Competition Flashback Q2 2026: Ontwikkelingen mededingingsrecht

Bas Braeken & Jade Versteeg & Timo Hieselaar & Demi van den Berg & Joost van Belois & Lisanne Kooijman
24 jul 2026

Dit is de Competition Flashback Q2 2026 van bureau Brandeis met daarin een selectie van de belangrijkste mededingingsrechtelijke ontwikkelingen over het afgelopen kwartaal (klik hier voor het origineel). Wilt u voortaan graag de Competition Flashback van bureau Brandeis per e-mail ontvangen? Dan kunt u zich hiervoor aanmelden via dit formulier.

 

Overzicht Q2 2026


Fusiecontrole, FDI & FSR
Digitale markten
Kartels & verticale beperkingen
Misbruik machtspositie
Schadeclaims voor inbreuken mededingingsrecht

 


ACM keurt overname Rivier door NS Groep en Transdev voorwaardelijk goed

Autoriteit Consument & Markt, besluit van 8 april 2026

De Autoriteit Consument & Markt (“ACM”) heeft op 8 april 2026 onder voorwaarden goedkeuring verleend voor de indirecte gezamenlijke overname van Rivier B.V. (“Rivier”) door NS Groep N.V. (“NS”) en Transdev Nederland N.V. (“Transdev”). De ACM concludeert dat de transactie mededingingsrisico’s meebrengt, maar dat de door partijen aangeboden remedies deze voldoende wegnemen.

Rivier is het wholesale ‘mobility as a service’ (“MaaS”)-platform dat koppelingen mogelijk maakt tussen enerzijds OV-bedrijven en aanbieders van deelmobiliteit, en anderzijds de apps, websites en passen waarmee reizigers hun reis plannen, boeken en betalen. Rivier werd in 2020 gezamenlijk opgezet door NS, GVBRET en HTM. De huidige overname is inhoudelijk een herhaling van zetten. De ACM stelde bij de oprichting van Rivier al vier niet-horizontale mededingingsrisico’s vast: bundeling door OV-bedrijven, discriminatoire toegang tot het platform, bronafscherming jegens mobiliteitsaanbieders en misbruik van concurrentiegevoelige informatie. Die risico’s bestaan nog steeds en gelden na de concentratie ook voor Transdev als nieuwe indirecte aandeelhouder. Horizontale risico’s zijn er niet omdat NS en Transdev niet om dezelfde OV-concessies concurreren.

De remedies zijn grotendeels gelijk aan die uit 2020 en zien op FRAND-toegang tot het platform, non-exclusiviteit, beschikbaarstelling van OV-diensten aan alle MaaS-aanbieders en waarborgen tegen uitwisseling van concurrentiegevoelige informatie. Daarnaast worden de voorwaarden op twee punten aangepast. Ten eerste worden ze technisch doorgetrokken naar de nieuwe zeggenschapsstructuur. Ten tweede wordt het toezichtsregime verlicht: de monitoring trustee hoeft nog maar eens per drie jaar een volledig rapport op te stellen; in tussenliggende jaren volstaat een jaarlijkse brief van RIG aan de ACM. De ACM acht dit proportioneel, nu vijf jaar praktijk heeft aangetoond dat de remedies werken en geen overtredingen zijn vastgesteld.

terug naar boven


BTI publiceert jaarverslag 2025: recordaantal meldingen, eerste boete voor gunjumping en uitbreiding takenpakket

Bureau Toetsing Investeringen, jaarverslag van april 2026

Het Bureau Toetsing Investeringen (“BTI“) heeft in april 2026 zijn jaarverslag over 2025 gepubliceerd. Het verslag laat zien dat de omvang van het aantal meldingen gestaag groeit, mede als gevolg van toenemende geopolitieke spanningen en een stijgend aantal investeringen in sensitieve technologieën.

In totaal ontving het BTI in 2025 78 nieuwe meldingen onder het stelsel van investeringstoetsing. Dat is een stijging ten opzichte van voorgaande jaren. Van de 91 behandelde zaken (inclusief 13 overgedragen uit 2024) werden er 76 afgerond. In 66 gevallen volgde een onvoorwaardelijke goedkeuring; slechts twee zaken leidden tot een voorwaardelijke goedkeuring. Acht meldingen werden ingetrokken of niet in behandeling genomen wegens het ontbreken van een toetsingskader. Er zijn geen verboden opgelegd. De gemiddelde doorlooptijd bedroeg 37 dagen.

Opvallend is dat het BTI voor het eerst een bestuurlijke boete heeft opgelegd op grond van artikel 51, lid 3, Wet Vifo. De boete betrof een transactie die had plaatsgevonden zonder de verplichte voorafgaande melding. Daarnaast besloot de minister in 2025 een eerder in 2024 opgelegd verbod om te zetten in een goedkeuring onder voorwaarden, na een bezwaarprocedure en nieuwe informatie die ten tijde van het verbodsbesluit nog niet bekend was.

terug naar boven


Uitbreiding sensitieve technologieën Wet Vifo per 1 januari 2027

Minister van Economische Zaken en Klimaat, publicatie van 9 juni 2026

Op 9 juni 2026 heeft de minister van Economische Zaken en Klimaat het aangepaste ontwerp van de wijziging van het Besluit toepassingsbereik sensitieve technologie (“Besluit sensitief”) bij de Wet Vifo aan beide Kamers aangeboden (zie over het initiële ontwerp onze CF Q4 2024).

Na afloop van de consultatie, die liep tot en met 31 januari 2025, zijn twee aanpassingen doorgevoerd. Ten eerste is de verwijzing naar ‘commerciële standaarden’ geschrapt uit de technologieomschrijving van geavanceerde materiaaltechnologie (AST 5), om de afbakening werkbaarder te maken voor zowel het BTI als het bedrijfsleven. Ten tweede is de definitie van artificiële intelligentie (AST 6) meer toegespitst op de identificatie van personen en groepen, naar aanleiding van zorgen dat de eerdere formulering ook weinig risicovolle toepassingen zou omvatten.

Voor het overige blijft de scope ongewijzigd; het wijzigingsbesluit voegt een aantal specifieke technologieën binnen zes nieuwe technologiegebieden toe aan het Besluit sensitief: geavanceerde materialen (AST 5), artificiële intelligentie (AST 6), biotechnologie (AST 7), nanotechnologie (AST 8), sensor- en navigatietechnologie (AST 9) en nucleaire technologie voor medisch gebruik (AST 10). Al deze technologiegebieden worden tevens aangemerkt als ‘zeer sensitief’, waardoor ook reeds het verkrijgen van 10% van de stemrechten in een onderneming die actief is op een van deze gebieden meldingsplichtig is. Eveneens wordt een aantal dual use technologieën uit Verordening 2021/821 op het gebied van informatiebeveiliging en laser-satellietcommunicatie als zeer sensitief aangemerkt.

Met het oog op het recent bereikte politiek akkoord op Europees niveau, merkt de minister op dat nagenoeg alle nieuw toegevoegde technologieën – met uitzondering van AI – buiten het verplichte minimumtoepassingsbereik van de nog in werking te treden FDI-Verordening vallen. Het wijzigingsbesluit vormt een zelfstandig traject en staat de latere nationale implementatie van de FDI-verordening niet in de weg, aldus de minister.

Na aanbieding aan de Kamers wordt het besluit nog ter advies voorgelegd aan de Raad van State. De beoogde inwerkingtreding is op dit moment 1 januari 2027.

terug naar boven


Hoogtepunten fusiebeoordelingen Europese Commissie

 

Holcim / Xella

De Commissie heeft op 12 juni 2026 de voorgenomen overname van Xella international S.A. (“Xella”) door Holcim Ltd (“Holcim”) voorwaardelijk goedgekeurd. Beide bedrijven zijn actief in de bouwsector, waarbij Xella leverancier is van bouwmaterialen en Holcim voornamelijk leverancier is van cement, aggregaten en kant-en-klaar beton, evenals bouwmaterialen. In eerste instantie heeft de Commissie zorgen geuit over verminderde mededinging voor het leveren van autoclaafbeton (“AAC”). Zowel Xella als Holcim zijn de voorstaande leveranciers van AAC in Roemenië. Om deze zorgen weg te nemen heeft Holcim aangeboden om de AAC-blokkenfabriek in het Roemeense Adjud af te stoten. Onder deze voorwaarde is de overname door de Commissie goedgekeurd.

 

Op 2 juni 2026 heeft de Commissie de overname van BASF coatings division (“BASF Coating”) door The Carlyle Group Inc. (“Carlyle”) voorwaardelijk goedgekeurd. Carlyle is wereldwijd actieve investeringsmaatschappij. Tot Carlyle behoort Nouryon Ltd. (“Nouryon”), die actief is in het ontwikkelen en leveren van essentiële chemische ingrediënten, additieven en tussenproducten voor verschillende markten. BASF Coating ontwikkelt, produceert en verkoopt coatings producten voor de automobiel- en vliegindustrie. Nouryon levert een belangrijke input voor BASF Coating. Volgens de Commissie zou de aanvankelijk aangemelde transactie hebben geleid tot uitsluiting op de markten waar Nouryon en BASF Coatings actief zijn. Daarnaast zou de mogelijkheid bestaan dat de gefuseerde bedrijven de commercieel gevoelige informatie waarover Nouryon beschikt zouden kunnen gebruiken om de concurrenten van BASF Coating achter te stellen. Om de bezwaren van de Commissie weg te nemen heeft Carlyle aangeboden om Nouryon’s wereldwijde polysulfidenactiviteiten volledig af te stoten. Onder de voorwaarde dat de koper de benodigde expertise in de chemische industrie bezit, keurt de Commissie de overname goed.

 

Op 28 april 2026 heeft de Commissie aangekondigd een tweede-fase onderzoek te hebben gestart naar de voorgenomen oprichting van een gezamenlijke onderneming door UPM-Kymmane Corporations (“UPM”) en Sappi Limited (“Sappi”), de twee grootste bedrijven op gebied van communicatiepapierproducten (die worden gebruikt voor o.a. kranten, tijdschriften en boeken). Op basis van haar voorlopige onderzoek vreest de Commissie dat de fusie kan leiden tot lagere kwaliteit, minder keuzes of hogere prijzen op de markten voor tijdschriftenpapier, fijnpapier, speciaal papier en zelfklevende etiketten.

Met betrekking tot tijdschriften en fijnpapier heeft de Commissie geoordeeld dat concurrenten UMP en Sappi aanzienlijke leveranciers zijn in deze markt, en dat de gezamenlijke onderneming over een significant deel van de totale productiecapaciteit in de EER zal beschikken. De concurrenten van deze bedrijven geen mogelijkheid hebben eventuele prijsverhogingen te compenseren. Ook op de markt voor speciaal papier zijn UMP en Sappi nauwe concurrenten. De Commissie zal onderzoeken of de concurrentie op deze markten zal worden beperkt en of eventuele afstemming mogelijk is. Ten slotte zou UPM op de markt van zelfklevende etiketten actief blijven waarbij speciaal papier een essentiële input is. De Commissie gaat onderzoeken of er een prikkel is om de toegang van concurrerende zelfklevende etiketten tot één zijde gestreken basismateriaal te beperken.

 

Op 28 mei 2026 heeft de Europese Commissie (“Commissie”) aangekondigd een tweede fase onderzoek onder de Foreign Subsidies Regulation (“FSR“) starten naar buitenlandse subsidies ontvangen door JD.com, en de impact daarvan op de overname van het Duitse retailbedrijf CECONOMY. De Commissie heeft voorlopige zorgen dat gunstige financiering, belastingprikkels en subsidies vanuit de Chinese overheid ertoe hebben geleid dat JD.com een hogere prijs kon bieden in het overnameproces en de fuserende partijen een concurrentievoordeel zou kunnen geven op de interne markt. Dit vormt het derde diepgaande FSR-onderzoek van de Commissie sinds de FSR in werking is getreden in juli 2023.

terug naar boven


Meta: Gerecht handhaaft aanwijzing Facebook Messenger als kernplatformdienst, maar constateert motiveringsgebrek ten aanzien van Marketplace

Gerecht van de Europese Unie, arrest van 3 juni 2026

In juni 2026 behandelde het Gerecht van de Europese Unie (“Gerecht“) het beroep van Meta tegen haar aanwijzing als poortwachter onder de Digital Markets Act (“DMA”). Op 5 september 2023 wees de Commissie Meta aan als poortwachter voor onder meer Messenger (als nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiedienst (“NI-ICS”)) en Marketplace (als onlinetussenhandelsdienst). Meta betwist beide aanwijzingen.

Wat Messenger betreft, betoogt Meta dat de dienst een geïntegreerde chatfunctie van Facebook is en dus geen afzonderlijke kernplatformdienst (“KPD”) van het type NI-ICS. In het arrest van 3 juni 2026 volgt het Gerecht dit argument niet. Bepalend is dat Meta voor Messenger autonome mobiele applicaties heeft ontwikkeld en dat Messenger bruikbaar is met een gedeactiveerd Facebook-account. Daarbij verstrekt Meta specifieke softwarefuncties aan zakelijke gebruikers – zoals click-to-message en een betaalde berichtendienst – en positioneerde zij Messenger in haar communicatie aan beleggers en gebruikers uitdrukkelijk als zelfstandig platform met eigen verdienmodel. Dat er op zekere hoogte overlap bestaat tussen actieve gebruikers van Messenger en Facebook, doet niet af aan het zijn van een afzonderlijke KPD (artikel 3, lid 9, DMA).

Bij de kwantitatieve criteria (artikel 3, lid 2, DMA) heeft de Commissie, volgens het Gerecht, terecht gekeken naar alle actieve gebruikers die eenmaal per maand Messenger gebruiken (ongeacht of zij ook actief zijn op Facebook). Meta’s poging om het vermoeden op basis van de kwantitatieve criteria te weerleggen (artikel 3, lid 5, DMA) strandde op de hoge bewijsstandaard. De door Meta aangevoerde argumenten – een beperkt B2C-aandeel, multi-homing gedrag, en het C2C-karakter van Messenger – hielden geen “rechtstreeks verband met de kwantitatieve criteria”, waren onvoldoende onderbouwd en sluiten de kwalificatie als KPD niet uit, aldus het Gerecht.

Wat Marketplace betreft voerde Meta aan dat de Commissie ten onrechte geen rekening had gehouden met wezenlijke wijzigingen die vóór de vaststelling van het besluit waren doorgevoerd. Het Gerecht benadrukt dat de vraag of de kwantitatieve drempels zijn bereikt inderdaad een retrospectief onderzoek vergt over de laatste drie boekjaren, maar dat dit niet geldt voor de vraag of een dienst als KPD kwalificeert. De Commissie heeft dit miskend, aldus het Gerecht. Cruciaal waren de wijzigingen van 31 juli 2023 op basis waarvan Meta het maximale aantal advertenties per gebruiker per maand heeft beperkt tot 20 voor ‘artikelen’ en 5 voor ‘voertuigen en onroerend goed’. Dit zijn limieten die lager liggen dan de drempel waarboven de Commissie een gebruiker kwalificeerde als “power seller” – een indicator voor zakelijke gebruikers. Nadat Meta de Commissie hierover tijdig had geïnformeerd, stelt de Commissie in het aanwijzingsbesluit desondanks nog steeds dat sprake kan zijn van zakelijke gebruikers. Deze tegenstrijdigheid maakt dat het Gerecht dit deel van het aanwijzingsbesluit vernietigt vanwege een motiveringsgebrek. Overigens had de Commissie de aanwijzing van Meta in 2025 al ingetrokken omdat Meta genoegzaam had aangetoond dat de drempel van 10.000 zakelijke gebruikers niet was gehaald in 2024.

terug naar boven


Commissie legt voorlopige maatregelen op aan Meta ter waarborging vrije toegang AI-assistenten tot WhatsApp

Europese Commissie, besluit van 9 juni 2026

De Commissie heeft voorlopige maatregelen opgelegd aan Meta. De voorlopige maatregelen houden in dat Meta tot het eind van het lopende onderzoek concurrerende AI-assistenten voor algemene doeleinden weer toegang moet geven tot WhatsApp via de WhatsApp for Business API, onder de voorwaarden die golden vóór 15 oktober 2025. Dat houdt met name in dat er weer vrije en kosteloze toegang tot WhatsApp moet komen. Hiermee beoogt de Commissie te voorkomen dat ernstige en onherstelbare schade wordt veroorzaakt aan de concurrentie op de snelgroeiende markt voor AI-assistenten voor algemene doeleinden, nu nieuwkomers nog concurrentiedruk kunnen uitoefenen.

Volgens de Commissie heeft Meta met WhatsApp op het eerste gezicht sinds ten minste januari 2023 een machtspositie op de EER-markt voor communicatietoepassingen voor consumenten en misbruikt zij die positie waarschijnlijk door toegang te weigeren tot de infrastructuur die is ontwikkeld voor derden. Ook het verlenen van toegang tegen vergoeding, wordt door de Commissie als gelijkwaardig gezien aan deze toegangsweigering.

Reeds in december 2025 opende de Commissie haar onderzoek naar een mogelijke schending van artikel 102 VWEU door Meta, nadat het techbedrijf AI-assistenten van derde partijen uitsloot van de API, waardoor alleen Meta AI nog via WhatsApp beschikbaar bleef. In februari 2026 volgde een mededeling van punten van bezwaar met de voorlopige conclusie dat maatregelen nodig konden zijn en in april 2026 volgden aanvullende punten van bezwaar met het voornemen Meta te gelasten derden weer toe te laten. Met dit besluit van juni 2026 zijn deze voorlopige maatregelen daadwerkelijk getroffen. Meta moet binnen vijf werkdagen aan de maatregelen voldoen. Het inhoudelijke onderzoek loopt ondertussen door.

terug naar boven


Gerecht verduidelijkt dat omzet insolvente dochtervennootschap betrokken dient te worden in boeteberekening

Gerecht van de Europese Unie, arrest van 6 mei 2026

Op 6 mei 2026 verwierp het Gerecht het beroep van Westfälisches Textilwerk Adolf Ahlers Stiftung & Co. KG (“Ahlers Stiftung”) tegen de aan haar opgelegde boete. In november 2024 stelde de Commissie vast dat de Ahlers-groep en enkele Pierre Cardin-vennootschappen gedurende de periode 2008–2021 het kartelverbod hadden geschonden. Aan moedermaatschappij Ahlers Stiftung werd een boete van € 3,5 miljoen opgelegd, waarbij een verlaging van circa 66% was toegepast wegens beperkte betalingscapaciteit. Een complicerende factor was dat haar dochtervennootschap Ahlers AG in april 2023 insolvent was verklaard en haar bedrijfsactiviteiten op 15 juli 2023 waren overgedragen aan een derde.

Ahlers betoogt dat onder deze omstandigheid het boeteplafond moet worden berekend op basis van de economische eenheid zoals die bestaat op het moment van het opleggen van het boetebesluit. Nu Ahlers AG bij de vaststelling van het besluit in november 2024 niet langer deel uitmaakte van dezelfde economische eenheid als de moedermaatschappij, had de Commissie het plafond uitsluitend moeten baseren op de eigen omzet van Ahlers Stiftung. De Commissie heeft echter de geconsolideerde omzet gehanteerd inclusief de omzet van Ahlers AG tot 15 juli 2023.

Het Gerecht overweegt dat het 10%-boeteplafond ertoe strekt buitensporige boetes te voorkomen, maar tegelijkertijd de werkelijke economische draagkracht van de inbreukmaker moet weerspiegelen gedurende de inbreukperiode. Ahlers AG was tot 15 juli 2023 een volwaardige dochteronderneming waarover Ahlers Stiftung beslissende invloed uitoefende. De geconsolideerde jaarrekening weerspiegelde dus de economische realiteit van de onderneming tijdens de inbreuk. De doeltreffendheid van het mededingingsrecht zou ernstig worden ondermijnd indien ondernemingen het boeteplafond substantieel kunnen verlagen door vóór de beschikking activiteiten over te dragen aan derden, aldus het Gerecht.

terug naar boven


No-poach-overeenkomst Portugees betaald voetbal tijdens COVID-19 geen doelbeperking onder artikel 101 VWEU

Hof van Justitie van de Europese Unie, arrest van 30 april 2026

Het Hof van Justitie van de Europese Unie (“HvJ”) heeft op 30 april 2026 prejudiciële vragen beantwoord van de Portugese rechter over een niet-wervingsovereenkomst (no-poach agreement) die werd gesloten tussen profvoetbalclubs en de Liga Portuguesa de Futebol Profissional (“LPFP”) tijdens de COVID-19-pandemie. De centrale vraag was of dit akkoord een doelbeperking vormde in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU.

Op 7 en 8 april 2020, kort na de schorsing voor onbepaalde tijd van het voetbalseizoen 2019/2020, kwamen alle eersteklasse- en de meeste tweedeklasseclubs overeen geen spelers aan te trekken die vanwege de pandemie of daaruit voortvloeiende uitzonderlijke besluiten – met name de verlenging van het seizoen – eenzijdig hun arbeidscontract hadden beëindigd. De Portugese mededingingsautoriteit kwalificeerde dit als een doelbeperking en legde een boete op. De clubs gingen in beroep, waarop de rechter prejudiciële vragen stelde.

Het HvJ bevestigt dat niet-wervingsovereenkomsten op de arbeidsmarkt voor spelers in beginsel binnen de werkingssfeer van artikel 101 VWEU vallen en de kenmerken hebben van een doelbeperking. Toch oordeelt het Hof dat het in dit geval voor de verwijzende rechter openstaat om, na een specifieke beoordeling van de inhoud, de mededingingsdoelstellingen en de economische en juridische context, tot de conclusie te komen dat géén sprake is van een doelbeperking. De uitzonderlijke omstandigheden van de pandemie, zoals de onzekerheid over de hervatting van het seizoen, de dreiging van massale contractbeëindigingen en het risico van fundamentele verstoring van de sportieve integriteit, geven de overeenkomst een ambivalent karakter. Naast een mededingingsbeperkend oogmerk streefde het ook een objectief mededingingsbevorderend doel na, namelijk het bewaren van spelersroosterstabiliteit ten behoeve van een integer toernooisysteem.

Mocht de rechter oordelen dat de niet-wervingsovereenkomst geen doelbeperking is maar wél een gevolgbeperking, dan dient hij aansluitend te beoordelen of de overeenkomst gerechtvaardigd is op grond van de Wouters/Meca-Medina-doctrine: de overeenkomst moet dan een legitiem doel van publiekelijk belang nastreven en daarvoor geschikt, noodzakelijk en proportioneel zijn.

terug naar boven


Europese Commissie stuurt punten van bezwaar naar ondernemingen kunstgrassector

Europese Commissie, persbericht van 21 mei 2026

De Commissie heeft op 21 mei 2026 bekendgemaakt dat zij punten van bezwaar heeft gestuurd aan een aantal ondernemingen in de kunstgrassector, op verdenking van kartelvorming op de markt voor kunstgras voor sportvelden in Nederland en Duitsland. Het gaat om twee afzonderlijke zaken op grond van artikel 101 VWEU.

Het Nederlandse vermoede kartel draait om het recyclingbedrijf GBN-AGR, dat in 2019 is opgericht door Oranjewoud, TenCate Grass en het Belgische Sports & Leisure Group. De Commissie vermoedt dat de betrokken ondernemingen zijn overeengekomen uitsluitend gebruik te maken van de recyclingdiensten van GBN-AGR, niet met dit bedrijf te concurreren en de tarieven zodanig vast te stellen dat onderlinge concurrentie werd vermeden en derden werden benadeeld. Doel was GBN-AGR een dominante positie te verschaffen op de recyclingmarkt en tegelijkertijd de eigen sterke positie op de aanverwante markten voor aanleg en levering van kunstgras te bestendigen, aldus de Commissie.

Voor de Duitse markt vermoedt de Commissie dat Oranjewoud en het Duitse Sport Group tussen 2020 en 2023 strategische en vertrouwelijke informatie hebben uitgewisseld over prijzen en productiecapaciteit, en bovendien een gezamenlijke “gate fee” voor kunstgrasrecycling hebben vastgesteld – dit alles in het kader van samenwerkingsbesprekingen die uiteindelijk niet tot een deal leidden. De aangeschreven partijen krijgen nu de gelegenheid om op de bezwaren te reageren.

terug naar boven


CBb treft opnieuw voorlopige voorziening ten gunste van MaaS-aanbieders inzake HRN-concessie

College van Beroep voor het bedrijfsleven, uitspraak van 1 juni 2026

Op 1 juni 2026 trof het CBb in een tussenuitspraak een voorlopige voorziening in een geschil tussen diverse MaaS-aanbieders en de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat over de gunning van de concessie over het Hoofdrailnet (“HRN-concessie”) aan Nederlandse Spoorwegen (“NS”). De uitspraak bouwt voort op een eerdere tussenuitspraak van 30 juni 2025. In die tussenuitspraak oordeelde het CBb dat de HRN-concessie in strijd is met artikel 106 VWEU jo. art. 102 VWEU. Het CBb achtte het risico reëel dat NS haar machtspositie op de markt voor openbaar personenvervoer per trein op het HRN kon gebruiken om de concurrentie op de MaaS-markt te belemmeren, terwijl NS zelf ook op die MaaS-markt actief is.

Het CBb droeg de staatssecretaris daarom op de concessie aan te passen. Het wholesale aanbod van NS aan MaaS-aanbieders moest transparant, non-discriminatoir en concurrerend zijn en een gelijk speelveld realiseren. Ook moest duidelijk worden vastgelegd volgens welke methode het referentieaanbod en de compensatie voor distributiekosten – de kosten die NS bespaart wanneer een MaaS-aanbieder een verkoop- of distributiedienst verricht in plaats van NS zelf – worden berekend, zodat MaaS-aanbieders het aanbod van NS kunnen ‘matchen’.

Naar aanleiding daarvan nam de staatssecretaris in oktober 2025 een herstelbesluit. De MaaS-aanbieders menen dat dit herstelbesluit nog steeds tekortschiet: NS zou hiermee hun marges kunnen blijven uithollen en de staatssecretaris zou de distributiekostencompensatie te beperkt hebben uitgelegd.
Het CBb is vooralsnog niet overtuigd dat het gekozen systeem het mededingingsrechtelijke risico voldoende wegneemt en acht nader marktonderzoek nodig. Het CBb wijst erop dat de MaaS-markt al langere tijd (structureel) wordt gekenmerkt door een (vrijwel) monopolie van NS en dat onvoldoende is onderzocht waarom concurrentie niet van de grond komt. Zonder nadere informatie is denkbaar dat het herstelbesluit de positie van MaaS-aanbieders juist verslechtert.

Daarom continueert het CBb bij wijze van voorlopige voorziening de tussen NS en MaaS-aanbieders gemaakte afspraken vanaf 1 januari 2026, schorst het relevante onderdelen van het herstelbesluit en verhoogt het zelf de distributiekostencompensatie met 1,5 procentpunt. De voorziening geldt van 1 juni 2026 tot 1 januari 2027.

terug naar boven


Gerecht verwerpt beroep Red Bull over vergoeding voor kosten gemaakt tijdens dawn raids Europese Commissie

Gerecht van de Europese Unie, arrest van 22 april 2026

Het Gerecht heeft op 22 april 2026 het beroep van Red Bull GmbH en haar dochterondernemingen Red Bull France SASU en Red Bull Nederland BV verworpen. In de kern draaide de zaak om de vraag of de Commissie verplicht was de advocatenhonoraria te vergoeden die Red Bull had gemaakt als gevolg van de voortzetting van een mededingingsinspectie in de kantoren van de Commissie te Brussel.

In maart 2023 had de Commissie op grond van artikel 20, lid 4, van Verordening 1/2003 een inspectie verricht in de bedrijfsruimten van Red Bull in Fuschl am See, Parijs en Amsterdam. Aan het einde van die inspectie deelde de Commissie mede de inspectie voort te zetten in haar eigen kantoren te Brussel, hetgeen zij vervolgens van juni tot en met september 2023 deed. Red Bull verzocht daarna om vergoeding van de aanvullende kosten, waaronder de reis- en verblijfkosten én de volledige advocatenhonoraria.

De Commissie weigerde de advocatenhonoraria te vergoeden. Zij betoogde dat deze kosten geen aanvullende kosten zijn die uitsluitend het gevolg zijn van de voortzetting van de inspectie in haar kantoren vormen, omdat Red Bull zich ook tijdens de inspectie in eigen bedrijfsruimten voortdurend had laten bijstaan door advocaten. De kosten zouden daarmee hoe dan ook zijn gemaakt.

Het Gerecht volgt dit standpunt. Voor vergoeding is vereist dat de kosten “aanvullend” zijn, dat wil zeggen dat zij bovenop de kosten komen die zouden zijn gemaakt bij voortzetting van de inspectie ter plaatse, én dat zij “uitsluitend” het gevolg zijn van de Brusselse voortzetting. Aan dat exclusieve causale verband ontbrak het hier. Red Bull had zich tijdens de gehele oorspronkelijke inspectie laten bijstaan door advocaten en had bovendien zelf erkend dat zij ook bij voortzetting in eigen pand advocaten zou hebben ingeschakeld.

terug naar boven


ACM wijst handhavingsverzoek SK Company af: selectief distributiestelsel Jura niet in strijd met mededingingsrecht

Autoriteit Consument & Markt, besluit van 19 maart 2026 (publicatiedatum 1 mei 2026)

De ACM heeft op 19 maart 2026 het handhavingsverzoek van SK Company B.V. (“SK”) afgewezen. SK had de ACM gevraagd op te treden tegen Jura Nederland B.V. (“Jura NL”) en bol.com B.V. (“bol”) wegens vermeende overtredingen van het verbod op misbruik van een economische machtspositie en het kartelverbod. Na een initieel inventariserend onderzoek concludeert de ACM dat onvoldoende aanwijzingen bestaan voor een overtreding van de Mw of het VWEU.

SK is actief in de verkoop van Jura-koffiemachines, ingekocht bij een erkende Duitse distributeur, maar maakt geen deel uit van het selectief distributiestelsel van Jura NL. Medio 2025 verbood bol niet-erkende distributeurs nog langer op haar platform te verkopen, waarna SK per 30 september 2025 geen Jura-machines meer via bol kon aanbieden. SK klaagde vervolgens over drie vermeende overtredingen: (i) een onrechtmatig selectief distributiestelsel, (ii) inkoopblokkades en misbruik van auteursrechtelijk beeldmateriaal, en (iii) een afspraak tussen Jura NL en bol om niet-erkende distributeurs van het platform te weren.

De ACM verwerpt alle drie klachten. Het selectief distributiestelsel van Jura NL kan als kwalitatief stelsel voldoen aan de Metro-criteria en komt, gelet op het marktaandeel van Jura NL van ruim onder de 30% en het ontbreken van hardcore-beperkingen, in aanmerking voor de Europese Groepsvrijstelling. Van een machtspositie aan de zijde van Jura NL of bol is evenmin gebleken. Bovendien blijkt uit de reacties van Jura NL dat er meer dan 400 erkende distributeurs in Nederland actief zijn, waarvan een deel ook online verkoopt. Volgens de ACM is dat voldoende bewijs van concurrentie zowel binnen het merk als daartussen. Daarmee wijst de ACM het handhavingsverzoek af.

terug naar boven


Hof Amsterdam en HR oordelen over langlopend geschil tussen 123inkt en HP: geen machtspositie, wel oneerlijke concurrentie door vergelijkende reclame

Gerechtshof Amsterdam, arrest van 19 november 2024 (gepubliceerd op 22 april 2026) en Hoge Raad, arrest van 5 juni 2026

Naast het al lang lopende distributiegeschil (zie ook CF Q1 2026) tussen printerleverancier HP en cartridgeaanbieder Digital Revolution (beter bekend als “123inkt”), is nu een arrest gepubliceerd over eventueel misbruik van machtspositie door HP en enkele consumentenrechtelijke handelspraktijken, bijna anderhalf jaar nadat het werd gewezen.

123inkt klaagde in deze civiele procedure over de ‘dynamic security’ die HP heeft ingebouwd in haar printersoftware, waardoor een cartridge met een niet van HP afkomstige chip niet langer met (bepaalde modellen) HP-printers kan communiceren. Volgens 123inkt doet HP dit enkel met het doel andere cartridges uit te sluiten, hetgeen misbruik van machtspositie oplevert. 123inkt heeft dit proberen tegen te gaan door haar klanten te adviseren hun printers niet te updaten.

Het Hof meent, net als de rechtbank in eerste aanleg, dat onvoldoende feitelijk is onderbouwd dat de cartridges voor elk model HP-printer een eigen productmarkt vormen (waarop HP dominant zou zijn). Naar het oordeel van het Hof behoren printers op basis van de zogenaamde EFIM-toets (op grond waarvan een mogelijke machtspositie voor aftermarkten wordt getoetst) tot een systeemmarkt. Aannemelijk is volgens het Hof dat kopers de totale kosten voor printers en cartridges bij meewegen bij de keuze tussen verschillende printerfabrikanten. Bovendien voerde HP aan dat ‘dynamic security’ een legitiem doel dient, namelijk het tegengaan van counterfeit-cartridges.

Vervolgens gaat het Hof in op de oneerlijke concurrentie door niet-toegestane vergelijkende reclame door partijen over en weer. Wat betreft HP oordeelt het Hof dat HP ten onrechte een superioriteitsclaim maakt ten opzichte van niet-HP cartridges en beslist dat HP dit moet rectificeren op haar website. Ten aanzien van 123inkt oordeelt het Hof dat 123inkt niet langer mag communiceren dat de consument duurder uit is met HP Instant Ink en dit eveneens op haar website dient te rectificeren. Ook wordt 123inkt verboden klanten te bellen om hun bestelling van HP-cartridges om te zetten naar haar eigen cartridges.

Op 5 juni 2026 heeft de HR arrest gewezen in de cassatieberoepen van 123inkt en HP. 123inkt voerde tevergeefs aan dat de stelplicht en bewijslast die op haar rust ten aanzien van de marktafbakening in strijd is met de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid. De HR gaat hier niet in mee en ziet geen aanleiding om prejudiciële vragen hierover te stellen gelet op het beginsel van procedurele autonomie van de lidstaten. Wel slaagt het incidentele beroep van HP waarin zij klaagt dat het Hof – op grond van de devolutieve werking– ten onrechte de onderbouwing van haar superioriteitsclaim niet heeft beoordeeld in hoger beroep. In zoverre vernietigt de HR het arrest en verwijst de zaak terug naar het Hof voor verdere behandeling.

terug naar boven


HR oordeelt dat mededingingsrechtelijke inbreuk dochtermaatschappij niet zonder meer onrechtmatige daad jegens moedermaatschappij inhoudt

Hoge Raad, arrest van 10 mei 2026

De Hoge Raad (“HR”) heeft op 10 april 2026 uitspraak gedaan in een zaak waarbij de moedermaatschappij een mededingingsboete heeft betaald, en dat bedrag wilde verhalen op de dochtermaatschappij die de daadwerkelijk inbreukmakende handelingen heeft verricht. De zaak betrof investeringsmaatschappij Bencis Capital Partners B.V. (“Bencis”), die indirecte aandelen hield in meelfabrikant Meneba B.V. (“Meneba”), thans onderdeel van het Dossche-concern. De Nederlandse Mededingingsautoriteit (de rechtsvoorgangster van de ACM) legde Meneba een boete op van €9 miljoen wegens deelname aan een kartel in de meelbranche. Vervolgens legde de ACM ook aan Bencis een boete op van ruim €1,27 miljoen, op de grond dat Bencis in de periode van 26 november 2004 tot en met 16 maart 2007 beslissende invloed uitoefende over Meneba en in die periode daarmee één onderneming vormde in de zin van het mededingingsrecht. Bencis stelde dat de inbreuk voor haar verborgen was gehouden en vorderde in een civiele procedure een verklaring voor recht dat Dossche (Meneba) onrechtmatig jegens haar had gehandeld, alsmede betaling van de aan haar opgelegde boete.

De centrale vraag die de HR moest beantwoorden, was of een dochtermaatschappij die inbreuk maakt op het mededingingsrecht, daarmee tevens onrechtmatig handelt jegens de moedermaatschappij aan wie de boete als onderdeel van dezelfde ‘onderneming’ wordt toegerekend.

De HR stelt voorop dat de verdeling van aansprakelijkheid voor een mededingingsboete binnen een onderneming een kwestie van nationaal recht is, zij het met inachtneming van de algemene beginselen van Unierecht. Naar Nederlands recht geldt als uitgangspunt dat een inbreuk op het mededingingsrecht door een dochtermaatschappij niet zonder meer onrechtmatig is jegens haar moedermaatschappij – ook niet als die moedermaatschappij niet op de hoogte was van de inbreuk. Bijkomende omstandigheden kunnen dat oordeel anders doen uitvallen, in het bijzonder wanneer de dochter de moeder bewust heeft misleid of onkundig heeft gehouden omtrent de inbreuk.

In dit geval had de rechtbank Rotterdam na bewijslevering geoordeeld dat Bencis onvoldoende had aangetoond dat zij voorafgaand aan de overname specifiek naar mededingingsrechtelijke overtredingen had gevraagd, dat Meneba haar daarbij uitdrukkelijk had gerustgesteld en dat zulks jaarlijks was bevestigd. Het hof Den Haag bekrachtigde dit oordeel. De Hoge Raad laat het arrest van het hof in stand: Bencis heeft in hoger beroep geen voldoende duidelijke grief gericht tegen de feitelijke vaststellingen van de rechtbank, en de enkele stelling dat Meneba de inbreuk voor haar verborgen had gehouden, werd als onvoldoende concreet verworpen. Van de vereiste bijkomende omstandigheden die de inbreuk van Meneba onrechtmatig zouden doen zijn jegens Bencis was dan ook geen sprake.

terug naar boven


Nederlandse rechter bevoegd voor schadeclaim tegen Heineken wegens misbruik op Griekse biermarkt

Hoge Raad, arrest van 29 mei 2026

De HR heeft op 29 mei 2026 geoordeeld dat de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van een schadevergoedingsvordering tegen Heineken N.V. (“Heineken”) en haar Griekse dochteronderneming Athenian Brewery S.A. (“AB”) wegens gesteld misbruik van machtspositie op de Griekse biermarkt. Eiser is Macedonian Thrace Brewery S.A. (“MTB”), een Griekse bierbrouwer die stelt schade te hebben geleden als gevolg van mededingingsbeperkend gedrag van AB.

De kernvraag in deze zaak was of de Nederlandse rechter – als rechter van de woonplaats van de moedervennootschap Heineken – op grond van artikel 8, punt 1, Brussel I-bis-Verordening tevens bevoegd is ten aanzien van de in Griekenland gevestigde dochteronderneming AB. Heineken c.s. betwistten dit: zij stelden dat de enkele stelling dat moeder en dochter één mededingingsrechtelijke onderneming vormen onvoldoende is om bevoegdheid te vestigen, en dat het hof onvoldoende was ingegaan op hun gemotiveerde betwisting van de beslissende invloed.

De HR had eerder prejudiciële vragen gesteld aan het HvJ, dat op 13 februari 2025 antwoord gaf. Het HvJ oordeelde dat de rechter van de woonplaats van de moedermaatschappij zich bij de bevoegdheidsbeoordeling mag baseren op het mededingingsrechtelijk vermoeden van beslissende invloed, mits de verwerende partijen de mogelijkheid behouden om dat vermoeden te weerleggen met bewijskrachtige aanwijzingen.

In navolging van het HvJ verwerpt de HR de cassatieklachten van Heineken c.s. De rechter hoeft in de bevoegdheidsfase geen uitgebreide bewijsvoering te verrichten; het volstaat na te gaan of beslissende invloed van de moeder op de dochter niet op voorhand is uitgesloten. Nu Heineken vrijwel 100% (over)grootmoedervennootschap van AB is, en toewijzing van de vorderingen jegens Heineken niet reeds op voorhand als uitgesloten kan worden beschouwd, is de bevoegdheid van de Nederlandse rechter terecht aangenomen.

terug naar boven


HvJ vergroot mogelijkheden voor bevoegdheid nationale rechters op grond van ankergedaagderegel

Hof van Justitie van de Europese Unie, arrest van 16 april 2026

Op 16 april 2026 heeft het HvJ arrest gewezen in de gevoegde zaken rondom het stroomkabels-kartel en het karton-kartel. Beide zaken zijn via een (gelijktijdige) prejudiciële verwijzing van het gerechtshof Amsterdam bij het HvJ terechtgekomen. Het HvJ werd, kort gezegd, gevraagd wanneer een nationale rechter bevoegdheid kan aannemen ingeval van pluraliteit van verweerders op grond van de ankergedaagderegel (artikel 8, lid 1, Brussel I-bisartikel 7 Rv of artikel 6, lid 1, EEX-Vo). Daarbij moet sprake zijn van een ‘nauwe band’ tussen de vorderingen tegen de ankergedaagde en tussen de vorderingen jegens de overige gedaagden.

In beide zaken vorderden eisers schadevergoeding wegens inbreuken op artikel 101 VWEU die door de Commissie (stroomkabels) respectievelijk de Italiaanse mededingingsautoriteit (karton) waren vastgesteld. De rechtsmacht van de Nederlandse rechter werd gebaseerd op de aanwezigheid van een Nederlandse ankergedaagde die zelf geen geadresseerde van het boetebesluit was. De redenering is dat de Nederlandse entiteit onderdeel uitmaakt van dezelfde onderneming als de beboete karteldeelnemers, en dat die Nederlandse entiteit uit dien hoofde (eveneens) aansprakelijk is voor de gestelde schade (in navolging op het Sumal-arrest van het HvJ). Daarmee is de nauwe band gegeven, aldus de eisers in deze zaken.

Het HvJ herhaalt en benadrukt zijn eerdere rechtspraak over het ondernemingsbegrip en de verhouding tot het bevoegdheidsoordeel van de nationale rechters. De onderneming is een functioneel begrip: de economische eenheid die de onderneming vormt, wordt bepaald op basis van het voorwerp van het inbreukmakende gedrag. Een moedermaatschappij kan daardoor deel uitmaken van meerdere economische eenheden, afhankelijk van de betrokken economische activiteit van haar en de dochterentiteiten in kwestie. Het ondernemingsbegrip brengt bovendien hoofdelijke aansprakelijkheid van alle entiteiten waaruit de eenheid bestaat met zich, ongeacht welke entiteit als inbreukpleger is aangemerkt.

Vervolgens benadrukt het HvJ dat de bevoegdheid vanwege de rechtszekerheid moet kunnen worden vastgesteld zonder inhoudelijke beoordeling van de gegrondheid van de vorderingen. In het arrest herhaalt het HvJ uitdrukkelijk dat voorzienbaarheid geen zelfstandig criterium is van artikel 8, lid 1, Brussel I-bis, zoals al geoordeeld in het AB en Heineken/MTB-arrest.

Het HvJ concludeert dat het weerlegbare bewijsvermoeden van beslissende invloed (voortvloeiend uit het Akzo-arrest) ook geldt bij privaatrechtelijke handhaving, zoals deze kartelschadezaken, en in het bijzonder ook reeds in de bevoegdheidsfase (in lijn met het Skanska-arrest). Voor het vaststellen van rechtsmacht volstaat dat niet is uitgesloten dat de betrokken verweerders deel uitmaken van dezelfde onderneming, aldus het HvJ.

Daarnaast concludeert het HvJ dat óók tussenholdings – die enkel aandelen houden – als ankergedaagde kunnen fungeren. De economische activiteiten van een dochteronderneming kunnen aan een tussenholding worden toegerekend wanneer die dochteronderneming niet zelfstandig haar marktgedrag bepaalt, maar hoofdzakelijk de door haar moedermaatschappij vastgestelde instructies volgt. Dat is in het bijzonder het geval wanneer de dochteronderneming van de tussenholding waarop die tussenholding een beslissende invloed uitoefent (gelet op het Akzo-bewijsvermoeden), een economische activiteit uitoefent die een concreet verband heeft met het voorwerp van de door de ‘grootmoedermaatschappij’ gepleegde inbreuk. Daarvan is met name sprake wanneer de dochteronderneming in kwestie zorgt voor de productie, de verkoop, de levering of de distributie van deze gekartelliseerde producten en voor de levering van de gekartelliseerde diensten, aldus het HvJ.

terug naar boven


Rechtbank Amsterdam neemt bevoegdheid aan over vorderingen namens alle Nederlandse consumenten in WAMCA-zaak tegen Apple*

Rechtbank Amsterdam, uitspraak van 13 mei 2026

De rechtbank Amsterdam heeft zich op 13 mei 2026 bevoegd verklaard te oordelen over de collectieve vorderingen van twee stichtingen – Stichting Right to Consumer Justice (thans: Stichting Consumer Justice) en Stichting App Stores Claims – tegen Apple. Beide stichtingen vorderen schadevergoeding van Apple namens Nederlandse gebruikers van de Apple App Store. Zij stellen dat Apple misbruik maakt(e) van haar machtspositie door onder meer te hoge commissies te rekenen voor betaalde apps en betalingen voor in-app-aankopen.

De rechtbank Amsterdam was aanvankelijk onzeker of zij bevoegdheid kon aannemen over alle vorderingen, omdat niet alle gebruikers waarvoor de stichtingen stellen op te komen, hun woonplaats in het arrondissement van de rechtbank Amsterdam hebben. Daarom werden prejudiciële vragen aan het HvJ gesteld, dat vervolgens concludeerde dat de rechtbank Amsterdam inderdaad bevoegdheid kan aannemen over alle vorderingen van de stichtingen, ook als de gebruikers niet in het arrondissement van de rechtbank Amsterdam zijn gevestigd (zie ook onze eerdere CF Q4 2025). In deze uitspraak volgt de rechtbank Amsterdam dit arrest van het HvJ en oordeelt zij dat zij bevoegd is kennis te nemen van de vorderingen namens alle in Nederland woonachtige (of gevestigde) gebruikers die in de App Store aankopen hebben gedaan.

Een andere vraag die in deze uitspraak wordt behandeld, is de toepasselijkheid van het collectieve actierecht. De stichtingen stellen dat de WAMCA van toepassing is op alle schadebrengende feiten, waaronder die vóór 15 november 2016 hebben plaatsgevonden; Apple betwist dit. De rechtbank Amsterdam heeft besloten de zaak aan te houden totdat de HR hierover in reeds twee aanhangige cassatieprocedures heeft beslist.

*bureau Brandeis staat Stichting Consumer Justice bij in deze procedure.

terug naar boven


Rechtbank Amsterdam onbevoegd te oordelen over vorderingen op buitenlandse generieke farmaceuten

Rechtbank Amsterdam, uitspraak van 1 april 2026

Op 1 april 2026 heeft de rechtbank Amsterdam zich onbevoegd verklaard kennis te nemen van de vorderingen van een groep zorginkopers, op negen buitenlandse generieke geneesmiddelenproducenten in een follow-on schadevergoedingszaak rondom het hartmedicijn perindopril. De zorginkopers hebben Servier en een reeks generieke producenten – TevaKrkaLupinMylan en Niche/Unichem – aansprakelijk gesteld voor hun betrokkenheid bij zogeheten ‘pay-for-delay-overeenkomsten’. Deze overeenkomsten houden kort gezegd in dat de producent van het geneesmiddel (de octrooihouder) een vergoeding betaalt aan generieke geneesmiddelenproducenten die het beschermde geneesmiddel willen (na)maken en vermarkten, in ruil waarvoor deze generieke producenten de markt (voorlopig) niet zullen betreden. Deze overeenkomsten werden in 2014 al door de Commissie bestempeld als kartelafspraken in strijd met artikel 101 VWEU. Ook stelde de Commissie vast dat Servier misbruik had gemaakt van haar machtspositie in strijd met artikel 102 VWEU. Dit is vervolgens door het HvJ in grote lijnen bevestigd.

De zorginkopers stelden dat de Nederlandse rechter, hier de rechtbank Amsterdam, bevoegd is te oordelen over de vorderingen jegens alle gedaagden, omdat de Nederlandse entiteiten van Servier en Teva als ankergedaagden fungeren. De zorginkopers betoogden daartoe dat alle in het Commissiebesluit vastgestelde inbreuken tezamen moeten worden aangemerkt als één enkele en voortdurende inbreuk, waaraan alle gedaagden gezamenlijk hebben deelgenomen. Gelet op het ondernemingsbegrip en de hoofdelijke aansprakelijkheid voor schade voortvloeiend uit kartelovertredingen, is de rechtbank Amsterdam ook bevoegd te oordelen over de vorderingen jegens de buitenlandse gedaagden, aldus de zorginkopers.

De rechtbank Amsterdam gaat hierin niet mee. Met betrekking tot Servier, concludeerde de rechtbank dat de Commissie in het besluit namelijk niet één, maar zes afzonderlijke inbreuken heeft vastgesteld: één inbreuk op artikel 102 VWEU door Servier zelf en vijf afzonderlijke pay-for-delay-overeenkomsten waarbij verschillende gedaagden betrokken waren. Van de vereiste nauwe band tussen de vorderingen op de ankergedaagden en de vorderingen op de buitenlandse gedaagden is dan ook geen sprake.

Met betrekking tot Teva oordeelt de rechtbank dat deze entiteit enkel is gedagvaard om rechtsmacht te creëren, waarmee de zorginkopers misbruik van procesrecht maken. De rechtbank is derhalve enkel bevoegd kennis te nemen van de vorderingen jegens de in Nederland gevestigde entiteiten van Servier en Teva, en niet jegens de buitenlandse gedaagden.

terug naar boven


Rechtbank Amsterdam stelt 7% overcharge vast in vrachtwagenkartelzaak CDC

Rechtbank Amsterdam, tussenvonnis van 15 april 2026

De rechtbank Amsterdam heeft op 15 april 2026 een belangrijk tussenvonnis gewezen in de langlopende follow-on schadeprocedure van CDC Cartel Damage Claims (“CDC”) inzake het vrachtwagenkartel. De rechtbank stelt het overcharge-percentage vast op 7%, verwerpt het verjaringsverweer van de kartellisten en houdt het doorberekeningsverweer (passing-on defence) aan voor nadere behandeling.

De zaak vloeit voort uit het besluit van de Commissie van 19 juli 2016, waarbij een aantal vrachtwagenfabrikanten een boete opgelegd kreeg voor hun deelname aan het zogeheten Truckkartel: een jarenlange inbreuk op artikel 101 VWEU bestaande uit onderlinge afstemming over bruto lijstprijzen en de timing van de invoering van emissiestandaarden. CDC vordert namens haar achterliggende partijen (circa 750 directe afnemers) schadevergoeding voor de meerprijs die zij als gevolg van het kartel hebben betaald.

Ten aanzien van de verjaring oordeelt de rechtbank dat de relatieve verjaringstermijn niet eerder is aangevangen dan op 7 april 2017, de datum waarop de Commissie de samenvatting van haar besluit publiceerde. Omdat de dagvaarding dateert van 13 juli 2017 – dus ruim binnen de vijfjaarstermijn – strandt het verjaringsverweer. Ook het beroep op de absolute verjaringstermijn van twintig jaar slaagt niet: die termijn begint te lopen na het einde van de inbreuk (18 januari 2011) en was ten tijde van de dagvaarding nog geenszins verstreken.

Voor het overchargepercentage neemt de rechtbank de regressieanalyse van de deskundigen van CDC als uitgangspunt en stelt het percentage vast op 7%. De rechtbank verwerpt het verweer van de truckfabrikanten dat de inbreuk in essentie slechts een uitwisseling van informatie over bruto lijstprijzen betrof. Het doorberekeningsverweer – de stelling dat de achterliggende partijen de meerkosten hebben doorberekend aan hun klanten – is onvoldoende onderbouwd door de truckfabrikanten, maar wordt niet categorisch afgewezen; het debat hierover wordt voortgezet.

terug naar boven


Rente over kartelschade loopt vanaf datum van betaling voor het product oderworpen aan kartel

Hof van Justitie van de Europese Unie, arrest van 30 april 2026

Op 30 april 2026 heeft het HvJ arrest gewezen in een zaak die was aangespannen door Wenzel Logistics GmbH (“Wenzel“), een Oostenrijks transportbedrijf, tegen de leden van het hierboven besproken vrachtwagenkartel, waarbij het Hof duidelijkheid verschaft over twee belangrijke aspechten van artikel 3, lid 2, van Richtlijn 2014/104/EU (de “Kartelschaderichtlijn“): (i) de temporele werkingssfeer van nationale bepalingen ter uitvoering van het recht op volledige schadevergoeding, inclusief rente, en (ii) de datum vanaf wanneer de rente begint te lopen in kartelschadezaken waarbij goederen tegen te hoge prijzen zijn aangekocht.

Wenzel had tijdens de periode van de inbreuk vrachtwagens gekocht bij distributeurs van verschillende karteldeelnemers en had in januari 2021 bij de Oostenrijkse rechtbanken een schadevergoedingsvordering ingesteld, waarbij Wenzel ongeveer EUR 848.000 eiste als compensatie voor de te hoge aankoopprijzen. Het belangrijkste geschilpunt betrof de rente. Wenzel stelde dat rente verschuldigd was vanaf de datum waarop de schade was ontstaan (d.w.z. de datum van betaling tegen de te hoge prijzen), terwijl de Mercedes-Benz Group volhield dat volgens de algemene regels van het Oostenrijkse burgerlijk recht die op deze oudere schade van toepassing zijn, rente pas verschuldigd zou zijn vanaf de datum waarop de vordering was betekend. Het Oberster Gerichtshof (Oostenrijks Hooggerechtshof) heeft daaromtrent twee prejudiciële vragen voorgelegd aan het HvJ.

Met betrekking tot de eerste vraag oordeelde het HvJ dat artikel 3, lid 2, van de Kartelschaderichtlijn de reeds bestaande jurisprudentie inzake artikel 101, lid 1, VWEU – zoals vastgesteld in de zaak Manfredi en bevestigd in de zaak Tráficos Manuel Ferrer – codificeert en derhalve niet onder het verbod op terugwerkende kracht van artikel 22, lid 1, van de Kartelschaderichtlijn valt. Een nationale bepaling die de rente beperkt tot schade die is ontstaan na 26 december 2016, moet buiten toepassing worden gelaten wanneer de vordering is ingesteld na de inwerkingtreding van de richtlijn op 26 december 2014, aangezien deze bepaling het effet utile van artikel 101, lid 1, VWEU ondermijnt. Wat de tweede vraag betreft, heeft het HvJ bevestigd dat de lidstaten de discretionaire bevoegdheid behouden om de precieze ingangsdatum vast te stellen, maar dat zij het criterium moeten hanteren dat in de eerste plaats aangeeft wanneer de benadeelde partij voor het eerst daadwerkelijke schade begon te lijden. In een zaak betreffende te hoge prijzen is dat in beginsel de datum waarop de te hoge prijs is betaald – onder voorbehoud van het oordeel van de verwijzende rechter.

terug naar boven


Rechtbank Amsterdam wijst inzageverzoek over kartelinformatie aan adres van NatWest NV af

Rechtbank Amsterdam, uitspraak van 4 juni 2026

Op 4 juni 2026 wees de rechtbank Amsterdam het inzageverzoek van Stichting FX Claims jegens NatWest Markets N.V. (“NatWest NV”) af. Stichting FX Claims heeft drie bodemzaken lopen tegen NatWest NV, andere entiteiten uit het NatWest-concern en overige wereldbanken waarin zij namens achterliggende partijen schadevergoeding vordert wegens hun betrokkenheid bij de Forex-kartels. Bij die kartels werd via chatrooms (genaamd ‘Three Way Banana Split’, ‘Essex Express’ en ‘Sterling Lads’) informatie uitgewisseld over de (koers van) vreemde valuta (‘foreign exchange’ of ‘FX’). Daarvoor is een groot aantal banken door de Commissie in 2019 en 2021 beboet.

Ook in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk zijn follow-on kartelschadezaken gestart, onder meer door Allianz. Daarbij werd gebruik gemaakt van (respectievelijk) discovery en pre-trial disclosure. Stichting FX Claims vordert nu op grond van artikel 196 Rv inzage in onder andere relevante bewijsstukken die in die Allianz-procedures zijn verstrekt, alsook in minder geredigeerde versies van de Commissiebesluiten, transcripties van chatgesprekken, interne rapportages en persoonlijke verklaringen. Het doel van dit inzageverzoek is het maken van een inschatting van de (omvang van de) schade opdat een mogelijke vierde follow-on procedure proportioneel zou zijn.

De rechtbank stelt voorop dat artikel 196 Rv moet worden uitgelegd en toegepast in het licht van de Kartelschaderichtlijn en de rechtspraak van het HvJ daaromtrent. Dat betekent dat voor de vereiste rechtsbetrekking volstaat dat de verzoeker aantoont dat de veronderstelling redelijkerwijs opgaat dat aan de voorwaarden voor aansprakelijkheid (inbreuk, schade en causaal verband) is voldaan. Desondanks wees de rechtbank het verzoek volledig af.

Ten eerste heeft Stichting FX Claims onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij optreedt namens een concrete groep benadeelden. Daardoor is het bestaan van een rechtsbetrekking tussen de achterliggende partijen (de volmacht- of lastgevers) en NatWest NV niet aannemelijk. Stichting FX Claims heeft slechts ten aanzien van één partij gegevens overgelegd, maar dit was te summier en niet verifieerbaar om een aannemelijke rechtsbetrekking vast te stellen. Ten tweede beschikt NatWest NV simpelweg niet over de gevraagde documenten, aldus de rechtbank. Zij was geen partij bij de Allianz-procedures en kan ook niet eenvoudig over die stukken beschikken. Ten derde is het verzoek te ruim en voldoet het niet aan het subsidiariteitsvereiste; onduidelijk is waarom Stichting FX Claims de documenten niet bij de betrokkenen in de Allianz-procedure kon opvragen. Het verzoek komt derhalve niet voor toewijzing in aanmerking.

terug naar boven


Rechtbank oordeelt opnieuw over geschil in zuivelsector: LVLC in ongelijk gesteld over openbaarmaking en updatebericht ACM

Rechtbank Rotterdam, uitspraak van 22 mei 2026

Op 22 mei 2026 oordeelde de rechtbank Rotterdam over twee geschillen tussen Leveranciersvereniging Leerdammer Collectief (“LVLC”) enerzijds en de ACM en Royal Leerdammer Lactalis (“Lactalis”) anderzijds. Deze zaken volgen op een reeks eerdere besluiten, handhavingsverzoeken en uitspraken rondom ZuivelNL, Lactalis en LVLC. Daarover is meer te lezen in onze eerdere CF Q4 2024Q2 2025 en Q3 2025.

De eerste zaak betreft de vraag of de berichtgeving van de ACM aan Lactalis – waarin staat dat Lactalis heeft voldaan aan de aan haar opgelegde last onder dwangsom – een besluit oplevert als bedoeld in artikel 1:3 Awb. De ACM legde op 4 september 2024 een last onder dwangsom op aan Lactalis, op grond waarvan Lactalis nieuwe leveringsvoorwaarden moest opstellen en voorleggen aan haar melkleveranciers op straffe van een dwangsom. Deze last is op de website van de ACM gepubliceerd. Op 10 april 2025 is een updatebericht op de website van de ACM gekomen waarin kort en wel staat dat Lactalis aan de last heeft voldaan. Tegen dit updatebericht is LVLC in bezwaar gegaan; dit bezwaar verklaarde de ACM vervolgens niet-ontvankelijkheid omdat het geen besluit is. De rechtbank stelt voorop dat dwangsommen van rechtswege worden verbeurd (artikel 5:33 Awb). Omdat van rechtswege wel of geen dwangsommen zijn verbeurd, is de mededeling dat geen dwangsommen zijn verbeurd – anders dan LVLC meent – niet op rechtsgevolg gericht. De mededeling daaromtrent is derhalve geen besluit. Bovendien staat rechtsbescherming voor eventuele belanghebbenden open via de weg van artikel 5:37 Awb – een route die ook gebruikt is door LVLC. Het beroep in deze zaak is dus ongegrond.

De tweede zaak betreft de vraag of de ACM terecht heeft geweigerd om informatie over de totstandkoming van het nieuwe prijssysteem dat Lactalis per april 2025 hanteert openbaar te maken. op 7 april 2025 heeft LVLC de ACM op grond van de Woo verzocht om informatie over de totstandkoming van het nieuwe prijssysteem van Lactalis. De ACM wees dit verzoek af omdat zij de verkregen documenten uitsluitend mag gebruiken voor haar wettelijke taken (artikel 7 Instellingswet) en omdat (voor de overige documenten) de openbaarmaking van de documentatie volgens de ACM in strijd zou zijn met het doel van het aan haar opgedragen toezicht op de naleving van de Wet OHP Landbouw. De rechtbank stelt LVLC ook in deze zaak in het ongelijk: de ACM mocht de openbaarmaking van de verzochte informatie weigeren op grond van de Instellingswet. Een beroep op het recht op een eerlijk proces (artikel 6 EVRM) mag LVLC niet baten. Hieruit vloeit geen zelfstandig recht op openbaarmaking van de gevraagde documenten voort, aldus de rechtbank.

Slechts een week later, op 29 mei 2026, deed de rechtbank Rotterdam een derde uitspraak in hetzelfde geschil – ditmaal over de gegrondheid van de last onder dwangsom zelf. In drie samengevoegde zaken oordeelde de rechtbank dat de ACM niet bevoegd was om de last op 4 september 2024 aan Lactalis op te leggen, omdat Lactalis het verbod op eenzijdige prijswijzigingen in artikel 2, lid 1, onder c, van de Wet oneerlijke handelspraktijken in de landbouwsector niet had geschonden. De rechtbank oordeelde dat de maandelijkse eenzijdige vaststelling van de melkprijs door Lactalis was overeengekomen in de leveringsovereenkomst tussen Lactalis en haar melkleveranciers. Aangezien dit mechanisme deel uitmaakte van de overeengekomen voorwaarden, was er geen sprake van een eenzijdige wijziging van de leveringsovereenkomst in de zin van de bepaling. De rechtbank heeft de last onder dwangsom dan ook vernietigd.

De rechtbank verwierp bovendien de ruimere interpretatie van de ACM dat artikel 2, lid 1, onder c), ook vereist dat afnemers een transparant en objectief prijsmechanisme hanteren. Bij het komen tot deze conclusie heeft de rechtbank de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken, de GMO-Verordening en de guidance-brieven van de Europese Commissie onderzocht en vastgesteld dat geen van deze bronnen de interpretatie van de ACM ondersteunt. De rechtbank merkte op dat Nederland, in tegenstelling tot bepaalde andere lidstaten, geen strengere nationale maatregelen heeft vastgesteld die schriftelijke overeenkomsten of specifieke prijsmechanismen voor de levering van rauwe melk voorschrijven. Als gevolg van de intrekking werd het beroep van LVLC tegen het besluit van de ACM om geen boetes op te leggen, niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang.

terug naar boven


Rechtbank concludeert opnieuw dat ACM handhavingsverzoek rondom Lactalis terecht mocht afwijzen

Rechtbank Rotterdam, uitspraak van 29 mei 2026

Op 29 mei 2026 deed de rechtbank Rotterdam uitspraak in een andere zaak rondom Lactalis en de leveranciersvereniging LVLC. Ook hier stelde de rechtbank de ACM in het gelijk: zij had terecht een handhavingsverzoek van LVLC afgewezen. Deze zaak betreft de toezeggingen van ZuivelNL die de ACM op 17 oktober 2024 bindend verklaarde, op basis waarvan ZuivelNL haar contributie-inningssysteem aanpaste in lijn met de Wet OHP Landbouw. Vanwege deze toezeggingen, heeft de ACM het handhavingsverzoek van de leveranciersvereniging om prioriteitsredenen afgewezen. Dit geschil volgt op een reeks eerdere besluiten, handhavingsverzoeken en uitspraken rondom ZuivelNL, Lactalis en LVLC. Daarover is meer te lezen in onze eerdere CF Q4 2024Q2 2025 en Q3 2025.

In beroep klaagt de leveranciersvereniging dat de ACM ten onrechte de klacht over de contributie van ZuivelNL, die door Lactalis wordt geïnd bij de leveranciersvereniging, heeft losgekoppeld van de overige klachten in het handhavingsverzoek. Dit beroep slaagt niet. De rechtbank leest in de gronden van beroep geen gemotiveerde weerlegging van de standpunten van de ACM. De leveranciersvereniging herhaalt enkel haar stellingen dat de ACM deze klacht niet had mogen afsplitsen; dat is onvoldoende, aldus de rechtbank. Evenmin zijn inhoudelijke beroepsgronden aangevoerd tegen de overwegingen dat de ACM haar prioriteringsbeleid juist heeft toegepast. Tot slot is ook het standpunt van de leveranciersvereniging dat de toezeggingen oneigenlijk zijn, omdat ZuivelNL überhaupt niet bevoegd zou zijn om kosten in rekening te brengen, onjuist. De rechtbank verklaart het beroep derhalve ongegrond.

terug naar boven


CBb stelt AVR in ongelijk in zaak over vermeende onrechtmatige bevoordeling van gemeentelijke afvalverwerker

College van Beroep voor het bedrijfsleven, uitspraak van 26 mei 2026

Het CBb heeft op 26 mei 2026 geoordeeld dat de ACM het handhavingsverzoek van afvalverwerker AVR op grond van haar prioriteringsbeleid mocht afwijzen. Daarmee bevestigt het CBb de eerdere uitspraak van de rechtbank Rotterdam.

AVR had de ACM in februari 2022 verzocht om handhavend op te treden tegen de aandeelhoudende gemeenten van afvalverwerker Twence. Volgens AVR schenden de gemeenten het bevoordelingsverbod van artikel 25j Mededingingswet door de opdracht voor afvalverwerking zonder aanbesteding te gunnen aan Twence en daarvoor niet-marktconforme tarieven te betalen. De ACM wees dit verzoek af op grond van haar prioriteringsbeleid: nader onderzoek is noch doelmatig noch doeltreffend.

Het CBb bevestigt nu dat de ACM het handhavingsverzoek terecht heeft afgewezen. Ten aanzien van de doelmatigheid gaat het CBb mee met de stelling van de ACM dat nader onderzoek naar de marktconformiteit van de tarieven schaarse, specialistische kennis en capaciteit vereist die dan niet in andere zaken kan worden ingezet. Daarnaast concludeert het CBb, net als de rechtbank Rotterdam, dat het aannemelijk is dat de Europese staatssteunregels van toepassing zijn, waardoor niet de ACM maar juist de Commissie de aangewezen instantie is om onderzoek te doen. Ook om die reden heeft de ACM mogen besluiten het handhavingsverzoek af te wijzen. Het CBb bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

terug naar boven


Voor al uw vragen met betrekking tot (EU) mededingingsrecht helpt bureau Brandeis u graag verder. U kunt ons bereiken via onderstaande links.

Bas Braeken – Jade Versteeg – Timo Hieselaar – Demi van den Berg – Joost van Belois – Lisanne Kooijman

 

 

Naar
boven