Visie

bureau Brandeis stijgt in rankings in Chambers Europe Gids

bureau Brandeis is in tien jaar tijd uitgegroeid tot het grootste litigation kantoor van Nederland. Het kantoor van 42 advocaten excelleert als litigation boutique ook in een brede toezichthouderspraktijk. Wij zijn verheugd dat onze unieke positie op de Nederlandse markt wordt erkend in de zojuist verschenen uitgave van de Chambers Europe Gids.

Dit jaar zijn wel vijf verschillende praktijkgroepen van het kantoor in de ranglijst opgenomen: Geschillenbeslechting, Mededingingsrecht/Europees recht, Intellectuele eigendom, Telecom en Media.

Veel dank aan onze cliënten, die ons “pragmatisch en toegankelijk”, “erg goede litigators” en “uitstekende advocaten” noemen. Volgens Chambers zijn de advocaten van bureau Brandeis “in staat om complexe juridische kwesties bondig en overtuigend te distilleren en te verwoorden.”

Wij zijn ook vereerd met de individuele rankings van maar liefst vier van de negen partners.

Christiaan Alberdingk Thijm
Intellectuele eigendom
Media

Bas Braeken
Mededingingsrecht/Europees recht
Telecom

Frank Peters
Geschillenbeslechting

Machteld Robichon
Media
Telecom

Nogmaals dank aan al onze cliënten en zakenpartners voor jullie steun en het vertrouwen in ons kantoor!

Visie

DMA-verplichtingen treden in werking; een globaal overzicht van de (technische) aanpassingen van poortwachters

Vandaag is het zo ver: ‘Compliance Day’. Vanaf vandaag moeten alle door de Europese Commissie (“Commissie”) aangewezen poortwachters voldoen aan de bepalingen van de Digital Markets Act (“DMA”). In de aanloop hiernaartoe zijn de poortwachters bezig geweest met het in lijn brengen van hun kernplatformdiensten (“KPDs”) met de bepalingen van de DMA. Op het moment van het schrijven van deze blog hebben Apple en Meta reeds hun nalevingsrapport gepubliceerd. Naar verwachting zullen er in de loop van de dag nog meer volgen.

Naast het verrichten van de benodigde aanpassingen om aan de DMA te voldoen, zijn er andere interessante ontwikkelingen geweest. In onze eerdere blog bespraken we reeds de beroepen van Apple, Meta en ByteDance tegen de aanwijzing van (een aantal van) hun diensten als KPD. Inmiddels heeft de Commissie ook bepaald dat sommige diensten van poortwachters niet als KPD worden bestempeld, en hebben nieuwe poortwachters zich al bij de Commissie gemeld.

In deze blog geven wij een overzicht van deze recente ontwikkelingen en de aanpassingen die poortwachters zullen invoeren of reeds hebben ingevoerd om aan de verplichtingen uit de DMA te voldoen.


Overzicht algemene materiële verplichtingen voor poortwachters

Op 6 september 2023 heeft de Commissie de volgende poortwachters en kernplatformdiensten aangewezen.

bron: https://ec.europa.eu/commission/presscorner/detail/nl/qanda_20_2349

Sommige verplichtingen uit de DMA zijn enkel relevant voor een bepaalde KPD. De interoperabiliteit van nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten is bijvoorbeeld relevant voor WhatsApp en Facebook Messenger, maar niet voor Chrome of iOS. Een aantal verplichtingen uit de DMA is echter van toepassing op en relevant voor elke soort KPD en/of zien op de onderlinge verhouding tussen (het gebruik van) verschillende KPDs. Met name de volgende bepalingen zijn in dat kader noemenswaardig.

  • Artikel 5(2) DMA verbiedt het poortwachters om persoonsgegevens afkomstig zijn verschillende (kernplatform)diensten te combineren zonder toestemming van de eindgebruiker. Poortwachters moeten voortaan voorafgaande toestemming hebben om persoonsgegevens van verschillende diensten te mogen combineren en gebruiken om advertenties en content te personaliseren. Ingevolge artikel 15 van de DMA moeten de poortwachters bovendien een jaarlijks rapport opstellen waarin zij de technieken voor het profileren van consumenten nader beschrijven (zie bijvoorbeeld hier het eerste rapport van Meta).
  • Op grond van artikel 5(4) DMA moet de poortwachters het (kosteloos) toestaan dat zakelijke gebruikers aanbiedingen kenbaar maken aan eindgebruikers die via de KPD of via andere kanalen zijn verworven, en om met die eindgebruikers contracten te sluiten. Een poortwachter mag het dus niet meer verbieden dat zakelijke gebruikers buiten de KPD om contracten sluiten of aanbiedingen doen voor hun diensten jegens eindgebruikers. Ook moet hij volgens artikel 5(5) DMA toegang tot bepaalde inhoud, abonnementen, functies of andere artikelen via de KPD beschikbaar maken, zelfs als de eindgebruiker deze buiten de KPD om van de zakelijke afnemer heeft verkregen.
  • Artikel 5(8) DMA behelst dat poortwachters niet (meer) mogen eisen dat gebruikers zich abonneren op of registreren bij andere kernplatformdiensten, als voorwaarde voor het gebruik van of toegang tot een kernplatformdienst van die poortwachter (een soort ‘koppelverkoop’ of bundeling van producten).
  • Voor consumenten (eindgebruikers) is met name artikel 6(9) DMA Op grond van dit artikel moeten poortwachters het mogelijk maken dat eindgebruikers op verzoek de door hen verstrekte of gegenereerde gegevens over kunnen dragen, en dat de eindgebruikers continu realtimetoegang moeten krijgen tot die gegevens (dataportabiliteit). De evenknie van deze dataportabiliteitsverplichting jegens zakelijke gebruikers is opgenomen in artikel 6(10) DMA.
  • Tot slot geldt in algemene zin nog dat, op grond van artikel 6(6) DMA, poortwachters geen technische of andere beperkingen mogen opleggen aan het overstappen van eindgebruikers naar andere softwareapplicaties en diensten waartoe toegang wordt verkregen via de kernplatformdiensten van de poortwachter. In datzelfde licht geldt op grond van artikel 6(13) DMA dat poortwachters geen onevenredige algemene voorwaarden mogen opleggen voor de opzegging van een kernplatformdienst. Deze opzeggingsvoorwaarden moeten bovendien zonder onnodige moeilijkheden kunnen worden uitgeoefend.

Aangezien deze verplichtingen in elk geval gelden, worden deze in beginsel niet uitgewerkt in de onderstaande overzichten. De relevante bepalingen uit de DMA worden wel besproken wanneer de poortwachter uitdrukkelijk aanpassingen heeft voorgesteld om aan deze verplichtingen te voldoen.

terug naar boven


Alphabet

 

Alphabet is de poortwachter met de meeste KPDs. Als gevolg daarvan, zijn er veel wijzigingen die doorgevoerd moeten worden om aan de DMA te voldoen.

Om aan artikel 5(2) DMA te voldoen, laat Alphabet eindgebruikers voortaan zelf laten bepalen of zij alle KPDs gekoppeld houden. Als de KPDs zijn gekoppeld, kunnen persoonsgegevens van de eindgebruiker worden uitgewisseld. Daarnaast wordt een “consent or pay”-optie – waarbij consumenten toestemming verlenen voor het gebruik en het combineren van hun persoonsgegevens dan wel een (maandelijks) bedrag betalen om van de KPD gebruik te maken – nog besproken met de Commissie.

In het licht van artikel 6(9) DMA, omtrent dataportabiliteit, gebruikt Alphabet al enige tijd Google Takeout. Deze tool zorgt ervoor dat gebruikers kosteloos hun gegevens kunnen downloaden of overdragen naar een ander platform. Om dit proces in lijn te brengen met de bepalingen van de DMA, test Alphabet binnenkort een nieuwe API (‘Application Programming Interface’) om het downloaden en overdragen van gegevens te vergemakkelijken. Zij gaf bovendien aan deze week een dataportabiliteitssoftware te zullen lanceren in Europa, waardoor het gemakkelijker wordt om gebruikersgegevens over te zetten naar een app of dienst van derde partij.

Een andere belangrijke wijziging voor Alphabet is het gevolg van artikel 6(5) DMA, dat kort gezegd zelfbevoordeling bij rangschikkingen verbiedt en de poortwachter verplicht tot het gebruik van transparante, eerlijke en niet-discriminerende voorwaarden voor die rangschikking. Voor Alphabet heeft dit met name gevolgen voor de KPDs Google Search, Google Maps, Google Shopping en Youtube. Voor Google Shopping, Google Maps en Youtube heeft Alphabet aangekondigd dat deze diensten voortaan niet meer standaard zijn gelinkt aan de zoekresultatenpagina van Google Search. Eindgebruikers kunnen er wel voor kiezen om (een van) deze diensten standaard te linken met (de zoekresultaten van) Google Search.

Wat betreft Google Search zelf, geeft Alphabet aan dat zij een tabblad toevoegt aan het zoekscherm. Hierdoor kunnen gebruikers niet alleen filteren op bijvoorbeeld video’s en afbeeldingen, maar ook op vergelijkingsservices. Daarnaast gaat Alphabet haar eigen, gespecialiseerd resultatenvenster voor vluchtzoekopdrachten verwijderen (zie hieronder).


In plaats daarvan, wordt een carrousel getoond waarmee linkjes naar verschillende vergelijkingswebsites worden getoond. Alphabet heeft de volgende mogelijke voorbeelden gedeeld.

Voor categorieën als hotels, begint Alphabet met het testen van een toegewijde ruimte voor vergelijkingssites én directe leveranciers om gedetailleerdere resultaten weer te geven, inclusief afbeeldingen en beoordelingen.

Met betrekking tot Alphabets advertentiedienst, de meest lucratieve (kernplatform)dienst van de techgigant, is Alphabet op grond van de artikelen 5(9), 5(10) en 6(8) DMA gehouden om bepaalde gegevens aan adverteerders te verstrekken wanneer zij daar om vragen. De aangekondigde compliance plannen hiervoor worden nog afgestemd met de Commissie.

Voor Google Android en Google Chrome geldt op grond van artikel 6(3) DMA dat eindgebruikers vanaf de mogelijkheid moeten krijgen tot het wijzigen van hun standaardinstellingen. Eindgebruikers moeten op grond van artikel 5(7) DMA ook de mogelijkheid krijgen om van browser te wisselen. Alphabet heeft aangegeven een keuzescherm toe te voegen voor de standaardzoekmachine en -browser tijdens de initiële instelling van een apparaat dat gebruik maakt van Alphabet’s KPDs, zoals hieronder geïllustreerd.

Tot slot moet Alphabet het voortaan ook mogelijk maken om eindgebruikers andere appstores te laten gebruiken op grond van artikel 6(4) DMA. Ten aanzien van de Play Store heeft Alphabet reeds aangekondigd dat appontwikkelaars alternatieve betaalmogelijkheden zullen kunnen gebruiken.

terug naar boven


Amazon

 

Net als bij Alphabet is ook de advertentiedienst van Amazon lucratief. Ook Amazon moet dus op grond van de artikelen 5(9), 5(10) en 6(8) DMA bepaalde gegevens afkomstig van Amazon Ads aan adverteerders verstrekken op hun verzoek. Amazon heeft aangegeven dat zij vanaf 7 maart 2024 uitgebreide rapporten verstrekt met daarin gedetailleerde gegevens over de kosten voor advertenties die door adverteerders zijn betaald en door uitgevers zijn ontvangen, en die worden weergegeven op websites en applicaties van derden. Volgens Amazon bieden deze rapporten inzicht in de financiële transacties tussen adverteerders en uitgevers. De rapporten zijn toegankelijk voor adverteerders via het ‘Amazon Ads-dashboard’, en voor uitgevers via het ‘Amazon Publisher Services-portaal’. Daarbij kunnen adverteerders en uitgevers kiezen of ze hun kostengegevens bekend willen maken, of dat de gegevens worden opgenomen in standaard geaggregeerde statistieken. Deze flexibiliteit stelt gebruikers in staat om het niveau van transparantie aan te passen op basis van hun voorkeuren en zakelijke behoeften, aldus Amazon.

De belangrijkste verplichting voor Amazon ten aanzien van Amazon Marketplace is terug te vinden in artikel 6(2) DMA. Dit artikel belet poortwachters om niet-openbare gegevens gegenereerd door de zakelijke gebruikers op haar platform te gebruiken voor haar eigen KPD. Artikel 6(5) DMA kent ook een zelfbevoordelingsverbod, maar dan in het kader van de rangschikking van bepaalde concurrerende producten en diensten op de KPD van de poortwachter. In 2022 deed de Commissie reeds onderzoek naar dergelijke praktijken van Amazon inzake haar Buy Box en Prime programma. Het onderzoek eindigde uiteindelijk met toezeggingen vanuit Amazon.

terug naar boven


Apple

 

Apple heeft op 16 november 2023 beroep ingesteld tegen haar aanwijzing als poortwachter, alsook tegen de kwalificatie van de App Store als KPD. Desalniettemin moet Apple vanaf vandaag voldoen aan de verplichtingen uit de DMA. Zij heeft daarom de volgende veranderingen voor haar KPDs aangekondigd. Deze zullen hieronder kort worden besproken. Op 7 maart 2024 publiceerde Apple tevens haar eerste nalevingsrapport. Hierin gaat zij dieper in op de verplichtingen die op haar rusten en de wijzigingen die Apple tot dusver heeft doorgevoerd.

De App Store brengt consumenten en appontwikkelaars samen. Voor ontwikkelaars verandert het volgende. Zij krijgen opties voor het gebruik van (andere) betaaldiensten om in-app aankopen mee te (laten) finaliseren. Hiervoor werd enkel het betaalsysteem van Apple gehanteerd. Daar kreeg Apple ook reeds een last onder dwangsom voor opgelegd door de ACM, die opliep tot het maximale bedrag van €50 miljoen voordat Apple de benodigde aanpassingen verrichte. Daarnaast komen er nieuwe mogelijkheden voor het verwerken van betalingen via doorverwijzingen: eindgebruikers kunnen dan een transactie voor digitale goederen of diensten voltooien op de externe website van de ontwikkelaar, in lijn met artikel 5(7) DMA. Ten aanzien van de (overige) voorwaarden van Apple voor het gebruik van de App Store vindt momenteel nog veel discussie plaats. Zo wenst Apple de ‘Core Technology Fee’ die zij in rekening brengt bij appontwikkelaars om de App Store te gebruiken te blijven hanteren.

Deze mogelijkheden gaan gepaard met een aantal andere veranderingen. Zo introduceert Apple labels op de productpagina van de App Store die gebruikers informeren wanneer een app een alternatieve betalingsverwerking (ten opzichte van die van Apple) gebruikt. Ook komen er zogenoemde in-app ‘openbaarmakingsvensters’ (‘disclosure sheets’), die gebruikers waarschuwen wanneer ze niet langer transacties uitvoeren via Apple, maar aan de hand van een alternatieve betalingsdienst. Daarnaast komt Apple met nieuwe processen om te controleren of ontwikkelaars nauwkeurig informatie aan eindgebruikers communiceren over transacties die alternatieve betalingsdiensten gebruiken. Deze veranderingen worden ingevoerd ter bescherming van de consument, aldus Apple.

Met betrekking tot het besturingssysteem iOS, heeft Apple aangegeven dat er nieuwe opties komen voor het distribueren van iOS-apps vanuit alternatieve app-marktplaatsen. Ook wordt het mogelijk om, met behulp van een nieuw raamwerk en nieuwe APIs, alternatieve appstores en/of browser-engines te ontwikkelen voor iOS. Hiervoor kon enkel gebruik worden gemaakt van WebKit, de browser-engine achter Apple’s Safari.

Wat betreft Safari zelf, introduceert Apple een nieuwe keuzescherm dat verschijnt wanneer gebruikers Safari voor het eerst openen in iOS 17.4 of later. Op dat scherm worden EU-gebruikers gevraagd om een standaardbrowser te kiezen uit een lijst met opties. Hiermee kunnen eindgebruikers hun standaardinstellingen wijzigen en van browser wisselen (artikelen 5(7) en 6(3) DMA).

Bij al deze KPDs komt bovendien de mogelijkheid voor het overdragen/opvragen van gegevens, in lijn met artikel 6(9) DMA. Zo kunnen eindgebruikers op de Data & Privacy-site van Apple nieuwe gegevens over hun gebruik van de App Store kunnen ophalen en exporteren naar een geautoriseerde derde partij. Appontwikkelaars kunnen met een formulier verzoeken indienen voor interoperabiliteit met iPhone en iOS-hard- en softwarefuncties.

Tot slot heeft Apple aangegeven dat zij een aantal aanpassingen introduceert met betrekking tot iMessage, ook al is deze dienst van Apple na een onderzoek van de Commissie niet als KPD aangewezen. Apple heeft toegezegd om de interoperabiliteit van iMessage met andere communicatiediensten te verbeteren door een RCS (‘rich communication services’) systeem te implementeren. RCS bevat functies zoals leesbewijzen en typindicatie, die al worden gebruikt bij bijvoorbeeld WhatsApp. De groene berichten (berichten tussen Apple en bijvoorbeeld Android) krijgen deze functionaliteiten ook. De blauwe berichten zijn de berichten tussen apparaten van iOS-gebruikers.

terug naar boven


ByteDance

 

ByteDance, het bedrijf achter het sociale netwerk TikTok, heeft tevergeefs verzocht om een voorlopige voorziening om haar aanwijzing als poortwachter te schorsen. Kort gezegd oordeelde de president van het Europees Gerecht in zijn beschikking dat ByteDance niet heeft gesteld, laat staan aangetoond, dat de gestelde financiële schade ernstig en onherstelbaar is. Daarmee ontbreekt de vereiste spoedeisendheid voor het treffen van een voorlopige voorziening.

Ook ByteDance moet dus vanaf vandaag aan de verplichtingen van de DMA voldoen. Het bedrijf heeft op 4 maart een aantal aanpassingen op haar website gepubliceerd. Deze zien vrijwel uitsluitend op de beschikbaarheid en overdraagbaarheid van persoonsgegevens, zowel voor zakelijke gebruikers als voor eindgebruikers, in lijn met artikel 6(9) en 6(10) DMA. Met de ‘Download Your Data’-tool kunnen eindgebruikers een kopie van hun TikTok-gegevens opvragen en deze gegevens inzien en te exporteren. TikTok heeft tevens een nieuwe Data Portability API gelanceerd. Hiermee kunnen geregistreerde ontwikkelaars toestemming vragen aan eindgebruikers om een kopie van hun TikTok-gegevens over te dragen. Eindgebruikers kunnen toestemming geven voor een eenmalige of terugkerende overdracht van gegevens, en kunnen ook aangeven of zij (enkel) specifieke categorieën gegevens willen overdragen. Tot slot biedt TikTok verschillende in-app en web analytics aan waarmee zakelijke accounts hun prestaties en effectiviteit kunnen monitoren. Dit omvat een ‘Accounts API’ waarmee bedrijven toegang hebben tot gegevens met betrekking tot hun TikTok-accounts.

terug naar boven


Meta

 

Ook Meta heeft beroep ingesteld tegen de kwalificatie van een aantal van haar diensten als KPD. Zo is Meta het oneens met de Commissie dat Facebook, Facebook Messenger en Facebook Marketplace als KPD kwalificeren. Desondanks moet Meta in de tussentijd aan de verplichtingen uit de DMA voldoen.

Meta geeft haar voorgestelde wijzigingen weer op haar website. Op 6 maart 2023 publiceerde zij bovendien haar eerste consumentenprofilerings– en nalevingsrapport, waarin zij de wijzigingen uitgebreid toezicht en afbeeldt.

Allereerst geldt ten aanzien van alle KPDs van Meta dat zij geen persoonsgegevens van verschillende (kernplatform)diensten mag combineren zonder toestemming van de eindgebruiker (artikel 5(2) DMA). Daarom geeft Meta haar eindgebruikers voortaan de keuze om de data tussen Meta’s verschillende (kernplatform)diensten onderling uit te wisselen. Eindgebruikers die bijvoorbeeld al hebben gekozen om hun Instagram– en Facebook-accounts te koppelen, kunnen er nu voor kiezen om hun accounts verbonden te houden via het ‘Accounts Center’, zodat hun informatie wordt gebruikt tussen hun Instagram- en Facebook-accounts, of om hun Instagram- en Facebook-accounts apart te beheren, zodat hun informatie niet langer wordt uitgewisseld. Datzelfde geldt voor bijvoorbeeld Facebook Marketplace. Het nalevingsrapport bevat daartoe concrete voorbeelden.

Met betrekking tot Facebook en Instagram, hebben eindgebruikers ook de mogelijkheid om deze sociale netwerken gratis te gebruiken met advertenties, of om zich tegen betaling te abonneren om geen advertenties meer te zien. Als mensen zich abonneren om geen advertenties meer te zien, wordt hun informatie niet (meer) gebruikt voor advertenties. Dit was al eerder ingevoerd door Meta als gevolg van de inwerkingtreding van de Digital Services Act. De Commissie heeft nu, weliswaar onder de Digital Services Act, een formeel informatieverzoek aan Meta gestuurd naar aanleiding van deze advertentie-vrije abonnementen.

Voor WhatsApp is met name artikel 7(1) DMA relevant. Dit artikel vereist interoperabiliteit tussen nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten. Dat houdt, simpel gezegd, in dat eindgebruikers elkaar via bijvoorbeeld WhatsApp en Facebook Messenger, of het hierboven besproken iMessage van Apple, onderling kunnen berichten. Meta heeft de Commissie verzocht om 6 maanden uitstel om WhatsApp interoperabel te maken.

Om hieraan te voldoen, is Meta voornemens een sectie toe te voegen aan de berichtenservice van WhatsApp. Als de eindgebruiker naar deze sectie gaat, komen zij bij chatdiensten van derden uit (‘third party chats’). WhatsApp is deze functie nu aan het testen op iOS en Android. De voorbeelden hieronder laat zien hoe dit eruit kan zien.

 

Meta heeft over de interoperabiliteit van Facebook Messenger met andere nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten vooralsnog geen concrete veranderingen aangekondigd.

Tot slot moet Meta met betrekking tot haar advertentiediensten, Meta Ads, verplicht gegevens verstrekken aan adverteerders op grond van artikelen 5(9), 5(10) en 6(8) DMA. Het nalevingsrapport bevat daartoe de eerste voorstellen.

terug naar boven


 Microsoft

Microsoft heeft al haar geplande wijzigingen voor Windows weergegeven en toegelicht op haar website en in een afzonderlijke blogpost.

Het is Microsoft op grond van artikel 5(2) DMA verboden om persoonsgegevens van verschillende (kernplatform)diensten te combineren. Dit geldt voor zowel Windows als LinkedIn. Microsoft vraagt gebruikers voortaan of ze hun Microsoft-account willen synchroniseren met Windows, zodat de hun gegevens beschikbaar zijn op andere Windows-apparaten en in Microsoft-producten waar gebruikers zich aanmelden (zie ook de afbeelding hieronder). De informatie die is opgeslagen in het Microsoft-account van een eindgebruiker die ook andere Microsoft-producten gebruikt, is dan ook beschikbaar in Windows. Dit maakt het voor een eindgebruiker mogelijk om instellingen, apps en wachtwoorden van een ander apparaat te herstellen, alsook om ingestelde voorkeuren tussen apparaten te synchroniseren.

Voor Windows geldt daarnaast op grond van de artikelen 6(3) en 6(4) DMA dat eindgebruikers de mogelijkheid moeten krijgen tot het wijzingen van hun standaardinstellingen. Microsoft geeft aan dat eindgebruikers in staat worden gesteld om de Microsoft Edge-browser te verwijderen. Daarnaast worden er nieuwe ‘integratiepunten’ toegevoegd voor applicaties in Windows, waardoor eindgebruikers bijvoorbeeld een zoektoepassing kunnen toevoegen aan de zoekbalk op de Windows-taakbalk. Op deze manier kunnen eindgebruikers overschakelen van de zoekmachine Bing naar een andere zoekmachine naar keuze.

Ook stopt Microsoft met het geven van aanbevelingen om Edge als standaardbrowser in te stellen, inclusief tijdens het configuratieproces wanneer gebruikers Windows voor het eerst instellen of bijwerken.

Tot slot kunnen alle (standaard)apps in Windows worden verwijderd, zoals de camera en foto-app, Cortana (virtuele assistent), de zoekmachine Bing, en Microsoft Edge.

terug naar boven


Mogelijk nieuwe poortwachters en KPDs: Booking.com, X en ByteDance

Vlak voor Compliance Day hebben Booking.com en X (voorheen Twitter) bij de Commissie gemeld dat zij voldoen aan de kwantitatieve drempels om als poortwachter te worden aangemerkt. ByteDance, dat al is aangewezen als poortwachter met TikTok als KPD, heeft haar advertentiediensten, TikTok Ads, inmiddels ook gemeld bij de Commissie.

De onlinetussenhandelsdienst Booking.com gaf aan dat zij verwacht vanaf eind 2023 aan de omzetdrempel van de DMA te voldoen en daarmee als poortwachter te kwalificeren. De reden dat Booking niet eerder is aangemeld is hoogstwaarschijnlijk ingegeven door de (nasleep van de) COVID-19 pandemie, hetgeen een zware druk op de reis- en hotelsector heeft gelegd.

Voor Booking.com wordt in het bijzonder artikel 5(3) DMA van belang, op grond waarvan zij geen (enge of brede) pariteitsclausules mag opleggen aan zakelijke gebruikers. Dit gebruik is de afgelopen jaren op nationaal niveau al onderzocht en beboet, en ligt nu voor het HvJEU na een prejudiciële verwijzing van de rechtbank Amsterdam (zie onze eerdere blog voor een verdere toelichting op pariteitsclausules). Voor X is de meest relevante verplichting terug te vinden in artikel 6(12) DMA op grond waarvan zij FRAND-voorwaarden moet toepassen voor toegang tot haar sociale netwerk.

De Commissie heeft nu 45 werkdagen om de bedrijven aan te wijzen als poortwachter. Indien de Commissie hen als poortwachter aanmerkt, hebben de kersverse poortwachters zes maanden de tijd om aan de verplichtingen uit de DMA te voldoen.

 

Slot

Met de inwerkingtreding van de verplichtingen voor de zes aangewezen poortwachters zal de Commissie zich de komende maanden hoogstwaarschijnlijk veel bezig houden met de door hen voorgestelde en/of geïmplementeerde aanpassingen. Met name de aanpassingen van Meta en Apple hebben tot dusver relatief veel kritiek ontvangen. De komende periode zal uitwijzen in hoeverre er nog ruimte is voor een ‘regulatory dialogue’, of dat de Commissie de deur zal sluiten en daadwerkelijk over zal gaan tot handhaving. Daarnaast maken de nieuwe regels het ook mogelijk voor derde partijen om (private) handhaving te initiëren basis van (vermeende) schendingen van de DMA.

terug naar boven

Visie

OLG Munich applies German Legal Services Act in favour of claim vehicle

Last week, the Higher Regional Court (OLG) of Munich rendered a preliminary decision regarding the German Legal Services Act. This law prescribes rules for the way to provide legal services and therefore the discussion in Germany is whether and how claim vehicles are covered by this act. In its preliminary decision, the OLG applies the law narrower than the District Court (Landgericht) Munich did previously in this case. As the OLG Munich is important for cartel damages cases, this might set a precedent for other claim vehicles in Germany.

What was the case? The claim vehicle Financialright claim started proceedings in Germany on behalf of 70,000 aggrieved parties of the truck cartel to recover a total of around €500 million in damages from MAN, Daimler, Iveco and Volvo/Renault. These truck manufacturers, together with DAF, had been fined in 2016 for violating competition rules in the period of 1997 to 2011.

The Munich Regional Court declared Financialright Claims partly inadmissible and its claims unfounded. It considered that the agreements with its underlying parties would not comply with the Legal Services Act and the claim was insufficiently determined.

The OLG Munich came to a different conclusion in its preliminary decision. At the beginning of the appeal hearing, president Müller stated that he considered the assignment of claims to be legally valid. The court also found that the claim was not insufficiently determined. The OLG Munich therefore provisionally referred the case back to the lower Munich court. The Munich court will now have to consider the claims (again). Financialright Claim may then have another opportunity to file the agreements with its underlying parties with the court.

bureau Brandeis is assisting claim vehicles in several cartel damages proceedings relating to the trucks cartel in The Netherlands. Please do not hesitate to contact Sophie van Everdingen should you have any questions.

Visie

Student-Stagiair Corporate & Commercial

bureau Brandeis is een onafhankelijk litigation kantoor, met een voorkeur voor de challenger.

Corporate litigation vergt daarnaast bijzonder tactisch en strategisch inzicht. Vaak staat de toekomst van de onderneming op het spel. Zaken waar veelal grote financiële belangen mee zijn gemoeid voor de direct betrokkenen. Zaken die bijzondere procedureregels kennen, zoals uitstoot- en uittreedprocedures voor aandeelhouders, en die dikwijls worden gevoerd voor bijzondere rechterlijke colleges, zoals enquête- en jaarrekeningenprocedures bij de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam. Wij kennen de rechtsgang en de gespecialiseerde rechters als geen ander. Ervaring is key bij corporate litigation. Daarom hechten wij zo’n belang aan het goed begeleiden maar vooral ook direct laten meedraaien en inzetten van onze student-stagiaires.

Maak jij graag kennis met enquêteprocedures voor de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam? Wil je je verdiepen in uiteenlopende geschillen rond vennootschappen waarbij je onder meer focust op de leerstukken bestuurdersaansprakelijkheid, actio Pauliana en onrechtmatige daad? Zou je graag betrokken zijn bij het verstrekken van juridisch advies aan hedgefunds of meelopen in de grootste aansprekende kartelschadeprocedures? Ben jij (al bijna) bezig met je master en wil je praktijkervaring opdoen binnen een betrokken team? Kom dan student-stage lopen bij de secties Corporate & Commercial litigation.

Een student-stage bij bureau Brandeis betekent dat je gedurende twee maanden fulltime op hoog niveau, intensief samenwerkt met onze advocaten. Je gaat mee naar cliëntbesprekingen, je schrijft mee aan brieven en adviezen en je verdiept je in de nieuwste ontwikkelingen binnen het financieel recht.

Omdat wij voornamelijk procederen, schrijf je ook mee aan processtukken en ga je mee naar zittingen. Je krijgt de mogelijkheid interne cursussen te volgen en je leert onze medewerkers ook kennen tijdens de wekelijkse kantoorborrel of een van de andere sociale evenementen waar je welkom bent.

Geïnteresseerd? Wij zijn doorlopend op zoek naar enthousiaste studenten die kennis en affiniteit hebben met corporate & commercial litigation. Solliciteren voor een student-stage kan door een e-mail te sturen naar onze HR afdeling (HR@bureaubrandeis.com).

Stuur ook je motivatiebrief, CV, cijferlijst(en) en eventuele eerdere stagebeoordeling(en) mee bij je sollicitatie. Wil je eerst meer weten over deze doorlopende vacature? Neem dan gerust contact met ons op via tel. 020 – 7606 505.

Visie

Kroniek Privacyrecht 2022

Ook dit jaar schreven wij voor het Advocatenblad de nieuwe de Kroniek Privacyrecht. We gaan onder meer in op het begrip bijzondere persoonsgegevens, het gerechtvaardigd belang als grondslag om persoonsgegevens te verwerken, de rechten van betrokkenen, collectieve acties en schadevergoeding.

 

De Kroniek Privacyrecht 2022 is hier te lezen. Lees ook onze kronieken voor 2021 en 2020.

Visie

Erkenning Chambers Europe Gids

bureau Brandeis is in negen jaar tijd uitgegroeid tot het grootste litigation kantoor van Nederland. Het kantoor van 43 advocaten excelleert als litigation boutique ook in een brede toezichthouderspraktijk. Wij zijn verheugd dat onze unieke positie op de Nederlandse markt wordt erkend in de zojuist verschenen uitgave van de Chambers Europe Gids.

Verschillende praktijkgroepen van het kantoor zijn in de ranglijst opgenomen: Mededingingsrecht/Europees recht, Geschillenbeslechting en Media. Veel dank aan onze cliënten, die ons “accuraat, actueel en snel” noemen. Volgens Chambers weet bureau Brandeis “complexe juridische vraagstukken zeer snel te doorgronden en conclusies uit te werken tot duidelijke adviezen”.

Wij zijn ook vereerd met de individuele rankings van maar liefst vier van de acht partners.

Christiaan Alberdingk Thijm
Intellectueel Eigendomsrecht
Mediarecht

Bas Braeken
Mededingingsrecht/Europees recht
Telecom

Frank Peters
Geschillenbeslechting

Machteld Robichon-Lindenkamp
Mediarecht

Wij zien hierdoor onze inzet en het streven naar uitmuntende kwaliteit erkend. Wij danken onze cliënten en zakenpartners voor de feedback aan Chambers & Partners en voor de steun en het vertrouwen in ons kantoor.

https://lnkd.in/ex3cNmtn

Visie

Wachten op Godot – de problematische toepasbaarheid van WAMCA op ideële zaken

1   Introductie[1]

De op 1 januari 2020 ingetreden wet afwikkeling massaschade in collectieve acties (de “WAMCA”) heeft geleid tot een bescheiden hausse aan collectieve acties. Circa 45 op zich staande procedures, zijn ingesteld in de eerste twee jaar.[2]  13 van die zaken zijn bodemzaken van ideële aard. Over de commerciële zaken – samen goed voor een claim van vele miljarden euro’s genoegdoening – is inmiddels vaak geschreven.[3] Over de impact van WAMCA op de mogelijkheid om ideële zaken in te stellen, gaat deze bijdrage.

Artikel 3:305a Burgerlijk Wetboek (“BW”) en de bepalingen van de Wet Collectieve Afdoening Massaschade (“WCAM”) zijn met ingang van 2020 gecombineerd en gaan sindsdien door het leven als WAMCA, in de bepalingen 3:305a BW en titel 14a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (“Rv”). In de jaren daarvoor was het aantal belangenorganisaties dat collectieve procedures initieert significant gestegen.[4] De directe aanleiding voor de wetswijziging was de wens om de mogelijkheden voor collectief schadeverhaal in de wet te regelen, coördinatie van collectieve procedures, schikken aantrekkelijker te maken en meer finaliteit.

De Minister zette in op een efficiënte en effectieve afwikkeling van massaschade. Voor gedupeerden zou vaak onduidelijk zijn welke van de beschikbare belangenorganisaties het beste in staat zou zijn om hun belangen te vertegenwoordigen. Bij de herziening zijn daarom met name ook de ontvankelijkheidseisen voor belangenorganisaties aangescherpt, evenals de eisen op het punt van governance, financiering en representativiteit om misbruik tegen te gaan. Daarnaast is het fenomeen van de “exclusieve belangenbehartiger” geïntroduceerd. Dat vond de wetgever op zijn plaats nadat er verschillende incidenten waren geweest rondom commerciële belangenorganisaties.

Met ideële belangenorganisaties is door de wetgever en de Juristengroep bij de herziening slechts in zeer beperkte mate rekening gehouden (zie hierna onder paragraaf 3). De wetgever overwoog nog wel dat als een ideëel doel werd nagestreefd een dergelijke stringente toetsing niet nodig was en dat daarom de rechter de mogelijkheid kreeg om een belangenorganisatie ontvankelijk te verklaren zonder dat aan de strengere ontvankelijkheidseisen hoeft te zijn voldaan.[5] Dit heeft geresulteerd in artikel 3:305a lid 6 BW, dwz. een discretionaire mogelijkheid voor de rechter om specifieke ontvankelijkheidscriteria niet aan te leggen. Alle verdere WAMCA bepalingen, en dan met name die uit titel 14a Rv, gelden echter onverkort. Alleen als gekozen wordt voor een kort geding, kan een belangenorganisatie ontkomen aan het grootste deel van de voorschriften van WAMCA.[6]

In de literatuur[7] is gedurende de wetgeving fase al gewaarschuwd voor de mogelijke negatieve effecten van het wetsvoorstel op ideële zaken. In dit artikel zullen wij, mede in het licht van twee jaar ervaring met WAMCA, ingaan op de gevolgen van WAMCA voor de partijen die een collectief ideëel belang nastreven (“NGOs”)[8] en hun toegang tot het recht.

Dat wij in deze bijdrage alleen de tekortkomingen van WAMCA bespreken in het geval van ideële zaken, wil niet zeggen dat wij menen dat WAMCA voor andere dan ideële zaken perfect is of geen verbetering behoeft.[9] Maar gezien het grote maatschappelijke belang van snelle wetswijziging voor ideële zaken, en het niet reële risico van (financiële) wantoestanden bij dit soort zaken, doen wij in dit artikel een concreet voorstel voor een snelle tussentijdse herziening voor uitsluitend ideële organisaties.

2   De oorsprong van de collectieve actie: ideële zaken

Er zijn in Nederland meerdere verhaalsmechanismen in collectieve acties geweest, voordat werd besloten om tot een algemene privaatrechtelijke regeling te komen.[10] De collectieve actie werd in de eerste plaats ontwikkeld in de rechtspraak, door het toekennen van ontvankelijkheid aan organisaties die opkwamen voor een collectief belang. Zo bevestigde in 1993 de Hoge Raad[11] de ontvankelijkheid van de Landelijke Vereniging van Specialisten (LVS) in een zaak tegen de Staat over een prijzenbeschikking. Dit oordeel was kort gezegd gebaseerd op de representativiteit van de LVS en op proceseconomische gronden.[12]

In de – in het milieurecht zeer bekende – uitspraak De Nieuwe Meer, besliste de Hoge Raad in 1986[13] dat drie milieuorganisaties ontvankelijk waren in hun collectieve vordering. De Hoge Raad vond daarbij de aansluiting bij alleen de statutaire doelomschrijving van de organisaties niet voldoende. Volgens de Hoge Raad was ten eerste mede van belang dat de betrokken belangen zich leenden voor bundeling. Ten tweede oordeelde zij dat als deze organisaties toegelaten konden worden tot inspraak in een bestuursrechtelijke procedure over de verlening van een vergunning voor het storten van bagger, het dan vreemd zou zijn als zij niet ook in een civiele zouden kunnen opkomen indien er volgens hen bagger wordt gestort zonder vergunning.[14]

In de Memorie van Toelichting (“MvT”) bij de invoering van artikel 3:305a BW, vatte de Minister het als volgt samen: “Aldus zijn in de jurisprudentie drie absolute voorwaarden voor ontvankelijkheid te vinden: 1. rechtspersoonlijkheid; 2. statutaire doelstelling; 3. gelijksoortige belangen. Daarnaast wordt de voldoening aan enkele aanvullende voorwaarden vereist. In het bijzonder vindt men met regelmaat als aanvullende voorwaarden de eis dat bundeling een efficiënte en/of effectieve rechtsbescherming bevordert, en de eis dat de organisatie feitelijke werkzaamheden heeft ontplooid en/of representatief kan worden geacht voor de door haar behartigde belangen. Deze laatste voorwaarde kan wijken indien de eisende rechtspersoon een wettelijk gewaarborgde inspraak–, bezwaar– of beroepsbevoegdheid bezit die gefrustreerd dreigt te worden als niet tevens de mogelijkheid bestaat, de burgerlijke rechter te adiëren. Ten slotte is bij het bestaan van een andere met voldoende waarborgen omklede rechtsgang, doorgaans geen plaats voor een collectieve actie bij de burgerlijke rechter.[15] De wet kende inderdaad op dat moment op enkele plaatsen reeds specifiek een actierecht toe aan een belangenvereniging zoals bij algemene voorwaarden[16] of ten aanzien van het auteursrecht.[17]

De ontwikkeling in de rechtspraak heeft uiteindelijk geleid tot een codificering in 1994 met de invoering van artikel 3:305a en b BW. Volgens deze eerste versie van 3:305a BW moest de eiser 1) rechtspersoonlijkheid bezitten en 2) eerst een poging tot schikking hebben gedaan. Daarnaast was expliciet bepaald dat schadevergoedingsvordering in geld niet kon worden gevorderd. Verder kon geen gedraging aan de vordering ten grondslag worden gelegd als degene wiens belang door die gedraging werd getroffen bezwaar maakte tegen de vordering (een soort rigoureuze opt-out). Ook had de uitspraak geen werking tegen een persoon tot bescherming van wiens belang de rechtsvordering strekte en die zich verzette tegen werking van de uitspraak ten opzichte van hem, tenzij de aard van de uitspraak meebracht dat de werking niet slechts ten opzichte van deze persoon kan worden uitgesloten.

In 2005 is de WCAM in werking getreden. De WCAM stond partijen bij een schikking toe een (gezamenlijk) verzoek in te dienen bij het Gerechtshof Amsterdam om die schikking algemeen verbindend te verklaren. Het instellen van een collectieve vordering tot schadevergoeding was echter nog altijd niet mogelijk. Op 8 november 2011 heeft de Tweede Kamer de motie Dijksma aangenomen. In deze motie werd de regering verzocht om met een stappenplan te komen om collectief schadeverhaal wel mogelijk te maken.[18]

3   In welke mate heeft de wetgever rekening gehouden met ideële organisaties bij de nieuwe wet?

Na een aantal kleinere aanpassingen in de WCAM bepalingen[19], volgde naar aanleiding van de motie Dijksma, op 7 juli 2014 de publicatie van het voorontwerp voor een grotere herziening van artikel 3:305a BW.[20] Hierin wordt onder meer het verbod op het eisen van een schadevergoeding geschrapt en de ontvankelijkheidseisen voor een actie die strekt tot schadevergoeding in geld specifiek benoemd.

In de 19 consultatiereacties op het voorontwerp is echter weinig tot geen aandacht besteed aan de positie van de collectieve acties met een ideëel oogmerk.[21] Na de consultaties heeft een stakeholdersbijeenkomst plaatsgevonden en naar aanleiding daarvan is een groep van praktijkjuristen gevormd (“Juristengroep”). Deze groep had een uitgesproken “corporate & securities” karakter. De Juristengroep heeft op 7 december 2015 zijn “Aanbevelingen van de Juristengroep” aan de wetgever gestuurd.[22] De Juristengroep merkte op dat algemeen belang acties of acties met een gering financieel belang aan minder strenge ontvankelijkheidseisen hoeven te voldoen dan andere zaken. De adviescommissie Burgerlijk Procesrecht heeft verder op 11 juli 2016 geadviseerd dat tevens op de ontvankelijkheidseisen een uitzondering kan worden gemaakt indien dit uit de aard van de vordering, de aard van de eiser, of de aard van de personen voor wie de vordering wordt ingesteld volgt.[23] Dit om het ook mogelijk te maken dat bijv. patiëntenorganisaties kunnen opkomen tegen het beleid van een zorgverzekeraar, zonder dat zij aan de strenge ontvankelijkheidseisen worden onderworpen.

Op 15 november 2016 heeft de wetgever het wetsvoorstel voor invoering van het aangepaste artikel 3:305a BW, de WAMCA, aan de Tweede Kamer gestuurd.[24] Het wetsvoorstel wordt vervolgens aanbevolen door de Raad van State. De Raad van State besteedt geen aandacht aan de collectieve actie in ideële zaken[25]. Uit de MvT blijkt dat vervolgens ook de wetgever bij het voorstel vooral oog heeft voor de commerciële collectieve acties en zich daarvoor aansluit bij de Aanbevelingen van de Juristengroep. In de MvT merkt de Minister op dat het wetsvoorstel tot doel heeft te komen tot een efficiënte en effectieve afwikkeling van collectieve massaschade en dat er een regime komt voor collectieve acties, “ongeacht of ze strekken tot schadevergoeding in geld of niet”. Omdat dit in gevallen disproportioneel zou kunnen zijn, overweegt de Minister dat “de rechter de mogelijkheid [krijgt] een belangenorganisatie ontvankelijk te verklaren zonder dat aan de strengere ontvankelijkheidseisen hoeft te zijn voldaan, wanneer de rechtsvordering wordt ingesteld met een ideëel doel en het een zeer beperkt financieel belang betreft, of wanneer de aard van de vordering of de personen tot bescherming van wier belangen de rechtsvordering strekt, daartoe aanleiding geeft.”[26] Op grond van deze overweging wordt de uitzondering van het huidige lid 6 voorgesteld. Thans is het daarom zo dat het aan de rechter is om te bepalen of de uitzondering van lid 6 van toepassing is.

Pas in de nota naar aanleiding van het verslag van 12 januari 2018 laat de Minister zich wat uitgebreider uit over de ideële collectieve acties. Naar aanleiding van vragen over het Clara Wichmann proefprocessenfonds, antwoordt de Minister: “De meeste procedures die deze organisatie instelt, hebben een principieel karakter en zijn niet primair gericht op het verkrijgen van een schadevergoeding. Dit kan de rechter meenemen bij zijn afweging of een dergelijke actie onder het verlichte regime kan komen van artikel 3:305a lid 6 BW. Het doel van lid 6 is ruimte te laten voor collectieve acties en die in beginsel niet zijn gericht op het verkrijgen van schadevergoeding.” En even verder stelt de Minister: “Ten slotte heeft de rechter de keuze om vanwege de aard van de vordering af te wijken van de ontvankelijkheidseisen. Dit kan bijvoorbeeld gepast zijn, wanneer een representatieve belangenorganisatie een andere vordering instelt dan een schadevergoeding en er een maatschappelijk belang mee is gemoeid. Een beroep op deze uitzondering van de ontvankelijkheidseisen zal niet worden gehonoreerd als een verklaring voor recht wordt gevraagd als opmaat naar een collectieve schadevergoedingsactie.[27] Wanneer sprake is van een opmaat naar een collectieve actie, wordt niet toegelicht.

Op 20 december 2018 wordt vervolgens het amendement Van Gent c.s. ingediend. Dit amendement stelt dat ook voor ideële zaken zal moeten gelden 1) dat zij voldoen aan de eisen van representativiteit, 2) dat de bestuurders geen winstoogmerk hebben, 3) dat eisers overleg hebben gevoerd met verweerder alvorens een actie in te stellen, en dat 3) de scope rule op hen van toepassing is. De indieners stellen: “[d]oor deze lagere drempel voor vorderingen met een ideëel doel wordt een uitweg in de wet gecreëerd waardoor bepaalde vorderingen veel gemakkelijker kunnen worden ingesteld. Het zet de deur open voor vorderingen mét winstoogmerk en/of vorderingen zónder nauwe band met de Nederlandse rechtssfeer, terwijl een afdoende rechtvaardiging daarvoor ontbreekt.[28] Een tweede amendement Van Gent van dezelfde datum, stelt voor de uitsluiting van schadevergoeding in geld aan de uitzondering van lid zes toe te voegen. Dit omdat “rechtsvorderingen met een ideëel doel zich niet zouden moeten richten op het vorderen van geld.[29] In het debat met de Tweede Kamer geeft de Minister de voorkeur aan het oorspronkelijke wetsvoorstel, dat meer ruimte aan de rechter laat, maar laat de amendementen over aan het oordeel van de Tweede Kamer.[30] De amendementen zijn op 23 januari 2019 door de Tweede Kamer aangenomen.[31] Het wetsvoorstel is vervolgens op 19 maart 2019 zonder beraadslaging door de Eerste Kamer aangenomen.[32]

Uit de geschiedenis volgt dat ideële zaken door de wetgevende macht niet als een groot probleem worden ervaren, zolang zij maar niet de opmaat zijn voor een vordering tot schadevergoeding. Voorts volgt uit de wetsgeschiedenis dat het uitgangspunt is dat ideële vorderingen, zonder dat schadevergoeding in geld wordt gevorderd, door de rechter aan een lichter ontvankelijkheid regime kunnen worden onderworpen.[33] Uit de wetsgeschiedenis volgt ook dat bij de wijziging van artikel 3:305a BW niemand zich bijzonder bekommerd heeft over de positie van de NGO’s en de ideële zaken die zij voeren. Dit alles heeft ertoe geleid dat in artikel 3:305a BW ons inziens een vrij karige uitzonderingsbepaling is opgenomen voor ideële zaken.

4   de plaats van WAMCA in ideële zaken vanuit grondrechtelijk perspectief

Ideële vorderingen zijn vorderingen die vaak, maar niet altijd, zien op mensenrechten en grondrechten. Dat alleen al maakt dat dit type geschillen van een andere orde is dan veel andere, financiële geschillen, die via WAMCA worden afgewikkeld.

Met betrekking tot grondrechten vloeit uit artikel 13 EVRM (effective remedy) voort dat de drempel voor het handhaven van mensenrechten, laag moet zijn. Het aan de klager ter beschikking staande rechtsmiddel moet het mogelijk maken om de verdragsschending te verhelpen en moet ook in de praktijk een effectief rechtsmiddel zijn.[34] Het rechtsmiddel moet toegankelijk zijn en er mogen geen onredelijke voorwaarden gesteld worden om er een beroep op te doen. Het rechtsmiddel moet genoegdoening kunnen bieden en een redelijke kans van slagen hebben.

Het artikel 13 EVRM hangt nauw samen met artikel 6 EVRM, dat de laatste jaren steeds vaker wordt aangewend om het recht op een behoorlijk proces in civiele zaken te waarborgen. Dit geldt ook voor de gevallen die op het eerste gezicht geen burgerlijk recht lijken te betreffen, maar die “rechtstreekse en aanzienlijke gevolgen kunnen hebben voor een aan een persoon toebehorend recht”.[35] In de kern zien deze artikelen daarmee op de aanwezigheid van effectieve rechtsmiddelen in de nationale procedure. Het recht op toegang tot een rechter onder artikel 6 EVRM moet “praktisch en doeltreffend” zijn.[36] Dit kan in sommige gevallen betekenen dat er een rechtsmiddel moet bestaan om de (bestuurlijke/rechterlijke) procedure te versnellen.[37] Artikel 6 EVRM is voorts van toepassing op zaken zoals milieu- en klimaatkwesties, waar privaatrechtelijke geschillen kunnen ontstaan over het recht op leven, op gezondheid of op een leefbaar klimaat.[38]

Het EHRM heeft over het voorgaande op een aantal aspecten concreet uitspraak gedaan. Kort gezegd heeft het EHRM bepaald dat de regels over de vormvoorschriften en de termijnen voor het instellen van een beroep of een verzoek om rechterlijke toetsing, tot doel een goede rechtsbedeling en het waarborgen van de rechtszekerheid hebben.[39] Daarom mogen de betrokken regels, of de toepassing ervan, de rechtzoekende niet beletten een rechtsmiddel in te stellen.[40] Bij de toepassing van de procedureregels moeten de rechterlijke instanties daarom een overdreven formalisme, dat afbreuk zou doen aan een eerlijk verloop van de procedure, vermijden.[41] Het recht op toegang tot de rechter wordt geschonden wanneer de regels niet langer de doelstellingen van “rechtszekerheid” en “goede rechtsbedeling” dienen, maar een soort barrière vormen die de procespartij belet haar zaak inhoudelijk door de bevoegde rechter te laten beoordelen.[42] Specifiek heeft het EHRM in dit kader uitgemaakt dat ook nodeloze vertragingen bij de behandeling van een vordering het recht op toegang tot een rechter zinloos kunnen maken.[43]

Ook het gemeenschapsrecht schrijft voor dat de rechtsregels van de lidstaten de uitoefening van rechten die gebaseerd zijn op het Unierecht niet uiterst moeilijk of praktisch onmogelijk mogen maken; het zogenaamde “doeltreffendheidsbeginsel of algemene effectiviteitsbeginsel”. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat in dit doeltreffendheidsbeginsel in Nederland met name gericht is op het procesrecht.[44] Deze procedurele rule-of-reason-toets[45] balanceert een aantal factoren. Deze factoren zijn allereerst de plaats van de betreffende nationale rechtsregel in de gehele procedure; ten tweede het verloop en de bijzondere kenmerken ervan, en ten derde de beginselen die meer algemeen aan het nationale stelsel van rechtspraak ten grondslag liggen, zoals het verdedigingsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het goede verloop van de procedure.[46]

Het belang van ideële zaken voor de Nederlandse rechtsorde werd in 2020 nog uitdrukkelijk erkend door de Minister. Naar aanleiding van de Urgenda-zaak werd in de Tweede Kamer de vraag gesteld of via – het huidige – 3:305a BW mogelijk misbruik van het Nederlandse rechtsstelsel gebruikt kon worden gemaakt om een bepaalde visie rechterlijk af te dwingen met de argumentatie dat het “algemeen belang” wordt behartigd. Hierop antwoordde de Minister ontkennend en verklaarde dat hij het collectief actierecht zoals dat is verankerd in artikel 3:305a BW een nuttig en zinvol element in ons rechtssysteem acht.[47]

5   problemen bij toepassing 305a in ideële zaken

In dit hoofdstuk zullen wij stilstaan bij de diverse obstakels die WAMCA opwerpt voor rechtzoekende NGO’s. Met de WAMCA is het instellen van een vordering strekkende tot schadevergoeding mogelijk gemaakt, maar tezelfdertijd zijn er stringente voorwaarden voor het instellen van de actie geïntroduceerd.

Hiervoor onder 4 stelden wij vast welke objectieve toetsen kunnen worden aangelegd bij het beoordelen van de kwaliteit van WAMCA als instrument om tot effectieve handhaving van rechten te komen. Daarbij geldt dat, aangezien er na 30 jaar collectieve acties geen misbruik gevallen bekend zijn in ideële zaken, er alle reden is om te voorkomen dat procedurele belemmeringen geïntroduceerd worden.

5.1   De uitzondering van artikel 3: 305a BW lid 6

Op grond van lid 6 kan de rechter een NGO ontvankelijk verklaren “wanneer de rechtsvordering wordt ingesteld met een ideëel doel en een zeer beperkt financieel belang of wanneer de aard van de vordering van de rechtspersoon als bedoeld in lid 1 of van de personen tot bescherming van wier belangen de rechtsvordering strekt, daartoe aanleiding geeft. Bij toepassing van dit lid kan de rechtsvordering niet strekken tot schadevergoeding in geld.”

Op grond van dit lid kan de rechter onder omstandigheden dus beslissen dat aan bepaalde onderdelen van artikel 3:305a BW niet voldaan hoeft te worden. Een aantal zaken vallen op:

  1. Discretionaire bevoegdheid: het wordt aan de rechter overgelaten om de uitzondering wel of niet toe te passen. De wet doet een handreiking wanneer de uitzondering kan worden toegepast, maar dit geeft geen zekerheid dát de uitzondering zal worden toegepast.
  2. De uitzondering kan gemaakt worden wanneer daartoe aanleiding is op grond van de omstandigheid (i) dat de rechtsvordering een ideëel doel heeft en een zeer beperkt financieel belang, of (ii) de aard van de vordering, of (iii) (de aard van?) de personen tot bescherming van wier belangen de rechtsvordering strekt. De rechtsvordering dient ook nog slechts te zien op een ge- of verbod of een verklaring voor recht.
  3. In het geval de rechter van oordeel is dat een uitzondering kan worden gemaakt, dan kan toepassing van de ontvankelijkheidseisen van lid 2, subonderdelen a tot en met e[48] en lid 5 achterwege blijven.[49] De andere leden (eisen) van artikel 3:305a BW blijven dwingend voorgeschreven, net als de WAMCA bepalingen in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.[50]

Als de rechter beslist dat de uitzondering van toepassing is, dan hoeft een NGO niet – kort gezegd – een volledige en kostbaar opgetuigde stichting of vereniging te zijn met toezicht en inspraak (lid 2 sub onderdelen a en b), middelen (subonderdeel c), transparantie (subonderdeel d), en voldoende expertise (onderdeel e). Ten slotte hoeft de NGO geen jaarrekening op te stellen.

De bepalingen die door de rechter buiten beschouwing kunnen worden gelaten bij de beoordeling van de ontvankelijkheid, komen enigszins willekeurig voor. De meeste NGO’s zullen een website hebben waarop, alleen al vanuit advocacy oogpunt, de zaak waarvoor men zich inzet wordt toegelicht. Mogelijkheden voor deelname en steun aan de organisatie worden in het algemeen en naar hun aard ook geboden. Verder hebben veel NGO’s toezichthoudenden organen, middelen en expertise, of lijkt er weinig op tegen om daaraan te voldoen.

Uit de wetsgeschiedenis volgt dat bij de uitzondering vooral gedacht wordt aan kleine belangenorganisaties zoals een bewonersvereniging,[51] die te veel belast zouden worden als zij aan deze eisen zouden moeten voldoen. Dat is begrijpelijk als het gaat om websites, toezicht en expertise, hoewel inspraak bij een bewonersvereniging wel geregeld zal zijn, het is immers een vereniging. Regelmatig wordt ook verwezen naar Bureau Clara Wichmann als uitzondering. Daar is echter via de website vrij snel duidelijk dat aan alle vereisten wordt voldaan, met uitzondering van inspraak. Ook andere grote en gevestigde NGO’s zullen in de regel aan deze vereisten kunnen voldoen. Kortom, de uitzonderingen op de ontvankelijkheidseisen die van toepassing zijn, lijken wat willekeurig gekozen en zijn voor veel NGO’s vermoedelijk niet relevant.

5.2   Representativiteit

Met de inwerkingtreding van de WAMCA is ook een strengere en intensievere toets voor ontvankelijkheid ingetreden die onder meer een representativiteitstoets inhoudt. Representativiteit betekent, in ieder geval in de volksmond[52] de mate waarin de organisatie gezag geniet op het terrein waarop zij actief is en geschikt is om dit belang te vertegenwoordigen. Dat gezag kan ontleend worden aan de combinatie van deugdelijke organisatie en inhoudelijke expertise. Deze aspecten keren terug in artikel 3:305a BW en de wetsgeschiedenis, zij het op soms conflicterende en onduidelijke wijze. De MvT spreekt zelf van een aanscherping van de representativiteit.[53] Het representativiteitsvereiste houdt in dat “een belangenorganisatie voldoende representatief is, gelet op de achterban en de omvang van de vertegenwoordigde vorderingen.”[54]

De eis van representativiteit voorkomt dat een stichting of vereniging een rechtsvordering kan instellen zonder de ondersteuning van een achterban. Niet iedere willekeurige organisatie kan zich opwerpen als verdediger van de belangen van gedupeerden. De wetgever kiest niet voor een specifieke invulling van het begrip representativiteit of een specifieke manier om de steun van een achterban te laten zien of een onderzoek om vast te stellen of de gedupeerden ook “daadwerkelijk” de actie ondersteunen. Volgens de wetgever dient de belangenorganisatie duidelijk te maken voor wie zij opkomt en is het voldoende voor de belangenorganisatie om nauwkeurig te omschrijven voor welke groep van personen zij opkomt. De wetgever stelt verder dat op voorhand duidelijk moet zijn dat de belangenorganisatie kwantitatief gezien voor een voldoende groot deel van de groep getroffen gedupeerden opkomt. Wat genoeg is, verschilt per geval en wordt bepaald in relatie tot het totaal aantal gedupeerden.

De jurisprudentie en parlementaire stukken met betrekking tot de eerdere versies van artikel 3:305a BW laten ook zien dat representativiteit een breed palet is, waarbij diverse omstandigheden kunnen meewegen. De wetgever verwijst ook in dit kader naar het aantal aangesloten gedupeerden en de omvang van hun vorderingen ten opzichte van het totaal aantal gedupeerden van een massagebeurtenis en de door hen gevorderde schadevergoeding als “indicaties” en niet als “vereisten” in de MvT bij de WAMCA:

“De representativiteit van een organisatie kan uit verschillende gegevens worden afgeleid, en het verdient daarbij geen aanbeveling één of meer gegevens doorslaggevend te achten. Een vastomlijnde invulling van dit vereiste is dan ook niet goed te geven, omdat dit tekort zou doen aan andere gegevens die er ook op kunnen wijzen dat een organisatie representatief is. Verschillende gegevens kunnen immers – al dan niet in combinatie met elkaar – van belang zijn.[55]

 Dat de wetgever geen duidelijke keuze heeft gemaakt, blijkt bijvoorbeeld uit de wetsgeschiedenis, waar wordt verondersteld dat de Consumentenbond en de VEB representatief zullen zijn: “Deze kritiek ziet niet op organisaties zoals de Consumentenbond, VEB en Eumedion en VEH, die zich naast het voeren van collectieve procedures breder inzetten als belangenbehartiger. In de regel kan worden aangenomen dat deze belangenorganisaties zullen voldoen aan de aangescherpte ontvankelijkheidseisen in artikel 3:305a BW.[56] Kennelijk kleeft de representativiteit aan de organisatie, ongeacht de vordering die zij instellen. De wettekst (lid 2) daarentegen haakt uitdrukkelijk aan bij de door de belangenorganisatie specifiek ingestelde vordering, gezien de woorden “voldoende gewaarborgd […], gelet op de achterban en de omvang van de vertegenwoordigde vorderingen”. De representativiteitsbepaling is onverkort van toepassing op NGO’s en valt niet onder de door de rechter uit te zonderen bepalingen van artikel 3:305a BW lid 6.

Het eerste problematische aan deze bepaling voor NGO’s is de verwijzing naar “de belangen van de personen tot bescherming van wier belangen de rechtsvordering strekt”. Bij een vordering van financiële aard valt veelal wel aan te wijzen wiens belangen op het spel staan: de personen die uiteindelijk aanspraak kunnen maken op uitbetaling van de gevorderde schadevergoeding. Maar strekt de rechtsvordering in ideële zaken wel tot de belangen van specifieke mensen? Dat is maar zeer de vraag. In sommige gevallen betreft de achterban helemaal geen (thans levende) mensen (maar dieren, klimaat, cultuur of toekomstige generaties). Moeten we dan toch op zoek gaan naar een groep  mensen aan wie die belangen kunnen worden toegerekend? En wie zijn dat dan, zij die deze immateriële belangen een warm hart toedragen? Of alleen zij die donateur of lid zijn van de belangenorganisatie? Het is allemaal uitermate geforceerd.

Het wordt niet eenvoudiger als bij ideële vorderingen vervolgens ook nog onderzocht en vastgesteld moet worden dat de NGO “representatief is, gelet op de achterban en de omvang van de vertegenwoordigde vorderingen”. Het kwantitatieve aspect van “de omvang van de vertegenwoordigde vorderingen” kan wellicht een rol spelen bij schadevergoedingsvorderingen. Dat kan lastig genoeg zijn, maar hoe dat moet worden vastgesteld in ideële zaken is al helemaal een raadsel. Hoewel denkbaar is dat de NGO een achterban heeft, in de vorm van donateurs of leden, zal dat niet altijd het geval zijn. Het zullen er, gemeten aan de omvang van de groep die door de kwestie geraakt wordt (denk aan klimaat, milieuverontreiniging, discriminatie), zeker niet altijd veel zijn. Maakt dit de vordering dan te onbelangrijk om in te kunnen stellen?

Veel beter zou het zijn om de representativiteit van (in ieder geval) NGO’s niet aan de hand van deze wettelijke toets te bepalen. Hij past niet. Ons lijkt van weinig belang te bepalen in welke mensen het maatschappelijke belang belichaamd is, of de mate waarin die NGO gesteund wordt in haar actie. Ook een kleine organisatie kan vanwege kennis, kunde en track record gezag genieten, en representatief zijn om een maatschappelijk probleem aan de kaak te stellen. Het voegt ook niets toe ten opzichte van de algemene criteria die ook in collectieve acties gelden: men moet voldoende belang hebben en men mag geen misbruik van een bevoegdheid maken (art. 3: 303 BW resp. 3:13 BW).

5.3   Verplichte toetsing ontvankelijkheid, voordat aan de inhoud wordt toegekomen

Naast artikel 3:305a BW zijn zoals gezegd ook de bijzondere bepalingen van Hoofdstuk 14a Rv van toepassing op ideële zaken. In het verlengde van het bepaalde in artikel 3:305a BW is in 1018c lid 5 Rv opgenomen dat de inhoudelijke behandeling van de collectieve vordering pas plaats kan vinden nadat de rechter heeft beslist dat aan de ontvankelijkheidseisen is voldaan. Het maakt niet uit of de wederpartij een verweer voert tegen ontvankelijkheid: de rechter kan hier niet van afwijken.[57] De praktijk leert dat het zo maar een jaar of meer kan duren voordat het debat over de ontvankelijkheid is afgerond terwijl bijvoorbeeld en met name de Staat – een repeat defendant in ideële zaken – regelmatig afziet van het opwerpen van procedurele bezwaren.

5.4   Waarom in het register voor 3 maanden?

Artikel 1018c lid 3 Rv bepaalt dat alle vorderingen die op grond van artikel 3:305a BW worden ingesteld, moeten worden ingeschreven in het daarvoor bestemde publieke register dat door de Rechtspraak in stand wordt gehouden. Inschrijving moet plaatsvinden binnen twee dagen nadat de zaak aanhangig is gemaakt. De rechter houdt de zaak vervolgens aan, totdat drie maanden zijn verstreken. Ondertussen kunnen voor “dezelfde gebeurtenis of gebeurtenissen” en “over gelijksoortige feitelijke en rechtsvragen” zaken aanhangig worden gemaakt (art. 1018d BW).

De gedachte achter die periode van drie maanden is dat het concurrentie tussen collectieve acties voorkomt en dat het proces geordend verloopt als zich toch concurrentie voordoet. Gedupeerden moeten een geïnformeerde keuze kunnen maken bij welke van de aanhangige zaken ze zich aansluiten en de rechtbank moet in staat zijn één daarvan aan te wijzen als exclusieve belangenbehartiger.[58]

Dit alles speelt in het geheel niet bij NGO’s en ideële zaken. Het kan voorkomen dat meerdere organisaties actief zijn op hetzelfde terrein. In de praktijk blijken die organisaties dan de handen ineen te slaan en ofwel elkaar (al dan niet achter de schermen) te steunen, ofwel samen als eiser op te treden. Het risico dat chaos ontstaat die regeling behoeft voor dergelijke samenloop, is geheel denkbeeldig en ons is daarvan geen voorbeeld bekend. Bovendien zouden de reeds lang bestaande routes van voeging en tussenkomst, eenvoudig uitkomst kunnen bieden als men er samen niet uitkomt (art. 217 Rv).

5.5    Nauw omschreven groep en opt-out

De representativiteitseis hangt samen met het begrip “nauw omschreven groep”. Artikel 1018c Rv bepaalt dat de dagvaarding op grond van artikel 3:305a BW een beschrijving moet bevatten van de gebeurtenissen die aan de vordering ten grondslag liggen en de personen tot bescherming van wier belangen de vordering, opdat de rechter op basis daarvan kan vaststellen wat de collectieve vordering precies inhoudt en voor welke “nauw omschreven groep personen” de eiser (exclusieve belangenbehartiger) opkomt (artikel 1018e en f Rv lid 2). De functie van de “nauw omschreven groep personen” is het creëren van een standaard om vast te stellen wie wel en niet gebonden zijn aan de collectief verbindende uitspraak (artikel 1018k Rv jo. 1018i lid 1 en 2 Rv), behoudens opt-out. Dit is vanzelfsprekend van belang bij schadevergoedingsvorderingen: individuele leden van de “class” die door de collectief verbindende uitspraak geraakt worden in hun vermogen, moeten weten of zij in aanmerking komen voor schadevergoeding, en omgekeerd: weten of zij gebruik moeten maken van hun recht om zich aan de werking van het vonnis te onttrekken door van hun opt-out recht gebruik te maken. Maar hoe moeten we dat zien bij ideële vorderingen?

Dit deel van de regeling is ontleend aan WCAM en de collectieve afdoening van massaschade in schikkingen. Het hoort thuis in het collectief schadeverhaal-recht en heeft daar een duidelijke functie. Door het combineren van artikel 3:305a BW en WCAM, is de “nauw omschreven groep” echter ineens beland in alle collectieve acties – ook de ideële – terwijl daar nauwelijks een woord aan gewijd is in de wetsgeschiedenis. De wetgever stelt alleen dat “Deze afbakening van [is] belang omdat de uitkomst in de procedure bindend is voor alle personen binnen de groep, behalve voor hen die hebben ge-opt out.”[59]

Een dergelijk effect, dat wil zeggen binding van individuele burgers aan een verloren collectieve actie, werd onder het oude recht – voor zover ons bekend – niet aangenomen. Het lijkt erop dat dit per ongeluk, althans zonder dat daaraan aandacht is besteed, ook voor ideële organisaties is geïntroduceerd.

In een zaak van Amnesty tegen de Staat over etnisch profileren, slaat de rechtbank Den Haag de toets helemaal over en zegt er (gek genoeg) niets over, niet in tussenvonnis en niet in eindvonnis, ook niet over opt-out.[60]

Diezelfde rechtbank Den Haag[61] doet echter ook het omgekeerde in een andere zaak, en lijkt zich schuldig te maken aan een geval “hinein interpretieren”. In een zaak over de rechtmatigheid van de wetgeving, concludeert de rechtbank dat de “nauw omschreven groep” wel degelijk een functie heeft, namelijk het beschermen van de belangen van de gedaagde,[62] de Staat in dit geval:[63]

De rechtbank is, met de Staat, van oordeel dat het ook in dit geval aangewezen is om een omschrijving te geven van de “nauw omschreven groep” van personen die aan de uitspraak gebonden zullen zijn. Voorkomen moet worden dat, als de vorderingen van MOA worden afgewezen, personen uit de achterban van MOA een soortgelijke (individuele) vordering kunnen instellen omdat onduidelijk is of zij gebonden zijn aan de uitspraak in de collectieve procedure. De vordering van MOA beoogt de onverbindendverklaring van regelgeving. Een afwijzend vonnis heeft dan werking voor de nauw omschreven groep / achterban van MOA. MOA roept echter terecht de vraag op in hoeverre men zich überhaupt kan bevrijden van een (toewijzend) vonnis dat leidt tot de onverbindendheid van regelgeving. (…)” (onderstreping toegevoegd)

In hoofdstuk 5.2 stonden wij er al bij stil dat het representativiteitscriterium een achterban veronderstelt van specifiek te duiden personen die (een zekere mate van) overlap lijkt te vertonen met de nauw omschreven groep. Het is echter een problematisch fenomeen. Een duidelijk voorbeeld daarvan is de Dunea zaak.[64] Een NGO, Defense for Children, zette zich in voor het (grond)recht van kinderen op schoon drinkwater. Defense for Children stelde dat het kinderrechtenverdrag werd geschonden als waterleidingbedrijven gezinnen met kinderen afsluiten van water als de rekening niet wordt betaald. De organisatie voor kinderrechten vroeg de rechter om het afsluiten van gezinnen met kinderen te verbieden.

De rechtbank zag aanleiding, na partijdebat, in een tussenvonnis te beslissen over de nauw omschreven groep en het voorschrift omtrent publicatie van het opt-out recht op grond van artikel 1018f Rv. Niet zozeer om de gedaagden[65] te beschermen, of om ervoor te zorgen dat men zou weten waarop men recht heeft bij winst, maar voor het omgekeerde geval: als de zaak verloren zou worden, zouden vanwege het gezag van gewijsde van die uitspraak, individuele (wettelijk vertegenwoordigers van) kinderen zich nooit meer op een schending van hun grondrechten kunnen beroepen. Het leidde tot de volgende te publiceren tekst:[66]

 Niet meedoen

Er is ook een risico. Als de rechter ons geen gelijk geeft, dan geldt dat ook voor uw kind(eren). Dit zou kunnen betekenen dat uw kinderen in de toekomst niet altijd meer zelf in een procedure op grond van kinder- en mensenrechten aansluiting van water kunnen vragen aan de rechter.

U kunt tot 1 april 2022 ervoor kiezen om de rechtbank namens uw kind te laten weten dat u niet wil dat de uitkomst van deze zaak op uw kind van toepassing zal zijn. Dat is gunstig voor u wanneer wij geen gelijk krijgen van de rechter. U kunt dan namelijk namens uw kind zelf naar de rechter stappen indien waterafsluiting dreigt of inmiddels heeft plaatsgevonden. Als u niet mee wil doen, moet u dit schriftelijk laten weten aan de griffie van Team handel van de rechtbank Den Haag” (onderstreping toegevoegd)

Uiteindelijk is de vordering ook ten gronde afgewezen. Heeft de collectieve binding dan tot effect dat kinderen zich niet meer op hun grondrechten kunnen beroepen? Vermoedelijk niet, gegeven de wijze waarop de vordering is afgewezen[67]:

“Daar waar dat – met inachtneming van de Afsluitregeling – gebeurt, is dat in zijn algemeenheid niet onrechtmatig jegens kinderen. In een concreet geval, waar alle omstandigheden worden meegewogen en de situatie van een bepaald kind in ogenschouw wordt genomen, kan dat anders liggen, maar in deze zaak gaat het niet om concrete gevallen.

De noodzaak tot “opt-outen” bij ideële zaken omdat die anders algemeen verbindend worden, is een ons inziens ongewenst bijeffect van het in WAMCA integreren van de bepalingen van titel 14a RV (vroeger: de WCAM bepalingen, zoals die thans zijn herzien) en artikel 3:305a BW tot één regeling. Bij ideële zaken is het nooit de bedoeling van de NGO om een algemeen verbindende uitspraak te krijgen. Als Bureau Clara Wichmann procedeert tegen de SGP over vrouwen op de ledenlijst, dan is het toch niet de bedoeling dat alle vrouwen van Nederland aan die uitspraak gebonden zijn? Of dat als de vordering wordt afgewezen, individuele vrouwen op een ander moment het niet nog eens zouden moeten kunnen proberen met het oog op hun eigen, specifieke positie?

Wellicht was beoogd te voorkomen dat het SGP de hele tijd door elkaar opvolgende, verschillende vrouwen groeperingen zou worden belaagd, maar als het letterlijk om dezelfde vordering/argumenten zou gaan, dan kan de rechterlijke macht dat ook prima zelf oplossen met op dat geval toegesneden argumenten voor afwijzing, zoals een beroep op misbruik van (proces)recht. Er is ook geen enkele objectieve reden om te vrezen voor dergelijk misbruik door ideële organisaties, alleen al niet, omdat geen enkel voorval van misbruik bekend is in ideële zaken voor 2020.

Het is wat ons betreft overigens wel de vraag of de wet op het punt van collectieve binding niet anders moet worden begrepen dan zoals die nu door meerdere rechters wordt toegepast. De collectieve binding is neergelegd in artikel 1018k Rv. Dat artikel bepaalt wie gebonden zijn aan de collectieve binding, te weten “voor ieder der partijen en voor de in artikel 1018i, eerste lid, onder a en b, bedoelde personen”, dwz. de leden van de nauw omschreven goed die geen gebruik hebben gemaakt van hun opt-out recht.

Bekijken we artikel 1018i Rv eerste lid echter iets beter, dan lijkt dat geheel te zijn toegeschreven op zaken waarin bij eindvonnis schadevergoeding wordt toegekend. De aanhef van dit lid luidt: “Betreft de collectieve vordering een vordering tot schadevergoeding in geld, dan kan de rechter alvorens een collectieve schadeafwikkeling vast te stellen, (…)” en het gaat daarna verder over de personen behorend tot de nauw omschreven groep personen wier belangen in deze collectieve vordering worden behartigd die zich niet overeenkomstig artikel 1018f Rv van de behartiging van hun belangen in de procedure en de uitspraak hebben bevrijd. Betoogd kan worden dat als geen collectieve schadeafwikkeling wordt voorgesteld, dit artikel toepassing mist en er dus ook geen collectieve binding is voor de leden van de nauw omschreven groep. Dat de collectieve binding en het opt-out regime specifiek is geschreven voor (enkel) schadevorderingen, lijkt ook te volgens uit artikel 1018k Rv lid 2: “Voor een persoon als bedoeld in artikel 1018i, eerste lid, onder a [Dus, leden van de nauw omschreven groep die niet ge opt-out hebben, auteurs] die bij de in artikel 1018f, derde lid, bedoelde aankondiging niet met zijn schade bekend kon zijn, heeft een uitspraak ingevolge deze titel geen gevolg indien hij na het bekend worden van zijn schade door een schriftelijke mededeling aan de verweerder of, indien een collectieve schadeafwikkeling is vastgesteld, aan de in artikel 907, tweede lid, onder g, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, bedoelde persoon, heeft laten weten niet gebonden te willen zijn.”

Tot op heden lijkt dat echter niet de lezing die de rechtbanken in eerste aanleg voorstaan.

5.6   Wettelijk voorgeschreven schikkingspogingen?

Op grond van WAMCA is de rechter gehouden op verschillende momenten te proberen partijen te bewegen de zaak te schikken (zie artikel 1018g en 1018i Rv). Dat de schikking zo’n integraal onderdeel is van de procedure is begrijpelijk vanuit de gedachte dat de systematiek van massaschikkingen geïntegreerd is in het collectieve actie regime. Van een massaschikking is in ideële zaken echter geen sprake. Er kan natuurlijk wel geschikt worden, maar de noodzaak om de zeer tijdrovende en complexe schikkingssystematiek van WAMCA te volgen, zien wij niet.

6   Consequenties Wamca voor ideële zaken

Het voorgaande laat zien dat WAMCA op veel onderdelen niet goed toepasbaar is op ideële zaken. Hiervoor is ook toegelicht dat effectieve rechtsbescherming van belang is – juist in ideële zaken – met name als het gaat om grondrechten. Vanuit die optiek zien wij een aantal bezwaren tegen de wijze waarop WAMCA een drempel opwerpt voor NGO’s om effectief te procederen in ideële zaken:

  • er is een grote mate van rechtsonzekerheid omtrent hoe begrippen uit WAMCA moeten worden toegepast in ideële zaken. Representativiteit, nauw omschreven groep, opt-out, collectieve binding, het zijn allemaal oneigenlijke concepten in ideële vorderingen. Toch moeten ze passend gemaakt worden, zolang de wet luidt zoals die thans is. Een gebrekkige rechtszekerheid is onwenselijk.
  • WAMCA leidt tot lange, nodeloze vertragingen, die de behandeling van een vordering en het recht op toegang tot een rechter soms zinloos zullen maken. Dit wordt veroorzaakt door een voor ideële zaken volstrekt onzinnige wachtperiode van drie maanden voor concurrerende vorderingen, en het verplichte tussenvonnis over ontvankelijkheid, ongeacht of daarop verweer is gevoerd. Dat doet geen recht aan de in het algemeen belangrijke maatschappelijke kwesties die door de NGO’s aan de kaak worden gesteld. Bij schadevergoedingsvorderingen is vertraging ook onwenselijk, maar die vertraging vertaalt zich naar compensatie in de vorm van wettelijke rente. In het geval van een ideële vordering is enige vorm van compensatie niet goed voorstelbaar.
  • WAMCA leidt tot extreem hoge kosten die bezwaarlijk kunnen zijn voor NGO’s om hun recht te halen. De kosten ontstaan door de onzekerheid omtrent de invulling en toepassing van diverse begrippen van WAMCA op ideële zaken, de veel langere doorlooptijd (in de ontvankelijkheidsfase maar ook in de fase daarna waarbij meerdere schikkingspogingen moeten worden onderzocht), de vele extra proceshandelingen en zittingen die zijn toegevoegd aan het proces, en de noodzaak voor extra juridische bijstand, nu vakinhoudelijke specialisatie (klimaatrecht, grondrechten) al snel onvoldoende is om de procesrechtelijke problemen het hoofd te bieden.

Dit alles is niet proportioneel gezien de niet financiële aard van de vorderingen en de gebleken afwezigheid van misbruik in ideële zaken. Hier tegenover staan de (hoge) kosten voor alleen al het procederen over de ontvankelijkheid. Het is sterk de vraag of, in ieder geval bij ideële vorderingen, het doeltreffendheidsbeginsel niet wordt geschaad, althans of nog wel sprake is of kan zijn van een “effective remedy” in de zin van artikel 13 EVRM.

7   Concreet voorstel voor herziening wettekst

De vraag is wat het antwoord moet zijn op de gesignaleerde problemen met de WAMCA voor NGO’s. Een mogelijkheid is om ideële zaken te blijven behandelen zoals het geval was vóór 2020. Ook Van Boom en Weber stelden dat voor.[68] Het nadeel daarvan is wel dat daarmee twee, op onderdelen zeer vergelijkbare regimes, tot eigen jurisprudentie gaan leiden, hetgeen de duidelijkheid en werkbaarheid niet ten goede zal komen. WAMCA is er nu eenmaal en het lijkt beter NGO’s binnen WAMCA te accommoderen met de kleinst mogelijke wijzigingen. Hieronder doen wij daarvoor enkele concrete voorstellen.

7.1   Ontvankelijkheidstoets als incident

Het zesde lid van artikel 3:305a BW bevat de discretionaire bevoegdheid voor de rechter om een aantal vrij onschuldige onderdelen van artikel 3:305a BW buiten beschouwing te laten. Wat de rechter niet kan, is de hele ontvankelijkheidsvraag voor zich uit duwen naar het eindvonnis. Gedaagden voeren tot op heden niet altijd verweer op ontvankelijkheid van deze NGO’s, maar de rechter heeft eenvoudigweg niet de mogelijkheid om eroverheen te stappen.

Wij bepleiten dat in het geval een NGO een ideële vordering instelt, de ontvankelijkheidsvraag kan worden afgedaan bij eindvonnis. Wij stellen voor om, binnen het bestaande stelsel van incidentele vorderingen, alleen als de gedaagde de ontvankelijkheid bij incident ter discussie stelt, de rechter de mogelijkheid te bieden daarop bij voorbaat te beslissen. De proceseconomie kan onder omstandigheden ten aanzien van iedere kwestie meebrengen dat daarover eerst en vooraf wordt beslist. De grens daarvoor kan getrokken door de rolrechter, met de beoordeling van de vraag of de proceseconomie inderdaad in het gegeven geval door een voorafgaande behandeling en beslissing wordt gediend.[69] Als de rechter de indruk heeft dat het efficiënter is om het incident tegelijk met de hoofdzaak af te doen (omdat hij de vordering ten gronde toch snel zal afwijzen, omdat het incident zeer zwak voorkomt, of om andere redenen), dan zou hem dat vrij moeten staan.

De procedure zou bij ideële zaken aldus gemakkelijk met een jaar kunnen worden versneld en in sterk vereenvoudigde vorm kunnen worden gevoerd, met overduidelijke voordelen. Artikel 1018c lid 5 Rv zou duidelijk moeten maken dat de getrapte wijze van procederen, in het geval van vorderingen als bedoeld in het artikel 3:305a BW lid 6 (lid 7 als ons voorstel zou worden opgevolgd), niet van toepassing is.

7.2   Herziening lid zes en lid 7 artikel 3:305a BW

Wij bepleiten verder dat de uitzonderingsbepaling van artikel 3:305a BW lid 6 wordt aangepakt om diverse door ons gesignaleerde problemen op te lossen.

7.2.1   Wat is ideëel?

Tot op heden lijkt het criterium “ideëel doel” op weinig problemen te stuiten. Het is niet nader gedefinieerd en de parlementaire geschiedenis is er kort over. Vermoedelijk kan het aan de rechtspraak worden overgelaten om aan deze open norm nader invulling te geven.

7.2.2   Maak de uitzondering van lid 6 niet langer discretionair

Het toepassen van de uitzondering van lid 6 niet langer een discretionaire bevoegdheid van de rechter moeten zijn, maar de norm. Er is tijd en moeite gestoken in het formuleren van vier zeer specifieke uitzonderingen, dus waarom niet bepalen dat die uitzonderingen, waarover al is nagedacht, steeds meebrengen dat een verlicht regime van toepassing is? Het zou de rechtszekerheid ten goede komen.

7.2.3   Verruim de uitzondering van lid 6

Op de tweede plaats zou moeten gelden dat van artikel 3:305a BW alleen het eerste lid van toepassing is op NGO’s. Dat lid bevat de kern: de stichting of vereniging moet blijkens haar statuten opkomen voor de belangen van anderen en de belangen van die anderen moeten voldoende gewaarborgd zijn. Al het andere is geïntroduceerd met het oog op niet-ideële vorderingen. Hiervoor gaven wij ook al onze kijk op hoe moet worden beoordeeld of een NGO representatief is of niet.

7.2.4   Geen registratie van ideële vorderingen

Een van de belangrijkste problemen voor NGO’s is het wettelijk voorgeschreven, getrapte regime: eerst moet de dagvaarding gepubliceerd worden en drie maanden ter inzage liggen, pas daarna kan worden doorgeprocedeerd, maar dan alleen over de ontvankelijkheid. Dit leidt tot zeer grote vertraging en enorme kosten.

Relevantie heeft het voor NGO’s tezelfdertijd geheel niet. Onder het oude systeem gold niet een dergelijk systeem, en konden ontvankelijkheid en materiële rechtsvraag in één vonnis worden afgedaan. Wat er ook zij van de redenen om dit systeem in te voeren voor niet-ideële vorderingen, voor NGO’s en hun ideële vorderingen gelden die redenen niet. Het ligt ook niet voor de hand dat in enige relevante mate gebruik zal worden gemaakt van de mogelijkheid om gedurende de drie maanden periode een concurrerende ideële vordering in te stellen. Het is een absurde situatie van drie maanden wachten op Godot.[70]

7.2.5   Een voorstel voor een herzien artikel 3:305a BW lid 6 en 7

Als elk van bovenstaande voorstellen zou worden verwerkt in de eerste volzin van artikel 3:305a BW lid 6, dan komt lid 6 te luiden als volgt:

De rechter beoordeelt de ontvankelijkheid van de rechtspersoon als bedoeld in lid 1 zonder op de vereisten opgenomen in de overige leden van artikel acht te slaan, wanneer de rechtsvordering wordt ingesteld met een ideëel doel en een zeer beperkt financieel belang of wanneer de aard van de vordering van de rechtspersoon als bedoeld in lid 1 of van de personen tot bescherming van wier belangen de rechtsvordering strekt, daartoe aanleiding geeft. Bij toepassing van dit lid kan de rechtsvordering niet strekken tot schadevergoeding in geld.

Ook artikel 1018c Rv zou enkele kleine aanpassingen moeten ondergaan, om te zorgen dat de op grond van artikel 3:305a BW lid 6 uitgezonderde organisaties uit het getrapte regime en het publieke register worden gehaald.

7.3   Aanpassing andere bepalingen titel 14a Rv

Zoals gezegd lijkt er geen goede reden te zijn waarom een ideële vordering bindend zou zijn voor alle leden van de nauw omschreven groep. Wij hebben hiervoor al bepleit dat artikel 1018k Rv jo. 1018i Rv ook zo gelezen kan worden, dat die collectieve binding er niet is in het geval van ideële zaken, ook bij de huidige tekst van de wet. Duidelijker zou het echter zijn als de wettekst daarover geen enkele twijfel zou laten bestaan. Ons voorstel zou dan ook zijn om ideële vorderingen uit te zonderen van de werking van artikel 1018k Rv, tenzij de rechter anders beslist. Daarmee zou ook de noodzaak voor op-out door leden van de nauw omschreven groep, in beginsel overbodig zijn. De bepalingen die daarop zien (zoals artikel 1018i en 1018f Rv) zouden daarop moeten worden aangepast.

Ook de artikelen 1018g en 1018i Rv, die zien op de meerdere schikkingspogingen, zouden niet van toepassing hoeven zijn in het geval van ideële vorderingen. De schikkingspraktijk zoals die geldt in alle andere procedures, lijkt voor dit soort zaken afdoende.

8   Conclusie

Wij breken in deze bijdrage een lans voor de NGO’s en hun toegang tot het recht. Het kan niet anders dan dat vele van hen ofwel afzien van het instellen van een vordering als zij de realiteit van complexiteit, doorlooptijd en kosten van WAMCA op waarde weten te schatten, ofwel gaandeweg zullen struikelen over de complexiteit ervan. Dat kan niet de bedoeling zijn. Een snelle vereenvoudiging van de wet specifiek voor deze procespartijen, lijkt geboden.

Frank Peters, Anita van Wees, Roos de Rooij

advocaten bij bureau Brandeis

 

[1] Een verkorte versie van dit artikel verscheen eerder dit jaar in het tijdschrift ondernemingsrechtpraktijk (TOP).

[2] Zie J. Klein en K. Rutten, “Twee jaar WAMCA, een kwantitatieve analyse”, 03-03-2022, https://www.wijnenstael.nl/publicaties/9137.

[3] In een niet-uitputtend onderzoek, telde wij over alleen 2021 zo’n 30 aantal artikelen over commerciële WAMCA zaken en misschien drie waarin ideële WAMCA zaken werden besproken.

[4] Tillema, AA 2016, 337.

[5] TK, vergaderjaar 2016–2017, 34 608, nr. 3, pagina 8.

[6] Collectieve acties in kort geding vallen buiten titel 14A, afgezien van het bepaalde in lid 1 van art. 1018c Rv dat de vereiste inhoud van de procesinleiding omschrijft (zie art. 1018b lid 1 slotzin Rv).

[7]  W. van Boom, F. Weber, “Collectief procederen – ontwikkelingen in Nederland en Duitsland”, Weekblad voor Privaatrecht, Notariaat en Registratie, WPNR 2017/7145, p. 291-299, Sdu en E. Bauw en S. Voet, “Van stok achter de deur tot keurslijf?”, Nederlands Juristenblad, 27-1-2017, afl. 4.

[8] Non Governmental Organisations. Hierbij kan gedacht worden aan Milieudefensie of Greenpeace, maar ook Artsen zonder Grenzen en Amnesty.

[9] Veel van de kritiek die geuit wordt in dit artikel kan evenzeer opgeld doen in niet-ideële zaken, en uit het feit dat in deze bijdrage enkel over de impact op ideële zaken wordt gesproken kan niet het omgekeerde worden afgeleid, dat dit dus niet zou spelen in niet-commerciële zaken.

[10] R. Stolk, “De legitimiteit van strategisch procederende belangenorganisaties” (Preadviezen Jonge VAR-reeks nr. 16), Den Haag: Boom juridisch 2019, p. 9-64.

[11] HR 1 juli 1983, NJ 1984, 360, ECLI:NL:PHR:1983:AD5666 (Staat/LVS).

[12] Zie ook Kamerstuk TK, 1991-1992, 22486, nr. 3.

[13] HR 27 juni 1986, NJ 1987, 743 ECLI:NL:HR:1986:AD3741.

[14] Zie ook Kamerstuk TK, 1991-1992, 22486, nr. 3. Zie ook nog HR 5 oktober 1984, NJ 1985, 445, Stichting zonder Recht of Titel, ECLI:NL:PHR:1984:AG4870 en HR 11 december 1987, NJ 1990, 73, (VEA/Staat, ook wel bekend als het Kabelregeling/Grondwet-arrest).

[15] Kamerstuk TK, 1991-1992, 22486, nr. 3.

[16] Artikel 6:240 e.v. BW.

[17] Artikel 29a Auteurswet. Het ging hier om collectieve beheersorganisaties, die ten doel hadden de belangen van makers van werken of hun rechtsverkrijgers te behartigen, zoals door het instellen van een vordering  strekkende tot verbod van een gedraging waardoor inbreuk wordt gemaakt op een auteursrecht van een ander. Wel beschouwd kan de enquêtebevoegdheid van de vakbonden (artikel 2:347 BW) of de gezamenlijke aandeelhouders (artikel 2:346 aanhef en onder b en c BW) ook gezien worden als een een variant van de collectieve actie.

[18] TK, 2011-2012, Kamerstuk 33 000 XIII, nr. 14.

[19] Kamerstukken TK, 2016-2017, 2016-2017, 34608, nr. 3 MvT.

[20] Overheid.nl | Consultatie Wetsvoorstel Afwikkeling massaschade in een collectieve actie.

[21] https://www.internetconsultatie.nl/motiedijksma/reacties.

[22] 2015 Aanbevelingen Juristengroep uitvoering motie Dijksma (def).

[23] In het wetsvoorstel is opgenomen: “wanneer de aard van de vordering van de rechtspersoon als bedoeld in lid 1 of van de personen tot bescherming van wier belangen de rechtsvordering strekt, daartoe aanleiding geeft”.

[24] https://www.eerstekamer.nl/wetsvoorstel/34608_wet_afwikkeling_massaschade.

[25] Kamerstukken II 2016/17, 34 608, nr.4, https://www.raadvanstate.nl/adviezen/@64183/w03-16-0208-ii/?highlight=collectieve%20actie#toonsamenvatting en https://www.eerstekamer.nl/behandeling/20161115/advies_afdeling_advisering_raad/document3/f=/vk99ix19dbzd.pdf.

[26] Kamerstukken TK, 2016-2017, 2016-2017, 34608, nr. 3 MvT.

[27] Kamerstukken TK, 2017-2018, 34608, nr. 6 https://www.eerstekamer.nl/behandeling/20180112/nota_naar_aanleiding_van_het/document3/f=/vkl1ndv1hqxt.pdf.

[28] Kamerstukken TK, 2018-2019, 34608, nr. 14 https://www.eerstekamer.nl/behandeling/20181220/amendement_van_het_lid_van_gent_c_4/document3/f=/vkunsjl13xzi.pdf.

[29] Kamerstukken TK, 2018-2019, 34608, nr. 15.

[30] Handelingen TK 2018/2019, nr. 44, item 6.

[31] Handelingen TK 2018/2019, nr. 46, item 12.

https://www.eerstekamer.nl/behandeling/20190129/stemming_afwikkeling_massaschade/document3/f=/vkvum5dy8kzn.pdf

[32] Verslag EK 2018/2019, nr. 22, item 5, https://www.eerstekamer.nl/id/vkwxrj8444xi/verslagdeel/stemming_hamerstuk.

[33] Zie ook de samenvatting die Rechtbank Midden-Nederland geeft in haar uitspraak van 2 juni 2021, C/16/508400 / HA ZA 20-555, ECLI:NL:RBMNE:2021:2142.

[34] EHRM 26-10-2000, 30210/96, Kudla v. Poland, paragraaf 157.

[35] De Tommaso v. Italy [GC], 2017, r.o. 151; Alexandre v. Portugal, 2012, paragraaf  51 en 54.

[36] Zubac v. Croatia [GC], 2018, r.o. 76-79; Bellet v. France, 1995, paragraaf 38.

[37] T. de Jong, Procedurele waarborgen in materiële EVRM-rechten 2017/2.4, 2.4 Conclusie.

[38] Taskin and Others v. Turkey, 2004.

[39] Canete de Goni v. Spain, 2020, paragraaf, paragraaf 36.

[40] Miragall Escolano and Others v. Spain, 2000, r.o. 36; Zvolský and Zvolská v. the Czech Republic, 2002, paragraaf 51.

[41] Kursun v. Turkey, 2018, r.o. 103-104.

[42] Zubac v. Croatia [GC], 2018, paragraaf 98.

[43] Kristiansen and Tyvik AS v. Norway, 2013.

[44] Hoge Raad 13 mei 2016, ECLI:NL:2016:833.

[45] S. Prechal, Institutional Balance: A Fragile Principle with Uncertain Contents, 1998, p. 690-693 inclusief verwijzingen.

[46] R. Ortlep, De aantasting van stabiele bestuursrechtelijke rechtsvaststellingen in het licht van het Unierecht (Recht en Praktijk nr. SB4), 2.3.3 Effectiviteitsbeginsel, 23-09-2011.

[47] Kamervragen (aanhangsel) 2019-2020, nr. 2971. Vragen van het lid Van Haga (Van Haga) aan de Minister voor Rechtsbescherming over het artikel 3:305a BW (ingezonden 10 februari 2020).

[48] Dwz. een toezichthoudend orgaan, tenzij uitvoering is gegeven aan artikel 44a lid 1 of artikel 291a lid 1 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek; passende en doeltreffende mechanismen voor de deelname aan of vertegenwoordiging bij de besluitvorming van de personen tot bescherming van wier belangen de rechtsvordering strekt; voldoende middelen om de kosten voor het instellen van een rechtsvordering te dragen, waarbij de zeggenschap over de rechtsvordering in voldoende mate bij de rechtspersoon ligt; een algemeen toegankelijke internetpagina, waarop bepaalde informatie beschikbaar is (1. de statuten van de rechtspersoon; 2. de bestuursstructuur van de rechtspersoon; 3. de laatst vastgestelde jaarlijkse verantwoording op hoofdlijnen van het toezichthoudend orgaan over het door haar uitgevoerde toezicht; 4. het laatst vastgestelde bestuursverslag;5. de bezoldiging van bestuurders en de leden van het toezichthoudend orgaan; 6. de doelstellingen en werkwijzen van de rechtspersoon; 7. een overzicht van de stand van zaken in lopende procedures; 8. indien een bijdrage wordt gevraagd van de personen tot bescherming van wier belangen de rechtsvordering strekt: inzicht in de berekening van deze bijdrage; 9. een overzicht van de wijze waarop personen tot bescherming van wier belangen de rechtsvordering strekt zich kunnen aansluiten bij de rechtspersoon en de wijze waarop zij deze aansluiting kunnen beëindigen) voldoende ervaring en deskundigheid ten aanzien van het instellen en voeren van de rechtsvordering.

[49] Een rechtspersoon als bedoeld in lid 1 stelt een bestuursverslag en een jaarrekening op overeenkomstig het bepaalde voor verenigingen en stichtingen in respectievelijk de artikelen 49 en 300 en in Titel 9 van Boek 2. Onverminderd het in titel 9 bepaalde, wordt het bestuursverslag binnen acht dagen na vaststelling op de algemene toegankelijke internetpagina van de rechtspersoon gepubliceerd.

[50] Dat niet meteen duidelijk is van welke eisen precies wordt afgezien als de vrijstelling van toepassing is, wordt ook opgeworpen in een door De Brauw Blackstone Westbroek op 13 april 2022 gepubliceerde gids, opgesteld door D. Beenders, D. Horeman, M. de Monchy en T. Kluwen, over de WAMCA: “Unlocking the WAMCA: a practical guide to the new collective action regime in the Netherlands”.

[51] Zie Handelingen TK 2018/2019, nr. 44, item 6, p. 10-11. Ook wordt verwezen naar Bureau Clara Wichmann, dat echter aan de eisen van lid 2 en 5 lijkt te voldoen, m.u.v. de inspraak.

[52] Dikke van Dale, * Re-pre-sen-ta-tief, geschikt om te vertegenwoordigen.

[53] Tzankova & Verhage in: Sdu Commentaar Burgerlijk Wetboek Vermogensrecht (Boek 3 BW) 2019, art. 3:305a BW, kern.

[54] TK 2016-2017, 34608 nr. 3.

[55] TK, vergaderjaar 2003–2004, 29 414, nr. 4.

[56] TK 2016-2017, 34608 nr. 3.

[57] Dat de formulering van artikel 3:305a BW en die van artikel 1018c Rv niet met elkaar in overeenstemming lijken te zijn, lijkt ook door de rechtbanken Amsterdam en Midden-Nederland te zijn opgemerkt. Deze rechtbanken hebben de keuze gemaakt dat als artikel 3:305a lid 6 BW van toepassing is, de in die bepaling genoemde kwalificatie-eisen moeten worden gevolgd. Dit betekent dat de vereisten: stichting of vereniging; statuten; doelstelling; geen winstoogmerk; band met Nederland en onderhandelingspogingen van toepassing blijven.  Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft voorts bevestigd dat ook de in de considerans van artikel 3:305a lid 2 BW genoemde representativiteitseis tot dit lijstje behoort. Hetgeen door de rechtbanken Amsterdam en Midden-Nederland over het hoofd is gezien, zie ook D. Beenders, D. Horeman, M. de Monchy en T. Kluwen, “Unlocking the WAMCA: a practical guide to the new collective action regime in the Netherlands”, De Brauw, 13 april 2022.

[58] Zie hierover de MvT, waarin de Minister op basis van de Aanbevelingen van de Juristengroep schrijft “Het wetsvoorstel heeft tot doel een efficiënte en effectieve afwikkeling van massazaken mogelijk te maken. Het doet dit door in massazaken coördinatie voorop te stellen. Die coördinatie bereikt het wetsvoorstel door massazaken voor dezelfde gebeurtenis of gebeurtenissen over soortgelijke feitelijke of rechtsvragen te behandelen als één zaak, waarvoor de meest geschikte eiser als Exclusieve Belangenbehartiger wordt aangewezen.” TK 2016-2017, 34608 nr. 3.

[59] Kamerstukken II, 2016–2017, 34 608, nr. 3, p. 43.

[60] Rechtbank Den Haag, 22 september 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:10283

[61] Rechtbank Den Haag, 30 maart 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:2823, r.o. 2.6.

[62] Rechtbank Den Haag, 30 maart 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:2823, r.o. 2.6.

[63] Mogelijk heeft hier een rol gespeeld dat de vordering van MOA toch een soort commerciële insteek heeft gehad (het tegengaan van concurrentievervalsing). Wellicht heeft dat uitgemaakt voor de Rb maar zij benoemt dat niet.

[64] Rb. Den Haag, 06-04-2022, nr. C-09-595728-HA ZA 20-656, ECLI:NL:RBDHA:2022:3043.

[65] De Staat en twee drinkwaterbedrijven.

[66] 19 februari 2022, C/09/595728 / HA ZA 20-656.

[67] Rechtbank Den Haag, 6 april 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:3043.

[68] W. van Boom, F. Weber, “Collectief procederen – ontwikkelingen in Nederland en Duitsland”, Weekblad voor Privaatrecht, Notariaat en Registratie, WPNR 2017/7145, p. 291-299, Sdu.

[69] Zie ook G. Snijders, Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, 5 Een open stelsel van incidentele vorderingen? bij: Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, § 1 Algemene bepalingen.

[70] En attendant Godot, Samuel Becket, 1952. In dit absurdistische toneelstuk wachten twee mannen, Vladimir en Estragon, tevergeefs op een zekere Godot, een persoon die nooit zal komen.

[71] Roos de Rooij, juridisch medewerker bij bureau Brandeis, heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan de totstandkoming van dit artikel.

Visie

Zoek jij een tijdelijke fulltime baan als receptionist(e)? Zoek dan niet verder en solliciteer direct!

Wij hebben nodig…
bureau Brandeis is per direct op zoek naar een enthousiaste representatieve receptionist(e).
Je bent het eerste aanspreekpunt en dus het gezicht EN visitekaartje van ons kantoor.

Wij zijn…
bureau Brandeis is een jong advocatenkantoor gevestigd aan de Sophialaan 8 in Amsterdam en is een litigation boutique advocatenkantoor, gespecialiseerd in de beslechting van complexe geschillen.

De organisatie bestaat uit hooggekwalificeerde professionals, die allen beschikken over het ‘Brandeis-DNA’: integer, steengoed, effectief, creatief, eigenzinnig én betrokken bij de klant, het bureau en de maatschappelijke omgeving.

Wij zijn op zoek naar…
Een enthousiaste representatieve receptionist(e) die past bij onze organisatie en het leuk vindt om in een jonge dynamische omgeving te werken. Je bent servicegericht, stressbestendig, proactief en je kunt goed overweg met Office 365.

De werkzaamheden bestaan onder andere uit:

  • Het ontvangen van bezoekers
  • Het beantwoorden van de telefoon en e-mails
  • Het verwerken van inkomende en uitgaande post
  • Het verzorgen van de lunch
  • Het hebben van contact met facilitaire dienstverleners (schoonmaak, telefoondienst)
  • Het boeken van koeriersdiensten in binnen- en buitenland
  • Het inkopen van (kantoor)benodigdheden
  • Het verzorgen van cadeautjes, borrels en bijeenkomsten
  • Het secretariaat ondersteunen bij dagelijkse werkzaamheden
  • Het zorgen voor een prettige werkomgeving voor collega’s (opgeruimd staat netjes)

Wij bieden…
Een marktconform salaris. Daarnaast bieden wij goede secundaire arbeidsvoorwaarden zoals een dertiende maand, sportbudget, pensioensregeling en een reiskostenvergoeding.

Wil je reageren…
Is dit dé vacature voor jou, stuur dan zo snel mogelijk je CV met korte motivatie naar Jana Penkoski jana.penkoski@bureaubrandeis.com. Heb je vragen over de functie? Bel dan met Jana op 020 – 7606 505. Op www.bureaubrandeis.com vind je meer informatie over onze organisatie.

Visie

What do companies need to know about Sustainable Corporate Governance and directors’ duties in the EU?

Directors need to act now to integrate sustainability into the company’s strategy, decisions and oversight. In the current climate, there is a growing demand from investors and other stakeholders on companies to take into account the impact of their business operations on the environment, society, human aspects and the economy. They want the board to actively engage in integrating sustainability into its long-term strategy.

Promoting sustainability is also a high priority of the EU. To this end, the EU is currently preparing a proposal for a European Directive on Sustainable Corporate Governance. This initiative aims to introduce new rules on incorporating sustainability in long-term business strategies. It should steer companies towards more long-term visions that incorporate sustainability, which includes their environmental, human and social rights impact.

The initiative is complementary to the proposal for a Corporate Sustainability Reporting Directive, which amends the existing reporting requirements on sustainability matters.

The initiative on Sustainable Corporate Governance seeks to push companies to focus more on long-term sustainable value creation instead of short-term value creation and better manage sustainability-related matters. We expect the proposal for a European Directive on Sustainable Corporate Governance to be published later this year. As the proposal may lead to far-reaching legal reforms for all companies doing business within the EU, this article will take a look at some of the new expected rules.

Directors’ duty of care and liability

The European Commission is exploring the possibility of clarifying and expanding the directors’ duties of care. The scope of the duty of care is not always clearly defined in all Member States. According to the European Commission, this lack of clarity leads to a short-term focus on financial interests of shareholders. This would form a key obstacle to achieving Sustainable Corporate Governance.

The European Commission may introduce a duty of care that require directors to consider the environmental, human rights and social impacts of their activities. Directors may also need to integrate sustainability risks, impacts and opportunities into their company’s strategy and decision-making. Adequate procedures and measurable targets may become mandatory to ensure stakeholder risk and impact are identified, prevented and addressed. For example companies may be required to limit their own environmental footprint, or to actively trace the conditions under which production processes further up the supply chain take place.

These procedures and targets could force directors to take a broader group of stakeholder interests such as environmental issues into account. These interests may even prevail in case of conflicts with a company’s commercial interests. The primarily focus of the director on the interests and wellbeing of the company itself might be forced to shift towards other interests. The European Commission is looking at a broad range of stakeholders such as employees, environmental organizations, or any individuals or groups impacted by operations of the company or its supply chain.

Directors may face new, significant liability risks if their duty of care is extended in favour of this broader group of stakeholders. The European Commission is examining whether it needs to strengthen enforcement mechanisms outside of internal board structures and general meetings of shareholders. This might include an enforcement role for stakeholder groups, such as those representing environmental concerns.

In anticipation of the proposal, companies and its directors should check their internal procedures and targets. They should also check whether they already include all stakeholders in their corporate strategy and decision-making.

Due diligence duty – human rights and the environment

The European Parliament supports the European Commissions’ Sustainable Corporate Governance initiative. The European Parliament adopted a legislative initiative report, including a draft directive, setting out recommendations to the European Commission. The report introduces a new mandatory corporate due diligence duty.

The European Commission is now exploring this corporate due diligence duty requiring companies to establish and implement adequate processes for preventing, mitigating, and accounting for human rights, health, and environmental impacts in companies’ operations and supply chains.

The European Commission is also considering if a mandatory corporate due diligence duty should be accompanied by an enforcement mechanism.

Companies should check whether they already have policies in place and processes to take into account human rights and environmental due diligence in its business and supply chains.

Changes to directors’ remuneration

The European Commission may also introduce appropriate enforcement measures accompanying the (extended) duty of directors. Different approaches are for instance being considered to ensure directors’ remunerations are aligned with longer-term perspectives, such as non-financial performance.

The European Commission is investigating the integration of sustainability risks and opportunities in business strategies, as well as the establishment of sustainability-related metrics. These metrics may be linked to the company’s sustainability targets or performance. Other potential measures include variable remuneration policies and targets for bonuses which include non-financial targets, such as sustainability factors.

Sustainability expertise on boards of directors

Furthermore, the European Commission is considering what actions boards of directors will need to take to enhance their sustainability expertise. Examples of such actions include regularly assessing their expertise level on environmental, social and/or human rights matters and taking appropriate follow-up.

Another possibility being considered is a requirement on a number or percentage of directors to have environmental, social or human rights expertise.

Contact

For questions, please contact Michelle Krekels.

Visie

Litigation boetiek bureau Brandeis opent Parijs kantoor met focus op kartelschade geschillen.

Vandaag heeft bureau Brandeis haar kantoor in Parijs geopend. In de gehele EU nemen collectieve acties op vele gebieden toe, met name op het gebied van kartelschadezaken. Bureau Brandeis is al jaren actief op dit gebied en op andere gebieden van litigation, met een duidelijke voorkeur voor de challenger. Het heeft nu zijn krachten gebundeld met de doorgewinterde Franse antitrustadvocaten Marc Barennes, Sarah Subrémon, David Reingewirtz en Philippe Zeller om zo toegang tot de Franse markt te vergroten en haar netwerk van procesfinanciers en andere experts uit te breiden. Het kantoor van bureau Brandeis Paris is gevestigd op Rue de Penthièvre, 4  in het hart van de Parijse zakenwijk.

bureau Brandeis Paris is de eerste Europese litigation boetiek in Frankrijk die focust op het bijstaan van ondernemingen, overheidsinstanties en anderen die schade hebben geleden door inbreuken op het mededingingsrecht. Andere gebieden van high stake litigation zullen te zijner tijd worden toegevoegd.

De oprichters van bureau Brandeis Paris: “We zijn verheugd om dit kantoor op te kunnen zetten en samen met onze Amsterdamse collega’s te streven naar gerechtigheid en compensatie voor grote groepen slachtoffers van kartels.”

Hans Bousie, partner van bureau Brandeis Amsterdam op het gebied van kartelschade: “Cliënten willen dat deze zaken worden uitgeprocedeerd op de beste plek, of dat nu in Amsterdam is of elders. Met de opening van bureau Brandeis Parijs zetten we een belangrijke stap om een meer pan Europees geschillenbeslechtingskantoor te zijn, met unieke toegang tot financiering voor onze cliënten. Wij zijn zeer verheugd dat Marc, Sarah, David en Philippe een kantoor openen in Parijs. Wij delen dezelfde waarden en werken vanuit de overtuiging dat procederen een middel is om gerechtigheid te verkrijgen. Afgezien daarvan zijn het de aardigste Fransen die je je kunt voorstellen. Wij kijken ernaar uit om met hen samen te werken in kartelschadezaken en andere geschillen”.

bureau Brandeis is in 2014 in Amsterdam opgericht als een boetiek advocatenkantoor en heeft een voorkeur voor de uitdager. bureau Brandeis legt de nadruk op procederen en op (internationale) arbitrage. Wij treden op, vaak samen met andere advocatenkantoren in binnen- of buitenland, voor nationale en internationale bedrijven en andere organisaties, met een voorkeur voor de uitdager. Wij nemen deel aan het maatschappelijk debat.

Marc Barennes was gedurende 15 jaar référendaire bij het Gerecht van de Europese Unie en ambtenaar bij de Europese Commissie (DG Concurrentie), nadat hij zijn antitrustcarrière was begonnen bij een Amerikaans advocatenkantoor in Brussel en Parijs. Hij heeft ook aanzienlijke ervaring opgedaan in private schadevergoedingsacties als senior executive van een antitrustclaim financier in de afgelopen twee jaar.

Sarah Subrémon is voormalig adjunct-rapporteur-generaal van de Franse mededingingsautoriteit en voormalig ambtenaar bij de Europese Commissie (DG Concurrentie) en de Engelse Competition and Markets Authority, waar zij meer dan 15 jaar heeft gewerkt. Zij begon haar loopbaan als antitrustadvocaat in Parijs. Ze sluit zich aan bij  bureau Brandeis Parijs van een antitrustclaim financier waar ze ook een senior executive was.

David Reingewirtz is een antitrust- en allround litigator, Na 8 jaar als antitrustadvocaat te hebben gewerkt bij verschillende bekende Britse en Amerikaanse advocatenkantoren in Parijs, Brussel en Washington, werd David in 2008 benoemd tot Secrétaire de la Conférence du stage, een prestigieuze functie voor Franse litigators. Daarna trad hij toe tot een onafhankelijke litigation boetiek, gespecialiseerd in antitrust, commerciële en strafrechtelijke geschillen.

Philippe Zeller is antitrust- en gereguleerde markten advocaat. Na het behalen van zijn Ph.D. in publiek recht en te hebben gedoceerd op dit gebied aan verschillende rechtenfaculteiten, trad Philippe in dienst bij prestigieuze Amerikaanse en Franse advocatenkantoren in Parijs waar hij o.m. Partner posities bekleedde. Hij is gespecialiseerd in het procederen voor de Franse onafhankelijke administratieve agentschappen en rechtbanken.

Visie

Schadevergoeding voor schending van de AVG

Inleiding
De bestuursrechter biedt een goed alternatief naast de civiele rechter om schadevergoeding te verkrijgen vanwege een inbreuk door een bestuursorgaan op de AVG. Dat blijkt uit vier uitspraken van 1 april 2020 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De uitspraken vormen de belangrijkste jurisprudentie tot heden om vorderingen van schadevergoedingen voor AVG-schendingen te beoordelen. In ieder van de vier beslissingen zijn kruisverwijzingen opgenomen naar de andere uitspraken. Iedere uitspraak wordt afgesloten met dezelfde korte duiding van de betekenis van de uitspraak meer in het algemeen. De publicatie van de zaken ging vergezeld van een persbericht. De Afdeling heeft met de uitspraken in het belang van de rechtseenheid richting willen geven hoe de bestuursrechter dit soort zaken moet beoordelen.

Bijzonder is dat de hoogste bestuursrechter het civiele schadevergoedingsrecht interpreteert. Zoals de Afdeling aangeeft, zal dat echter vaker voorkomen omdat gedupeerden van een schending van de AVG dikwijls bij de bestuursrechter terecht zullen komen. Art. 8:88 Algemene wet bestuursrecht (“Awb”) geeft een grondslag voor de bestuursrechter om schadevergoeding toe te wijzen tot vorderingen van € 25.000. De Afdeling benadrukt dat degene die op grond van art. 82 AVG schadevergoeding wenst te vorderen van een bestuursorgaan deze vordering ook bij de civiele rechter kan indienen.

Wat heeft de Afdeling in het kort geoordeeld?
De Afdeling heeft in haar uitspraken aangegeven welke omstandigheden van belang zijn om vorderingen voor schadevergoeding toe te wijzen wegens inbreuken op de AVG. Daarbij heeft de Afdeling ook een zekere houvast gegeven om de hoogte van de schadevergoeding vast te stellen. In zaken waarin andere feiten en omstandigheden spelen, zullen aanvullende factoren bij de beoordeling moeten worden betrokken.

Waar gaan de uitspraken over?
De uitspraken hebben met elkaar gemeen dat het steeds om geïsoleerde gevallen gaat. Het gaat in alle zaken om de verwerking van persoonsgegevens van één betrokkene. Bovendien worden de gegevens steeds gedeeld met een beperkt aantal personen. Ten slotte is de duur van de schending in alle uitspraken gering.

In drie zaken (899, 900 en 901) gaat het om de verwerking van persoonsgegevens in het kader van Wob-verzoeken. In die zaken concludeert de Afdeling dat geen recht op schadevergoeding bestaat. In twee van deze zaken gaat het om het niet tijdig voldoen aan een inzageverzoek. In de derde uitspraak vernietigt de Afdeling het eerdere oordeel van de rechtbank dat de betrokkene recht had op betaling van schadevergoeding. In de vierde uitspraak (898) komt de Afdeling tot de slotsom dat er wel recht op schadevergoeding bestaat. Het zijn met name deze uitspraak en de uitspraak waarin het eerdere oordeel van de rechtbank is vernietigd die interessant zijn. Vergelijking van die uitspraken laat immers zien waar volgens de Afdeling de grens ligt.

Wat is opvallend in de uitspraken?
In de eerste plaats is opvallend dat de Afdeling oordeelt dat de uitoefening van het recht op schadevergoeding bepaald moeten worden op grond van nationaal recht. Dit terwijl de Afdeling tegelijkertijd overweegt dat de aanspraak op schadevergoeding rechtstreeks uit de AVG voortvloeit (898: r.o. 14). Omdat in de AVG niet is bepaald op welke wijze immateriële schadevergoeding moet worden vastgesteld en berekend, aldus de Afdeling (898: r.o. 27), past zij hiervoor het nationale recht toe. De AVG is voor de interpretatie daarvan wel van belang, aldus de Afdeling. Het is verder opvallend dat de Afdeling weigert prejudiciële vragen te stellen aan het HvJEU. Volgens de Afdeling is sprake van een acte claire (898: r.o. 25). Het is de vraag of dit oordeel juist is. Dit geldt te meer nu de Afdeling zelf overweegt dat het HvJEU het schadebegrip bij onrechtmatige verwerkingen van persoonsgegevens nog niet heeft uitgelegd, terwijl dit begrip volgens de considerans bij de AVG moet worden uitgelegd overeenkomstig de rechtspraak van het HvJEU (overweging 146). In de derde plaats kan uit de uitspraken worden afgeleid dat relatief snel sprake zal zijn op een aanspraak op schadevergoeding bij een schending van de AVG. Maar niet iedere inbreuk geeft recht op schadevergoeding.

Om wat voor een schade gaat het?
Het gaat steeds om immateriële schade. De Afdeling beoordeelt daarbij artikel 6:106 aanhef en onder b BW en de jurisprudentie van de Hoge Raad. De Afdeling volgt de redenering van de Hoge Raad in het EBI-arrest van 15 maart 2019 en oordeelt dat in ieder geval van een “aantasting in de persoon op andere wijze” sprake is wanneer de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Bij schending van de AVG zal echter niet snel sprake zijn van geestelijk letsel. Dat is bij schendingen van fundamentele rechten immers vaak niet het geval. De Hoge Raad heeft in het EBI-arrest geoordeeld dat naast de gevallen met geestelijk letsel ook van een aantasting in de persoon op andere wijze sprake kan zijn gelet op de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan. In zijn NJ-noot onder het arrest geeft Lindenbergh aan dat de Hoge Raad deze categorie niet als uitzondering op het uitgangspunt van geestelijk letsel formuleert, maar als nevengeschikte grondslag. Het cruciale woord “daarnaast” neemt de Afdeling in haar uitspraak helaas niet over, waarschijnlijk omdat zij de minder precieze formulering van de strafkamer volgt in het arrest van 28 mei 2019.

In het EBI-arrest geeft de Hoge Raad aan dat degene die zich erop beroept dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan meebrengen dat hij in zijn persoon op andere wijze is aangetast dit met concrete gegevens zal moeten onderbouwen. De Hoge Raad vervolgt echter dat dit in voorkomend geval achterwege kan blijven wanneer de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De Hoge Raad volgde met de uitspraak niet het advies van Advocaat-Generaal Hartlief, die van mening was dat bij een inbreuk op een fundamenteel recht schadevergoeding gegeven is.

De Afdeling oordeelt dat met het kader dat volgt uit artikel 6:106 aanhef en onder b BW en de jurisprudentie van de Hoge Raad voldaan kan worden aan de AVG (899, r.o. 27). Op welke wijze dat kader dan tegemoet komt aan de eisen die de AVG stelt, wordt niet duidelijk in de uitspraken. Dat kader is door de Hoge Raad niet eerder toegepast op schendingen van het recht op gegevensbescherming. De Hoge Raad heeft eerder wel schadevergoeding bij andere schendingen van de persoonlijke levenssfeer beoordeeld.

Hoe vertaalt zich dat naar de AVG?
Uit de uitspraken volgt dat volgens de Afdeling niet iedere schending van de AVG dusdanig ernstig is dat deze automatisch recht geeft op schadevergoeding. Er is volgens de Afdeling geen aanleiding te veronderstellen dat een inbreuk op de AVG zonder meer “aantasting van de integriteit van een persoon impliceert en daarmee tot vervoegbare schade leidt” (899, r.o. 33). De Afdeling lijkt voor het recht op schadevergoeding het kader uit het EBI-arrest als leidend te aanvaarden. Dat betekent dat dit afhankelijk is van de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan. Bij de beoordeling van de hoogte van de schadevergoeding betrekt de Afdeling de aard, de ernst en de duur van de inbreuk (898, r.o. 36).

De Afdeling lijkt voor het antwoord op de vraag of aanspraak op schadevergoeding bestaat en, zo ja, de hoogte daarvan zwaar gewicht te verbinden aan de aard van het recht, het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Dat ligt voor de hand nu het op grond van 6:106 aanhef en onder b BW ook moet gaan om “persoonsaantasting”. De Afdeling legt de lat niet bijzonder hoog voor een aanspraak op schadevergoeding. Zij overweegt zonder voorbehoud dat in strijd is gehandeld met het gegevensbeschermingsrecht en daardoor met de persoonlijke levenssfeer, hetgeen kan worden aangemerkt als een aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6:106 lid 1 onder b BW (898: r.o. 36). Uit de opvolgende uitspraak blijkt echter dat er wel een zekere drempel gehaald moet worden. De AVG wordt bij de beoordeling op het recht op schadevergoeding niet wezenlijk betrokken, terwijl die vrij ruimhartig is in de aanspraak op schadevergoeding.

Schadevergoeding in de AVG
Art. 82 AVG bepaalt dat een ieder die schade heeft geleden ten gevolge van een schending van de AVG recht heeft op materiele en immateriële schadevergoeding. De verantwoordelijke kan slechts daaraan ontsnappen wanneer hij bewijst op geen enkele wijze verantwoordelijk te zijn voor de schending. Overweging 146 AVG verduidelijkt dat het begrip schade ruim moet worden uitgelegd. Het gaat om “volledige en daadwerkelijke” schadevergoeding. Hieruit leidt de Afdeling niet af dat ook een punitief karakter kan kleven aan de schadevergoeding, zoals de gelaedeerde in zaak 899 had bepleit. “[I]n overweging 146 van de AVG [staat] niet dat schadevergoeding effectief en ‘voldoende afschrikwekkend’ moet zijn.”, aldus de Afdeling. Dat staat echter wel in artikel 84 AVG over sancties. Daar staat dat sancties “doeltreffend, evenredig en afschrikkend” moeten zijn (vgl. ook overweging 152 AVG). Dat is een kwalificatie die vaker in Uniewetgeving wordt gebruikt (zie bijvoorbeeld richtlijn 2004/48 en richtlijn 2006/54).

Bovendien lijkt de Afdeling onder de begrippen “daadwerkelijke schade” in overweging 146 concrete schade te verstaan. Volgens de Afdeling bestaat er geen verplichting om een schadevergoeding toe te kennen die “verder gaat dan volledige vergoeding van de daadwerkelijke geleden schade”. Daar valt ook wel wat op af te dingen. Het woord “daadwerkelijke” in de Nederlandse taalversie van de AVG dekt mogelijk niet de intentie van de Uniewetgever. De Engelse taalversie van de AVG heeft het in overweging 146 over “effective” schadevergoeding; de Duitse over “wirksamen”. Een betere vertaling zou “doeltreffend” zijn geweest.

Ter onderbouwing van haar oordeel dat slechts daadwerkelijke schade hoeft te worden vergoed, verwijst de Afdeling naar het Arjona Camacho-arrest van het HvJEU. Dat overtuigt niet. In die zaak ging het om de vraag of lidstaten bij de omzetting van een richtlijn die discriminatie op grond van geslacht verbiedt ook moeten voorzien in punitieve schadevergoeding. Het HvJEU oordeelt dat de lidstaten hier niet toe verplicht zijn. Het HvJEU overweegt echter ook dat de betreffende richtlijn 2006/54 de lidstaten wel de mogelijkheid biedt om een punitieve schadevergoeding op te leggen. Bovendien heeft het HvJE in het arrest Manfredi bepaald dat toekenning van niet-compensatoire schadevergoeding mogelijk is, voorzover daarbij het doeltreffendheidsbeginsel en het gelijkwaardigheidsbeginsel in acht worden genomen (zie ook HvJEU 25 januari 2017 ECLI:EU:C:2017:36).

Als “daadwerkelijk” begrepen moet worden als “doeltreffend” rijst de vraag wat het recht op schadevergoeding in de AVG beoogt te bereiken (vgl. HvJEU 29 juli 2019, Fashion ID, r.o. 50 en 51). Het herstellen van schade is niet de enige functie van het schadevergoedingsrecht. Hartlief somt in zijn conclusie bij het EBI-arrest verschillende argumenten op om schadevergoeding toe te kennen. De rechtshandhaving van rechten en plichten is er daar één van. Juist wanneer er geen sprake is van aantoonbare immateriële schade kan de sanctionering van rechten en plichten een belangrijke rol spelen, aldus Hartlief (punt 4.4).

Het is een gemiste kans dat de Afdeling niet langer heeft stilgestaan bij het doel van het schadevergoedingsrecht in de AVG. Dit geldt te meer nu overweging 146 AVG voorschrijft het begrip “schade” uit te leggen “op een wijze die ten volle recht doet aan de doelstellingen van deze verordening”. Wanneer de schadevergoeding (mede) tot doel moet hebben bescherming van het gegevensbeschermingsrecht in het algemeen, brengt dat met zich mee dat de sanctionerende werking mag meewegen.

Wanneer geen schadevergoeding?
Met één van de drie uitspraken waarin geen schadevergoeding wordt toegekend (899), wordt een eerdere uitspraak van de rechtbank Overijssel vernietigd. Met die uitspraak van 28 mei 2019 had de rechtbank de primeur: het was de eerste zaak waarin schade op basis van de AVG werd toegekend. Om diverse redenen was dit echter niet de beste testcase denkbaar. Uit de overwegingen van de rechtbank Overijssel, waar de zaak twee keer wordt aangekaart, volgt niet coherent voor welk vergrijp schadevergoeding wordt toegekend. Het ging om de verzending van een e-mail met daarin de naam en woonplaats van de betrokkene aan 44 ambtenaren van andere gemeenten, die werden geïnformeerd dat de persoon in kwestie twee Wob-verzoeken had ingediend. De rechtbank oordeelt in beroep dat de betrokkene als gevolg van het “onrechtmatige besluit” in zijn persoon is aangetast en recht heeft op schadevergoeding. Het college klaagde er bij de Afdeling terecht over dat de aanspraak op schadevergoeding gebaseerd had moeten worden op de schending van de AVG, niet op de onrechtmatigheid van het besluit. Omdat het college echter heeft nagelaten hoger beroep in te stellen tegen de eerste uitspraak (van 18 juli 2018) waarin de rechtbank dit heeft bepaald, is die uitspraak in gezag van gewijsde gegaan, zo oordeelt de Afdeling. Daarmee staat de onrechtmatigheid van het eerdere besluit vast. De Afdeling overweegt dat de verstrekking van persoonsgegevens van de betrokkene daarmee als “onrechtmatig” moet worden aangemerkt (899, r.o. 32). De Afdeling neemt het oordeel van de rechtbank dat sprake was van een schending van de Wet bescherming persoonsgegevens echter niet expliciet over. Denkbaar is dat het op verzoek toezenden van de naam en woonplaats van de persoon in kwestie gerechtvaardigd kon worden vanwege de uitvoering van een publiekrechtelijke taak, al wilde de rechtbank daar in de eerste uitspraak niets van weten. In de andere twee Wob-zaken (900 en 901) oordeelt de Afdeling echter dat het delen van persoonsgegevens op een forum om misbruik van de Wob te voorkomen wel gerechtvaardigd kan worden ter uitvoering van een publiekrechtelijke taak als bedoeld in art. 6 lid 1 onder e AVG.

De Afdeling kent geen schadevergoeding toe omdat de betrokkene, ondanks daartoe te zijn uitgenodigd door de Afdeling, op geen enkele wijze heeft aangetoond hoe hij in zijn persoon is aangetast door de schending. De Afdeling overweegt dat het noemen van een naam in het kader van uitwisseling van informatie over Wob-verzoeken niet vergelijkbaar is met de situatie in de arresten Baby Kelly en Groningse Oudejaarsrellen. Het gaat niet om “ernstig verwijtbaar gedrag met zo ernstige gevolgen, dat dit als inbreuk op een fundamenteel recht moet worden gekwalificeerd” (r.o. 34). Daarmee lijkt de Afdeling indirect te overwegen dat geen sprake was van schending van de AVG. Het gegevensbeschermingsrecht wordt immers in art. 8 van het Handvest als fundamenteel recht beschouwd. De Afdeling verwijst ook naar die bepaling en stelt in haar beoordeling ook voorop dat het verlies van controle over persoonsgegevens een aantasting van een persoonlijkheidsrecht vormt (r.o. 31).

De Afdeling overweegt dat de betrokkene niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom het noemen van zijn naam en woonplaats in de mededeling dat hij “twee, niet gespecificeerde Wob-verzoeken heeft ingediend als reactie op een verzoek van een andere gemeente, als aantasting van de persoon kan worden gekwalificeerd”. De Afdeling benadrukt dat de gegevens zijn gedeeld met ambtenaren die uit hoofde van hun functie betrokken zijn bij de behandeling van Wob-verzoeken. Er zijn bovendien geen aanwijzingen dat de gegevens zijn misbruikt (r.o. 37).

Wanneer wel aanspraak op schadevergoeding?
De meest interessante uitspraak is degene waarin wordt geoordeeld dat wel aanspraak is op schadevergoeding. In die zaak oordeelt de Afdeling dat de betrokkene niet met concrete gegevens hoeft aan te tonen dat hij in zijn persoon is aangetast in de zin van art. 6:106 aanhef en onder b BW. De nadelige gevolgen liggen volgens de Afdeling voor de hand. Omdat bij schendingen van de AVG het dikwijls niet of nauwelijks concreet is aan te tonen welke nadelige gevolgen het voor de betrokkene heeft, laat staan dat sprake is van geestelijk letsel, is het oordeel van de Afdeling dat de nadelige gevolgen voor de hand liggen van groot belang. Waarom daarvan in casu sprake is, wordt niet door de Afdeling onderbouwd. Bij de beoordeling van de hoogte van de schadevergoeding betrekt de Afdeling  de aard, de duur en de ernst van de inbreuk. Die factoren heeft de Afdeling mogelijk afgeleid uit artikel 83 lid 2 AVG, waarin de omstandigheden worden genoemd waarmee de toezichthoudende autoriteit rekening houdt voor vraag of een boete wordt opgelegd en, zo ja, hoe hoog die moet zijn. In artikel 83 lid 2 sub a AVG worden de aard, de ernst en de duur van de inbreuk genoemd. In dit geval lijken doorslaggevend voor de beslissing van de Afdeling de aard van de gegevens. Het gaat om een verstrekking van medische gegevens door de directeur van het Pieter Baan Centrum in een tuchtprocedure die de betrokkene tegen hem was gestart. De gegevens waren opgenomen in het verweerschrift van de directeur. Het tuchtcollege heeft de betrokkene hiervan in kennis gesteld. Deze heeft het college vervolgens verzocht de gegevens buiten beschouwing te laten, aan welk verzoek het tuchtcollege gehoor heeft gegeven. De Afdeling oordeelt dat de gevolgen gering zijn omdat de gegevens zijn verspreid onder professionals met een geheimhoudingsplicht. De duur van de schending is ook kort. De Afdeling rekent het de directeur echter zeer aan dat het bijzondere persoonsgegevens betrof, waarvoor op grond van art. 9 AVG een verzwaard regime geldt. Opvallend is verder dat de Afdeling in deze uitspraak niet verwijst naar de voorbeelden van immateriële schade die in overwegingen 75 en 85 van de AVG zijn gegeven.

Hoogte van de schadevergoeding
De Afdeling kent een bedrag van € 500 aan schadevergoeding toe. De hoogte is naar billijkheid begroot. Bij de bepaling van de hoogte betrekt de Afdeling aard, duur en ernst van de inbreuk, waarbij de kwalificatie van bijzondere persoonsgegevens het meeste gewicht in de schaal legt. De appellante had zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank in eerste aanleg een te laag bedrag had toegekend, namelijk € 300. De Afdeling is het daarmee eens, zo kan afgeleid worden uit toekenning van het hogere bedrag. De Afdeling motiveert echter niet waarom toekenning van € 500 schadevergoeding in dit geval billijker is dan € 300. Aangenomen mag worden dat in situaties waarin meerdere factoren in het voordeel van toekenning van schadevergoeding wegen dit ook zal resulteren in een hoger bedrag.

Wat kunnen we leren uit de uitspraken?
De weg naar de bestuursrechter staat open voor verzoeken om schadevergoeding vanwege een schending van de AVG tot een bedrag van € 25.000,00. Dat heeft de Afdeling met deze jurisprudentie willen verduidelijken. Niet iedere inbreuk op de AVG geeft recht op schadevergoeding. Toch kan geconcludeerd worden dat die aanspraak al snel bestaat. Wanneer bijzondere persoonsgegevens worden verwerkt, lijkt op basis van deze uitspraken het recht op schadevergoeding gegeven. Ook wanneer de inbreuk gedurende een lange periode aanhoudt, zal dat gewicht in de schaal leggen om tot een veroordeling van schadevergoeding te komen. Hetzelfde geldt wanneer persoonsgegevens in het bezit zijn gekomen van een grote groep personen. Dergelijke factoren zijn ook terug te vinden in artikel 83 lid 2 AVG en de Boetebeleidsregels van de Autoriteit Persoonsgegevens. In lijn daarmee zal onder meer ook het aantal getroffen betrokkenen en de opzet van de verantwoordelijke aspecten zijn waarmee rekening kan worden gehouden bij het bepalen of recht op schadevergoeding bestaat en, zo ja, wat de hoogte daarvan is.

 

Visie

De juridische aspecten van de coronacrisis in 9 vragen & antwoorden

Het coronavirus houdt de wereld, Nederland en dus ook ondernemingen in de greep. Nu zijn de effecten van de crisis voor veel ondernemingen al duidelijk voelbaar. Naar verwachting zal de crisis nog geruime tijd aanhouden. Door de coronacrisis worden ondernemers geconfronteerd met grote uitdagingen en ook uiteenlopende juridische vragen. Deze vragen liggen onder meer op terreinen als privacy, staatssteun en contractenrecht. In deze blog beantwoorden de advocaten van bureau Brandeis een aantal vaak terugkerende vragen.

1. Ik kan als gevolg van de coronacrisis de rekeningen van mijn leverancier(s) niet betalen. Wat zijn mijn juridische mogelijkheden?

In beginsel levert iedere tekortkoming in de nakoming van een overeenkomst een verplichting op om de schade te vergoeden die de ander daardoor lijdt. Ervan uitgaande dat (i) de andere partij zijn/haar verplichting al volledig en tijdig is nagekomen en (ii) er enkel nog de verplichting resteert om de reeds geleverde prestatie te betalen, dan is het goed om allereerst vast te stellen wat de reden is geweest dat de tegenprestatie (in dit geval betaling van de rekening) niet kan plaatsvinden.

Het enkele onvermogen om een factuur te kunnen betalen, omdat de financiële situatie als gevolg van de coronacrisis (plotseling) ernstig is verslechterd, levert namelijk niet snel een grondslag op om een succesvol beroep te doen op bijvoorbeeld: opschorting, overmacht of onvoorziene omstandigheden. In zijn algemeenheid komt het onvermogen om te kunnen betalen voor rekening en risico van de debiteur zelf. Daarbij komt dat van iemand bij het aangaan van de verbintenis (ook van een bestuurder die namens een onderneming contracteert) mag worden verlangd dat van tevoren is bepaald of kon worden aangenomen dat de betalingsverplichting (al dan niet door de onderneming) ook daadwerkelijk kon worden nagekomen.

Het is dus van belang om na te gaan (i) wanneer de verbintenis is aangaan (voor of na de crisis en onder welke assumpties) en (ii) wat is de oorzaak dat niet meer kan worden nagekomen. Op basis daarvan kan vervolgens worden onderzocht of het contract of de wet mogelijkheden biedt om te voorkomen dat de vordering ook opeisbaar wordt.

Te denken valt onder meer aan een beroep op:

i. opschorting (zie bijv. art. 6:52 BW of art. 6:262 BW). Daarvoor is (zeer) kort gezegd wel vereist dat de wederpartij eerder een verplichting niet is nagekomen. Dat kan zijn uit een andere overeenkomst (mits er voldoende samenhang bestaat met de onderhavige betalingsverplichting, zie bijv. art. 6:52 BW) of dat een tegenoverstaande verplichting uit de betreffende overeenkomst door de wederpartij niet volledig is nagekomen (zie art. 6:262 BW);

ii. overmacht/onvoorziene omstandigheden. Zie hieronder en onze blog van 20 maart 2020 voor een nadere toelichting op deze verweermiddelen;

iii. een beroep op de (aanvullende of derogerende) redelijkheid en billijkheid (zie art. 6:248 BW). Een beroep hierop leidt slechts in hoge uitzondering tot een resultaat dat de gevolgen van de overeenkomst worden aangepast, hetzij door andere rechtsgevolgen aan de overeenkomst te verbinden of juist om een bepaling buiten toepassing te laten. Toch kent ook de redelijkheid en billijkheid grenzen. Eén en ander kan niet leiden tot zogenoemde `denaturering` (het wijzigen van de essentie) van de overeenkomst; of

iv. verrekening van schulden over en weer (zie art. 6:127 BW). Indien de schuldeiser zelf ook een schuld heeft aan de debiteur kan onder bepaalde omstandigheden (een deel van) de schuld worden `weggestreept` tegen de daar tegenoverstaande schuld. Dat geschiedt door middel van een verklaring. Let erop, soms kan de bevoegdheid tot verrekening contractueel zijn uitgesloten.

Indien er geen verweren tegen de opeisbaarheid van een vordering op redelijke gronden kunnen worden gevoerd, dan zouden uiteindelijk de volgende (ook minder juridische) maatregelen kunnen worden overwogen of genomen:

  • inventariseren welke aanspraak er momenteel bestaat op bijvoorbeeld overheidssteun of steun van banken (te denken valt aan een beroep op de tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging Werkgelegenheid (NOW) of het vragen van uitstel tot betaling van rente en aflossingen op bankleningen) dit alles om de financiële situatie proberen te verbeteren om alsnog aan de betalingsverplichting te kunnen voldoen;
  • (eventueel) in gesprek gaan met de contractuele wederpartij om te onderzoeken of een betalingsregeling mogelijk is of te bezien of andere commerciële oplossing binnen handbereik ligt; en
  • in het geval moet worden vastgesteld dat de onderneming niet meer aan haar lopende verplichtingen kan voldoen, dan kan of moet zelfs worden overwogen om of eerst surseance van betaling aan te vragen of wanneer dat niet tot een oplossing leidt tot het aanvragen uiteindelijk van het faillissement.
2. Wat betekent de coronacrisis voor mijn lopende contracten, verplichtingen en evenementen? Mag ik een overeenkomst (tussentijds) beëindigen, mijn dienstverlening staken of aanpassen, leveringen opschorten, en (grote) evenementen cancelen? Kan ik mij beroepen op overmacht of onvoorziene omstandigheden?

Hoofdregel is dat afspraken moeten worden nagekomen en dat je schadeplichtig bent tegenover je wederpartij als je dat niet doet. Dat is echter anders als je niet kúnt nakomen en dit niet jouw schuld is of voor jouw rekening en risico komt. In die situaties kan mogelijk een beroep worden gedaan op “overmacht” of onvoorziene omstandigheden.

Of sprake is van overmacht, hangt in de eerste plaats af van wat het contract en/of de toepasselijke algemene voorwaarden zelf zeggen over overmacht. Als in de overeenkomst niet is geanticipeerd op een crisis als de huidige, valt men terug op artikel 6:75 BW. De wettelijke drempel voor overmacht ligt hoog. De huidige crisis en de door de overheid afgekondigde, verstrekkende, maatregelen zijn echter van dien aard, dat een beroep op overmacht in veel situaties denkbaar is. In dat geval kun je het recht hebben om een lopende overeenkomst op te zeggen, leveringen op te schorten, of de termijn voor nakoming uit te stellen. De wederpartij kan in zo’n situatie geen nakoming van het contract afdwingen en heeft evenmin recht op schadevergoeding.

Naast een beroep op overmacht kan de overeenkomst mogelijk door de rechter worden gewijzigd of geheel of gedeeltelijk worden ontbonden op grond van “onvoorziene omstandigheden”. Ook hiervoor ligt de drempel hoog. De huidige coronacrisis zal door velen niet zijn voorzien en kwalificeert dus op zichzelf zonder meer als een onvoorziene omstandigheid. Toch brengt dit niet automatisch met zich mee dat een overeenkomst op basis daarvan zal (moeten) worden gewijzigd of (gedeeltelijk) worden ontbonden. Van belang is namelijk of partijen in de mogelijkheid van het optreden van onvoorziene omstandigheid hebben willen voorzien.

Voor een meer uitgebreide bespreking van de leerstukken van overmacht en onvoorziene omstandigheden, verwijzen wij jullie naar onze recente blog hierover.

3. Ik heb momenteel een civiele procedure lopen. Verandert de coronacrisis het verloop en/of de snelheid van deze procedures?

In verband met het coronavirus heeft de Rechtspraak besloten de rechtbanken, gerechtshoven en bijzondere colleges te sluiten. Urgente zittingen, waar een rechterlijke beslissing niet achterwege kan blijven, gaan wel door. Urgente zaken zijn bijvoorbeeld zaken over de voorgeleiding of hechtenis van verdachten, faillissementen, zittingen rond verplichte zorg en/of zorgmachtigingen, en urgente familiezaken zoals uithuisplaatsing of ondertoezichtstelling. Urgent zijn ook spoedeisende kortgedingen of voorlopige voorzieningen of zaken waarbij de wettelijke termijnen in gevaar komen. Deze rechtszaken zullen zoveel mogelijk plaatsvinden met gebruikmaking van videoconference of tele(fonisch) horen. De rechter bepaalt welke zittingen wel/niet doorgaan.

Alle niet urgente zittingen die gepland stonden voor de komende weken, zullen dus worden verplaatst. Schriftelijke procestermijnen blijven vooralsnog wel staan. Een conclusie van antwoord/repliek/dupliek, akte of verweerschrift zal dus gewoon kunnen en (behoudens uitstel) moeten worden ingediend.

4. Ik heb een besluit van de overheid waar ik het niet mee eens ben. Zijn de gebruikelijke termijnen voor bezwaar en beroep nog wel van toepassing? En zo ja, hoe moet ik mijn bezwaar- of beroepschrift indienen?

Uitgangspunt is dat een bezwaar- of beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop het besluit bekend is gemaakt, wat doorgaans betekent dat het naar u is verstuurd (artikel 6:7 Algemene wet bestuursrecht, “Awb”). Een bezwaar- of beroepschrift is tijdig ingediend wanneer dit door het bestuursorgaan of de rechtbank voor het einde van de termijn is ontvangen, of, wanneer het per post is verzonden, binnen een week na afloop van de bezwaar- of beroepstermijn (artikel 6:9 Awb). Onder bijzondere omstandigheden wordt een overschrijding van de bezwaar- of beroepstermijn verschoonbaar geacht (artikel 6:11 Awb).

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State is ziekte geen bijzondere omstandigheid die de overschrijding van de bezwaar- of beroepstermijn rechtvaardigt. Wij gaan er daarom niet vanuit dat ziekte door besmetting met het coronavirus wel als zodanig kwalificeert. De gebruikelijke termijnen voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zijn dan dus van toepassing. Dit is mogelijk anders als de bezorging aan u per post zo ernstig is vertraagd, dat deze pas weken later wordt ontvangen. Die situatie lijkt nu nog niet aan de orde. De gebruikelijke termijnen zullen daarom gelden.

Wij raden u daarom aan om het bezwaar- of beroepschrift voor zover mogelijk digitaal te versturen. Bij veel gemeenten is dit al mogelijk met behulp van uw DigiD, bijvoorbeeld bij de gemeente Amsterdam. De mogelijkheid van online bezwaar instellen staat doorgaans vermeld in de bezwaarclausule die aan het slot van het besluit vermeld. Wanneer het voorgaande niet mogelijk is, raden wij aan om het bezwaar- of beroepschrift via een (digitale) faxservice te versturen. Daarnaast raden wij u aan om het bezwaar- of beroepschrift aangetekend per post of koerier te versturen, en in dat geval zekerheidshalve niet te wachten tot het einde van de bezwaar- of beroepstermijn, maar dit bijvoorbeeld al twee weken voordien te versturen. Dat kan door in eerste instantie een inleidend bezwaar of beroep in te stellen, zonder uitgebreide argumenten met het verzoek om een termijn voor het aanvullen van de motivering.

5. Een toezichthouder (AFM, DNB, AP, ACM, CvdM, Kansspelautoriteit) heeft een handhavingsbesluit genomen tegen mijn onderneming. Door de coronamaatregelen kan ik niet binnen de gestelde termijn voldoen aan de verplichtingen uit dat besluit. Heb ik recht op uitstel?

Als uw onderneming door toedoen van de huidige situatie niet in staat is om (tijdelijk) te voldoen aan een last onder dwangsom van een bestuursorgaan, kunt u verzoeken om deze last op te heffen, de looptijd voor een bepaalde termijn op te schorten of de dwangsom te verminderen (artikel 5:34 Awb). Deze bepaling is volgens de wetsgeschiedenis van toepassing in geval van overmacht. Daarbij denken wij in de huidige omstandigheden aan de situatie waarbij door de getroffen overheidsmaatregelen en/of ziekte niet voldoende personeel beschikbaar is om de werkzaamheden te verrichten die nodig zijn om uitvoering te geven aan een last, of daartoe benodigde diensten of materiaal niet tijdig geleverd kan worden. Advocaat-Generaal Wattel beschrijft in zijn conclusie uit 2018 een aantal situaties van overmacht. Aan een oorzaak van een crisis zoals op dit moment aan de orde, is nog niet gedacht.
Het is verstandig om het verzoek om opschorting tijdig en onderbouwd in te dienen. Omdat op dit moment onzeker is hoe lang de huidige situatie gaat duren, adviseren wij om een verlenging te vragen voor een periode van bijvoorbeeld twee tot drie maanden.

Is uw onderneming niet in staat om een eerder opgelegde boete tijdig te betalen, dan kan uw onderneming het bestuursorgaan verzoeken om uitstel van betaling plus een opschorting van de verschuldigdheid van wettelijke rente. Wettelijke rente is alleen verschuldigd bij verzuim (artikel 4:97 Awb). Echter, om onduidelijkheid of discussie te voorkomen, raden wij aan dit expliciet te verzoeken. Mocht een bestuursorgaan al een invordering van de boete zijn gestart of dat overwegen, dan raden wij aan om expliciet te vragen om van invordering af te zien. Gelet op de lastige situatie verwachten wij dat bestuursorganen uit eigen initiatief van invordering zullen gaan afzien. Ook hier geldt dat wij u graag voorzien van advies bij het opstellen van de benodigde documenten of in geval van een onwillige toezichthouder.

De AP geeft op haar website aan dat zij overheden en bedrijven tijdens de coronacrisis ruimte geeft om zich te concentreren op de bestrijding van het virus. Zo krijgen organisaties waar nodig meer tijd om te reageren op vragen van de AP en geeft de AP initiatieven om de volksgezondheid te beschermen ruim baan. Maar de toezichthouder geeft ook aan in te grijpen waar privacy echt in gevaar is. De AP heeft aangegeven dat zij momenteel niet snel zal handhaven, omdat bestrijding van het virus en het redden van levens prioriteit één is. Het voorkomen van grote schade aan economie en maatschappij is prioriteit twee.

6. Mijn onderneming heeft acute financiële problemen. Kan ik bij de overheid terecht voor financiële steun?

Naast het reeds afgekondigde pakket aan maatregelen van het kabinet, kunnen bedrijven die (dreigen) in financiële nood (te) verkeren aanspraak maken op steun. De Nederlandse regering is bezig een compensatiefonds op te zetten voor ondernemers die schade lijden door de coronamaatregelen. Zodra dit gereed is (en goedgekeurd door de Europese Commissie) kunnen schadelijdende horecabedrijven, evenementorganisatoren, sportscholen en dergelijke hier een beroep op doen. Het compensatiefonds dient wel te voldoen aan de Europese staatssteunregels. De Europese Commissie heeft recentelijk uitgelegd hoe die regels in het licht van de coronacrisis moeten worden toegepast.

Bedrijven die kampen met liquiditeitsproblemen kunnen aanspraak maken op financiële steun. Over het algemeen geldt dat voor bedragen tot EUR 200.000 (over drie belastingjaren) geen toestemming vereist is van de Europese Commissie op basis van de de-minimisverordening. Onder voorwaarden kan echter nu ook staatssteun die dit de-minimisplafond overstijgt toegestaan zijn. De voorwaarden hiervoor zijn vastgelegd in het Temporary Framework dat de Commissie op 20 maart jl. heeft gepubliceerd. Op basis van dit tijdelijk kader zal de Commissie steunmaatregelen aan bedrijven met liquiditeitsproblemen tot een bedrag van maximaal EUR 800.000 toestaan tijdens de coronacrisis, behoudens voorwaarden. De steun kan op verschillen wijzen plaatsvinden, bijvoorbeeld als rechtstreekse subsidie, belastingvoordeel of vooruitbetaling. Net zoals tijdens de financiële crisis van 2008, biedt het tijdelijk kader bovendien mogelijkheden voor overheden om versoepelde kredietregelingen toe te passen.

Omvangrijkere staatssteun zal onder het bestaande regelgevend kader worden beoordeeld, waarbij de Commissie heeft beloofd dergelijk aanvragen met voorrang te behandelen. Zie hier voor meer toelichting.

7. Ik heb te maken met scherpe vraaguitval. Kan ik afspraken maken met mijn concurrenten om de prijs voor mijn producten te stabiliseren?

Hoewel het mededingingsrecht verschillende uitzonderingsmogelijkheden biedt die samenwerking toestaan (zeker in crisistijden), is het normaal gezien altijd verboden om prijsafspraken te maken met concurrenten. Ondernemingen moeten zelfstandig hun prijsbeleid blijven bepalen. Bovendien mag een onderneming met een omvangrijk marktaandeel en die een schaars product verkoopt haar positie niet uitbuiten door excessief hoge prijzen of onredelijke verkoopvoorwaarden te hanteren.

Wel kunnen groothandels, logistieke dienstverleners en retailers in sommige gevallen informatie over volumes (leveringen, voorraden, bestellingen etc.) uitwisselen, bijvoorbeeld wanneer dit tot doel heeft de toevoer van levensmiddelen op gang te houden. Ook andere vormen van afstemmen tussen bedrijven of binnen brancheverenigingen kunnen toelaatbaar zijn onder de gegeven omstandigheden. Te denken valt aan aanbodbeperkingen of klantverdelingsafspraken om goederen op redelijke wijze te verdelen. Indien een potentieel mededingingsbeperkend initiatief een legitiem doel nastreeft en de concurrentie niet onnodig belemmert, kunnen deze verenigbaar zijn met het mededingingsrecht. Het is aan de ondernemingen die zich willen beroepen op een dergelijk legitiem doel om dit te onderbouwen. Bij twijfel of een bepaalde vorm van samenwerking is toegestaan kan de Autoriteit Consument en Markt (ACM) om uitleg te vragen. Zie hier voor meer toelichting.

8. Mijn onderneming heeft fusie- of overnameplannen maar daarvoor is toestemming nodig van de Europese Commissie of ACM. Nemen zij fusie-aanmeldingen nu nog in behandeling? En is er een versnelde behandeling mogelijk?

De Europese Commissie heeft ondernemingen die voornemens zijn te fuseren verzocht om waar mogelijk concentratiemeldingen uit te stellen. Indien een concentratie mogelijk tot mededingingsproblemen leidt, is het waarschijnlijk dat de beslistermijn wordt verlengd (bijvoorbeeld omdat de Commissie niet bijtijds de nodige informatie uit de markt kan opvragen). De ACM heeft zich nog niet uitgelaten over een aangepaste werkwijze in het kader van fusiecontrole. De verwachting is dat hier hetzelfde geldt als bij de Commissie, namelijk dat partijen bij voorkeur hun melding later indienen, maar dat relatief eenvoudige meldingen wel opgepakt zullen worden en veelal binnen de normale termijn op goedkeuring kunnen rekenen.

Een partij die voornemens is een onderneming over te nemen die bijna in staat van faillissement verkeert, kan een ontheffingsverzoek indienen bij de ACM (ex artikel 40 Mw). De ACM verleent ontheffing van de meldingsplicht (eventueel onder voorwaarden) als daar gewichtige redenen voor zijn. De ACM heeft aangekondigd dergelijke aanvragen versneld in behandeling te nemen om te voorkomen dat ondernemingen omvallen.

9. Mijn onderneming leent zich niet voor thuiswerken. Mag ik mijn werknemers vragen of ze in risicogebieden geweest zijn en of ze symptomen van corona vertonen? Mag ik collega’s over een mogelijk besmette collega inlichten?

Vragen naar coronasymptomen en deze gegevens vervolgens delen zijn verwerkingen van persoonsgegevens, meer specifiek gezondheidsgegevens. Daarop is de Algemene verordening gegevensbescherming (“AVG”) van toepassing. Het verwerken van gezondheidsgegevens is verboden (artikel 9 AVG), tenzij een uitzondering van toepassing is. Normaal gesproken is er geen uitzondering die werkgever toestaat naar de oorzaak van de ziekte van een werknemer te vragen of deze informatie te delen met anderen. In principe moeten werkgevers het verwerken van gezondheidsgegevens van werknemers overlaten aan de bedrijfsarts.

De AVG bevat een uitzondering voor het verwerken van gezondheidsgegevens als dit noodzakelijk is om de vitale belangen van mensen te beschermen. Het moet dan gaan om een acute en levensbedreigende situatie. Deze uitzondering is echter beperkt tot de situatie dat iemand fysiek of juridisch niet in staat is toestemming te geven voor het gebruik van zijn gezondheidsgegevens. Ook bestaat er een uitzondering voor een verwerking die noodzakelijk is in het algemeen belang, zoals de bescherming tegen ernstige grensoverschrijdende gevaren voor de gezondheid. Deze uitzondering is echter niet in de Nederlandse implementatiewet van de AVG (Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming) overgenomen. De Nederlandse wetgever biedt hier dus minder ruimte dan op grond van de AVG mogelijk zou zijn. Wel is de werkgever op grond van arbeidsrecht verplicht om een veilige werkomgeving te creëren.

De Europese toezichthouder op het gebied van gegevensbeschermingsrecht, de European Data Protection Board (“EDPB”), benadrukt dat werkgevers alleen gezondheidsgegevens van werknemers mogen verwerken voorzover dit op basis van nationaal recht is toegestaan. De Autoriteit Persoonsgegevens (“AP”) geeft op haar website het volgende aan:

  • in de zorgsector mag de werkgever werknemers controleren op corona;
    werkgevers mogen van werknemers verlangen dat zij hun eigen gezondheid scherp in de gaten te houden;
  • werkgevers mogen werknemers met verkoudheids- of griepverschijnselen naar huis sturen; en
  • werkgevers mogen werknemers vragen contact op te nemen met een arts voor controle.

Volgens de AP mogen werkgevers dus niet vragen of werknemers symptomen van het coronavirus vertonen, of zij in risicogebieden zijn geweest of dat zij met het virus besmet zijn.
Als een werkgever weet dat een werknemer besmet is met het coronavirus, dan mogen volgens de EDPB collega’s worden ingelicht voorzover dit noodzakelijk is en als dit is toegestaan op grond van de Nederlandse wet. Dat betekent dat als het niet nodig is om de naam van de besmette persoon te noemen, dit niet is toegestaan.

Machteld RobichonBas BraekenVita ZwaanWesley VaderJade Versteeg Jacob van de Velde
en Fransje Brouwer.

Visie

Staatssteun en crisiskartels als oplossing voor economische gevolgen coronacrisis

Als gevolg van een reeks van diep ingrijpende coronamaatregelen dreigt de economie, zowel wereldwijd als in de EU bijna tot stilstand te komen. Zeker in sectoren, zoals de luchtvaart, horeca en het toerisme zijn de effecten nu al voelbaar. De economische impact is nu nog moeilijk te overzien maar zal aanzienlijk zijn. De vergelijking met de financiële crisis in 2008 is al meerdere keren gemaakt.

De Nederlandse overheid staat klaar om grote bedrijven, het MKB en zelfstandigen financieel te steunen en van eventueel faillissement te behoeden. In zijn toespraak zegt premier Rutte toe te doen wat nodig is om ondernemend Nederland te helpen in deze zware tijden. ‘We laten u niet in steek’, aldus Rutte. Daarna volgde een divers pakket aan steunmaatregelen van het kabinet. Een mooi initiatief, maar hoe verhoudt de inzet van publiek geld voor het bedrijfsleven zich tot de Europese staatssteunregels?

Staatssteun in crisistijd

Staatssteun is het selectief aanwenden van publieke middelen om specifieke bedrijven (in een bepaalde sector) financieel te ondersteunen. De Europese Commissie houdt hier strikt toezicht op om te voorkomen dat bepaalde bedrijven worden voorgetrokken. De president van de Europese Commissie, Ursula von der Leyen kondigde op 9 maart 2020 aan de normaliter strenge staatssteunregels te versoepelen in deze crisistijd. De Commissie voegde direct daad bij woord: op 12 maart gaf zij binnen een recordtijd van 24 uur toestemming aan de Deense regering voor een compensatiefonds van EUR 12 miljoen voor geannuleerde evenementen.

De Commissie publiceerde op 13 maart bovendien een uitgebreid beleidsdocument om binnen de EU op gecoördineerde wijze te reageren op de economische gevolgen van de corona-uitbraak. Hierin is vermeld dat lidstaten op grond van artikel 107(2)(b) Verdrag betreffende de Werking van de EU (VWEU), na goedkeuring van de Commissie, de schade die bedrijven lijden als gevolg van natuurrampen en buitengewone omstandigheden mag compenseren. De Commissie heeft de situatie in Italië inmiddels aangemerkt als een buitengewone omstandigheid. Verwacht kan worden dat de Commissie tot eenzelfde conclusie zal komen voor andere lidstaten.

Bovendien kan de Commissie op basis van artikel 107(3)(c) VWEU lidstaten toestaan financiële steun te bieden aan ondernemingen die liquiditeitsproblemen ervaren. De Commissie publiceerde op 20 maart een tijdelijk kader voor staatssteun (‘Temporary Framework’) waarin zij uitlegt welke maatregelen over het algemeen toegestaan zijn tijdens de coronacrisis onder artikel 107(3)(c) VWEU. Meest relevant daarbij is dat overheden rechtstreekse steun mogen verlenen aan een bedrijf in financiële moeilijkheden tot een bedrag van EUR 800.000. De ‘one time last time’-regel die overheden verbiedt een bedrijf voor een tweede keer financieel te ondersteunen is daarbij tijdelijk buiten toepassing verklaard. Zo mag de Italiaanse regering opnieuw geld injecteren in Alitalia terwijl het vorig jaar al een lening van EUR 400 miljoen verstrekte om de vliegmaatschappij te redden.

Er gelden overigens nog wel beperkingen voor het verlenen van staatssteun. Zo mag overheidssteun niet verder gaan dan wat nodig is om de gevolgen van de coronamaatregelen te compenseren. Ook kan de Europese Commissie voorwaarden verbinden aan staatssteun. In de financiële crisis heeft de Commissie, onder meer bij de Nederlandse banken die bij de Staat aanklopten voor steun, regelmatig gebruik gemaakt van deze bevoegdheid.

Tot slot kan de Nederlandse overheid nationale maatregelen nemen, zoals loonkostensubsidies, rechtstreekse compensatie aan consumenten en steun aan zelfstandigen en het MKB. Dergelijke maatregelen vallen buiten het staatssteunregime of vallen onder de Groepsvrijstelling dan wel de de-minimisverordening en behoeven geen voorafgaande toestemming van de Commissie.

Crisiskartels

Verschillende nationale mededingingsautoriteiten hebben daarnaast aangekondigd hun beleid  crisisbestendig te maken. Zij zien af van handhaving indien samenwerking en informatie-uitwisseling tussen bedrijven nodig is, bijvoorbeeld om de toevoer van levensmiddelen op gang te houden. Zo mogen supermarkten en medicijngroothandels elkaar op de hoogte houden van elkaars voorraden en mogen logistieke dienstverleners samenwerken. Daarbij valt te denken aan afstemming over thuisleveringen aan zieke of zwakke mensen die thuis zitten.

In een recent nieuwsbericht vermeldt de Autoriteit Consument en Markt (ACM) dat zogeheten crisiskartels onder voorwaarden zijn vrijgesteld van het kartelverbod. De ACM staat open voor initiatieven van brancheverenigingen en bedrijven die helpen voorkomen dat “mensen en bedrijven de dupe worden”. Bestuursvoorzitter Martijn Snoep zegt elk verzoek van geval tot geval te zullen bekijken. Voor elke vorm van samenwerking tussen concurrenten zal ook in deze crisis blijven gelden dat hij niet verder mag gaan dan noodzakelijk. Voor bedrijven die in hoge financiële nood zitten en een mogelijke overname-target zijn, ziet de ACM overigens ook nog mogelijkheden voor een beroep op de zogenaamde Artikel 40 Mw-ontheffing. Overnames van bedrijven die dreigen failliet te gaan kunnen dan versneld worden goedgekeurd.

De corona-uitbraak biedt echter geen vrijbrief om de prijzen van (schaarse) producten kunstmatig te verhogen of misbruik te maken van een (tijdelijke) dominante machtspositie. Zo getuige ook het door de Italiaanse mededingingsautoriteit ingestelde onderzoek naar mogelijke afspraken tussen Amazon en Ebay over de prijs van handgels en de waarschuwing van de Britse kartelwaakhond inzake oneerlijke verkooppraktijken in coronatijden.

De mededingingsrechtadvocaten bij bureau Brandeis volgen de ontwikkelingen nauwgezet. Wij kunnen u bijstaan bij al uw (corona-gerelateerde) vragen over de staatssteun- en mededingingsregels.

Bas Braeken en Jade Versteeg

 

Visie

Major revision of the regime for collective actions in the Netherlands

Introduction

The Dutch regime of collective actions has been thoroughly revised. This revision has created new opportunities for damages actions, requiring claimants, funders and other players in this field to conduct a comprehensive assessment of methods by which they can advance their case.

On March 19, 2019, the amendment of the Act on the Resolution of Mass Claims in Collective Action (‘Wet Afwikkeling Massaschade in Collectieve Actie’) (‘’WAMCA’’) was approved by the Senate and has come into force and effect on January 1, 2020. This amendment introduces the possibility to claim damages in a collective action while at the same time adding stricter requirements for claim vehicles to have standing, as well as changing the international aspects of future collective actions. Furthermore, courts will appoint a quasi-lead plaintiff (“Exclusive Representative“) when there are competing actions. This will be further elaborated upon below, and clarified in a schematic overview.

The possibility to claim damages

In the Netherlands, a claim vehicle (foundation or association) can represent the interests of injured parties and initiate a claim against the responsible party before the Dutch court. Under the old regime, the claim vehicle could not claim collective damages on behalf of the injured parties as it could only seek a declaratory judgment regarding liability. Each injured party had to bring its own claim for compensation in follow on litigation, or settle on a collective or individual basis.

Since January 1, 2020, it is allowed to also claim damages on behalf of the injured parties. It is expected that this will fill in a significant void in the old regime.

Standing of the claim vehicle

The WAMCA adds stricter requirements regarding the standing of a claim vehicle (article 3:305a of the Dutch Civil Code) in terms of governance, objective, representation and funding. Although many of these aspects were adhered to by professional players of good repute on a (semi) voluntary basis anyway, as they tended to apply the Dutch Claim Code, it is now mandatory to have (i) a non-commercial objective, (ii) a supervisory board, (iii) a mechanism for decision-making by the persons whose interests are represented, (iv) sufficient economic means for the costs of the class action and (v) sufficient experience and expertise for running a class action.

The scope of the collective action

Until now, Dutch courts have proved to be welcoming of collective actions with international aspects. Under the WAMCA, for the Dutch courts to have jurisdiction, it is required for the case to have a sufficiently close connection with the Dutch jurisdiction. A sufficiently close relationship exists if (i) the majority of persons whose interests are at stake have their habitual residence in the Netherlands; or (ii) the party against whom the legal action is directed is domiciled in the Netherlands and additional circumstances suggest a sufficient relationship with the Netherlands; or (iii) the event(s) to which the legal action relates took place in the Netherlands.

The appointment of an “Exclusive Representative”

Before a claim vehicle can start a collective action under the WAMCA, it has to make a reasonable attempt to settle the case with the counterparty. A letter that gives the counterparty two weeks to respond is sufficient in this case. After two weeks, the claim vehicle is allowed to submit a writ for a class action.

Under the WAMCA the claim vehicle has to register its collective action in a public register after the submission of the writ, within two days after the filing of the action (‘Centraal register voor collectieve vorderingen’). The entry in the registry triggers a three-month period, during which other claim vehicles can file alternative (competing) collective actions that are based on the same event(s). This period can be extended by the court with another three months.

If several claim vehicles bring a collective action addressing the same events, these collective actions will be consolidated. If the court grants the claim vehicles that brought a collective action standing, it will appoint one of them as the Exclusive Representative to represent the interests of the class and of the other claim vehicles. The Exclusive Representative is chosen by the court from the central register based on all facts and circumstances, indicating that such a party is the most appropriate and well equipped to have that role. This is likely to have as an effect that less professional parties, and ad hoc commercial initiatives, may find it harder to enter the market of collective actions.

Although the other claim vehicles remain parties to the proceedings, the court will decide whether to allow each claim vehicle to file their own pleadings. This resembles somewhat the lead plaintiff system in the United States.

Opt-out and opt-in possibilities

Under the old regime, there was only one opt-out moment: after a settlement agreement is reached and declared binding by the court upon the class. Under the WAMCA there are two opt-out moments. The first one is after the appointment of the Exclusive Representative and the decision of the court on the scope of the action and the definition of the “class”. The second opt-out option is after a settlement agreement is reached between parties and declared binding by the court.

Under the WAMCA, a class settlement is not required, but attempting to reach one is an integral part of the proceedings.

A major change is that foreign injured parties can only be represented in the proceedings when they opt-in under the WAMCA – under the old regime this was on an opt-out basis. This may impact the size of the cases to be brought before the Dutch courts.

In conclusion, under the WAMCA a court decision granting or dismissing the collective action is binding on all members of the class who reside in the Netherlands and did not use their right to “opt out” of the action. The same applies to members residing abroad, who joined the collective action by opting in.

Settlement agreement or judgement

The collective action ends with the approval by the court of a settlement concluded by the parties or with the judgement of the court on the claim of the claimants. The judgement of the court can either be a rejection or granting of the claim(s). The settlement agreement approved by the court or the giving judgement by the court are also recorded in the public register (‘Centraal register voor collectieve vorderingen’).

Transitional law

The WAMCA applies to collective actions for damages initiated on or after the date of its entry into force for events that took place on or after 15 November 2016. The old regime will apply to actions that relate to events that took place before 15 November 2016.

Expertise

bureau Brandeis’ collective action team boasts specialists in collective actions and mass claims settlements and often works with interest groups and class action claim funders. Our team is also active in class actions which are mainly based in the US and have their effects in the Netherlands as well.

For more information please contact Michelle Krekels.

 

Visie

Financial Services Litigation Update

In deze Financial Services Litigation Update bespreken we recente uitspraken over onder meer de contracteerplicht voor banken bij risico’s op witwassen, het inzetten van handhavingsverzoeken tegen concurrenten en de invloed van toezichtsantecedenten van beoogd beleidsbepalers op een vergunningaanvraag.

Neem gerust contact met ons op als u van gedachten wilt wisselen over een van deze of andere financieel-rechtelijke onderwerpen; bureau Brandeis – Financial Services Litigation.


Bijzondere zorgplicht van financiële dienstverleners en risico van witwassen

Banken worstelen met het beheersen van het risico op witwassen. In deze zaak onderstreept de rechtbank dat het op zichzelf volkomen terecht is dat een bank in het kader van (de integriteitseisen van) de Wet op het financieel toezicht (Wft) hoge eisen stelt aan nieuwe klanten.

Desalniettemin vindt de rechtbank dat de bestrijding van witwassen hier niet in de weg staat aan de aanvraag van een bankrekening voor een projectvennootschap die zich gaat bezighouden met (het op legale wijze produceren van) van cannabis.

Ten aanzien van het beroep van de bank op contractsvrijheid overweegt de rechtbank dat deze niet in volle omvang voor handelsbanken bestaat. Het hebben van een bankrekening is immers noodzakelijk om aan het maatschappelijk verkeer te kunnen deelnemen.

Als het gaat het kunnen deelnemen aan het bancaire betalingsverkeer moet ook geen onderscheid worden gemaakt tussen particulieren en zakelijke klanten, aldus de rechtbank. Beiden hebben in beginsel recht op een bankrekening en als gevolg daarvan hebben banken in beginsel een contracteerplicht.

Deze bijzondere zorgplicht die banken vanuit hun maatschappelijke functie hebben geldt bovendien zowel jegens bestaande cliënten als ten opzichte van derden, waarbij de reikwijdte van de zorgplicht afhangt van de omstandigheden van het geval.

Het bijzondere aan deze zaak is dat de eisende partij een projectvennootschap is die voorbereidingen treft om als teler te worden toegelaten in de context van ‘Experiment gesloten cannabisketen’ waaromtrent een wetsvoorstel aanhangig is.

Nu de doelstelling van het project juist is om illegale handel in cannabis terug te dringen door deze stof op legale wijze te produceren en dus (indirect) om illegale activiteiten en het risico van witwassen tegen te gaan, wijst de rechtbank de vordering toe. De bank mag wel voorwaarden stellen aan het gebruik van de zakelijke bankrekening.

Rechtbank Amsterdam 04-11-2019 ECLI:NL:RBAMS:2019:8144


Bestuurder ten onrechte aangesproken als medepleger in plaats van feitelijk leidinggever

De AFM heeft een bestuurder van een groep entiteiten die effecten aanbiedt ter deelname in haar obligatiefondsen, een last onder dwangsom opgelegd als medepleger van vermeende oneerlijke handelspraktijken.

De AFM meent op grond van ontvangen aanbiedingsmateriaal dat essentiële informatie wordt achtergehouden die de belegger nodig heeft om een geïnformeerd besluit over een transactie te nemen.

Aan het medeplegen legt de AFM o.a. ten grondslag dat de bestuurder de entiteiten van de groep heeft op- en ingericht, de uitgifte van de effecten heeft geïnitieerd en (middellijk) enig statutair bestuurder en enig certificaathouder/aandeelhouder is en aldus nauw en bewust samenwerkt met de groep.

De bestuurder en de entiteiten betogen dat hij niet kan worden aangemerkt als medepleger van de vermeende overtreding. De voorzieningenrechter is het met hen eens.

De AFM heeft volgens de rechter de bestuurder ten onrechte aangemerkt als medepleger van de vermeende overtreding. Zij mag aan hem op deze grond geen last onder dwangsom opleggen en die last niet publiceren.

Uit vaste jurisprudentie volgt namelijk dat buiten redelijke twijfel moet worden aangetoond dat zo bewust en nauw is samengewerkt tussen niet te vereenzelvigen (rechts)personen dat van medeplegen mag worden gesproken.

Het gaat hier echter om gedragingen die plaatsvinden in het kader van de normale bedrijfsuitoefening van de entiteiten en aan die entiteiten kunnen worden toegerekend, en de entiteiten en bestuurder worden hier feitelijk vereenzelvigd. De bestuurder is als gevolg daarvan mogelijk feitelijk leidinggever van de gestelde overtreding maar niet medepleger, aldus de rechtbank.

Nu het aantal zaken toeneemt waarin de financiële toezichthouders individuele functionarissen aanspreken in verband met overtredingen van de onderneming, is het essentieel steeds zorgvuldig de precieze verhoudingen en de kwalificatie daarvan te bekijken, zo laat deze zaak zien.

Rechtbank Rotterdam 12-07-2019 ECLI:NL:RBROT:2019:8214


Betrouwbaarheidstoets beleidsbepalers omvat maatregelen van buitenlandse toezichthouder

Deze zaak betreft een afwijzing van een aanvraag voor een vergunning voor het beheren van een beleggingsinstelling, omdat niet werd voldaan aan de vergunningvereisten. Volgens de AFM stond, onder meer, de betrouwbaarheid van de aangemelde beleidsbepalers niet buiten twijfel.

De betrouwbaarheid van een beleidsbepaler wordt door de toezichthouder vastgesteld op basis van diens voornemens, handelingen en antecedenten. Door de AFM worden in ieder geval in aanmerking genomen toezichtantecedenten en andere feiten en omstandigheden die wijzen op betrokkenheid bij gedragingen ter zake waarvan in Nederlandse of buitenlandse financiële toezichtswetgeving regels zijn gesteld, welke gedragingen van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de betrouwbaarheid.

Aan de beoogde beleidsbepalers waren door de Luxemburgse financiële toezichthouder meerdere maatregelen opgelegd in hun hoedanigheid van beleidsbepalers van een Luxemburgse beheerder van een beleggingsinstelling. De maatregelen waren opgelegd vanwege het te laat inleveren van jaarstukken van deze tot de groep behorende en daar onder toezicht staande Luxemburgse beheerder, en van door haar beheerde fondsen. Daarnaast is aan de beheerder een maatregel opgelegd wegens het lanceren van een nieuw subfonds zonder het vermogen daarvan in bewaring te geven of de Luxemburgse toezichthouder te informeren.

Volgens het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft de AFM deze maatregelen terecht als toezichtantecedenten aangemerkt, nu deze zijn opgelegd wegens de niet-naleving van financiële wetgeving door een toezichthouder met vergelijkbare taken als de AFM. Het College gaat daarmee voorbij aan het betoog dat maatregelen uit Luxemburg op deze manier verdergaande consequenties zouden krijgen dan de Luxemburgse toezichthouder daaraan verbindt.

Het College tilt daarbij zwaar aan het feit dat de beoogde beleidsbepalers geen openheid van zaken hebben gegeven. De toezichtmaatregelen zijn niet gemeld op het formulier bij de desbetreffende vraag en evenmin bij de vraag naar overige omstandigheden en ook later niet op navraag van de AFM. Ook het niet melden van de Luxemburgse maatregelen – los van hoe zwaar deze moeten worden geacht – is terecht als toezichtantecedent aangemerkt, aldus het College.

Deze zaak toont het belang van gedragingen voorafgaand aan toetsing alsook van de transparantie die beoogd beleidsbepalers daarover betrachten gedurende het toetsingsproces. De financiële toezichthouder krijgt ruimte om beide aspecten in haar beoordeling mee te nemen.

College van Beroep voor het bedrijfsleven 15-10-2019 ECLI:NL:CBB:2019:498


Handhavingsverzoek inzetten tegen concurrent?

Een Ierse beleggingsonderneming heeft de Autoriteit Financiële Markten (AFM) verzocht handhavend op te treden tegen een Nederlandse beleggingsonderneming vanwege vermeende overtreding van de wettelijke bonuscapregels.

De AFM gaat niet in op het handhavingsverzoek. Volgens de toezichthouder heeft de beleggingsonderneming de impact op haar concurrentiepositie onvoldoende aangetoond en daardoor onvoldoende belang bij een besluit op haar handhavingsverzoek.

De rechtbank Rotterdam overweegt in lijn met vaste jurisprudentie dat de Ierse beleggingsonderneming alleen als belanghebbende bij het handhavingsverzoek kan worden aangemerkt als handhavend optreden tegen de andere beleggingsonderneming daadwerkelijk gevolgen kan hebben voor haar concurrentiepositie.

Beide beleggingsondernemingen zijn werkzaam binnen hetzelfde marktsegment en verzorgingsgebied. Zij handelen voor eigen rekening, en zijn beide marketmaker in grotendeels dezelfde exchange traded funds (ETFs) op dezelfde beurzen en kunnen daarom in beginsel als concurrenten worden aangemerkt.

Anders dan de AFM is de rechtbank van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat bij niet handhaven van de AFM , de Nederlandse beleggingsonderneming in een voordeligere concurrentiepositie verkeert.

Dit komt omdat zij qua beloningsbeleid aantrekkelijker kan worden geacht voor (huidig en toekomstig) personeel en daarnaast kan zij haar kosten flexibeler kan opvangen door meer variabele beloningskosten. Daarbij heeft de Ierse beleggingsonderneming onweersproken gesteld dat er regelmatig slechts minimale verschillen zitten tussen de bied- en laatprijzen die zij en de Nederlandse beleggingsonderneming hanteren, waarbij het voorkomt dat laatstgenoemde de transactie krijgt en de Iers beleggingsonderneming de tweede beste prijs had.

Volgens de rechtbank kan de AFM niet van de Ierse beleggingsonderneming verlangen dat zij economische analyses overlegt over de impact van handhaving op haar omzet in relatie tot de omzet van de andere beleggingsonderneming. De AFM heeft de Ierse beleggingsonderneming ten onrechte niet ontvangen in haar verzoek en dient alsnog te oordelen op het bezwaar tegen afwijzing van het verzoek om handhaving.

Deze zaak laat zien dat in een grensoverschrijdende markt partijen uit andere landen met de juiste motivering een handhavingsverzoek kunnen doen.

Rechtbank Rotterdam 19-09-2019 ECLI:NL:RBROT:2019:7821

Visie

Kwartaalbericht Kartelschade #3 en #4 2018

Hierbij presenteren wij u het derde en vierde kwartaalbericht van 2018 over ontwikkelingen op het gebied van cartel damage litigation van bureau Brandeis. U kunt het kwartaalbericht hier inzien.

Ontvangt u de volgende editie van ons kwartaalbericht graag per e-mail? Meld u zich dan aan door een mail te sturen via deze link of dit formulier.

Visie

bureau Brandeis breidt uit met nieuwe partner Bas Braeken

Bas Braeken zal op 16 juli a.s. als partner toetreden tot bureau Brandeis in Amsterdam. Bas is een erkend specialist op het gebied van het (Europees) mededingingsrecht en economische regulering in diverse sectoren zoals telecom, media en fintech.

Bas Braeken maakt de overstap naar bureau Brandeis van Maverick, waarvan hij 6 jaar geleden aan de wieg heeft gestaan als één van de oprichters. Daarvoor was Bas onder meer lange tijd werkzaam bij Allen & Overy. “De benoeming van Bas sluit uitstekend aan op onze strategie verder te bouwen aan een breed litigation kantoor met een focus op complexe zaken,” zegt Louis Berger, één van de oprichters van bureau Brandeis. “Bas vormt een belangrijk puzzelstuk om onze ambitie verder vorm te kunnen geven. Bas geniet een uitstekende reputatie op het gebied van het Europees mededingingsrecht maar brengt daarnaast ook specifieke sectorkennis mee van markten zoals telecom, media, post & pakketten, mobiliteit en fintech. We zien in Bas een ambitieuze partner, die dezelfde ondernemingsdrift, niveau en waarden deelt als de andere partners van bureau Brandeis, wat voor veel synergie zal zorgen.”

Bas Braeken boekte in de afgelopen jaren belangrijke successen voor onder meer T-Mobile, Canal+ en Prijsvrij. Bas procedeert ook geregeld voor de Europese rechterlijke instanties in Luxemburg.

Partner Machteld Robichon: “De uitstekende kennis en ervaring van Bas sluiten perfect aan bij de gereguleerde marktpraktijken van Simone Peek (financieel recht en life sciences) en van mij (kansspelen, media en telecom), alsmede bij de kartelschadepraktijk van Hans Bousie en Louis Berger. De focus van Bas op telecom en media sluit weer aan op de focus van de praktijk van Christiaan Alberdingk Thijm.”

Bas Braeken: “Ik ben erg onder de indruk van het niveau van de advocaten bij bureau Brandeis, de professionaliteit van de organisatie en de gedrevenheid om elke dag opnieuw de beste dienstverlening te leveren. De bestaande praktijk bij Brandeis sluit inhoudelijk naadloos aan op mijn praktijk. Deze bestaat voor een zeer belangrijk deel uit procedures, compliance en onderzoeken, naast het begeleiden van klanten bij complexe fusiecontroletrajecten. Ik zie heel veel synergie en kijk uit naar de samenwerking met mijn nieuwe partners.”
Over bureau Brandeis

bureau Brandeis is een boutique advocatenkantoor dat is gespecialiseerd in het voeren van complexe procedures voor ondernemingen. bureau Brandeis heeft ervaring in alle relevante rechtsgebieden, met een voorkeur voor de challenger: corporate litigation, commercial litigation, privacy, mededingingsrecht, financieel recht, bestuursrecht, intellectuele eigendom, media- en telecomunicatierecht, class actions, internationale arbitrage en cassatie. Met de komst van Bas Braeken telt het kantoor 31 advocaten waarvan 7 partners.

Visie

Kom jij bij ons werken als juridische secetaresse?

bureau Brandeis is per direct op zoek naar een enthousiaste juridisch secretaresse voor 40 uur per week (32 uur is bespreekbaar). Je komt te werken in een hecht team waar je verantwoordelijk bent voor de secretariële, administratieve en organisatorische ondersteuning. Daarnaast spring je bij waar nodig op de parttime dagen van de andere secretaresses en ondersteunt daarmee de verschillende praktijken.

De werkzaamheden bestaan onder andere uit:

versturen van uitgaande stukken (processtukken en correspondentie)

verwerken van inkomende stukken (scannen, opslaan, rondsturen, opruimen) en attenderen op en uitvoeren van voortvloeiende acties

(pro-actieve) termijnbewaking: checken van roljournaal, bijhouden van termijnoverzicht, reminden

verzendklaar maken van stukken (documenten finaliseren, checken op typo’s & spellingsfouten, verzorgen layout)

verzendklaar maken van declaraties

administratieve ondersteuning (boeken reizen, aanmelden symposia & cursussen, abonnementen regelen)

agenda- en contactbeheer

telefoon aannemen

Wij zijn…
bureau Brandeis is een jong (opgericht in september 2014) advocatenkantoor gevestigd aan de Sophialaan in Amsterdam en is een litigation boutique, gespecialiseerd in de beslechting van complexe geschillen. De organisatie bestaat uit hooggekwalificeerde professionals: integer, goed, effectief, creatief, eigenzinnig én betrokken bij de klant, het kantoor en de maatschappelijke omgeving. Binnen ons kantoor zijn momenteel 40 betrokken professionals werkzaam, waarvan 30 advocaten.

Wij zijn op zoek naar…
Een enthousiaste snel inzetbare juridisch secretaresse die past bij onze organisatie en het leuk vindt om in een jonge dynamische omgeving te werken. Het liefst zoeken we iemand met (enige) ervaring. Je bent servicegericht, stressbestendig, proactief, oplossingsgericht en digitaal begaafd.

Wij bieden…
Een marktconform salaris, afhankelijk van relevante werkervaring en snelle inzetbaarheid. Daarnaast bieden wij goede secundaire arbeidsvoorwaarden zoals een dertiende maand, pensioenregeling, reiskostenvergoeding en een sportbudget. Het betreft een functie met uitzicht op een vaste aanstelling.

Wil je reageren…
Ben je geschikt en heb je zin in deze baan, stuur dan zo snel mogelijk je CV met korte motivatie naar Jana Penkoski. (jana.penkoski@bureaubrandeis.com) Voor meer informatie over de functie kun je ook telefonisch contact opnemen met Jana op 020 – 7606 505.

Visie

Enquêteprocedure en vermogensrechtelijke geschillen

 

bureau Brandeis is specialist op het gebied van corporate en commercial litigation. Stefan Campmans is één van de advocaten van bureau Brandeis die procedeert én publiceert op deze gebieden van het ondernemingsrecht.

In het nieuwe artikel De enquêteprocedure en vermogensrechtelijke geschillen beschrijft Stefan Campmans hoe de Ondernemingskamer omgaat met vermogensrechtelijke geschillen.

In de enquêteprocedure wordt de Ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam verzocht te onderzoeken of sprake is van wanbeleid binnen een bedrijf. De Ondernemingskamer mag vermogensrechtelijke geschillen die daarmee samenhangen echter niet beslechten, want die taak is exclusief overgelaten aan de gewone civiele rechter. Desondanks komen bij de Ondernemingskamer toch regelmatig vermogensrechtelijke geschillen over bijvoorbeeld overeenkomsten of joint-ventures aan de orde.

Het artikel geeft een korte introductie op de enquêteprocedure en probeert praktisch uit te leggen hoe de Ondernemingskamer met vermogensrechtelijke geschillen is omgegaan in de Proov-, Global Publishing Group-, Strauss-, Enraf-, Ambient- en Intergamma-beschikkingen.

Het artikel Enquêteprocedure en vermogensrechtelijke geschillen van Stefan Campmans verschijnt in oktober 2018 in het tijdschrift Bedrijfsjuridische berichten (Bb 2018/65) van Wolters Kluwer (link).

Voor deskundigheid en jarenlange ervaring op het gebied van enquêteprocedures en vermogensrechtelijke geschillen kunt u terecht bij de advocaten van bureau Brandeis.

 

Visie

Rechtspraak informatierecht week 51

bureau Brandeis publiceert wekelijks een selectie van rechtspraak in het kader van het informatierecht.

Week 51: 18 december 2017 – 22 december 2017

  • HvJ EU 20 december 2017 (C-434/15, Asociación Profesional Elite Taxi / Uber Systems Spain SL)(De door Uber geleverde dienst om met particuliere bestuurders in contact te treden valt onder „diensten op het gebied van het vervoer”; De lidstaten kunnen dus de voorwaarden vaststellen waaronder deze bemiddelingsdienst kan worden geleverd; Diensten van de informatiemaatschappij; Taxibedrijf)(Persbericht)
  • HvJ EU 20 december 2017 (C-291/16, Schweppes)(Merkenrecht; The Spanish company Schweppes may not oppose the import of bottles of tonic water bearing the trade mark ‘Schweppes’ and originating in the UK if it has itself given the impression that that trade mark is a single global trade mark; The same applies if that company has economic links with the third party which now holds the rights to that trade mark in the UK)(Persbericht)
  • HvJ EU 20 december 2017 (C-393/16, Comité Interprofessionel du Vin de Champagne)(A sorbet may be sold under the name ‘Champagner Sorbet’ if it has, as one of its essential characteristics, a taste attributable primarily to champagne If that is the case, that product name does not take undue advantage of the protected designation of origin ‘Champagne’)(Persbericht)
  • HvJ EU 20 december 2017 (C-434/16, Nowak)(De schriftelijke antwoorden op een beroepsexamen en de eventuele opmerkingen van de examinator bij deze antwoorden vormen persoonsgegevens van de kandidaat waartoe deze laatste in beginsel toegang moet kunnen krijgen; Dat de kandidaat het recht daartoe wordt verleend dient immers het doel van de Uniewetgeving, de bescherming te waarborgen van de persoonlijke levenssfeer van natuurlijke personen wat de verwerking betreft van gegevens die op hen betrekking hebben)(Persbericht)Hof
  • Raad van State 20 december 2017 (De minister heeft bij besluit aan Bits of Freedom geweigerd de tapstatistieken over de periode 1971-2013 te verstrekken; Beroep gegrond; De minister zal opnieuw op het bezwaar van Bits of Freedom tegen het besluit van 4 maart 2014 moeten beslissen met inachtneming van deze uitspraak)
  • Raad van State 20 december 2017 (De korpschef heeft bij besluit een verzoek van [appellant] om hem op grond van de Wob documenten te verstrekken gedeeltelijk afgewezen; Hoger beroep gegrond; Onvoldoende motivering waarom eventuele auteursrechten aan openbaarmaking in de weg staan en er sprake is van onevenredige benadeling)
  • Hof Amsterdam 19 december 2017 (gepubliceerd op IE-Forum op 20 december 2017)(Merkenrecht; Vormmerk CAPRI-SUN technisch bepaald, dus nietig)
  • Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 19 december 2017 (Onrechtmatig handelen; Gebruik benaming “vla” en “room”; Dwangsom; Tofu Town uitspraak)
  • Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 19 december 2017 (gepubliceerd op 20 december 2017)(Vrijheid van meningsuiting; Onrechtmatige uitzending; Integraal uitzendverbod en rectificatie zijn niet noodzakelijk en niet proportioneel; EenVandaag)
  • Rechtbank Den Haag 30 november 2017 (gepubliceerd op 22 december 2017)(Het voeren van een handelsnaam in strijd met artikel 5b Handelsnaamwet; “Royal”)
  • Rechtbank Amsterdam 15 december 2017 (gepubliceerd op 22 december 2017)(Vrijheid van meningsuiting; Het televisieprogramma Stegeman op de Bres (uitgezonden op SBS6) mag een man niet herkenbaar in beeld brengen en ook mag zijn volledige naam niet worden genoemd)

 

Visie

Rechtspraak informatierecht week 50

bureau Brandeis publiceert wekelijks een selectie van rechtspraak in het kader van het informatierecht.

Week 50: 11 december 2017 – 15 december 2017

  • Gerechtshof Amsterdam 12 december 2017 (Vrijheid van meningsuiting; Uitlatingen hoogleraar over verband tussen voorzitter van YPFDJ Nederland en inlichtingendienst van Eritrea niet onrechtmatig; Er zijn concrete aanwijzingen; Het ontbreken van aanwijzingen van persoonlijke betrokkenheid brengt geen onrechtmatigheid mee; Daarbij weegt mee dat een belangrijke misstand aan de orde werd gesteld en dat het ging om een live radio-interview; Oordeel voorzieningenrechter in hoger beroep bekrachtigd)
  • Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12 december 2017 (gepubliceerd op 13 december 2017)(Strafrecht; Verstrekken van beelden van AVR-verhoren aan SBS door het openbaar ministerie; Schending van het ambtsgeheim; Geen strafuitsluitingsgrond; Informeren publiek niet gewichtiger dan geheimhouding; Vervolging wordt niet opportuun geacht gelet op de omstandigheden van het geval)
  • Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 12 december 2017 (gepubliceerd op 15 december 2017)(Auteursrecht op foto’s; Overeenkomsten van opdracht; Redelijk loon; Daarnaast een vergoeding voor ander dan het overeengekomen gebruik; In dit geval is verzet tegen openbaarmaking zonder naamsvermelding in strijd met de redelijkheid)
  • Rechtbank Den Haag 13 december 2017 (Eames DSW stoel; Auteursrechtelijke bescherming?; Unieverdrag; Duurrichtlijn; Uitleg artikel 2 lid 7 Berner Conventie; Concrete of abstracte toets; Opheffen beslag; Proceskosten kort geding als schade in bodemprocedure?; Geen inbreuk op auteursrechten en geen slaafse nabootsing)
  • Rechtbank Noord-Nederland 8 december 2017 (gepubliceerd op 14 december 2017)(Het gebruik van een beschrijvende aanduiding als handelsnaam en domeinnaam, ook als deze verwarringwekkend is, is alleen onrechtmatig als er bijkomende omstandigheden bestaan die dat meebrengen De door gedaagde gebruikte aanduiding is verwarringwekkend maar eisende partij die zich bedient van vergelijkbare aanduiding heeft onvoldoende feiten gesteld om aan te nemen dat sprake is van bijkomende omstandigheden)

 

Visie

Presentatie PAO cursus Actualiteiten Auteursrecht 2017

Op 6 november 2017 gaf Sam van Velze een presentatie over de “De mededeling aan een nieuw publiek” tijdens de PAO cursus Actualiteiten Auteursrecht 2017. Sinds 2006 is het ‘nieuw publiek’ criterium een belangrijk vereiste voor het recht van ‘mededeling aan het publiek’ in artikel 3(1) Auteursrechtrichtlijn (2001/29/EG). Met een kritische blik behandelt Sam van Velze in haar presentatie de totstandkomingsgeschiedenis van het criterium en gaat zij in op de invloed van het ‘nieuw publiek’ in de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie.

 

Haar PowerPoint presentatie is hier beschikbaar.

 

 

 

Visie

Heel Holland Bakt: een misbaksel?

Handelt Omroep Max in strijd met het dienstbaarheidsverbod uit de Mediawet door het Heel Holland Bakt woord- en beeldmerkrecht ongeclausuleerd aan de BBC over te dragen? Het Commissariaat voor de Media (“Commissariaat”) meende van wel en legde omroep Max een flinke boete op. De rechtbank Midden-Nederland vernietigde dit boetebesluit omdat het voor de omroep redelijkerwijs niet voorzienbaar was dat zij zich schuldig zou maken aan verboden dienstbaarheid. In de afgelopen Mediaforum schreef ik een commentaar.

 

Inmiddels bericht het Commissariaat dat zij geen hoger beroep zal instellen tegen de beslissing. Later dit jaar volgt een beleidsbrief over de reikwijdte van het dienstbaarheidsverbod, zoals opgenomen in artikel 2.142 Mediawet 2008. Op grond van dit artikel hebben de NPO, de RPO en de publieke media-instellingen een zorgplicht om te voorkomen dat het dienstbaarheidsverbod geschonden wordt . In de beleidsbrief zal het Commissariaat voorbeelden gegeven van activiteiten van derden die mogelijk vallen onder dit verbod, zoals merchandising of aanhakende reclame. Ook zal het Commissariaat in deze brief meer duidelijkheid geven hoe omroepen in verschillende situaties – zoals bij de aankoop van programma’s of formats – aan de zorgplicht invulling kunnen geven.

 

We zullen de ontwikkelingen over dit onderwerp monitoren.

Visie

Bousie en Brandeis gaan samen

Per 1 juli treedt Hans Bousie toe als partner van bureau Brandeis. Bousie, oprichter van Bousie advocaten, geldt als autoriteit op het gebied van het entertainmentrecht.

Christiaan Alberdingk Thijm: “Met Hans halen we een advocaat in huis die tot de absolute top behoort, een ondernemer pur sang met een uitgesproken mening over het recht.”

Beide praktijken sluiten naadloos op elkaar aan. Zowel Bousie als bureau Brandeis hebben een sterke achtergrond in digitale technologieën en auteursrecht. Hans brengt daarnaast zijn expertise op het gebied van entertainment- en mededingingsrecht mee.

Hans Bousie: “Het is een hele goede match, zowel zakelijk als persoonlijk. Ik geloof in de keuze die bureau Brandeis maakt: een procespraktijk met hart voor de goede zaak. Met mijn branchefocus en ervaring versterk ik die praktijk.”

De komst van Bousie is een eerste stap in de verbreding van bureau Brandeis. Het litigation kantoor, opgericht in augustus 2013, zal verder uitbreiden met andere specialismen, onder meer cassatie, corporate litigation en bestuursprocesrecht.

Over Hans Bousie
Bousie is twintig jaar advocaat. Met zijn brede media- en entertainmentpraktijk bedient hij cliënten als Bol.com, Pathé, Videoland en Dutch Film Works. Binnen de Nederlandse uitgeverij is hij voor velen de huisadvocaat en is zijn gezag ongeëvenaard. Hans heeft ook een sterke achtergrond in muziek, film en fashion. Hij was betrokken bij de overname van Bertelsmann Music door Universal Music, de oprichting van Selleband en de begeleiding van de eerste lichting Idols kandidaten.

Visie

E-mail disclaimer

De informatie in dit e-mailbericht is strikt persoonlijk en vertrouwelijk en is uitsluitend bestemd voor de geadresseerde(n). De informatie in dit e-mailbericht kan onder de geheimhoudingsplicht van advocaten vallen. Indien het e-mailbericht niet voor u is bestemd en bij vergissing bij u terecht is gekomen verzoeken wij u direct contact met ons op te nemen en het bericht te vernietigen. Verspreiding, openbaarmaking of gebruik van de inhoud van het e-mailbericht is niet toegestaan. Opdrachten worden slechts aanvaard en uitgevoerd onder toepasselijkheid van onze algemene voorwaarden.

 

The information in this e-mail message is strictly private and confidential, and only intended for the addressee. The e-mail message can contain confidential information which may be protected by professional secrecy. Should you receive this message by mistake, we kindly ask you to contact us immediately and destroy the e-mail message. Any use of the contents, reproduction or disclosure to third parties is strictly prohibited. Assignments will only be accepted and carried out under application of our general terms and conditions.

 

Naar
boven