorwaarden voldaan.

De kern van het geschil lag bij de evenredigheid. Het Gerecht benadrukt in dit verband dat de EU-wetgever een ruime beoordelingsvrijheid heeft bij complexe sociaaleconomische afwegingen. Een maatregel die door de Uniewetgever is ingesteld is pas onrechtmatig als deze kennelijk ongeschikt is. Dit is pas aan de orde als het voor eenieder duidelijk is dat de wetgever een verkeerde afweging heeft gemaakt of een maatregel heeft gekozen die evident ongeschikt is om het beoogde doel te bereiken.

De belangrijkste conclusies op een rij

Geen onevenredige inmenging vrijheid van ondernemerschap (artikel 16 Handvest)

Amazon betoogde dat de VLOP-verplichtingen een aanzienlijke last voor het bedrijf vormen en daarmee een onevenredige inmenging in de vrijheid van ondernemerschap opleveren.

Amazon betoogde dat er minder belastende alternatieven mogelijk zijn die even effectief zouden zijn om deze doelstellingen te bereiken. Een voorbeeld hiervan is het hanteren van kwalitatieve criteria in plaats van de drempel van 45 miljoen gebruikers voor de kwalificatie als VLOP. De voorgestelde alternatieven worden allen verworpen door het Gerecht omdat zij ongeschikt of minder geschikt zijn om de doelstellingen te bereiken.

Volgens Amazon brengt artikel 33 DSA aanzienlijke kosten voor aanbieders van online  marktplaatsen met zich mee. De kosten zijn echter niet kennelijk onevenredig gezien de omvang van de te beschermen groep. Zo worden met de DSA-verplichtingen duidelijke doelstellingen van algemeen belang nagestreefd: beperken van systeemrisico’s en bijdragen aan een hoog niveau van consumentenbescherming, aldus het Gerecht.

Systeemrisico’s bij marktplaatsen

Het argument dat alleen onderling verbonden sectoren systeemrisico’s kunnen veroorzaken, werd verworpen. Onder de DSA gaat het om risico’s die een aanzienlijk deel van de Europese bevolking kunnen treffen en dat kan ook bij een grote marktplaats het geval zijn, bijvoorbeeld door verspreiding van namaak- of onveilige producten.

Geen onevenredige inmenging op recht op eigendom (artikel 17 Handvest)

Amazon betoogde dat de VLOP-verplichtingen een aanzienlijke invloed hebben op haar activiteiten en daarmee een inmenging vormen op het recht op eigendom. De verplichtingen leggen weliswaar administratieve lasten op, maar ontnemen platforms niet het eigendom van hun diensten, aldus het Gerecht. Van een aantasting van de wezenlijke inhoud van het eigendomsrecht is daarom geen sprake.

Gelijke behandeling is niet geschonden (artikel 20 Handvest)

Volgens Amazon wordt het beginsel van gelijke behandeling geschonden door de VLOP-verplichtingen. Het Gerecht concludeert: het onderscheid tussen marktplaatsen en detailhandelaren is gerechtvaardigd; marktplaatsen verspreiden informatie van derden en hebben daar niet altijd kennis van, terwijl websites van detailhandelaren alleen hun eigen informatie verspreiden. Dat verschil rechtvaardigt andere regels.

Geen onevenredige inmenging commerciële vrijheid van meningsuiting (artikel 11 Handvest)

Het Gerecht erkent dat artikel 38 DSA (dat platforms verplicht om naast gepersonaliseerde aanbevelingen ook een niet op profilering gebaseerd aanbevelingssysteem aan te bieden) een inmenging vormt in de commerciële vrijheid van meningsuiting, maar oordeelt dat de wezenlijke inhoud van dit recht niet wordt aangetast. De bepaling verbiedt gepersonaliseerde aanbevelingen namelijk niet; zij vereist enkel dat platforms daarnaast een alternatief zonder profilering aanbieden. De maatregel gaat niet verder dan noodzakelijk en dient een duidelijke doelstelling van algemeen belang: consumentenbescherming.

Bescherming vertrouwelijke gegevens (artikel 7 Handvest) en persoonsgegevens (artikel 8 Handvest)

Het openbare advertentieregister (artikel 39 DSA) maakt slechts beperkte informatie openbaar. Commercieel gevoelige gegevens, zoals het succes van campagnes, hoeven niet te worden gedeeld. Natuurlijke personen die hun privacy willen beschermen, kunnen via een rechtspersoon adverteren. Daarnaast bevat artikel 40 DSA waarborgen: alleen erkende onderzoekers krijgen toegang en zij zijn gebonden aan vertrouwelijkheidsverplichtingen.

Wat betekent dit voor uw bedrijf?

Deze uitspraak bevestigt dat de VLOP-verplichtingen uit de DSA niet in strijd zijn met de fundamentele verplichtingen zoals vastgelegd in het Handvest. Voor bedrijven die een groot online platform exploiteren, is het essentieel om:

  • de DSA-classificatie van uw platform te kennen en tijdig te voldoen aan de toepasselijke verplichtingen;
  • risicobeoordelingen serieus te nemen;
  • advertentie- en transparantieverplichtingen op orde te hebben, inclusief het advertentieregister en datatoegang voor onderzoekers;
  • alternatieve aanbevelingssystemen aan te bieden naast gepersonaliseerde opties.

De DSA is geen papieren tijger. Het Europese Gerecht heeft nu bevestigd dat de grondrechtelijke bezwaren van een van de grootste online platforms ter wereld niet slagen. Bedrijven doen er dus goed aan hun compliance op orde te hebben.

Heeft u vragen over de impact van de DSA op uw organisatie? Neem gerust contact op met het DSA-team van bureau Brandeis. We denken graag met u mee.

Met dank aan Mathijs Borchardt

Visie

Update recente uitspraken Reclame Code Commissie – februari 2026

In deze blog praten we jullie bij over enkele interessante uitspraken van de Reclame Code Commissie (“RCC”) van de afgelopen maanden. De blog bevat uitspraken waarin de RCC zich uitspreekt over verschillende thema’s, zoals reclame voor cosmetische behandelingen, (misleidende) voedselclaims en (de grenzen van) reclame voor het aanprijzen van denkbeelden.

Anti-abortusreclame overschrijdt niet de grens van het toelaatbare

In een uitspraak van 27 januari 2026 behandelt de RCC een klacht tegen een radioreclame voor de ‘week van het leven’. Deze reclame bevat de volgende uitingen: “Wist je dat bijna één op de zes zwangerschappen eindigt in een abortus? Dat zijn er zevenhonderd per week! Wat vind jij daar eigenlijk van? Sta stil bij de waarde van het ongeboren kind op weekvanhetleven.nl.”

Er werd geklaagd dat de radioreclame onnodig kwetsend en stigmatiserend en in strijd met de goede smaak en/of het fatsoen is, zoals bedoeld in artikel 2 Nederlandse Reclame Code (“NRC”). Voorts zou de reclame nodeloos kwetsend zijn, zoals bedoeld in artikel 4 NRC.

De RCC wijst de klacht af, en oordeelt dat de reclame moet worden aangemerkt als reclame voor een denkbeeld. Dat denkbeeld is in dit geval dat men stil zou moeten staan bij de waarde van het ongeboren kind. Beoordeeld wordt of de wijze van aanprijzen van de denkbeelden van dien aard is dat daardoor, naar de huidige maatschappelijke opvattingen, de grenzen van het toelaatbare worden overschreden.

De RCC concludeert dat dit niet het geval is. Daarbij neemt de RCC in aanmerking dat terughoudendheid is geboden bij de beantwoording van de vraag of een reclame-uiting nodeloos kwetsend is of in strijd is met de goede smaak en/of het fatsoen, gelet op het subjectieve karakter van deze criteria. De klacht wordt daarom afgewezen.

Botox stapelkorting

In een uitspraak van 8 januari 2026 spreekt de RCC zich uit over een gesponsord bericht op Instagram, waarin op een afbeelding drie op elkaar gestapelde gele dozen te zien waren met de prijzen voor Botoxbehandelingen per zone (€79, €89 en €99) en een banner met de tekst “FAIRDAY STAPELKORTING”, inclusief een link met “Nu boeken”.

Geklaagd werd dat tijdelijke kortingen of promotionele acties klanten kunnen stimuleren meer behandelingen af te nemen dan nodig, wat financiële druk kan veroorzaken bij een medische beslissing. Dit is in strijd met de Code Medische Cosmetische Behandelingen uitgevoerd door Artsen (“CCBA”).  De artikelen 2a en 2b van de CCBA verbieden namelijk expliciet het gebruik van tijdelijke kortingen of acties die klanten stimuleren tot een grotere aankoop van medisch cosmetische behandelingen.

De adverteerder voerde aan dat het om een vaste prijsstructuur gaat die het hele jaar geldt, dat er geen sprake is van een tijdelijke actie of aanzet tot extra behandelingen, en dat er uitgebreide zorgvuldigheidsmaatregelen bestaan, zoals consulten door BIG-geregistreerde artsen, leeftijdscontroles en duidelijke medische informatie.

De RCC oordeelt dat de afbeelding de aandacht volledig richt op de prijs, zonder enige informatie over de aard, werking of risico’s van de behandeling. Hierdoor is de reclame niet primair gericht op goede informatievoorziening en kwaliteit, maar wordt de prijs als enig verkoopargument gebruikt. De RCC komt daarmee tot de conclusie dat dit strijdig is met artikel 2 CCBA. De RCC beveelt adverteerder aan om niet meer in strijd met dit artikel te handelen.

Misleidende before- en afterfoto’s

In een uitspraak van 22 december 2025 behandelt de RCC een klacht over een advertentie op Facebook met before- en afterfoto’s van een buik met de begeleidende teksten dat een cryolipolyse behandeling een snelle, pijnloze en niet-chirurgische oplossing voor vetvermindering zou zijn.

Geklaagd werd dat de gebruikte foto’s nep zijn en afkomstig van andere websites, waaronder websites over plastische chirurgie. De foto’s worden gepresenteerd alsof ze het resultaat zijn van behandelingen van adverteerder. Er is niet weersproken door adverteerder dat de afbeelding die is gebruikt niet een lichaam laat zien dat het resultaat is van een behandeling van adverteerder. De RCC komt daarmee tot het oordeel dat de adverteerder geen juiste informatie verstrekt over de te verwachten resultaten van de door adverteerder aangeprezen dienst, zoals bedoeld in artikel 8.2 aanhef en onder d NRC. Omdat dit belangrijk is voor de beslissing van de consument om de behandeling te ondergaan, is de uiting misleidend en oneerlijk in de zin van artikel 7 NRC. De RCC beveelt de adverteerder daarom aan om niet meer op deze manier reclame te maken.

Vegan truffelmayonaise?

In een uitspraak van 19 december 2025 behandelt de RCC een klacht tegen de aanduiding van truffelmayonaise als vegan product. Geklaagd wordt dat het product echte truffels bevat en dat honden worden ingezet om de truffels te vinden. Volgens klager is een product daardoor niet volledig vegan, omdat veganisme niet alleen ingrediënten maar ook dierlijke arbeid uitsluit. De aanduiding vegan op het product zou de gemiddelde consument, in het bijzonder de veganistische consument, misleiden.

De adverteerder stelde daartegenover dat truffels zelf plantaardig zijn en dat het product een ICEA vegan-certificaat heeft. Dit certificaat eist geen afwezigheid van dieren in het productieproces, alleen dat geen dierlijke ingrediënten worden gebruikt. Het internationaal erkende V-label hanteert een soortgelijke uitleg.

De RCC gaat uitgebreid in op het feit dat het begrip vegan niet eenduidig is. Zo hanteert de Nederlandse Vereniging voor Veganisme (“NVV”) als definitie voor veganisme: “Veganisme is een levenswijze waarbij wordt afgezien van alle gebruik van en wreedheid naar dieren”. Anderzijds vereisen het Italiaanse keurmerk ICEA, waarover het product beschikt, en het internationaal erkende keurmerk V-label geen van beiden dat er bij het productieproces geen dieren betrokken zijn in de vorm van arbeid.

Nu de bestreden uitingen zijn gericht op de Nederlandse consument, acht de RCC het gebruik van de begrippen ‘vegan’, ‘veganistisch’ en ‘vgn’, zonder toelichting onvoldoende duidelijk. Meer in het bijzonder is onvoldoende duidelijk dat honden zijn gebruikt voor het zoeken naar truffels, ten behoeve van het product. Daarom is de uiting in strijd met artikel 2 van de NRC. De RCC beveelt adverteerder daarom aan om niet meer op deze manier reclame te maken.

Wijn door de brievenbus

In een uitspraak van 3 december 2025 behandelt de RCC een klacht over een door adverteerder meegestuurde attentie: bij een levering van inktpatronen ontving klager een zakje wijn en een kaartje waarop onder meer stond: “Alstublieft, een kleine attentie!” en “Proost en graag tot de volgende keer!”.

Klager maakte bezwaar tegen het ongevraagd versturen van alcohol, die via de brievenbus is bezorgd zonder leeftijdscontrole. Volgens klager had een minderjarige het zakje kunnen openen. Ook wijst klager op de problematiek rond alcoholgebruik. De adverteerder voert aan dat het gaat om een zakelijke bestelling (B2B), waarvan klager de contactpersoon is. De leeftijd van de contactpersoon was zodoende bij adverteerder bekend. De wijn is bedoeld als relatiegeschenk en niet als commerciële promotie van alcohol, aldus adverteerder. Er is verder geen sprake van aanprijzing of aanzet tot consumptie, adverteerder verkoopt namelijk geen wijn. Volgens adverteerder was daarom geen sprake van reclame in de zin van de NRC.

De RCC oordeelt dat de combinatie van het zakje wijn en de begeleidende kaart wél als reclame moet worden aangemerkt. Door de positieve boodschap over klanttevredenheid en de afsluitende uitnodiging “graag tot de volgende keer” heeft de uiting een aanprijzend oogmerk ten aanzien van de diensten en producten van adverteerder. Daarmee is sprake van (indirecte) aanprijzing in de zin van artikel 1 NRC.

Vervolgens toetst de RCC aan artikel 16 van de Code Brievenbus Reclame, Huissampling en Direct Response advertising (“CBR”). Dit artikel bepaalt dat materiaal dat bij gebruik gevaar kan opleveren voor de lichamelijke gezondheid uitsluitend persoonlijk aan volwassenen mag worden overhandigd. Alcohol valt hieronder, omdat consumptie door minderjarigen gezondheidsrisico’s oplevert.

Nu het pakket via de brievenbus is bezorgd en dus niet persoonlijk aan een volwassene is overhandigd, is artikel 16 CBR overtreden. Dat het om een zakelijke bestelling ging en dat de leeftijd van de contactpersoon vooraf was geverifieerd, maakt dit niet anders. De RCC beveelt adverteerder daarom aan om voortaan niet meer op deze wijze reclame te verspreiden.

‘Plantaardige’ rundergehakt met suikerbiet

In een uitspraak van november 2025 behandelt de RCC een klacht over de verpakking van rundergehakt met suikerbietenvezel. De verpakking vermeldt naast de productnaam ook het woord ‘plantaardig’ en het logo van een koe met de woorden ‘rund/plantaardig’.

Geklaagd werd dat de verpakking misleidend is, omdat het gebruik van het woord ‘plantaardig’ de indruk wekt dat het product een volledig plantaardige vleesvervanger betreft, terwijl het in werkelijkheid 76% rundvlees en 21% suikerbietenvezel bevat.

Volgens de adverteerder maken de naam, de ingrediëntenlijst en de visuele aanduidingen op de verpakking duidelijk dat het product geen volledig plantaardig product is, maar een combinatie van rundvlees en een plantaardig bestanddeel.

In de beoordeling wordt door de RCC uitgegaan van de verwachting van de normaal geïnformeerde en redelijk oplettende gemiddelde consument, die eerst de lijst met ingrediënten raadpleegt. Gelet op alle elementen van de verpakking komt de RCC tot het oordeel dat er geen sprake is van misleidende voedselinformatie. De klacht wordt daarom afgewezen.

Vragen over deze onderwerpen? Neem graag contact op met Bente van Kan of Machteld Robichon.

Met dank aan Manar el Amrani

Visie

Dawn raids in het mededingingsrecht: recente ontwikkelingen en juridische grenzen

Inleiding

Na een tijdelijke terugval tijdens de COVID-19-pandemie zijn dawn raids, ook wel invallen of onaangekondigde bedrijfsbezoeken genoemd, inmiddels met hernieuwde intensiteit teruggekeerd in het handhavingsarsenaal van toezichthouders. Waar wij in 2021 nog schreven over de praktische do’s en don’ts tijdens een onaangekondigde inval, zien we nu een sterke juridische ontwikkeling rond de rechtmatigheid, reikwijdte en procedurele waarborgen van invallen en de daaropvolgende boetebesluiten. Recent hebben meerdere baanbrekende uitspraken van onder meer het Hof van Justitie van de Europese Unie (“HvJEU”) en het Gerecht van de Europese Unie (“Gerecht”) de spelregels aangescherpt.

In deze blog analyseren we de meest recente juridische ontwikkelingen rond een inval en wat deze betekenen voor ondernemingen. We behandelen onder meer wanneer een inval gerechtvaardigd is, welke waarborgen gelden tijdens een inval, en hoe het staat met de rechten van verdediging tijdens en na een inval. Dit alles aan de hand van spraakmakende recente zaken zoals die van Red Bull, Michelin, Symrise, Qualcomm, Nuctech, en de Franse supermarktenzaak.

Inhoudsopgave

Wanneer is een inval gerechtvaardigd?

Juridische grondslag en voorwaarden

Invallen mogen alleen plaatsvinden wanneer er concrete aanwijzingen bestaan van mededingingsbeperkende gedragingen. De juridische basis voor een inval door de Autoriteit Consument & Markt (“ACM”) is verankerd in de Algemene wet bestuursrecht (“Awb”) en de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt. Voor de Europese Commissie (“Commissie”) vloeien deze bevoegdheden voort uit Verordening 1/2003. De bevoegdheden worden nader gedefinieerd en afgebakend door nationale en Europese jurisprudentie.

Invallen door de ACM (al dan niet ter ondersteuning van de Commissie) mogen alleen plaatsvinden bij concrete aanwijzingen van gedragingen zoals:

  • Misbruik van een economische machtspositie;
  • Verboden prijs- of andere kartelafspraken tussen ondernemingen;
  • ‘Gun jumping’ (het voortijdig implementeren van een meldingsplichtige concentratie zonder goedkeuring);
  • Overtreding van de Digital Markets Act; of
  • Overtreding van de Foreign Subsidies Regulation (“FSR”).

Deze concrete aanwijzingen kunnen voortkomen uit diverse bronnen:

  • (Anonieme) meldingen van concurrenten, leveranciers of afnemers;
  • Tips van ex-werknemers of andere betrokkenen; en/of
  • Marktstudies van de ACM of Commissie.

De ACM heeft bijvoorbeeld begin 2025 aangekondigd vijf nieuwe marktonderzoeken te starten naar onder meer digitale leermiddelen en dierenartspraktijken, die uiteindelijk aanleiding kunnen geven tot nader onderzoek en mogelijk zelfs tot onaangekondigde bedrijfsbezoeken.

Rechtmatigheid van invallen: nieuwe accenten in de rechtspraak

De drempel voor het uitvoeren van een inval ligt betrekkelijk laag. Er bestonden tot voor kort relatief weinig uitspraken van Europese en Nederlandse rechters over de rechtmatigheid van invallen, aangezien de mogelijkheden voor beroep tot nietigverklaring bijzonder beperkt zijn. Desondanks tonen recente ontwikkelingen in de rechtspraak aan dat het aanvechten van (de besluiten die de basis vormen voor) invallen wel degelijk succesvol kan zijn. Dit komt doordat er op grond van (Europese) jurisprudentie in toenemende mate aandacht bestaat voor procedurele waarborgen die ondernemingen beschermen tegen te vergaande onderzoeksbevoegdheden.

České dráhy-zaak: ruime maar begrensde bevoegdheden van de Commissie bij mededingingsinvallen

Op 30 januari 2020 bevestigde het HvJEU in de České dráhy-zaak de ruime bevoegdheden van de Commissie om onaangekondigde invallen uit te voeren in mededingingsonderzoeken. De zaak betrof een inval bij de Tsjechische spoorwegmaatschappij České dráhy, naar aanleiding van informatie die de Tsjechische mededingingsautoriteit aan de Commissie had verstrekt over mogelijk misbruik van machtspositie door middel van het hanteren van roofprijzen (predatory pricing).

De Commissie voerde op basis van deze aanwijzingen een eerste inval uit. Naar aanleiding van informatie die tijdens deze eerste inval werd verkregen, besloot de Commissie een tweede inval te doen. Het HvJEU oordeelde echter dat voor die tweede inval onvoldoende concrete aanwijzingen bestonden om te voldoen aan de vereisten van noodzakelijkheid en proportionaliteit. Het besluit werd daarom gedeeltelijk vernietigd.

Het HvJEU benadrukte in deze uitspraak verder een aantal belangrijke principes ten aanzien van invallen. Ten eerste hoeft de Commissie bij het besluit tot een inval geen ontlastend bewijs te onderzoeken, zolang er voldoende belastende aanwijzingen zijn. Ten tweede kan informatie van een nationale mededingingsautoriteit al voldoende grondslag bieden voor een inval. Tot slot moet de reikwijdte van het besluit om een inval uit te voeren concreet en niet te ruim geformuleerd zijn, opdat het onderzochte bedrijf zijn rechten goed kan begrijpen en uitoefenen.

Deze uitspraak bevestigt enerzijds de brede bevoegdheden van de Commissie om invallen uit te voeren ter handhaving van het mededingingsrecht, maar stelt daar anderzijds duidelijke grenzen aan om willekeur en disproportionele inbreuken op het verdedigingsrecht te voorkomen.

Franse supermarktenzaak: duidelijke eisen aan documentatie concrete aanwijzingen voor een inval

Een belangwekkende uitspraak die de procedurele vereisten voor invallen heeft verscherpt, zijn de zogenaamde Franse supermarktenzaken. De Commissie voerde in 2017 onaangekondigde invallen uit bij verschillende Franse supermarktketens, waaronder Casino en Intermarché, op basis van een verdenking van mededingingsbeperkende afspraken.

De supermarkten in kwestie beargumenteerden dat de Commissie interviews, die dienden als basis voor de onaangekondigde invallen, niet correct had vastgelegd. Voor haar dossier had de Commissie enkel samenvattingen opgesteld van interviews met derden, zonder volledige verslagen van deze gesprekken op te nemen. Het Gerecht had eerder ten onrechte geoordeeld dat deze verplichting niet zou gelden vóór de formele opening van een onderzoek. Het HvJEU maakt in dit arrest duidelijk dat dit standpunt onjuist is.

Het HvJEU oordeelt dat de verplichting om interviews vast te leggen niet afhangt van de fase waarin de procedure zich bevindt, maar van het doel van de gesprekken. Volgens het HvJEU moeten interviews die worden afgenomen om informatie te verzamelen over het onderwerp van onderzoek – zoals het onderbouwen van een redelijk vermoeden voor een inval – correct gedocumenteerd worden door de Commissie. Deze uitspraak versterkt de procedurele waarborgen voor bedrijven die met mededingingsonderzoek te maken krijgen en stelt grenzen aan de onderzoeksmethoden van de Commissie, ook in de voorbereidende fase.

Telemarketing: bij welke onderneming voor de deur?

Deze formele aanpak wordt ook in Nederland gevolgd. In het kader van een onderzoek naar de naleving van het consumentenrecht bij de telefonische verkoop van energiecontracten besloot de ACM in november 2021 een bedrijfsbezoek uit te voeren bij Global Marketing Bridge B.V. (“GMB”), een intermediair die voor energieleveranciers telefonisch klanten werft. Hoewel de ACM op basis van informatie van verhuurder Regus had vernomen dat de activiteiten mogelijk zouden zijn voortgezet onder de bedrijfsnaam Sales Innovators B.V. (“SI”), nam zij in haar doelomschrijving slechts GMB en daaraan gelieerde ondernemingen op. Bij aankomst op het adres informeerde de betrokken personen de ACM dat niet langer GMB, maar SI op deze locatie gevestigd was. De ACM besloot desalniettemin het onderzoek voort te zetten en uiteindelijk een boete op te leggen aan SI, alsmede haar feitelijk leidinggevende, voor een overtreding van het consumentenrecht.

De voorzieningenrechter bepaalde in december 2023 dat voor de doelomschrijving niet de feitelijke verbondenheid (of SI de activiteiten van GMB heeft overgenomen) doorslaggevend is. Aangezien SI simpelweg buiten de kring viel van de (groep van) vennootschappen waar het onderzoek zich op richtte, was het bedrijfsbezoek onrechtmatig wegens strijd met artikel 8 EVRM en artikel 7 van het Handvest. Nu het dragende bewijs voor de overtreding was verkregen tijdens deze bedrijfsbezoeken, schorste de voorzieningenrechter het boete- en publicatiebesluit. Na een intrekking van het boetebesluit door de ACM, oordeelde rechtbank Den Haag in mei 2025 echter dat de ACM niet gehouden was een schadevergoeding te betalen wegens het onrechtmatige bedrijfsbezoek, aangezien de ACM zonder deze procedurele fout waarschijnlijk ook een onderzoek naar SI zou zijn gestart.

Red Bull: uitgebreide klacht van concurrent biedt voldoende aanwijzingen

Los van de strenge eisen aan de meer formele aspecten aan de voorkant, bevestigt het Gerecht in recente rechtspraak dat niet snel sprake is van een onrechtmatige inval op inhoudelijke gronden, zoals het ontbreken van voldoende aanwijzingen of een te ruime doelomschrijving.

In maart 2023 voerde de Commissie een onaangekondigde inval uit bij Red Bull wegens vermeende mededingingsbeperkende praktijken om concurrerende energiedrankproducenten te weren. Red Bull stelde vervolgens beroep in tegen het inspectiebesluit en verzocht de Commissie om een schadevergoeding wegens de vermeend onevenredige omvang en duur van het onderzoek. Volgens Red Bull nam de Commissie tijdens de inval een buitensporige hoeveelheid bedrijfsgegevens in beslag en was de inval slechts gebaseerd op de klacht van haar grootste concurrent Monster Energy. In beroep klaagde Red Bull daarom onder andere over een gebrekkige motivering van het inspectiebesluit en de schending van haar materiële verdedigingsrechten.

Het Gerecht stelde de Commissie in het gelijk en oordeelde dat het inspectiebesluit voldoende precies omschreven en gemotiveerd was. De Commissie beschikte over voldoende concrete aanwijzingen, waaronder een 80-pagina tellende klacht van een concurrent, aangevuld met e-mails, gespreksverslagen en meerdere aanvullende informatieverzoeken. Anders dan Red Bull betoogde, achtte het Gerecht het in dit geval niet noodzakelijk deze ontvangen informatie bij andere marktspelers te verifiëren. Dat de Commissie in haar inspectiebesluit gebruikmaakte van open formuleringen en voorzichtige termen is volgens het Gerecht inherent aan het vroege stadium van het onderzoek.

De inval was ook niet disproportioneel, omdat alleen langs deze weg informatie kon worden verkregen die Red Bull naar verwachting niet vrijwillig zou verstrekken. Bezwaren over de uitvoering van de inval, zoals het doorzoeken van mobiele telefoons en het gedrag van de ambtenaren in kwestie, hebben volgens het Gerecht geen betrekking op de rechtmatigheid van het inspectiebesluit als zodanig. Red Bull heeft inmiddels beroep ingesteld bij het HvJEU.

Symrise v. Michelin: ruime beoordelingsmarge om aanwijzingen te combineren mits voldoende specifiek

Ook geurstoffenleverancier Symrise had in de loop van 2025 geen succes met haar vordering tot nietigverklaring van het invalbesluit. Het Gerecht oordeelde op 30 april 2025 dat de Commissie zich mocht baseren op een samenstel van aanwijzingen, waaronder antwoorden op informatieverzoeken van derden en inlichtingenrapporten, zelfs indien (een deel van) het bewijsmateriaal uit één bron afkomstig was. Daarbij bevestigde het Gerecht dat aanwijzingen in onderlinge samenhang moeten worden beoordeeld en dat de Commissie ook mocht steunen op informatie uit eerdere ambtshalve onderzoeken. Dat Symrise niet met naam werd genoemd in de ontvangen informatieverzoeken deed, gelet op haar marktpositie, geen afbreuk aan de gerechtvaardigde vermoedens van de Commissie. Het Gerecht bevestigde daarmee de bestaande lijn dat mededingingsautoriteiten over een ruime beoordelingsmarge beschikken bij het nemen van dergelijke besluiten.

Voor Michelin liep het daarentegen anders. Op 10 januari 2024 voerde de Commissie een inval uit bij verschillende bandenproducenten, waaronder Michelin, wegens vermoedens van verboden prijsafstemming op de groothandelsmarkten voor nieuwe en vervangingsbanden voor personenauto’s en vrachtwagens. De Commissie baseerde zich daarbij onder meer op een grootschalige analyse van zogenaamde openbare ‘earnings calls’ en andere publieke aankondigingen waarin mogelijk signalen werden gegeven over toekomstige prijsverhogingen. Michelin stelde in maart 2025 beroep in tegen het inspectiebesluit, en betoogde dat de Commissie haar verdenkingen onvoldoende concreet had onderbouwd, met name voor het begin van de vermeende kartelperiode, en dat openbare earnings calls geen plausibele basis konden vormen voor (verdenking van) verboden kartelafspraken.

Het Gerecht oordeelde dat de Commissie wel degelijk beschikte over voldoende concrete aanwijzingen om de inval te rechtvaardigen en achtte de inval niet disproportioneel. Anders dan Michelin had aangevoerd, mocht de Commissie daarbij wel degelijk waarde hechten aan de earnings calls, nu de informatie daaruit daadwerkelijk kon bijdragen aan het staven van de vermoedelijke prijscoördinatie tijdens de onderzochte periode. Voor een eerdere periode echter had de Commissie geen specifiek bewijs geleverd waaruit de mogelijke coördinatie bleek. Het Gerecht vernietigde het besluit daarom ten aanzien van dat deel van de vermeende inbreukperiode.

Deze recente uitspraken onderstrepen het belang voor ondernemingen om de doelomschrijving van de inval en de rest van een (eventueel) inspectiebesluit (in geval van de Commissie) kritisch te analyseren en hun rechten en plichten te kennen. Hoewel de Commissie in een inspectiebesluit over het algemeen een redelijk ruime doelomschrijving kan hanteren en zich kan baseren op uiteenlopende soorten informatie als ‘aanwijzing’, is het raadzaam alert te zijn op zowel de inhoud en reikwijdte van als mogelijke procedurele missers gedurende het onderzoek.

Waarborgen tijdens en na een inval

Medewerkingsplicht en bevoegdheden van toezichthouders

Bij een inval door de Commissie of de ACM geldt voor bedrijven een wettelijke medewerkingsplicht. Ondernemingen zijn verplicht volledige en juiste informatie te verstrekken; het niet meewerken of geven van misleidende informatie kan leiden tot boetes tot 1% van de jaaromzet. Deze plicht is beperkt tot het doel en voorwerp van het onderzoek, zoals bij aanvang medegedeeld.

De bevoegdheden van de toezichthouders tijdens een inval zijn verstrekkend:

  • Gebouwen, terreinen en vervoermiddelen van de organisatie betreden, eventueel begeleid door de politie;
  • Met toestemming van de rechter-commissaris ook derdenlocaties en privéwoningen betreden;
  • Administratie inzien en kopieën maken;
  • Verzegelingen aanbrengen;
  • Verklaringen afnemen van personen die daarmee instemmen; en
  • Toelichting vragen op feiten of documenten, mits binnen het onderzoeksdoel.

Gevolgen van niet-medewerking

Toezichthouders treden hard op tegen bedrijven die tijdens een inval informatie achterhouden of verwijderen. Een zwaar gesanctioneerde vorm van niet-medewerking is het wissen van relevante communicatie, zoals berichten op mobiele telefoons of via chatdiensten.

In maart 2023 deden de Commissie en mededingingsautoriteiten uit de VS, het VK en Zwitserland invallen bij bedrijven in de geurstoffenindustrie. Hoewel het onderzoek nog loopt, legde de Commissie inmiddels al een boete van € 15,9 miljoen op aan International Flavors & Fragrances, nadat een medewerker tijdens de inval berichten van zijn mobiele telefoon had verwijderd.

Ook in andere landen wordt deze gedraging streng beboet. In september 2023 kregen twee bedrijven in Polen gezamenlijk een boete van circa € 2,6 miljoen van de Poolse mededingingsautoriteit wegens het wissen van WhatsApp-berichten tijdens een onderzoek naar vermeende prijsafspraken rond koffiemachines. De Autoriteit Consument & Markt (ACM) legde in 2019 ook nog een boete van € 1,84 miljoen op aan een onderneming wegens het verwijderen van WhatsApp-berichten tijdens een lopende inval.

Nuctech: ook medewerking vereist indien informatie op niet-EU servers staat

In een voorzieningenprocedure bij de Europese rechter is Nuctech, een Chinese producent van detectieapparatuur, opgekomen tegen het inspectiebesluit van de Commissie die Nuctech verplichtte mee te werken aan invallen. De Commissie deed in het voorjaar van 2024 invallen bij dochterondernemingen van Nuctech gevestigd in Nederland en Polen wegens verdenkingen van concurrentieverstorende buitenlandse subsidies (op basis van de FSR). Nuctech verzocht om een schorsing van het Commissieonderzoek met als argument dat de territoriale onderzoeksbevoegdheden van de Commissie niet uitstrekken tot mailboxen die zich op servers in China bevinden. Het Chinese strafrecht zou het verlenen van toegang tot dergelijke informatie verbieden en sanctioneren, aldus Nuctech.

Het Gerecht en daarna het HvJEU achtten deze argumenten onvoldoende onderbouwd en stelde in het kader van de belangenafweging voorop dat Nuctech – door activiteiten uit te oefenen in de EU – ervoor heeft gekozen zich te onderwerpen aan EU-recht. Nuctech is daarom in beginsel gehouden mee te werken aan een inspectiebesluit waarin de Commissie toegang verlangt tot informatie op zakelijke mailboxen die worden gebruikt voor het dagelijkse uitoefenen van activiteiten in de EU.

Rechtsbescherming tijdens een inval: drie essentiële rechten

De bevoegdheden van de ACM en de Commissie tijdens een inval zijn begrensd. Ondernemingen en hun medewerkers hebben drie essentiële rechten tijdens een inval:

Recht op bijstand

Een onderneming heeft recht op bijstand tijdens een inval van de Commissie of de ACM. Uit het arrest van 6 september 2024 van de Hoge Raad volgt daarnaast dat op grond van het EVRM, bestuursorganen zoals de ACM verplicht zijn om betrokkene tijdig en actief te informeren over dit recht, zodra duidelijk is dat er een punitieve sanctie in het spel kan zijn. In dit licht rijst ook de vraag of het bestendige beleid van de ACM – waarbij bij een inval maximaal 30 minuten wordt gewacht op een advocaat – nog in overeenstemming is met het EVRM. Indien de betrokkene niet feitelijk gebruik kan maken van zijn recht op bijstand vóór de inval begint, bestaat het risico dat het recht op een eerlijk proces wordt geschonden. Dit roept mogelijk vragen op over de houdbaarheid van die werkwijze onder het huidige mensenrechtenkader.

Zwijgrecht

De toezichthouders zijn bevoegd om in het kader van het onderzoek inlichtingen in te winnen bij medewerkers. Medewerkers van een onderneming die wordt verdacht een inbreuk te hebben gemaakt op de mededingingsregels, zijn niet verplicht om antwoord te geven op vragen waarmee zij zichzelf of de onderneming zouden (kunnen) beschuldigen. De verhorende ambtenaar dient voor aanvang van de bevraging de medewerker te wijzen op zijn/haar zwijgrecht (de ‘cautie’). Zij kunnen dus niet worden gedwongen om incriminerende verklaringen af te leggen. De cautie geldt niet voor feitelijke informatie.

Legal privilege

De communicatie tussen een bedrijf en een externe advocaat valt onder het zogeheten verschoningsrecht (ook wel: legal privilege). Er mag geen inzage worden gevorderd in correspondentie, documenten en adviezen die zijn uitgewisseld tussen het bedrijf en externe advocaten. Van deze informatie mogen ook geen kopieën worden gemaakt door ambtenaren.

Voorheen was het beleid van de ACM dat ACM-medewerkers geprivilegieerde communicatie vluchtig mochten inzien om te verifiëren of iets onder legal privilege valt, maar dit beleid is na het arrest van de Hoge Raad van 12 maart 2024 aangepast. Sindsdien kan het materiaal worden gevorderd en wordt het voorgelegd aan een privacyfunctionaris van de ACM. Dit blijft controversieel aangezien nog steeds een ambtenaar van de ACM oordeelt over de toepasselijkheid van legal privilege, in plaats van een onafhankelijke derde.

Procedurele gebreken in de bewijsvoering en verdedigingsrechten

Het toegenomen accent op procedurele waarborgen komt niet alleen terug bij het aanvechten van de rechtmatigheid van invallen bij ondernemingen, maar ook bij bezwaren tegen de werkwijze in de rapportfase na een inval (als opmaat voor het boetebesluit). In meerdere recente zaken zijn boetebesluiten van de Commissie vernietigd, niet alleen vanwege inhoudelijke tekortkomingen, maar ook wegens procedurele gebreken die de verdedigingsrechten van ondernemingen hebben aangetast. Onderstaande jurisprudentie benadrukt dat procedurele rechtvaardigheid essentieel is gedurende het onderzoek tot de uiteindelijke boete.

Qualcomm-zaak: procedurele tekortkomingen in het bewijs en reikwijdte van Punten van Bezwaar

Op 15 juni 2022 vernietigde het Gerecht de boete van bijna € 1 miljard die de Commissie aan chipsetontwikkelaar Qualcomm had opgelegd. De Commissie had in 2018 vastgesteld dat Qualcomm misbruik maakte van haar machtspositie door exclusiviteitsbetalingen aan Apple te doen voor de afname van LTE-chipsets.

Naast inhoudelijke gebreken in de bewijsvoering (de Commissie had onvoldoende aangetoond dat er sprake was van marktafschermingseffecten), constateerde het Gerecht meerdere procedurele onregelmatigheden:

  1. De Commissie had nagelaten de precieze inhoud van alle afgenomen gesprekken te documenteren, waaronder vergaderingen en conference calls met derde partijen; en
  1. Het boetebesluit zag uiteindelijk slechts op één relevante markt, terwijl de Punten van Bezwaar (Statement of Objections, “SO”) meerdere markten bestreek. Deze wijziging tastte de relevantie van Qualcomms economische analyse aan, zonder dat Qualcomm in de gelegenheid was gesteld hierop te reageren.

Deze procedurele missers leidden volgens het Gerecht tot een schending van Qualcomm’s verdedigingsrechten, en resulteerde in volledige vernietiging van het besluit.

Sony-zaak: verhouding tussen Punten van Bezwaar en uiteindelijke besluit

Het HvJEU benadrukte op 16 juni 2022 in de Sony-zaak eveneens het belang van een zorgvuldige administratieve procedure. De mededingingsinbreuk zag op een vermeend kartel tussen Sony, Quanta en de joint ventures van Toshiba en Samsung. De Commissie had in haar besluit vastgesteld dat er sprake was van zowel één enkele voortdurende inbreuk als een aantal afzonderlijke inbreuken. Deze afzonderlijke inbreuken waren echter een aanvulling op de eerder uitgebrachte SO. In tegenstelling tot het oordeel van het Gerecht concludeerde het Hof dat hiermee de verdedigingsrechten van de kartellisten waren geschonden, aangezien deze afzonderlijke inbreuken in de SO onvoldoende waren onderzocht en gekwalificeerd.

BEH e.a/Commissie: gebrekkige bewijsvoering en procedurele waarborgen

Een recenter voorbeeld is de zaak Bulgarian Energy Holding (“BEH”) tegen de Commissie. Op 25 oktober 2023 vernietigde het Gerecht de boete van € 77 miljoen die in 2018 aan het staatsgasbedrijf was opgelegd voor vermeend misbruik van machtspositie tussen 2010 en 2015. Naast het feit dat de Commissie onvoldoende had aangetoond dat aan de specifieke vereisten van de ‘essential facilities’-doctrine was voldaan, stelde het Gerecht vast dat de Commissie grote procedurele fouten had gemaakt:

  1. De Commissie had bepaalde gespreksverslagen met derde partij Overgas niet gedocumenteerd; en
  2. Ontlastende gespreksverslagen met derden, die later essentieel bleken voor BEH’s verdediging, waren buiten het dossier gehouden.

Deze procedurele gebreken hadden BEH in haar verdediging geschaad, wat leidde tot volledige vernietiging van het boetebesluit.

De bovenstaande zaken illustreren het groeiende belang van procedurele waarborgen in Europese mededingingszaken die uitmonden in punitieve sancties. De rechterlijke instanties stellen hoge eisen aan de zorgvuldigheid waarmee de Commissie haar onderzoeken uitvoert en de wijze waarop zij verdedigingsrechten van ondernemingen waarborgt.

Conclusie en praktische tips

Invallen zijn terug van weggeweest – en intensiever dan ooit. Tegelijkertijd laten recente uitspraken zien dat de juridische speelruimte voor toezichthouders niet onbeperkt is. De (Europese) rechter stelt steeds hogere eisen aan de motivering, proportionaliteit en procedurele zorgvuldigheid van invallen. Daarmee is er een kans voor ondernemingen om een inval – of het daaropvolgende boetebesluit – met succes aan te vechten, mits zij hun rechten tijdig en correct inroepen. Voor ondernemingen die betrokken raken bij mededingingsonderzoeken is het cruciaal om zich vanaf het begin bewust te zijn van hun procedurele (verdedigings)rechten. De praktijk wijst uit dat een strategisch en juridisch onderbouwde aanpak tijdens én na een inval het verschil kan maken.

Een praktisch stappenplan voor bedrijven bij een inval:

  1. Voorbereiding is cruciaal: Zorg dat er een actueel inval-protocol klaarligt, inclusief een noodplan met interne en externe contactpersonen.
  2. Handel onmiddellijk en juridisch onderbouwd: Vraag direct om juridische bijstand en wacht met verklaringen tot een advocaat aanwezig is. Laat toezichthouders weten dat je je rechten kent.
  3. Documenteer de inval zelf: Check de doelomschrijving (en eventueel het inspectiebesluit) vóórdat de toezichthouder naar binnen gaat en houd nauwkeurig bij wat toezichthouders doen, welke vragen worden gesteld en welke documenten worden ingezien of gekopieerd.
  4. Voorkom obstructie, maar bewaak je grenzen: Werk mee, verwijder niets, maar wees alert op overschrijdingen van bevoegdheden. Vraag om verduidelijking bij onduidelijke verzoeken; reageer niet te vluchtig op basis van aannames. Maak bezwaar wanneer dat nodig is, en laat hier een formele aantekening van maken.
  5. Ken en benut je rechten: Denk aan het zwijgrecht, het recht op bijstand en het legal privilege. Zorg deze rechten worden gerespecteerd. Wees bijvoorbeeld waakzaam of, en zo ja wanneer de cautie wordt gegeven en aan wie, en noteer dit voor jezelf.
  6. Overweeg bezwaar of beroep: De recente jurisprudentie toont aan dat invallen en boetebesluiten steeds vaker worden vernietigd vanwege procedurele fouten. Laat dus altijd juridisch toetsen of er gronden zijn om de werkwijze of reikwijdte van de inval bij de rechter aan te vechten.

Meer weten? Vind hier onze specifieke instructies voor de receptie en medewerkers bij een inval door de ACM of de Europese Commissie.

Met dank aan onze ex-collega Lara Elzas.

Visie

Update recente uitspraken Reclame Code Commissie – december 2025

In deze blog praten we jullie bij over enkele interessante uitspraken van de Reclame Code Commissie (“RCC”) van de afgelopen maanden. De blog bevat uitspraken waarin de RCC zich uitspreekt over verschillende thema’s, zoals reclame voor minderjarigen, misleidende (duurzaamheids)claims en de waarheidsplicht bij reclame.

Anti-abortus reclamefolders bij de huisarts

In een uitspraak van de RCC 19 november 2025 heeft de RCC geoordeeld over een klacht tegen een pro life organisatie naar aanleiding van een brief en bijbehorende folder. Deze brief werd, in de context van de wetswijziging die het mogelijk maakt voor huisartsen om de abortuspil voor te schrijven, op grote schaal per post aan huisartsen verstuurd en bevatte als bijlage een folder met de titel “Waarom ik, als huisarts geen abortuspil voorschrijf”. Deze folder stond ook op de website van de organisatie.

Er werd geklaagd dat de brief en folder niet als neutrale informatie kwalificeren, maar als reclame voor denkbeelden. De brief en folder zouden niet als reclame herkenbaar zijn omdat de daadwerkelijke afzender zich onvoldoende kenbaar maakt en de folder wordt ondertekend met “je huisarts”. Daarnaast zou de brief huisartsen aansporen om de folder, die expliciet is gericht op mogelijk kwetsbare vrouwen, in hun wachtkamer te leggen. Tot slot zou de folder feitelijke onjuistheden bevatten die inspelen op angstgevoelens.

Uiteindelijk worden er 11 passages van de brief en de folder door de RCC beoordeeld, niet alle klachten worden door de RCC gevolgd. Zo wordt er bijvoorbeeld geklaagd dat de passage “Doel van deze verandering is om de drempel voor het gebruik van de abortuspil te verlagen” zou suggereren dat de wetswijziging zou leiden tot “impulsief, onzorgvuldig of onveilig handelen”. De RCC oordeelt echter dat deze suggestie niet wordt gewekt en dat de stelling uit de folder voldoende grondslag vindt in de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel. Er is dus op dit punt geen sprake van strijd met artikelen 2 en/of 6 van de Nederlandse Reclamecode (“NRC”).

Van de 11 passages waarover wordt geklaagd wordt de klacht uiteindelijk op 2 onderdelen afgewezen. Van de 9 toegewezen klachtonderdelen worden er uiteindelijk 3 als misleidend of onjuist gekwalificeerd, 5 als ongerechtvaardigd appellerend aan gevoelens van angst waarvan één zelfs een bedreiging voor de volksgezondheid vormt en één uiting als schadelijk voor het vertrouwen in reclame. Hieronder worden deze categorieën a.d.h.v. een aantal voorbeelden uit de uitspraak toegelicht.

Schadelijk voor het vertrouwen in reclame als bedoeld in artikel 5 NRC

De RCC oordeelt dat de brief en folder, zowel tezamen als apart, kwalificeren als reclame voor denkbeelden. Aangezien de brief is ondertekend door een functionaris van de organisatie en voorzien is van het logo is die voldoende kenbaar volgens de RCC. De folder is daarentegen niet voldoende duidelijk aangezien nergens wordt vermeld wie de daadwerkelijke schrijver is en het is ondertekend door “je huisarts”. Daarnaast verwijst de folder naar “onafhankelijke organisaties” die eigenlijk aan de afzender zijn gelieerd. Dit schaadt het vertrouwen in reclame in de zin van artikel 5 NRC, aldus de RCC.

In strijd met de waarheid als bedoeld in artikel 2 NRC

Met name medische beweringen uit de folder lijken misleidend of onjuist te zijn, zo wordt er bijvoorbeeld gesuggereerd dat een echo noodzakelijk zou zijn om een abortuspil voor te schrijven, voor het vaststellen van de duur van de zwangerschap . De klagers stellen echter dat “vrouwen doorgaans goed in staat zijn om de duur van hun zwangerschap in te schatten op basis van de datum van hun laatste menstruatie en het de huisarts vrij staat om alsnog een echo te laten verrichten, indien er twijfel bestaat bij de patiënte of de huisarts over de zwangerschapsduur.” Hoewel sommige artsen er de voorkeur aan geven om aan de hand van een echo de duur “exact” vast te stellen, oordeelt de RCC dat dit niet voldoende grondslag biedt “voor de juistheid van voornoemde suggestie dat een abortuspil alleen kan worden ingezet als door middel van een echo “de exacte duur” van de zwangerschap is vastgesteld”.

Ongerechtvaardigd appellerend aan gevoelens van angst als bedoeld in artikel 6 NRC

Een groot deel van de beklaagde uitingen acht de RCC ontoelaatbaar omdat zij zonder rechtvaardiging onrust en angst oproepen. Het gaat om uitingen zoals dat “de richtlijnen zodanig [zijn] versoepeld, om het voorschrijven maar mogelijk te maken, dat zelfs abortusartsen op de risico’s wijzen”. De onderbouwing hiervan is dat er tijdens de internetconsultatie meerdere artsen zouden zijn geweest die hadden gewezen op concrete risico’s en waarvan niet alle bezwaren zijn weggenomen. De RCC oordeelt echter dat dit de suggestie “dat er sprake is van een versoepeling van richtlijnen, puur om het voorschrijven van de abortuspil door huisartsen mogelijk te maken, met de (medische) risico’s van dien” niet rechtvaardigt en dat er sprake is van ongerechtvaardigd appelleren aan gevoelens van angst.

Bedreiging voor de geestelijke en/of lichamelijk volksgezondheid als bedoeld in artikel 4 NRC

In de passage “Een waarnemer die een andere visie kan hebben op de abortuspil, maar daarvoor wel de verantwoording moet overnemen. Dat vind ik ongewenst” wordt gesuggereerd dat ‘je huisarts’ niet voldoende vertrouwen heeft in de (eventueel noodzakelijke) hulpverlening door de betreffende waarnemer en dat een vrouw die door complicaties in nood is, mogelijk ontoereikende medische zorg zou krijgen. Aangezien niet valt uit te sluiten dat kwetsbare vrouwen die deze passage lezen voordat zij met een arts hebben gesproken van nodige medische zorg afzien of dit uitstellen, brengt dit ernstige risico’s met zich mee voor de lichamelijke en psychische gezondheid van deze doelgroep. Deze uiting wordt daarom gekwalificeerd als een bedreiging voor de geestelijke en/of lichamelijke volksgezondheid.

De RCC geeft adverteerder het vrijblijvend advies om voortaan niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken.

Motherf*cking windmolens ten onrechte neergezet als milieuvriendelijke oplossing?

In een uitspraak van de RCC 13 november 2025 behandelt de RCC een klacht over een reclame van een energieleverancier.

De klager stoort zich enerzijds aan een ongenuanceerd positief beeld dat over windmolens wordt geschetst door de acteur zeewierchips te laten eten die op windmolenparken zijn geteeld en te stellen dat “These giants are standing tall against fossil fuels. Rising out of the ocean like a middle finger to Co2. Deep beneath the waves they can become artificial reefs. Creating habitat for sea life to grow.” terwijl windmolens juist grote overlast voor het zeeleven kunnen veroorzaken. Volgens de klager is het misleidend om windmolens als een milieuvriendelijke oplossing neer te zetten. Anderzijds stoort de klager zich aan het grove taalgebruik in de reclame “Motherf*cking windfarms…”

Adverteerder stelt daartegenover dat zij wil laten zien dat de fundering van en de ruimte tussen de windmolens nuttig kan zijn voor andere doelen dan het opwekken van niet-fossiele energie. Dit probeert zij op een ludieke manier te doen door zeewiersnacks te laten zien die niet voor de verkoop zijn bedoeld. Adverteerder voert ook aan dat het standpunt over kunstmatige riffen wetenschappelijk is onderbouwd en dat de formulering “can become” bewust is gekozen om feitelijk juist te zijn. Over het taalgebruik wilde het bedrijf op een creatieve manier inspelen op de verschillende meningen die mensen hebben over windmolenparken.

De RCC gaat mee met de redenering van de adverteerder. Zij stelt dat, overwegende de reclame als geheel, het duidelijk is dat er wordt bedoeld dat windmolenparken een manier zijn om niet-fossiele energie op te wekken en dat dit aan het zeeleven deels ten goede kan komen, hetgeen voldoende genuanceerd is. Ook wat betreft het taalgebruik volgt de RCC de adverteerder in de stelling dat “motherf*cking” tegenwoordig niet letterlijk zal worden opgevat en voldoende maatschappelijk is geaccepteerd om een uiting kracht bij te zetten. Daarmee is de uiting niet in strijd met goede smaak en fatsoen als bedoeld in artikel 2 NRC en wordt de klacht afgewezen.

Snoepreclame met een content creator gericht op minderjarigen?

In een uitspraak van de RCC van 16 oktober 2025 werd de vraag behandeld of een reclame voor een nieuwe chocoladereep die voortkwam uit een samenwerking tussen een snoepwinkel en een content creator zich specifiek richtte op minderjarigen. De reclame zou een jonge doelgroep aan kunnen spreken aangezien er een jonge jongen in speelt en de content creator regelmatig voorkomt in video’s waarin jonge kinderen te zien zijn.

Reclame voor voedingsmiddelen gericht op kinderen tot en met 12 jaar is volgens artikel 8 lid 1 Reclamecode Voor Voedingsmiddelen (“RVV”) verboden tenzij er sprake is van één van de drie wettelijk bepaalde uitzonderingen. Het moet dan gaan om:

  1. reclame voor Voedingsmiddelen die tot stand is gekomen in samenwerking met dan wel gesteund wordt door de overheid en/of een andere erkende autoriteit op het terrein van voeding, gezondheid en/of beweging;
  2. verpakkingen en point-of-sale materiaal; of
  3. reclame gericht op kinderen van 7 tot en met 12 jaar voor Voedingsmiddelen die voldoen aan de voedingskundige criteria.

Aangezien er nog geen door de markt geaccepteerde bereikcijfers bestaan waaruit volgt dat het publiek van sociale mediakanalen of andere online platforms voor minimaal 25% bestaan uit kinderen tot en met 12 jaar, kan de RCC niet op basis van deze in artikel 8 lid 4 RVV opgenomen maatstaf oordelen dat een reclame op sociale media gericht is op kinderen.  Om het gebruiksprofiel te kunnen bepalen moet zij daarom letten op “criteria als taalgebruik, vormgeving en animatie, games en speelse activiteiten en het gebruik van kinderidolen.”

De RCC volgt uiteindelijk de content creator in zijn betoog dat de reclame niet gericht is op kinderen jonger dan 12. De content creator stelt onder meer dat dit niet kan aangezien de minimumleeftijd om een account aan te maken op Instagram en TikTok 13 jaar is en dat de acteur die in de reclame voorkomt ouder dan 12 jaar is. De RCC acht de stellingen van de klager in dit verband onvoldoende geconcretiseerd en komt tot afwijzing van de klacht.

Flyeren aan jonge kinderen

In een uitspraak van de RCC van 14 oktober 2025 nam de RCC een klacht in behandeling van een ouder aan wiens 4-jarig kind een flyer en zonnebril zijn uitgereikt als onderdeel van een wervingsactie. De ouder vindt het onaanvaardbaar dat jonge kinderen rechtstreeks worden aangesproken en flyers en gratis artikelen krijgen.

De adverteerder stelt dat de flyer met goede bedoelingen is uitgereikt en dat er gratis activiteiten mee werden gepromoot zoals sport en spel voor kinderen en andere initiatieven zoals mensen helpen met klusjes in huis en ouderen bezoeken.

Het is van belang dat er terughoudend wordt gehandeld bij kwetsbare groepen zoals jonge kinderen en dat zorgvuldig om wordt gegaan met het bevattingsvermogen van deze doelgroep, aldus de RCC. De RCC oordeelt in dit geval dat het rechtstreeks benaderen van jonge kinderen, zonder toezicht of toestemming van ouders/begeleiders, ongeacht de intenties of doeleinden, “zonder meer onwenselijk” is. Daarom concludeert de RCC dat deze uiting in strijd is met de goede smaak en/of fatsoen, als bedoeld in artikel 2 NRC. De RCC adviseert adverteerder om niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken.

Vrijheid van meningsuiting vs. juiste beeldvorming bij milieucampagne

In een uitspraak van de RCC 6 oktober 2025 behandelde de RCC een klacht van een olie- en gasbedrijf tegen een tv-commercial van een milieuorganisatie. De commercial beweerde dat het bedrijf 700 nieuwe olie- en gasvelden heeft, “Die aanboren is zo onwaarschijnlijk in strijd met alle klimaatafspraken, dat een nieuwe rechtszaak meer kans maakt dan ooit. Dus steun ons.” Na de commercial werd de link naar de website van de milieuorganisatie in beeld gebracht en uitgesproken.

Het betrokken bedrijf klaagt dat het noemen van de naam van het bedrijf bedoeld is om te schaden en te intimideren. Daarnaast zou het genoemde aantal velden feitelijk onjuist zijn, zou het bedrijf geen exclusief eigendom maar slechts belangen hebben in die velden en zou het totaal aantal velden van dit bedrijf in 2025 juist met 113 velden zijn verminderd.

De adverteerder stelt zich op het standpunt dat zij het bedrijf wel bij naam mag noemen aangezien de commercial gemaakt is in de context van haar lopende/aanstaande rechtszaken, hetgeen de directe aanleiding voor de commercial is.  Er wordt verder niet gesteld of gesuggereerd dat andere bedrijven geen vergelijkbare activiteiten ontplooien of dat het bedrijf als enige verantwoordelijk zou zijn voor het klimaatprobleem. Verder stelt de adverteerder dat het rapport dat zij aanhalen, in tegenstelling tot het rapport dat klager aanhaalt, wel expliciet spreekt over 700 velden waar het bedrijf belangen in zou hebben en dat een daling van 813 naar 700 velden nog niks zegt over de potentiële uitstoot aangezien gasproductie zal toenemen. Tot slot stelt de adverteerder dat de formulering “heeft 700 nieuwe olie- en gasvelden” moet worden gezien in het kader van een publiekscampagne waarbij “heeft” niet verwijst naar exclusief eigendom maar zakelijke betrokkenheid.

De RCC oordeelt dat, aangezien de adverteerder niet als handelaar handelt maar als organisatie die een ideëel doelt nastreeft, de regels van misleidende reclame niet van toepassing zijn. Voor dit soort uitingen geldt een ruime vrijheid van meningsuiting dus stelt de RCC zich terughoudend op. Wel merkt de RCC op dat “uitingen die op dergelijke wijze het publieke debat trachten te beïnvloeden mogen echter geen onjuiste indruk wekken” omdat dit ertoe kan leiden dat het publieke debat op onjuiste informatie wordt gevoerd.

Dit is volgens de RCC in dit geval aan de orde. De indruk wordt namelijk bij het publiek gewekt dat er 700 bijkomende olie- en gasvelden zijn aangekocht of waarvan de productie is gestart hetgeen een forse uitbreiding van de activiteiten van het bedrijf zou betekenen. Het gaat echter om velden die al (deels) in bezit van het bedrijf waren en waarvan het niet zeker is of zij in de toekomst geopend zullen worden. Door de slechts algemene verwijzing naar de website van de adverteerder waar meer informatie te vinden is, is de kijker onvoldoende in staat de informatie te nuanceren of op waarde te schatten en schaadt de commercial het vertrouwen in reclame als bedoeld in artikel 5 NRC.

Het concreet benoemen van een specifiek bedrijf valt volgens de RCC binnen de brede vrijheid van meningsuiting die deze organisatie toekomt en is dus niet problematisch. De RCC acht de commercial wel in strijd met de NRC voor zover het gaat om de onjuist gewekte indruk dat het bedrijf uitbreidt zonder deze stelling verder te nuanceren of de kijker deze informatie voldoende op haar waarde te laten schatten. De RCC geeft de adverteerder het vrijblijvende advies om niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken.

Vragen over deze onderwerpen? Neem graag contact op met Bente van Kan, Machteld Robichon of Ole Oerlemans.

Met dank aan Mathijs Borchardt

Visie

Flash Forward Fusiecontrole 2026

Net zoals vorig jaar blikken wij met de feestdagen in zicht alvast vooruit op de ontwikkelingen op het gebied van fusiecontrole voor het komende jaar. In deze tweede editie van de Flash Forward Fusiecontrole bespreken wij een aantal belangrijke thema’s en trends waarvan wij verwachten dat ze in 2026 (en daarna) een rol zullen spelen en mogelijk impact zullen hebben op jouw praktijk en cliënten (klik hier voor origineel).

In deze editie bespreken wij de volgende (verwachte) ontwikkelingen:


Meer onderzoeken naar niet-meldingsplichtige overnames

Met ingang van 1 september 2025 is artikel 24 lid 2 van de Mededingingswet (“Mw”) geschrapt. Deze bepaling hield in dat het nationale verbod op misbruik van een economische machtspositie niet kon worden toegepast bij de beoordeling van overnames. Door het schrappen van deze bepaling kan de ACM nu ook (al dan niet achteraf) niet-meldingsplichtige transacties onderzoeken wanneer de koper daardoor mogelijk misbruik maakt van zijn reeds bestaande machtspositie. Voor overnemende partijen brengt dit een groter risico op (ex post) interventies met zich, alsook de noodzaak om naast meldingsdrempels ook de eventuele machtspositie van de koper (op voorhand) in kaart te brengen.

Het onderzoeken van niet-meldingsplichtige concentraties in het kader van machtsmisbruik (ook wel aangeduid als de Towercast-doctrine, naar het gelijknamige arrest van het HvJEU) komt steeds vaker voor. Zo startte de ACM in maart 2025 al een onderzoek naar de mogelijk mededingingsbeperkende overname van Ziemann door geldtransporteur Brink’s. Met de schrapping van artikel 24 lid 2 Mw is het waarschijnlijk de ACM vaker zal onderzoeken of een overname kwalificeert als misbruik van een (bestaande) machtspositie.

In andere landen gebeurt dit al met enige regelmaat. Zo heeft de Belgische mededingingsautoriteit verschillende overnames onderzocht naar mogelijk machtsmisbruik (Proximus/EDPnet in 2023 en Live Nation/Pukkelpop in 2025). In november 2025 heeft de Franse mededingingsautoriteit zelfs de eerste boete opgelegd voor een misbruikelijke overname. Deze boete zag op een overname door het online platform ‘Doctolib’ in de zorgsector van concurrent ‘MonDocteur’ in 2018. Uit interne documenten bleek namelijk dat Doctolib met de overname haar grootste concurrent wilde uitschakelen om zo haar machtspositie te versterken (klantenbestand uit te breiden) en haar prijzen te kunnen verhogen.

Of een potentiële koper (pre-transactie) beschikt over een dominante machtspositie is vaak lastig met zekerheid te bepalen. Mocht er een vermoeden bestaan dat de koper meer dan 40% marktaandeel heeft en voornemens is een concurrent over te nemen, dan is het verstandig om eventuele Towercast-gerelateerde risico’s in kaart te brengen. De rol van interne (transactie)documenten wordt daarbij steeds belangrijker. Ook daarin kunnen mogelijke risico’s zitten.

Overigens is nog van belang om op te merken dat mededingingsautoriteiten hun bevoegdheid op basis van de Towercast-doctrine doorgaans ruim interpreteren. Zo heeft zowel de Franse mededingingsautoriteit als de Belgische mededingingsautoriteit de Towercast-doctrine ook toegepast om concentraties te beoordelen op basis van artikel 101 VWEU, het kartelverbod.

terug naar boven


Wetsvoorstel inroepbevoegdheid ACM

Op 25 juni 2025 is een wetsvoorstel ingediend ter introductie van een zogenoemde ‘inroepbevoegdheid’ voor de ACM. Op basis van die bevoegdheid kan de toezichthouder vooraf (ex ante) ingrijpen bij overnames die de omzetdrempels niet overschrijden. Deze maatregel volgt op recente zorgen over de effecten van private equity overnames, met name in de drie in het wetsvoorstel genoemde sectoren van huisartsenpraktijken, dierenartspraktijken en kinderopvang. Het wetsvoorstel moet de ACM in staat te stellen op te treden tegen het zogeheten ‘kralenrijgen’ (of industry roll-ups), overnames in kleine of nichemarkten die onder de omzetdrempels blijven, en ‘killer acquisitions’.

Op basis van het huidig voorstel kan de ACM informatie over een transactie opvragen zodra minstens één betrokken onderneming in het voorafgaande jaar € 30 miljoen omzet in Nederland behaalde. Qua tijdslijnen en procedure is het volgende voorgesteld:

  • de ACM kan een informatieverzoek doen binnen vier weken na het vroegste tijdstip van de volgende tijdstippen: (i) het tijdstip waarop het voornemen om de concentratie tot stand te brengen kenbaar is gemaakt, (ii) het tijdstip waarop de ACM kennis verkrijgt over dit voornemen, of (iii) zes maanden na het tijdstip waarop de overeenkomst waarmee de concentratie tot stand wordt gebracht van kracht wordt;
  • de ACM stelt vervolgens een redelijke termijn waarbinnen de relevante informatie aan haar moet worden verstrekt en heeft daarbinnen de mogelijkheid om aanvullende informatie te verlangen;
  • na het aflopen van deze redelijke termijn heeft de ACM in principe een termijn van vier weken om te beoordelen of de concentratie de mededinging op significante wijze zou kunnen belemmeren;
  • indien dat het geval is i) verplicht de ACM de betrokken ondernemingen de concentratie bij haar te melden, en ii) legt zij een verbod op het tot stand brengen van de concentratie tot vier weken nadat deze bij haar is gemeld;
  • nadat de concentratie is gemeld beginnen de reguliere termijnen voor de beoordeling van meldingsplichtige concentraties te lopen.

Gelet op deze in het wetsvoorstel genoemde termijnen kunnen dus enkele maanden verstrijken voordat partijen duidelijkheid verkrijgen over de vraag of de door hen voorgenomen concentratie toelaatbaar is. Vanuit oogpunt van rechtszekerheid is het dan ook aan te raden om, na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel, de ACM zo snel mogelijk op de hoogte te stellen van een concentratie waarvan wordt verwacht dat de ACM deze mogelijk inroept, zoals concentraties in de bovengenoemde sectoren.

De Raad van State (“RvS”) publiceerde op 1 oktober 2025 een kritisch advies over het voorstel, met name wat betreft de proportionaliteit van de inroepbevoegdheid en de rechtsonzekerheid die het met zich brengt. De ACM gaat niet in dit advies mee en verdedigt de voorgestelde bevoegdheid, al stelt zij wel voor de inroepbevoegdheid te combineren met een verhoging van de ‘generieke’ individuele omzetdrempel van € 30 miljoen naar € 50 miljoen. Sinds het advies van de RvS en reactie van de ACM hebben de initiatiefnemers van het wetsvoorstel nog geen nadere stappen ondernomen.

terug naar boven


Uitbreiding Wet Vifo naar nieuwe sectoren

In het licht van de snel veranderende geopolitieke situatie is sinds 19 december 2024 een voorstel in behandeling om de reikwijdte van de Wet Vifo uit te breiden naar nieuwe sectoren en technologieën. Kort gezegd voegt het de volgende nieuwe categorieën sensitieve technologieën toe aan het Besluit toepassingsbereik sensitieve technologie:

  • geavanceerde materialentechnologie;
  • nanotechnologie;
  • biotechnologie;
  • kunstmatige intelligentie;
  • sensor- en navigatietechnologie; en
  • nucleaire technologie met medisch gebruik.

Welke technologieën binnen deze categorieën specifiek worden aangewezen wordt in het Besluit en de nota van toelichting nader aangeduid (zie voor meer informatie de vorige editie van onze Flash Forward). Beoogd wordt om al deze technologieën ook als zéér sensitief aan te wijzen, waardoor de drempel van significante invloed voor investeringen in dergelijke technologieën komt te gelden. Daarnaast is het ministerie voornemens een aantal extra dual use goederen als zéér sensitief aan te merken. Daarbij gaat het om bepaalde geavanceerde telecommunicatie- en informatiebeveiligingstechnologieën.

De RvS dient nog een advies te geven over het voorstel. De wijzigingen zullen daarom op zijn vroegst begin 2026 van kracht worden. Indien de wijziging wordt doorgevoerd, betekent dit voor M&A-advocaten dat fusies en overnames in steeds meer sectoren onderworpen kunnen worden aan investeringstoetsing door het BTI. Dit vereist een nog scherpere analyse van transactierisico’s, tijdslijnen en meldingsverplichtingen wanneer cliënten actief zijn in of betrokken zijn bij vitale of strategische sectoren.

terug naar boven


Wetsvoorstel investeringstoets defensie-industrie

Naast de uitbreiding van de Wet Vifo is er sinds 2024 een wetsvoorstel in behandeling om onder andere een aparte investeringstoets voor de defensie-industrie in te voeren (‘Wet weerbaarheid defensie en veiligheid gerelateerde industrie’). Deze toets moet de strategische positie van de Nederlandse defensiesector versterken en richt zich op investeringen, fusies en overnames in de toeleveringsketen van de krijgsmacht. Deze nieuwe wet zal naast de Wet Vifo bestaan en vervangt en verbreedt daarmee de huidige Vifo-toets voor wat betreft militaire goederen, opdat ook essentiële toeleveranciers onder het toezicht vallen. Het voorstel bevat vergelijkbare bepalingen als de Wet Vifo, zoals een meldplicht, een standstill-verplichting, de nietigheidssanctie en de mogelijkheid tot het opleggen van voorwaarden (zie voor meer informatie hierover de vorige editie van onze Flash Forward). Ook over dit wetsvoorstel dient de Raad van State nog een advies uit te brengen. De ACM publiceerde in november 2025 reeds haar positieve uitvoerbaarheids- en handhaafbaarheidsanalyse. De Autoriteit Persoonsgegevens had wel een aantal opmerkingen op het voorstel.

terug naar boven


Politiek akkoord over FDI-Verordening

Op Europees niveau is zeer recentelijk (medio december) een politiek akkoord bereikt over de versterking van de FDI-Verordening. Het overeengekomen kader brengt de volgende wijzigingen met zich:

  • alle lidstaten zijn verplicht een screeningsmechanisme te hebben voor bepaalde gevoelige en strategische kerngebieden (zie hieronder);
  • ook indirecte buitenlandse zeggenschap valt onder het bereik van de FDI-Verordening;
  • versterkt samenwerkingskader tussen lidstaten, waarbij screeningsbesluiten wel onder de exclusieve verantwoordelijkheid van de lidstaat zelf blijven;
  • stroomlijning van processen en interoperabiliteit, waaronder filtercriteria, een nieuwe gedeelde databank en een facultatief centraal portaal voor de elektronische indiening van buitenlandse investeringen; en
  • bepaalde transparantieverbeteringen.

Ten opzichte van het eerste Commissievoorstel is qua reikwijdte een aantal technologieën afgevallen. Alhoewel er nog geen definitieve, nader gespecificeerde lijst is, heet de Raad laten weten dat de volgende gevoelige en strategische kerngebieden onder de reikwijdte van de Verordening zullen vallen:

  • dual use goederen en militaire goederen;
  • hyperkritische technologieën, zoals kunstmatige intelligentie (in overeenstemming met de definities in de AI-Verordening en met een focus op algemeen toepasbare kunstmatige intelligentie met relevantie voor ruimtevaart of defensie);
  • kritieke grondstoffen;
  • kritieke entiteiten in de energie-, transport- en digitale infrastructuur, op basis van een risicogebaseerde beoordeling door de lidstaat waar de EU-doelonderneming is gevestigd;
  • verkiezingsinfrastructuur (denk aan kiezersdatabases, stemsystemen, systemen voor verkiezingsbeheer);
  • een gesloten lijst van entiteiten binnen het financiële stelsel, beperkt tot centrale tegenpartijen, centrale effectenbewaarinstellingen, exploitanten van reguleerde markten, exploitanten van betalingssystemen (met uitzondering va01n centrale banken) en systeemrelevante instellingen.

Het vernieuwde kader zal naar verwachting in de eerste helft van 2026 in werking treden, nadat de Raad en het Europees Parlement er formeel over hebben gestemd. Lidstaten hebben vervolgens achttien maanden de tijd de wijzigingen – waar nodig – in hun nationale wetgeving te implementeren.

In Nederland zal dit naar verwachting wederom een aanpassing van de Wet Vifo en/of het Besluit toepassingsbereik sensitieve technologie met zich brengen. Zo zijn naar verwachting niet alle ‘kritieke grondstoffen’ en is ook verkiezingsinfrastructuur niet reeds gedekt onder de Wet Vifo. Alhoewel het dus nog even zal duren, is het voor M&A-advocaten van belang alert te zijn op de te verwachten verdere uitbreiding van de reikwijdte van de Wet Vifo en de mogelijke aanpassingen in de tijdslijnen en andere procedurele aangelegenheden, waaronder een formalisering van het ‘twee fasen’-systeem.

terug naar boven


Aanscherping zorgspecifieke fusietoets

Afgelopen zomer lag het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet marktordening gezondheidszorg (“Wmg”) ter consultatie. Dit voorstel beoogt de zorgspecifieke fusietoets aanzienlijk te versterken door de Nederlandse Zorgautoriteit (“NZa”) niet alleen het fusieproces te laten beoordelen, maar ook de inhoudelijke gevolgen van fusies en overnames in de zorgsector. De NZa kan op basis van het nieuwe voorstel goedkeuring van een zorgfusie weigeren wanneer de continuïteit van zorg wordt bedreigd. Deze mogelijkheid bestaat nu alleen bij cruciale zorg, zoals ambulancezorg en spoedeisende hulp, maar wordt dus mogelijk uitgebreid naar alle zorg (zoals genoemd in de Zorgverzekeringswet, de Wet langdurige zorg en de Wet forensische zorg).

Daarnaast krijgt de NZa bevoegdheden om fusies te blokkeren bij risico’s voor de rechtmatigheid van zorg, zoals onrechtmatige declaraties of zwakke financiële bedrijfsvoering. Ook wordt de kwaliteit van zorg een expliciete toetssteen: op verzoek van de NZa brengt de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd een zienswijze uit wanneer er signalen of lopende maatregelen zijn, of wanneer de concentratie dusdanig omvangrijk is dat ook de ACM betrokken raakt. Indien uit het advies van de Inspectie blijkt dat de normen voor ‘goede zorg’ of zorgvuldige organisatie mogelijk worden geschonden, blijft goedkeuring achterwege. De NZa kan bovendien een gegeven toestemming intrekken bij onjuiste informatievoorziening, en hiervoor boetes opleggen.

De voorgestelde verbreding van criteria betekent dat niet alleen het proces van een voorgenomen fusie centraal staat, maar dat de NZa ook meer inhoudelijk bepaalt of een fusie of overname is toegestaan. De verwachting is dat hierdoor meer fusies kunnen worden tegengehouden dan nu het geval. Mogelijk leidt dit wetsvoorstel tot rechtsonzekerheid gelet op de open normen van de kwaliteitstoets en tot een toename van administratieve lasten. Het definitieve wetsvoorstel wordt begin 2026 verwacht.

terug naar boven


Vaker ex officio onderzoek op basis van FSR

Op basis van de FSR is een melding van een concentratie verplicht wanneer één van de fuserende partijen, de target of de JV meer dan € 500 miljoen EU-omzet heeft én alle partijen gezamenlijk in totaal meer dan € 50 miljoen aan financiële bijdragen (‘foreign financial contributions’, “FFC’s”) uit derde landen ontvingen in de voorafgaande drie jaar. Onder FFC’s vallen vrijwel alle vormen van financiële steun uit niet-EU-landen, waaronder ook voor het leveren van goederen en diensten, ongeacht de voorwaarden waaronder deze zijn verstrekt. In de praktijk blijken de FFC-rapportageplichten – vooral voor private equity fondsen – administratief zeer zwaar, ondanks een inmiddels uitgebreide Q&A van de Commissie met de nodige versimpelingen.

De eerste afgeronde zaken laten zien hoe de FSR in de praktijk wordt toegepast. In de zaak e&/PPF Telecom Group onderzocht de Commissie omvangrijke steun uit de VAE aan e&. Hoewel de buitenlandse subsidies niet hebben geleid tot een verstoring van het acquisitieproces, concludeerde de Commissie dat deze wel de concurrentie post-transactie zouden kunnen verstoren. e& bood daarop toezeggingen aan, zoals het schrappen van een onbeperkte staatsgarantie en het hanteren van marktconforme voorwaarden. Ook bij de overname van Covestro door ADNOC leidde VAE-steun tot een diepgaand onderzoek. Recent heeft de Commissie toezeggingen van ADNOC, waaronder het openstellen van patenten voor duurzame technologieën van Covestro, geaccepteerd en daarmee de overname voorwaardelijk goedgekeurd.

De focus van FSR-handhaving ligt tot nu toe vooral op strategische sectoren zoals telecom, infrastructuur en duurzame energie. Hoewel de FSR vanuit derde landen, met name China, kritiek krijgt wegens vermeende handelsbelemmeringen, zal het FSR-toezicht als het aan de Commissie ligt, alleen maar toenemen. In het huidige geopolitieke klimaat bestaat de verwachting dat het ex officio onderzoeksinstrument vaker zal worden ingezet. Daarnaast zal de Commissie met de komst van de nieuwe (concept) FSR-richtsnoeren in januari 2026 waarschijnlijk actiever onder-de-drempel concentraties gaan inroepen indien er een vermoeden bestaat van betrokkenheid van buitenlandse subsidies (zie het eerste concept van de FSR-richtsnoeren hier).

Voor meer ontwikkelingen op het gebied van FSR, lees onze recente blog.

terug naar boven


Bedankt voor het lezen van de tweede editie van de Flash Forward Fusiecontrole. Wij wensen jou fijne feestdagen en een succesvol nieuwjaar!

Team Mededinging – bureau Brandeis

Bas Braeken (Partner) | Jade Versteeg (Advocaat) | Timo Hieselaar (Advocaat) | Demi van den Berg (Advocaat) |  Joost van Belois (Advocaat) | Lisanne Kooijman (Studerend medewerker)

Visie

Twee jaar na inwerkingtreding van de FSR: alleen een wapen of ook een schild?

Inleiding

Bedrijven zijn sinds 12 oktober 2023 verplicht om concentraties of inschrijvingen op openbare aanbestedingsprocedures waarbij financiering afkomstig is van niet-Europese overheden, te melden bij de Europese Commissie (“Commissie”) op basis van de Foreign Subsidies Regulation (“FSR”). Sindsdien is er veel gebeurd in FSR-land. Zo zijn er in 2024 alleen al 102 concentraties gemeld onder de FSR en meer dan tweeduizend meldingen ontvangen van openbare aanbestedingen. Dit is zeven keer meer dan de Commissie destijds had voorzien.

In eerdere blogposts (zie blog van 8 november 2021 en blog van 16 oktober 2023) hebben wij al uitvoerig stilgestaan bij inhoud van de regulering zelf. In deze blog zullen we ingaan op de meest recente ontwikkelingen: verschillende onderzoeken die de Commissie is gestart (en inmiddels heeft afgerond), waarvan de e&/PPF Telecom Group-zaak heeft geresulteerd in een uitgebreid besluit dat nuttige inzichten biedt in het toetsingskader. Op basis van deze ontwikkelingen zullen wij ook de mogelijkheden bespreken voor derde belanghebbenden om de FSR in te zetten wanneer zij last ondervinden van oneerlijke concurrentie door buitenlands gesubsidieerde ondernemingen.

 

Overzicht


Een korte opfrisser; wat houdt de FSR ook alweer in?

Doel van de FSR is bijdragen aan economische soevereiniteit, onder meer op geopolitiek vlak, en een ‘level playing field’ creëren tussen EU en niet-EU ondernemingen die wel actief zijn in de EU. De Commissie heeft op grond van de FSR de bevoegdheid om niet-EU subsidies die worden verleend aan een onderneming die economische activiteiten ontplooit in de interne markt te onderzoeken. Zij kan dit op eigen initiatief doen, ook wel aangeduid als ex officio, of naar aanleiding van een verplichte notificatie van een concentratie of openbare aanbesteding.

De notificatieplicht bestaat voor overnames, fusies of oprichtingen van joint ventures waarbij (i) ten minste één van de fuserende partijen (in geval van fusies), de doelonderneming (bij overnames), of de joint venture is gevestigd in de EU en een totale EU-omzet heeft van ten minste € 500 miljoen; en (ii) álle betrokken ondernemingen (en de groepen waartoe zij behoren) gezamenlijk gedurende de drie voorafgaande jaren meer dan € 50 miljoen aan financiële bijdragen (foreign financial contributions, ‘FFC’) hebben ontvangen.

Onder FFC wordt verstaan elke vorm van overdracht van financiële middelen vanuit een derde land (overheidsorganisatie of private entiteit waarvan het gedrag aan de overheid kan worden toegerekend). Om te bepalen of aan de tweede drempel is voldaan, is niet relevant onder welke voorwaarden de FFC’s zijn verstrekt. Of sprake is van voordeel en selectiviteit speelt pas een rol bij de materiële beoordeling.

De impact van de FSR, en met name de administratieve last voor meldende partijen alsmede de Commissie zelf, is aanzienlijk groter gebleken dan initieel verwacht. Om tegemoet te komen aan de vele nuances en complexiteit bij de toepassing van de FSR-notificatiedrempels, en om de rapportageplicht – vooral bij betrokkenheid van private equity funds – waar mogelijk te beperken, heeft de Commissie een uitgebreide Q&A voor procedurele en bevoegdheidskwesties opgesteld. Momenteel is een evaluatie van de FSR gaande. In dat kader heeft de Commissie marktpartijen gevraagd om feedback en zal onder meer worden bezien of er mogelijkheden zijn om het proces te versimpelen en verhelderen.

 

Inroepingsbevoegdheid

Naast de meldingsdrempels kent de FSR ook een inroepingsbevoegdheid voor de Commissie om een voorafgaande FSR-melding van een concentratie te verlangen indien zij vermoedt dat er in de drie jaar vóór de concentratie buitenlandse subsidies zijn toegekend aan de betrokken ondernemingen (artikel 21 lid 5 FSR). Een dergelijk verzoek moet wel vóór de totstandbrenging van de concentratie worden gedaan. Deze inroepingsbevoegdheid kan van pas komen wanneer de Commissie bijvoorbeeld via een fusiecontroletraject op de hoogte komt van een concentratie die weliswaar niet aan de FSR-drempels voldoet, maar waarbij wel buitenlandse subsidies betrokken lijken.

Een voorbeeld hiervan is de overname van Arbonia door het Chinese Midea. Gedurende de fusiecontrolebeoordeling zond de Commissie een FSR-informatieverzoek aan partijen. Uiteindelijk heeft dit niet tot een aanmeldingsverzoek geleid, maar het toont wel de bereidheid van de Commissie om haar inroepingsbevoegdheid daadwerkelijk in te zetten waar nodig.

De Commissie dient ingevolge artikel 46 FSR uiterlijk 12 januari 2026 richtsnoeren te publiceren (FSR-richtsnoeren). Deze richtsnoeren zullen onder meer ingaan op de bevoegdheid van de Commissie om concentraties of aanbestedingsprocedures in te roepen en enkele technische concepten te verduidelijken. In maart dit jaar opende de Commissie hiertoe een publieke consultatie en in de zomer van 2025 heeft de Commissie een eerste ontwerp van de richtsnoeren voorgelegd aan de markt. Hierin komt onder meer naar voren dat de Commissie meent dat ook concentraties die ver onder € 500 miljoen EU-omzetdrempel zitten, kunnen worden ingeroepen, bijvoorbeeld wanneer er strategische assets in het spel zijn of de koper een bepaald aankoopgedrag vertoont.

 

FSR in de praktijk: de eerste afgeronde en lopende onderzoeken

Uit de beschikkingspraktijk van de Europese Commissie blijkt dat zij haar ogen gericht heeft op sectoren die strategisch van belang zijn voor Europa. Met name de energie-, telecom- en infrastructuursector waarbij subsidies vanuit China en de Golfstaten betrokken zijn, worden geraakt door het FSR-toezicht.

Het eerste FSR-toezeggingsbesluit: e&/PPF Telecom Group

Op 26 april 2024 werd de beoogde overname van PPF Telecom Group door e& gemeld. De Commissie heeft na een diepgaand onderzoek op 24 september 2024 de overname onder voorwaarden goedgekeurd. De beslissing geeft belangrijke inzichten in het toetsingskader voor de materiële beoordeling van interne marktverstoringen door buitenlandse subsidies.

e& is een in de Verenigd Arabisch Emiraten (“VAE”) gevestigde telecommunicatie aanbieder. Het federale staatsinvesteringsfonds van de VAE, de Emirates Investment Authority (“EIA”), heeft zeggenschap en een meerderheidsbelang in e&. PPF Telecom Group is een telecommunicatie-exploitant actief in Bulgarije, Hongarije, Servië en Slowakije. In de beslissing komt naar voren dat e& onder meer profiteerde van (i) een lening door een consortium van banken (vier banken gecontroleerd door de staat en één private entiteit), (ii) een onbeperkte staatsgarantie, (iii) directe subsidies en leningen door het ministerie van financiën van de VAE, en (iv) een doorlopende kredietfaciliteit afkomstig van een consortium van VAE-banken.

De Commissie gaat allereest na of deze FFC’s als ‘buitenlandse subsidies’ kwalificeren in de zin van artikel 3 van de FSR. Alleen de lening aan e& (onder (i)) werd niet beschouwd als een buitenlandse subsidie, omdat het ontbrak aan ‘voordeel’. De volgende vraag is of deze buitenlandse subsidies ook daadwerkelijk de markt verstoren (waarbij de vermoedens in artikel 5 FSR meewegen). Daartoe stelt de Commissie eerst de betrokken activiteiten en aldus relevante markt(en) vast. Bij de beoordeling maakt de Commissie een onderscheid tussen twee situaties: (i) verstoring van de concurrentie tijdens het overnameproces, en (ii) verstoring van de concurrentie op de markt (post-transactie).

Om te bepalen of er sprake is van een marktverstoring, hanteert de Commissie een tweestapsbenadering zoals neergelegd in artikel 4 FSR:

  • Leidt de buitenlandse subsidie tot een verbetering van de concurrentiepositie van een onderneming op de interne markt; en
  • wordt de concurrentie in de interne markt daardoor daadwerkelijk of potentieel ongunstig beïnvloed.

Indien sprake is van een marktverstoring maakt de Commissie een afweging van enerzijds de door de fuserende partijen naar voren gebrachte positieve effecten van de subsidie (en het causaal verband daartussen) en anderzijds de geconstateerde marktverstoring, één en ander conform artikel 6 FSR. In onderhavige zaak kwam de Commissie tot de conclusie dat de buitenlandse subsidies niet de concurrentiepositie van e& in het overnameproces hebben bevorderd, maar e& wel ná de transactie een concurrentievoordeel zou kunnen opleveren.

Om tegemoet te komen aan de bezwaren van de Commissie heeft e& in een vroegtijdig stadium van het onderzoek toezeggingen aangeboden. De Commissie heeft daardoor een beslissing kunnen nemen zonder dat zij haar bezwaren hoefde te formaliseren in een Statement of Grounds. De toezeggingen moeten in lijn met artikel 7 lid 2 en 3 FSR de verstoring in de interne markt volledig en daadwerkelijk verhelpen en evenredig zijn. Uit de beslissing volgt dat de Commissie meerdere toezeggingen heeft geaccepteerd, waaronder het buiten toepassing laten van bepalingen uit de statuten van e& die afweken van het faillissementsrecht in de VAE (zodat de onbeperkte garantie komt te vervallen). Bovendien hebben partijen toegezegd dat e& (en daaraan gelieerde ondernemingen) geen van de EU-bedrijven van de target mag financieren, en tussen hen alleen transacties mogen worden aangegaan op marktvoorwaarden. De toezeggingen gelden voor een periode van 10 jaar.

Lopende FSR-onderzoeken

Recent zijn ook in een ander tweede fase onderzoek toezeggingen aangeboden waardoor de Commissie op 14 november 2025 de beoogde overname van Covestro door ADNOC onder voorwaarden heeft goedgekeurd. Covestro is een Duits bedrijf dat plastic en andere polymeren produceert voor onder meer de auto- en bouwbranche. ADNOC is een staatsoliegigant uit Abu Dhabi. De Commissie kwam tot de voorlopige conclusie dat de buitenlandse subsidies die ADNOC ontving van de VAE een agressieve investeringsstrategie mogelijk maakte die andere investeerders afschrikte.

ADNOC heeft toegezegd de onbeperkte staatsgarantie in diens statuten aan te passen en patenten voor duurzame technologieën van Covestro beschikbaar te stellen aan derde partijen onder transparante voorwaarden. Hiermee is vér voor de deadline van maart 2026 al een einde te komen aan het tweede diepgaande concentratieonderzoek onder de FSR.

Een ander onderzoek waar veel over te doen is, is het ex officio onderzoek dat de Commissie op 23 april 2024 startte naar Nuctech, een Chinese fabrikant van beveiligingsmaterieel. De Commissie deed invallen op locaties van Nuctech in Nederland en Polen en nam een groot aantal stukken in beslag. In een door Nuctech aanhangig gemaakt voorlopige voorzieningsprocedure oordeelde het Gerecht dat er geen gronden waren om de Commissie ervan te weerhouden de verkregen e-mailcorrespondentie te betrekken in haar onderzoek. Het Gerecht overwoog dat EU-toezichthouders toegang moeten hebben tot data die buiten de EU, bijvoorbeeld op servers in China, opgeslagen staan. Het risico op boetes en strafrechtelijke sancties onder Chinees recht voor het openbaren van bedrijfsgeheimen rechtvaardigt een opschorting van het Commissie-onderzoek niet, aldus de EU-rechter. Ook het hoger beroep van Nuctech bij het Hof van Justitie is inmiddels afgewezen.

Naast de bevestiging van de EU-rechter van een vergaande medewerkingsplicht bij FSR-invallen, kan de Commissie overigens ook – in geval van beperkte medewerking – onderzoek verrichten op basis van ‘beschikbare feiten’ (artikel 14 lid 3 onder (b) FSR). De dreiging die uitgaat van het baseren van een onderzoek op (ongunstige) informatie van concurrenten of afnemers, zal partijen over het algemeen dwingen tot medewerking.

Daarnaast is de Commissie eerder onderzoeken gestart naar enkele aanbestedingsprocedures, te weten:

  • een openbare aanbestedingsprocedure van het Bulgaarse ministerie van Vervoer en Communicatie voor de levering van 20 elektrische “push-pull”-treinen en daarmee verband houdende onderhouds- en personeelsopleidingsdiensten. Een dochteronderneming van het staatsbedrijf CRRC Corporation zou EUR 1,7 miljard aan buitenlandse subsidies ter beschikking gesteld hebben gekregen om de Bulgaarse aanbesteding te winnen.
  • twee inschrijvingen op een overheidsopdracht voor de ontwikkeling, bouw en uitvoering van een zonnepark in Roemenië. De hoogte van de biedingen van Shanghai Electric en Longi Green Energy Technology (beide (gelinkt aan) Chinese staatsbedrijven) in vergelijking met de biedingen van andere geïnteresseerde partijen en de waarde van de opdracht, vormden aanleiding voor de Commissie om een onderzoek te starten.
  • Goldwind Science & Technology, een Chinese leverancier van windturbines aan windmolenparken in Spanje, Griekenland, Frankrijk, Roemenië, Bulgarije en Duitsland, is naar verluid voorwerp van een onderzoek van de Commissie op aandringen van Europese leveranciers.

Zowel CRRC Corporation, als Shanghai Electric en Longi Green Energy hebben zich uiteindelijk teruggetrokken uit de respectievelijke aanbestedingsprocedures. In reactie hierop benadrukte de voormalige Eurocommissaris voor de Interne Markt, Thierry Breton dat het belang van de ontwikkeling van duurzame energiebronnen voor Europa niet ten koste mogen gaan van de industriële concurrentie en de Europese werkgelegenheid.

Vanuit Chinese hoek is er flinke kritiek gekomen op de onderzoeken in het kader van de FSR. Het Chinese Ministerie van Commercie (MOFCOM) heeft of 9 januari 2025 een rapport gepubliceerd waaruit zou blijken dat het handelen van de Commissie en de onderzoeken naar Chinese bedrijven grote handel- en investeringsdrempels creëren. Zo zouden de onderzoeken van de Commissie niet transparant zijn en ontbreekt het aan een tijdslimiet. De Chinese kamer van Koophandel voor Import en Export van Machines en Elektronische Producten (CCCME) heeft de Commissie herhaaldelijk aangespoord om verduidelijkingen aan te brengen zodat onderzoeken eerlijk en transparant zullen verlopen op basis van duidelijke, vooraf kenbare criteria.

 

Implicaties en mogelijkheden voor klagers

De Commissie is voornemens om de FSR intensief te gaan handhaven. De handhaving van de FSR wordt in één adem genoemd met de handhaving van de mededingings- en concentratieregels, met als doel om de economische veiligheid te waarborgen en de afhankelijkheid van niet-Europese entiteiten te verlagen.

Gelet op het ex officio beleid en de aanstaande verduidelijkingen over de inzet van de bevoegdheid om onder-de-drempel concentraties en inschrijvingen in te roepen, ontstaan er (meer) mogelijkheden voor derde belanghebbenden (klagers) om de Commissie te attenderen op bedrijven die oneigenlijke subsidie ontvangen vanuit derde landen. Derde belanghebbenden, zoals concurrenten van een in een transactie betrokken onderneming of inschrijvers op een aanbestedingsprocedure, kunnen signalen geven aan de Commissie bij vermeende buitenlandse financiële bijdragen. Zo heeft de Commissie naar aanleiding van klachten van Électricité de France (EDF) formele vragen gesteld aan de Tsjechische Staat over de toekenning van een opdracht aan het Zuid-Koreaanse Korea Hydro & Nuclear Power om een nucleaire fabriek te bouwen. EDF was een van de andere inschrijvers in de aanbestedingsprocedure.

Behalve concurrentievervalsing door vanuit het buitenland gesubsidieerde ondernemingen in de biedingenstrijd om een target of aanbesteding, kunnen derde partijen ook in andere gevallen een beroep doen op de FSR. In tijden van handelsoorlogen zijn buitenlandse ondernemingen sneller geneigd om importheffingen te voorkomen, bijvoorbeeld door productiefaciliteiten te openen binnen de EU. Een bekend voorbeeld betreft Chinese producenten van elektrische auto’s, zoals het openen van een fabriek door BYD in Hongarije. Deze ondernemingen kunnen een concurrentievoordeel genieten op de interne markt (zonder dat de activiteiten een FSR-melding triggeren). De Commissie heeft naar verluidt in maart 2025 een FSR-onderzoek geopend naar BYD (in aanvulling op een al lopend anti-subsidie onderzoek). De verwachting bestaat dat dergelijke ex officio onderzoeken – al dan niet op basis van signalen en klachten uit de markt – in de toekomst een nog belangrijker rol zullen gaan spelen.

Ondernemingen in de Europese Unie doen er dus goed aan scherp te zijn op de eventuele aanwezigheid van niet-Europese subsidies aan hun concurrenten, zeker als zij merken dat het concurrentiespeelveld hierdoor mogelijk wordt verstoord. Het is in dat geval verstandig om hiervan, al dan niet op vertrouwelijke basis, melding te doen bij de Europese Commissie.

Visie

Nieuwe ministeriële regelingen onder de Cyberbeveiligingswet: wat betekent de regeling van het ministerie van Economische Zaken voor uw sector?

Op 10 november 2025 zijn de concept ministeriële regelingen onder de Cyberbeveiligingswet (de “Cbw”) gepubliceerd. De internetconsultatie loopt tot en met 21 december 2025. Met deze regelingen krijgen zowel de Cbw als de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten (“Wwke”), het Cyberbeveiligingsbesluit en het Besluit weerbaarheid kritieke entiteiten een sectorspecifieke en praktische uitwerking. De regelingen bevatten gedetailleerde bepalingen die per sector aangeven welke maatregelen worden verwacht en wanneer incidenten moeten worden gemeld.

Omdat de verplichtingen sterk uiteenlopen per domein, stellen de meeste departementen een eigen ministeriële regeling op. Een belangrijk onderdeel daarvan is de nadere invulling van de meldplicht, waaronder de drempelwaarden die bepalen wanneer een cyberincident als “significant” geldt en dus moet worden gemeld aan het Nationaal Cyber Security Centrum (“NCSC”) of het sectorale Computer Security Incident Response Team (“CSRIT”). Daarnaast bevatten de regelingen de verdere uitwerking van de zorgplicht, waaronder risicobeoordelingen, beveiligingsmaatregelen, monitoring en ketenverantwoordelijkheid.

De ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (het “ministerie van BZK”), Infrastructuur en Waterstaat (het “ministerie van I&W”), Economische Zaken (het “ministerie van EZ”), Klimaat en Groene Groei (het “ministerie van KGG”), Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (het “ministerie van LVVN”) en Volksgezondheid, Welzijn en Sport (het “ministerie VWS”) hebben hun conceptregelingen inmiddels gepubliceerd. De nadere regels over de zorgplicht zijn voor de sectoren onder de ministeries van I&W, EZ, KGG en LVVN gezamenlijk ontwikkeld op basis van een eerdere consultatie die begin dit jaar is gehouden.

In dit blog richten we ons op de ministeriële regeling van het ministerie van EZ, de Regeling cyberbeveiliging EZ (de “Regeling EZ”).

Wat regelt de Regeling EZ?

In de kern vallen vijf clusters van sectoren onder de regeling van EZ: digitale infrastructuur, ruimtevaart, post- en koeriersdiensten, vervaardiging (manufacturing) en onderzoeksorganisaties voor zover zij binnen het EZ-domein vallen. Binnen de sector digitale infrastructuur ziet de Regeling EZ specifiek op aanbieders van openbare elektronische communicatienetwerken, aanbieders van openbare elektronische communicatiediensten en aanbieders van internetknooppunten. Voor cloud- en datacenterdiensten gelden de regels uit de Europese uitvoeringsverordening.

Verdieping van de zorgplicht

De Cbw verplicht essentiële en belangrijke entiteiten tot het treffen van “passende en evenredige” technische en organisatorische maatregelen. De Regeling EZ maakt expliciet wat daar in ieder geval onder moet worden verstaan. Dat gebeurt langs drie lijnen: 1) managementsystematiek, 2) bedrijfscontinuïteit en 3) de manier waarop systemen worden ontwikkeld, beheerd en benaderd.

Deze drie lijnen bespreken we hierna.

  1. Managementsystematiek en beleid

Entiteiten worden verplicht om hun beveiligingsbeleid en managementsystematiek expliciet vorm te geven. Zij moeten vastleggen:

  • Welke maatregelen voor het beheer van cyberrisico’s worden gemonitord en gemeten;
  • Met welke methoden die metingen plaatsvinden en hoe de resultaten worden gevalideerd;
  • Wanneer monitoring en meting plaatsvinden; en
  • Wie verantwoordelijk is voor monitoring, analyse en evaluatie.

De Regeling EZ sluit aan bij bestaande praktijk en internationale normen zoals International Standardization Organization (“ISO”), zodat organisaties geen parallel systeem hoeven te ontwerpen, maar bestaande managementsystemen kunnen uitbreiden of aanscherpen.

  1. Bedrijfscontinuïteit en back-ups

De Regeling EZ werkt de plicht tot het hebben van een bedrijfscontinuïteitsplan verder uit. Dat plan moet in ieder geval de doelstelling en reikwijdte, rollen en verantwoordelijkheden, interne en externe communicatiekanalen, criteria voor activering en de-activering, benodigde middelen (inclusief redundantie) en voorwaarden voor herstel en hervatting van activiteiten bevatten.

Daarnaast stelt de Regeling EZ eisen aan back-upprocedures: organisaties moeten hersteldoelen definiëren, zorgen voor volledige en nauwkeurige back-ups (inclusief configuratiegegevens en in de cloud opgeslagen data) en passende waarborgen treffen voor integriteit, vertrouwelijkheid en beschikbaarheid van back-ups. Ook is het periodiek testen van het terugzetten van back-ups verplicht.

  1. Ontwikkeling, onderhoud en toegangsbeheer

De Regeling EZ richt zich ook op de beveiliging bij het verwerven, ontwikkelen en onderhouden van netwerk- en informatiesystemen. Zo moeten de procedures bedoeld in het Cyberbeveiligingsbesluit ten minste betrekking hebben op:

  • Beveiligingstesten: er moeten structurele processen zijn om te testen of maatregelen feitelijk werken en kwetsbaarheden tijdig worden ontdekt.
  • Patchmanagement: patches moeten uit betrouwbare bron komen, waar passend vooraf worden getest en binnen een redelijke termijn worden toegepast. Als wordt besloten om een patch (nog) niet door te voeren, moet die keuze gemotiveerd en gedocumenteerd worden.

Daarnaast schrijft de Regeling EZ voor dat entiteiten onder meer maatregelen treffen tegen kwaadaardige en ongeoorloofde software en periodiek kwetsbaarheidsscans uitvoeren.

Wanneer is een incident “significant”?

Naast de drie hoofdlijnen bevat de Regeling EZ nadere criteria voor de meldplicht voor (significante) incidenten. De Regeling EZ bespreekt zowel algemene als sectorspecifieke criteria.

Algemene criteria

Een incident is in ieder geval significant als:

  • Het (kan) leidt(en) tot de dood of aanzienlijke schade aan de gezondheid van een of meer personen; of
  • Er sprake is van succesvolle, vermoedelijk kwaadwillige en ongeoorloofde toegang tot de netwerk- en informatiesystemen van een entiteit, ongeacht of er al zichtbare schade is; of
  • Een van de sectorspecifieke criteria wordt gehaald.

Geplande dienstonderbrekingen in verband met onderhoud door of namens de entiteit vallen buiten de meldplicht, tenzij er onverwachte neveneffecten optreden.

Sectorspecifieke criteria

De regeling introduceert de volgende drempelwaarden per sector:

Telecom / elektronische communicatiediensten

Een incident is onder meer significant als:

  • De integriteit, vertrouwelijkheid of authenticiteit van gegevens in het kader van de dienstverlening is aangetast;
  • Ten minste 50.000 gebruikers door een onderbreking worden getroffen; of
  • Het alarmnummer 112 of NL-Alert niet beschikbaar is.

De maatschappelijke impact van uitval of datalekken in deze infrastructuur is daarmee het uitgangspunt.

Internetknooppunten

Voor internetknooppunten geldt onder meer dat:

  • Uitval van ten minste 25% van het actuele totale verkeer gedurende 30 minuten of langer als significant geldt;
  • Dat geldt ook voor aantasting van integriteit, vertrouwelijkheid of authenticiteit van gegevens.

 

Ruimtevaart

In de ruimtevaartsector is een incident onder meer significant als:

  • Gedurende een door de entiteit vastgestelde periode geen communicatie met een ruimtevoorwerp mogelijk is;
  • Als een netwerk- of informatiesysteem uitvalt dat essentieel is voor economische of publieke activiteiten; of
  • Als vlucht- of besturingsgegevens worden gemanipuleerd of corrupt raken.

 

Post- en koeriersdiensten

Voor post- en koeriersdiensten is een incident significant als:

  • Door een verstoring in de systemen ten minste 30% van de gebruikers hun poststukken minimaal twee bezorgdagen later ontvangt dan wettelijk of contractueel is voorzien; of
  • Als de integriteit, vertrouwelijkheid of authenticiteit van gegevens over de dienstverlening is aangetast.

 

Vervaardiging

Een incident geldt als significant als sprake is van:

  • Verlies of degradatie van veiligheidsfuncties;
  • Verlies van besturings- of monitoringsfuncties;
  • Een inbreuk op de integriteit van industriële systemen waardoor product- of proceskwaliteit in gevaar komt;
  • Milieuschade door een cyberincident;
  • Een aanval die het beoogde securitylevel overstijgt of zich over meerdere zones verspreidt.

 

Onderzoek (EZ-domein)

Voor onderzoeksorganisaties geldt een duidelijk criterium: aantasting van de integriteit, vertrouwelijkheid of authenticiteit van onderzoeksgegevens is voldoende om een incident als significant te kwalificeren. Dat past bij het vaak vertrouwelijke en economisch of strategisch waardevolle karakter van onderzoeksdata.

Meldingen van significante incidenten verlopen via één centraal meldloket dat zowel het sectorale CSIRT als de toezichthoudende instantie bedient. De precieze procedurele eisen (termijnen, inhoud van meldingen) staan in de Cbw en worden in de Regeling EZ niet verder gewijzigd.

Hoe nu verder?

Wilt u sparren over een mogelijke consultatiereactie op de Regeling EZ of meer weten over de gevolgen van deze regeling voor uw sector? Neem dan contact op met Machteld Robichon of Bente van Kan.

Meer weten over de Cbw? Lees onze andere blogs:

Visie

Boete Ongehoord Nederland! voor overtredingen Mediawet

Naar aanleiding van overtredingen van de Mediawet 2008 (“Mediawet”) heeft het Commissariaat voor de Media (het “Commissariaat”) op 18 september 2025 een boete opgelegd aan omroepvereniging Ongehoord Nederland! (“ON!”). Dat de boete zou worden opgelegd was al eerder bekend gemaakt aan ON!. Recent is het volledige sanctiebesluit gepubliceerd op de website van het Commissariaat.

Het Commissariaat legt een boete op, omdat er sprake is van (een schijn van) belangenverstrengeling. Daarnaast zou ON! haar eigen redactiestatuut niet hebben nageleefd.

Belangenverstrengeling

Volgens het Commissariaat is in twee situaties (een schijn van) belangenverstrengeling ontstaan:

  1. De eerste ziet op een bestuurder die verantwoordelijk is geweest voor de personeelsaangelegenheden van een familielid. Deze bestuurder zou betrokken zijn geweest bij de aanstelling, beloningen en promoties van een direct familielid. Voor deze potentiële belangenverstrengeling had ON! een risicoanalyse laten maken, waar een laag risico uit kwam. Deze risicoanalyse is echter niet schriftelijk vastgelegd.
  2. De tweede situatie waardoor een daadwerkelijke belangenverstrengeling is ontstaan, ziet op de vermenging van redactionele en (privé) politieke belangen van een medewerker van ON!.

Volgens het Commissariaat heeft ON! de situaties onvoldoende herkend, dan wel onvoldoende maatregelen genomen om een (schijn van) belangenverstrengeling te voorkomen.

Niet naleving redactiestatuut

Op grond van de Mediawet dienen landelijke publieke omroepen te beschikken over een eigen redactiestatuut. Het Commissariaat houdt toezicht op de naleving van deze statuten.

Volgens het redactiestatuut van ON! mogen redactieleden geen binding hebben met politieke partijen.

De belangenverstrengeling in situatie 2 hierboven (vermenging redactioneel en privé politiek) ziet op een directe binding van een redactielid van ON! met een lokale politieke partij, die verder strekt dan een lidmaatschap. Het redactielid was naast zijn werkzaamheden bij ON! als presentator namelijk ook fractievoorzitter, partijvoorzitter en gemeenteraadslid voor de politieke partij in kwestie (nr. 79-82 besluit).

Volgens ON! kwalificeert de presentator niet als redactielid, waardoor er geen sprake zou zijn van strijdigheid met het redactiestatuut of de Mediawet (nr. 83-84 besluit). Het Commissariaat gaat hier niet in mee en stelt dat de werkzaamheden van de presentator meebrengen dat hij actief wordt betrokken in de voorbereiding van de uitzendingen die hij presenteert. Dit maakt hem onderdeel van de redactie.

Reactie ON! op boete

Nog voordat het sanctiebesluit was gepubliceerd sprak ON! al over de boete op X en Instagram. Op haar website vraagt ON! om financiële steun en laat zij weten dat het Commissariaat hen met deze boete “definitief de oorlog [heeft] verklaard”.

Het Commissariaat voelde zich genoodzaakt om naar aanleiding van deze uitingen te benadrukken dat haar sanctiebesluiten op zorgvuldige wijze tot stand komen en dat er geen sprake is van ‘strijd’ of ‘oorlog’ tegen ON! of haar presentatoren. Het Commissariaat geeft daarom op 22 september 2025 op haar website al een korte toelichting over de aan ON! opgelegde boete.

Het boetebesluit wordt enige tijd daarna, op 30 oktober 2025 op de website van het Commissariaat gepubliceerd. ON! heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit.

Niet de eerste boete voor ON!

De boete van het Commissariaat is niet de eerste boete voor ON!. In 2023 heeft De Raad van Bestuur van de NPO vanwege stelselmatige schending van de Journalistieke Code NPO (“Journalistieke Code”) drie keer een boete opgelegd aan ON!. Als gevolg hiervan bepleitte de NPO zelfs dat de vergunning van ON! als publieke omroep moest te worden ingetrokken. Dit verzoek werd door de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de “staatssecretaris”) afgewezen. In dit afwijzingsbesluit sprak de staatssecretaris ook het voornemen uit om de Journalistieke Code expliciet in de Mediawet op te nemen. Dit is tot op heden niet gebeurd.

In 2024 werden twee van de drie boetes voor ON! door de NPO weer ingetrokken, omdat de NPO aan ON! de ruimte wilde bieden om aan de eisen voor publieke omroepen te voldoen en hiermee tot een betere samenwerking met de NPO te komen. Een boete voor het stelselmatig schenden van de Journalistieke Code en het verspreiden van onjuiste informatie bleef staan, mede om zo de rechter de kans te geven om de NPO duidelijkheid te verschaffen over de reikwijdte van haar mandaat in gevallen waarin stelselmatig de Journalistieke Code wordt geschonden.

De hervorming van de publieke omroep

De aan ON! opgelegde boete is ook in het licht van de eerder aangekondigde hervorming van de publieke omroep interessant (zie ook onze eerdere blog over de hervormingsplannen). De nadruk van de hervorming ligt namelijk op governance, transparantie en verantwoording. In de probleemstelling, die door de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de “minister”) werd geformuleerd in zijn brief aan de Tweede Kamer van 4 april 2025 werden onder meer ‘betrouwbaarheid’ en ‘onafhankelijkheid’ genoemd als publieke waarden waar momenteel te weinig aandacht voor is. Een redactielid van een publieke omroep dat daarnaast een functie vervult bij een politieke partij staat op gespannen voet met deze waarden en de waakhondfunctie van de publieke omroep in het algemeen.

Als onderdeel van de aangekondigde hervorming zullen de bestaande omroepen ook moeten gaan clusteren in verschillende omroephuizen. ON! is op dit moment nog aspirant-omroep en daarom niet opgenomen in het voorstel voor mogelijke omroephuizen. In het voorjaar van 2026 zal een evaluatie plaatsvinden van ON!. Beoordeeld wordt of ON! voldoet aan de eisen die gelden voor een volwaardig lid van de publieke omroep. Als ON! officieel wordt toegelaten tot het bestel, zal zij opgaan in een van de omroephuizen.

Kortom, genoeg interessante ontwikkelingen in het vooruitzicht. We houden jullie op de hoogte van het vervolg!

Met dank aan Lisa Overbosch

Visie

Bestuurders en de Cyberbeveiligingswet

In het tweede kwartaal van 2026 treedt naar verwachting de Cyberbeveiligingswet (“Cbw”) in werking. De Cbw heeft tot doel de cyberverplichtingen voor entiteiten in sectoren met maatschappelijk of economisch gewicht te versterken. Ook bevat de Cbw bepalingen over het toezicht, de handhaving en aanvullende verantwoordelijkheden voor bestuurders van zogeheten essentiële of belangrijke entiteiten.

In dit blog bespreken we de verantwoordelijkheid van bestuurders van de zogenoemde essentiële en belangrijke entiteiten. We gaan in op wat de Cbw van bestuurders verlangt, welke kennis en vaardigheden zij moeten bezitten, en hoe zij hun taken kunnen verdelen met bijvoorbeeld de Chief Information Security Officer (“CISO”).

De rol en verplichtingen van bestuurders

De Cbw maakt bestuurders eindverantwoordelijk voor de naleving van alle Cbw verplichtingen. Bestuurders moeten onder meer zorg dragen voor de registratie van de organisatie bij het digitale loket van het Nationaal Cyber Security Centrum. Daarnaast onderhouden bestuurders het contact met toezichthoudende instanties en Computer Security Incident Response Teams (“CSIRTs”) wanneer zich significante incidenten voordoen. De bestuurders brengen de relevante cyberrisico’s in kaart, stellen passende beheersmaatregelen vast, keuren deze goed en houden actief toezicht op de uitvoering

De verantwoordelijkheid ligt bij het formele bestuur of, in geval van een one-tier board, bij de uitvoerende bestuurders. Bij andere rechtsvormen rust de verantwoordelijkheid op de feitelijke bestuurders. Voor overheidsinstanties zijn de minister, het college van burgemeester en wethouders of het dagelijks bestuur verantwoordelijk.

Vereiste kennis en vaardigheden

Bestuurders kunnen alleen beslissingen nemen als zij voldoende kennis hebben over cyberbeveiliging. Daarom zijn zij verplicht om regelmatig trainingen te volgen op het gebied van cyberbeveiliging Deze scholingsplicht stelt hen in staat risico’s te begrijpen, maatregelen en de impact daarvan te beoordelen en weloverwogen besluiten te nemen. Vanaf de inwerkingtreding van de Cbw geldt een overgangstermijn van twee jaar (of, bij nieuwe benoemingen, twee jaar na aantreden). Daarna moeten bestuurders hun kennis aantoonbaar actueel houden, onder meer via trainingen met certificering.

Iedere bestuurder moet in ieder beschikken over kennis en vaardigheden om:

  • Risico’s voor de beveiliging van netwerk- en informatiesystemen te kunnen identificeren;
  • Risicobeheersmaatregelen te kunnen beoordelen; en
  • De gevolgen van de risico’s en risicobeheersmaatregelen voor de dienstverlening te kunnen beoordelen.

In de praktijk betekent dit dat bestuurders:

  • Typische dreigingen en kwetsbaarheden kunnen herkennen en duiden. Het gaat bijvoorbeeld om malware/ransomware, phishing, insider threats, supply-chain-risico’s, Distributed Denial of Service aanvallen, misconfiguraties en afhankelijkheden van derden;
  • Inzicht hebben in het risicomanagementproces: hoe risico’s worden geïdentificeerd, geanalyseerd, geprioriteerd en behandeld, hoe het risicoregister en de rapportagelijnen functioneren, en welke risicobereidheid en drempelwaarden de organisatie hanteert; en
  • Risicobeheersmaatregelen kunnen beoordelen, prioriteren en hun impact kunnen afwegen tegen effectiviteit, proportionaliteit en kosten.

De precieze kennisvereisten kunnen bij algemene maatregel van bestuur nader worden uitgewerkt.

Concrete bestuurlijke taken

Naast de vereisten rond kennis en scholing schrijft de Cbw ook voor wat bestuurders in de praktijk moeten doen. De belangrijkste bestuurlijke taken zijn:

1. Cyberrisicomanagement integreren

  • Cyberbeveiliging is een kernonderdeel van de risicostrategie.
  • Het bestuur is eindverantwoordelijk voor een effectief risicomanagementproces dat continu wordt gemonitord en verbeterd.

2. Vaststellen en goedkeuren van beleid

  • Het bestuur stelt het informatiebeveiligingsbeleid vast en keurt dit goed.
  • Het beleid omvat preventieve maatregelen, incidentrespons, opleidingen en supply-chain-beveiliging.

3. Incidentmanagement en meldplicht

  • Het bestuur zorgt voor een goed ingerichte incidentresponsprocedure, inclusief Operatioonal Technology (“OT”)-systemen. Een kwetsbaarheid in IT kan directe gevolgen hebben voor fysieke processen in OT. Bestuurders moeten daarom toezien op een geïntegreerde aanpak, waarin incidentrespons ook OT-scenario’s omvat en risico’s uit beide domeinen in samenhang worden beheerd.
  • Significante incidenten worden tijdig gemeld aan toezichthouders en CSIRTs.

De rol van de CISO

Voor de uitvoering en invulling van het cyberbeveiligingsbeleid stellen veel organisaties een CISO aan. Het aanstellen van een CISO is niet verplicht, maar voor grote organisaties wel aan te raden.

Het bestuur blijft eindverantwoordelijk voor de naleving van de Cbw, een CISO dient ter ondersteuning. Zo kan een CISO bijvoorbeeld:

  • Adviseren: technische risico’s vertalen naar strategische en operationele impact;
  • Coördineren: implementatie en voortgang van maatregelen bewaken; en
  • Controleren: naleving van beleid toetsen en periodiek rapporteren.

Aansprakelijkheid

Bestuurders die niet of onvoldoende verantwoordelijkheid nemen op het gebied van de naleving en invulling van de Cbw lopen het risico civielrechtelijk aansprakelijk te worden gesteld. Daarnaast kunnen toezichthouders handhavens optreden jegens hen.

Conclusie

De Cbw maakt cyberweerbaarheid een belangrijke prioriteit voor bestuurders. De nieuwe wet brengt veel nieuwe verplichtingen, verantwoordelijkheden en risico’s voor bestuurders van essentiële en belangrijke entiteiten mee. Voor bestuurders dus zaak om zich tijdig te informeren en voor te bereiden.

Wilt u weten welke verplichtingen voor u als bestuurder gelden en hoe u uw organisatie én uzelf juridisch kunt beschermen? Neem dan contact op met Bente van Kan of Machteld Robichon.

Meer weten over de Cbw? Lees onze andere blogs:

Naar
boven