Visie

Ouders Milou (17) dagen Staat voor de rechter om namen anonieme briefschrijvers

Amsterdam — De ouders van Milou Verhoof, de 17-jarige die op 2 oktober 2023 overleed door euthanasie wegens uitzichtloos en ondraaglijk psychisch lijden, staan vandaag voor de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag in een kort geding tegen de Staat der Nederlanden.

In april 2024 stuurden veertien artsen — merendeels psychiaters — een brief aan het College van procureurs-generaal van het Openbaar Ministerie met het verzoek een verkennend strafrechtelijk onderzoek in te stellen naar de ouders en de betrokken behandelaars. In die brief werden de ouders beschuldigd van het onrechtmatig beïnvloeden van de keuze en de wilsbekwaamheid van hun minderjarige dochter.

Het OM concludeerde dat er geen enkele grond was voor strafrechtelijk onderzoek. De Regionale Toetsingscommissie Euthanasie had eerder al geoordeeld dat de euthanasie volledig zorgvuldig was uitgevoerd en dat Milou volledig wilsbekwaam was.

Van de veertien briefschrijvers zijn er zes bij naam bekend. Acht van hen blijven anoniem.

In het kort geding dat dinsdag 18 augustus om 11.00 uur dient bij de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag  vorderen de ouders dat de rechter de Staat beveelt de ongelakte versie van de brief en de namen van de anonieme ondertekenaars te verstrekken.

Zonder die gegevens is elke weg naar de rechter voor hen geblokkeerd.  Zonder de namen verklaart het Regionaal Tuchtcollege Amsterdam de ouders niet-ontvankelijk en is het niet mogelijk een procedure tegen hen te starten wegens onrechtmatige daad. Het OM beschikt over alle namen, maar weigert ze te verstrekken.

De KNMG heeft het optreden van de briefschrijvers eerder al gekwalificeerd als onbetamelijk en onaanvaardbaar.

De ouders worden bijgestaan door mrs. Richard Korver & Minke Gommer van bureau Brandeis.

Contactpersoon voor de pers: Namens de Familie Lars Walder: 06-53432765

FAQ voor de pers — zaak Ouders Milou – OM / Kort Geding 18 augustus 2026

De zaak in het kort

Louis en Mireille zijn de ouders van Milou, de 17-jarige die op 2 oktober 2023 overleed door euthanasie wegens uitzichtloos en ondraaglijk psychisch lijden. Milou leed al vanaf haar elfde jaar aan een zware depressie en was slachtoffer van ernstig seksueel misbruik. Zij doorliep jarenlang intensieve behandelingen, opnames en meerdere suïcidepogingen. De Regionale Toetsingscommissie Euthanasie (RTE) heeft geoordeeld dat de euthanasie volledig zorgvuldig is uitgevoerd.

Op 29 april 2024 stuurden veertien artsen — merendeels psychiaters — een brief aan het College van procureurs-generaal van het Openbaar Ministerie met het verzoek om een verkennend strafrechtelijk onderzoek in te stellen naar de ouders en de betrokken psychiaters. In die brief worden de ouders ervan beschuldigd de keuzevrijheid en wilsbekwaamheid van hun minderjarige dochter onrechtmatig te hebben beïnvloed. Het OM concludeerde vervolgens dat er geen grond was voor strafrechtelijk onderzoek.

Van de veertien briefschrijvers zijn er zes bij naam bekend geworden. Acht blijven tot op heden anoniem. De ouders hebben tuchtklachten ingediend, maar zijn ten aanzien van de acht anonieme artsen niet-ontvankelijk verklaard door het Regionaal Tuchtcollege Amsterdam, simpelweg omdat hun namen onbekend zijn.

Wat wordt gevorderd: In dit kort geding — zitting 18 augustus 2026 bij de Rechtbank Den Haag — vorderen de ouders dat de Staat (het OM) wordt bevolen de namen van de acht anonieme briefschrijvers te verstrekken, op straffe van een dwangsom.

Veelgestelde vragen

  1. Waarom spannen de ouders van Milou een rechtszaak aan tegen het OM?

De ouders willen de anonieme artsen die de brief aan het OM ondertekenden, tuchtrechtelijk én civielrechtelijk ter verantwoording roepen. Het OM beschikt over hun identiteitsgegevens, maar weigert die te verstrekken. Zonder die namen verklaart het tuchtcollege de ouders niet-ontvankelijk en is het niet mogelijk een procedure tegen hen te starten wegens onrechtmatige daad. Volgens de ouders zet de Staat hen gevangen in een catch-22 van eigen makelij: het OM houdt de namen vast, het tuchtcollege blokkeert de klacht omdat de namen ontbreken, en het OM weigert vervolgens te helpen. In dit kort geding wordt de rechter gevraagd die blokkade te doorbreken.

  1. Wat hebben die artsen concreet gedaan dat de ouders zo ernstig vinden?

De artsen stuurden een brief aan het OM waarin zij — zonder het medisch dossier van Milou te kennen, zonder haar ooit te hebben behandeld en zonder contact te hebben gehad met haar of haar ouders — de ouders beschuldigden van het onrechtmatig beïnvloeden van hun dochter. De inhoud van die brief raakte mede door toedoen van een van de artsen zelf  vervolgens breed in de media, waarmee de beschuldiging — dat de ouders hun dochter “de dood in zouden hebben gepraat” — publiekelijk werd. De beroepsorganisatie KNMG heeft het optreden van de briefschrijvers achteraf gekwalificeerd als “onbetamelijk en onaanvaardbaar”.

  1. Waarom beroepen de anonieme artsen zich op privacy, en wat zeggen de ouders daarover?

Het OM weigert de namen te verstrekken, onder meer met een beroep op de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Volgens de ouders staat de AVG aan verstrekking van de gegevens echter niet in de weg. Dit volgt ook uit eerdere rechtspraak. Bovendien heeft het OM zelf in een brief van 9 december 2025 erkend dat het de gegevens mág verstrekken, maar dit niet wil. De ouders stellen ook dat de artsen hun eigen anonimiteit al hebben doorbroken door hun naam en functie aan de brief te verbinden en vervolgens de inhoud van de brief in de media te laten circuleren.

  1. Wat zijn de juridische grondslagen van de vordering?

De ouders baseren hun vordering onder meer op het Lycos/Pessers-arrest van de Hoge Raad, dat criteria geeft voor de verstrekking van identificerende gegevens door een derde. Zij stellen dat aan alle criteria is voldaan: de uitlatingen van de artsen zijn voldoende aannemelijk onrechtmatig, er is een reëel belang bij identificatie, alle alternatieve routes zijn uitgeput, en de belangen van de artsen bij anonimiteit wegen niet op tegen het belang van de ouders bij herstel van hun eer en goede naam (art. 8 EVRM) en bij effectieve rechtsbescherming en toegang tot de rechter (art. 6 EVRM, art. 13 EVRM en art. 47 Handvest).

  1. Wat willen de ouders uiteindelijk bereiken?

De ouders willen geen publiciteit omwille van de publiciteit. Zij willen hun dochter en haar keuze verdedigen. Milou is door de RTE na zorgvuldige toetsing als volledig wilsbekwaam beschouwd, maar de publieke beschuldigingen van de briefschrijvers zetten niet alleen de ouders maar ook de nagedachtenis aan Milou in een vals en grievend daglicht. Door de briefschrijvers en ondertekenaars ter verantwoording te kunnen roepen, willen de ouders bereiken dat artsen die medisch-inhoudelijke oordelen vellen en onjuiste beschuldigingen uiten over personen die zij nooit hebben gezien, daarvoor professioneel verantwoordelijk kunnen worden gehouden — en dat nabestaanden niet rechteloos staan wanneer dat in anonimiteit gebeurt.

Contactpersoon voor de  pers: Namens de Familie Lars Walder: 06-53432765

Visie

Persverklaring oud wethouder aangaande sepot zedenzaak

Het Openbaar Ministerie heeft laten weten de zedenzaak tegen een oud collega te seponeren bij gebrek aan bewijs.

Aangeefster en haar raadsman, advocaat mr. Richard Korver, vinden dat een onjuiste beslissing.

Daarnaast meent aangeefster dat de wijze waarop haar dit is medegedeeld (schriftelijk zonder enig mogelijkheid tot inbreng harerzijds) niet gepast is.

Aangeefster zal een artikel 12 procedure aanhangig maken tegen deze beslissing en het hof vragen alsnog de vervolging van haar oud-collega te bevelen.

Nu de beslissing derhalve niet onherroepelijk is zal aangeefster zich onthouden van verder commentaar en ook geen pers te woord staan, zoals zij overigens gedurende dit hele proces justitie de kans heeft gegeven ongehinderd haar werk te doen.

Zij kan op dit moment niet anders dan constateren dat anderen dat niet hebben gedaan en zal thans geen nadere verklaringen en geen vragen beantwoorden.

Visie

Update recente uitspraken Reclame Code Commissie – april 2026

In deze blog praten we jullie bij over enkele interessante uitspraken van de Reclame Code Commissie (“RCC”) van de afgelopen maanden. De uitspraken betreffen verschillende onderwerpen op het gebied van onder meer influencer marketing, (misleidende) voedingsclaims en de reikwijdte van de vrijheid van meningsuiting bij ideologische reclame – waaronder reclame afkomstig van een pro-life organisatie en twee (fondsenwervende) reclames over Gaza.

Het verband tussen een historisch oprichtingsjaar en het einde van de slavernij

In een uitspraak van 12 maart 2026 beoordeelt de RCC een klacht over een biercommercial die zou verwijzen naar de manier waarop Nederlanders hebben geprofiteerd van de slavernij. In de reclame wordt een biertje getapt en verschijnt de tekst: “die verfrissende smaak sinds 1873”.

Volgens de  klager is de commercial stuitend omdat in 1863 slavernijgelden via een Surinaamse weduwe in de brouwerij zijn geïnvesteerd en 1873 voor Surinamers een beladen jaar is: het einde van het Staatstoezicht en de daadwerkelijke vrijlating. De uiting zou daarom in strijd zijn met de goede smaak en/of fatsoen (artikel 2 Nederlandse Reclame Code (“NRC”)) en nodeloos kwetsend zijn (artikel 4 NRC).

De adverteerder voert aan dat “Est. 1873” en “sinds 1873” gangbare, feitelijke verwijzingen zijn naar traditie, historie en kwaliteit, zonder schokkende of aanstootgevende elementen. Ook verwijst hij naar onafhankelijk historisch onderzoek waaruit niet blijkt dat de eerste brouwerij met slavernijgelden is gefinancierd.

Vanwege  het subjectieve karakter van de normen goede smaak, fatsoen en nodeloos kwetsend hanteert de RCC een terughoudende toets. Dat het oprichtingsjaar samenvalt met het einde van de slavernij in Suriname, en het veronderstelde financiële verband daartussen, maakt de uiting volgens de RCC niet ontoelaatbaar. De klacht wordt afgewezen.

#gekregen

Op 10 maart 2026 behandelt de RCC een klacht over reclame in Instagram Stories van een influencer.

De klager stelt dat de influencer in twee opeenvolgende Stories een op maat gemaakte kast aanprijst en vier kortingscodes deelt, zonder duidelijk te maken dat het om een betaalde samenwerking gaat. Dat is volgens de klager misleidend.

De influencer voert aan dat in eerdere Stories in dezelfde reeks de hashtag “#gekregen” in beeld stond, zodat het publiek al wist dat sprake was van een samenwerking met de adverteerder. Deze vermelding ontbrak in de twee onderhavige Stories. De adverteerder wijst erop dat in het contract staat dat de influencer de samenwerking als commercieel moet markeren via de juiste platformtools. Deze Stories zijn echter niet vooraf ter goedkeuring voorgelegd, waardoor de fout niet is opgemerkt.

De RCC oordeelt dat zowel de influencer als de adverteerder tekort is geschoten:

  • Sprake is van een ‘relevante relatie’ in de zin van artikel 2 Reclamecode Social Media & Influencer Marketing (“RSM”), omdat de influencer een vergoeding en een kast heeft ontvangen om reclame te maken. Omdat deze relatie niet uitdrukkelijk in de uiting wordt vermeld, is sprake van strijd met artikel 3 onder b RSM:
    • Het enkele gebruik van een “@” met de naam van adverteerder is hiertoe onvoldoende;
    • Ook de vermelding van kortingscodes is onvoldoende om duidelijk kenbaar te maken dat de video op een samenwerking, door middel van een gratis gekregen product en vergoeding, berust.
  • Op grond van artikel 6 lid 4 RSM is de adverteerder mede verantwoordelijk voor naleving van artikel 3 RSM. Een contractuele verplichting alleen is daarvoor niet genoeg: de adverteerder moet zich actief inspannen om de influencer aan de regels te houden en op overtredingen te reageren, wat hier niet is gebeurd. De adverteerder zegt maatregelen te hebben genomen, zoals een aanvullende training over reclamerecht, om herhaling te voorkomen.

De RCC acht de uitingen daarom in strijd met artikel 3 onder b RSM en beveelt zowel de influencer als de adverteerder aan om niet meer op deze wijze reclame te maken.

Toezicht door het Commissariaat voor de Media

Het is dus belangrijk om transparant te zijn over het bestaan van een betaalde samenwerking. Dit wordt verder onderstreept door het nieuwsbericht van het Commissariaat voor de Media (het “Commissariaat”) deze week. Zo laat het Commissariaat weten dat onderzoek is uitgevoerd naar de herkenbaarheid van reclame voor jonge kijkers (via YouTube, Instagram en TikTok). Het Commissariaat bekeek meer dan duizend video’s van verschillende influencers en constateert dat influencers duidelijker moeten maken wanneer hun content reclame bevat. Dit moet worden gedaan door middel van een reclamevermelding die “in één oogopslag zichtbaar of hoorbaar” moet zijn in een video en geldt ook voor reclame die zij maken voor hun eigen merk. Het Commissariaat biedt verdere guidance over hoe aan deze regels kan worden voldaan.

Sinds juni 2025 valt een grotere groep influencers onder actief toezicht van het Commissariaat. Zie ook onze eerdere blog hierover: https://bureaubrandeis.com/video-uploaders-met-minder-dan-500-000-volgers-vanaf-16-juni-2025-ook-onder-toezicht-van-het-commissariaat-voor-de-media/. Zij riskeren een formele waarschuwing of boete bij niet-naleving van voornoemde regels.

Misleidende zwangerschapskaartjes van een pro-life organisatie

In een uitspraak van 4 maart 2026 beoordeelt de RCC of een wervende kaart voor hulp bij onbedoelde zwangerschappen in strijd is met de reclamecode, wanneer de organisatie met een uitgesproken anti-abortusstandpunt niet wordt genoemd. Op de voorkant staat: “Onbedoeld zwanger? Je staat er niet alleen voor. Er is hulp.” Op de achterkant staan een hartje en een link naar de website waarvoor de organisatie hulp verleent.

Volgens de  klager voldoet het kaartje niet aan de NRC omdat onduidelijk is welke organisatie erachter zit. Vrouwen in een kwetsbare positie die onafhankelijke informatie zoeken, komen zo uit bij een hulpaanbod met pro-life standpunten, wat misleidend zou zijn.

De RCC stelt voorop dat organisaties vanuit ideologische overtuiging hulp mogen aanbieden, maar dat wel duidelijk moet zijn door wie en vanuit welke context een boodschap komt. Omdat de naam waaronder de hulp wordt verleend en de organisatienaam sterk verschillen, ontbreekt essentiële context over het pro-life perspectief. Gezien de kwetsbare doelgroep schaadt dit het vertrouwen in reclame, zodat de uiting in strijd is met artikel 5 NRC is. De RCC geeft de adverteerder het vrijblijvend advies om voortaan niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken.

81% + 27% is niet 100%?

In een uitspraak van 3 maart 2026 beoordeelt de RCC of de claim “met 81% fruit” op een pot abrikozenfruitspread misleidend is als het eindproduct ook 27% suiker bevat. De klager vindt dat misleidend, omdat 81% en 27% samen meer dan 100% zijn.

De adverteerder stelt dat “81% fruit” ziet op de hoeveelheid abrikoos die bij aanvang van het proces wordt gebruikt. Tijdens het koken verliest de vrucht vocht en daalt het gewicht, maar blijft het aandeel fruit hoog. Volgens de adverteerder sluit dit aan bij artikel 22 lid 2 en bijlage VII onder 4 van de Verordening (EU) Nr. 1169/2011 betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten (“VIC Verordening”).

De RCC volgt dit verweer. De adverteerder past de regels van de VIC Verordening correct toe, waarin staat dat bij producten met vochtverlies moet worden uitgegaan van de hoeveelheid ingrediënt vóór de bereiding. Dat het percentage abrikoos in het eindproduct lager is dan 81% is daarom geen reden om van deze etiketteringsregels af te wijken. De klacht wordt daarom afgewezen.

Vrijheid van meningsuiting over Gaza

In een uitspraak van 24 februari 2026 beoordeelt de RCC een klacht over een fondsenwervende brief over het conflict in Gaza. Op de envelop staat: “Schokkend: meer dan 250 journalisten gedood door Israël”. In de brief wordt onder meer gesteld dat:

  • dit het hoogste aantal gedode journalisten in een conflict in de afgelopen twee jaar betreft;
  • Gaza voor journalisten nog steeds de meest dodelijke plaats ooit is; en
  • journalisten daar zes keer meer risico lopen om te worden gedood dan burgers.

Als voorbeeld wordt de dood van journalist Saleh al-Jafawari genoemd. Adverteerder verzoekt om donaties om journalisten in Gaza te steunen.

Volgens de klager zijn de uitingen feitelijk onjuist en daarom misleidend. Klager wijst op hogere aantallen gedode journalisten in bijvoorbeeld Syrië (715) en tijdens de Tweede Wereldoorlog (1232 Joodse journalisten), betwist dat het zesvoudige risico is onderbouwd en stelt dat de genoemde journalist volgens bronnen door een Palestijnse militie is gedood. Fondsenwerving op basis van deze onjuistheden zou volgens klager, in strijd met artikel 8 en 10 NRC, het vertrouwen in reclame schaden.

De adverteerder voert primair aan:

  • dat sprake is van ideële reclame, zodat artikel 8 NRC niet van toepassing is;
  • dat artikel 10 NRC – bedoeld om consumenten tegen misleidende commerciële praktijken te beschermen – niet geldt voor haar niet-commerciële, ideële fondsenwerving;
  • dat de uitingen onder het recht op vrijheid van meningsuiting (artikel 10 EVRM) vallen, dat slechts mag worden beperkt bij een dringende maatschappelijke noodzaak; en
  • dat beide partijen het eens zijn over de kernboodschap: journalisten in Gaza lopen gevaar.

Subsidiair stelt de adverteerder dat de beweringen in de brief feitelijk kloppen. Adverteerder verwijst in het verweer naar onder meer VN-uitspraken en academisch onderzoek die Gaza “the deadliest conflict ever for journalists” noemen, geeft het voorbeeld van een omgekomen journalist als illustratie en onderbouwt het zesvoudige risico met een berekening waarbij het aandeel gedode journalisten wordt vergeleken met het aandeel gedode burgers.

De RCC oordeelt dat het ontbreken van (voornoemde) bronvermeldingen in de reclame-uiting niet maakt dat het gebruik van de zin – “In de afgelopen twee jaar werden meer dan 250 Palestijnse journalisten gedood – het hoogste aantal in een conflict” – van dien aard is dat daardoor, naar de huidige maatschappelijke opvattingen, de grens van het toelaatbare wordt overschreden.

Ook suggereert het voorbeeld van Saleh al-Jafawari niet dat hij tot die 250 journalisten behoort; in de brief is niet vermeld dat deze journalist om het leven is gebracht door Israël, aldus de RCC. Zodat dit klachtonderdeel ongegrond wordt geacht.

Ten aanzien van de stelling dat journalisten zes keer meer risico lopen dan burgers overweegt de RCC dat het ontbreken van feitelijke onderbouwing nog niet betekent dat de uiting ontoelaatbaar is. Verder heeft adverteerder in reactie op de klacht toegelicht op welke berekening deze uitspraak is gebaseerd.

De RCC concludeert dat van ontoelaatbare reclame geen sprake is en wijst de klacht af.

Toelaatbaarheid van het gebruik van de term ‘genocide’ in reclame

In een uitspraak van 19 februari 2026 beoordeelt de RCC een klacht over een televisiecommercial waarin volgens de klager ten onrechte het woord genocide wordt gebruikt voor onder meer de situatie in Gaza. De commercial toont beelden van puin na bombardementen, extreme arbeidsomstandigheden en andere verwoestende situaties, terwijl een voice-over onder meer zegt: “Wegkijken is een keuze. Terwijl in Gaza een genocide gezinnen verscheurt. (…) Welke keuze maak jij? Doneer nu op [website adverteerder]”.

De klager stelt dat in Gaza wel sprake kan zijn van oorlogsmisdaden of genocidaal geweld, maar niet van genocide. Fondsen werven acht klager toelaatbaar, maar dan op basis van feiten en niet op meningen.

De RCC oordeelt dat het gebruik van het woord genocide toelaatbaar is, omdat dit duidelijk een mening van de adverteerder is en geen definitief juridisch of feitelijk oordeel. Voor een donatie-oproep geldt een ruime vrijheid van meningsuiting. Dat het woord genocide alleen zou mogen worden gebruikt als een rechter daar een uitspraak over heeft gedaan, vindt geen steun in het recht, aldus de RCC. Dat meningen over hoe de situatie in Gaza moet worden geduid uiteenlopen maakt de commercial evenmin ontoelaatbaar; ook een mening die niet door iedereen wordt gedeeld mag worden geuit. De RCC komt tot afwijzing van de klacht.

Vragen over deze onderwerpen? Neem graag contact op met Bente van Kan of Machteld Robichon.

Met dank aan Roemer van Stekelenburg

Visie

Cyberbeveiligingswet in de praktijk: de zorgplicht, ISO-certificering en de rol van het bestuur

Op 23 maart besprak de Tweede Kamer de Cyberbeveiligingswet (“Cbw”), de Nederlandse implementatie van de Network and Information Security Directive (EU 2022/2555; “NIS2-richtlijn”). Streven is nog steeds om de wet dit kwartaal in te voeren.  De hack op Odido en de recente hack bij Ajax laten zien dat het beveiligen van je informatievoorziening geen overbodige luxe is, maar noodzakelijk om incidenten te voorkomen. Bij de Odido hack zijn van veel mensen persoonsgegevens op het dark web gepubliceerd. Deze persoonsgegevens kunnen worden gebruikt om phishing mails te sturen, bestellingen of abonnementen op uw naam af te sluiten of een poging te doen uw bankaccount over te nemen. Dergelijke cyberincidenten kunnen voorkomen worden met een goede cybersecurity. Daarom zoomen we in deze blog in op de zorgplicht onder de Cbw.

Inmiddels is er vanuit verschillende instanties informatie gedeeld over de Cbw, zoals het Nationaal Cyber Security Centrum en de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur (“RDI”), die voor veel partijen onder de Cbw als toezichthouder zal optreden. De Rijksoverheid adviseert dan ook aan organisaties om nu alvast te beginnen met implementatie van de regels uit de Cbw, omdat de risico’s op cyberincidenten nu al aanwezig zijn.

Zorgplicht

Een van de verplichtingen onder de Cbw is de zorgplicht uit artikel 21 Cbw. De zorgplicht onder de Cbw houdt in dat essentiële en belangrijke entiteiten passende en evenredige technische en organisatorische maatregelen moeten treffen. Of aan de zorgplicht wordt voldaan wordt door de aangewezen toezichthouders gecontroleerd, onder andere door entiteiten te verplichten schriftelijk vast te leggen wat de entiteit doet na een attendering van de toezichthouder, het Computer Security Incident Response Team (“CSIRT”) of een andere overheidsinstantie.

In de Cbw zijn een aantal minimummaatregelen opgenomen om invulling te geven aan de zorgplicht:

  • Beleid inzake risicoanalyse en beveiliging van informatiesystemen
  • Incidentenbehandeling
  • Bedrijfscontinuïteit, zoals back-upbeheer, herstelplannen en crisisbeheer
  • De beveiliging van de toeleveringsketen, met inbegrip van beveiligingsgerelateerde aspecten met betrekking tot de relaties tussen de entiteit en haar rechtstreekse leveranciers of dienstverleners
  • Basispraktijken op het gebied van cyberhygiëne en opleiding op het gebied van cyberbeveiliging
  • Beveiliging bij het verwerven, ontwikkelen en onderhouden van netwerk- en informatiesystemen met inbegrip van de respons op en bekendmaking van kwetsbaarheden
  • Beveiligingsaspecten ten aanzien van personeel, toegangsbeleid en beheer van assets
  • Wanneer gepast, het gebruik van multifactor-authenticatie- of continue-authenticatieoplossingen, beveiligde spraak-, video- en tekstcommunicatie en beveiligde noodcommunicatiesystemen binnen de entiteit
  • Beleid en procedures inzake het gebruik van cryptografie en, in voorkomend geval, encryptie
  • Beleid en procedures om de effectiviteit van maatregelen voor het beheersen van cyberbeveiligingsrisico’s te beoordelen.

Het Nationaal Cyber Security Centrum in Nederland heeft op haar website inmiddels een aantal adviesproducten ontwikkeld die kunnen helpen bij het implementeren van deze maatregelen.

ISO-certificering als handvat voor compliance

Een ander handvat bij de implementatie van de Cbw zijn de ISO 27001 normen. ISO 27001 is de internationale standaard voor informatiebeveiliging. Een ISO-certificering toont aan dat de informatiebeveiliging van een organisatie goed beveiligd is. Een ISO-certificaat kan NIS2 compliance ondersteunen. Mede daarom heeft zowel het Europese agentschap voor Cyber Security (“ENISA”) als De Baseline informatiebeveiliging Overheid een tabel gemaakt waarin de ISO-normen vergeleken worden met de Cbw. De Baseline informatiebeveiliging Overheid bevat basisnormen voor informatiebeveiliging binnen de overheid (Rijk, gemeenten, waterschappen en provincies). ENISA bekommert zich over de cybersecurity in Europa. Verschillende maatregelen, zoals multi-factor authenticatie of incidentenbehandelingen, vallen onder de normen van ISO 27001 en zijn verplicht onder de zorgplicht van de Cbw. Het bezitten van ISO 27001 certificering kan dus helpen bij het voldoen aan de verplichtingen uit de NIS2, maar is niet voldoende om aan de verplichtingen onder de NIS2 te voldoen.

Grotere verantwoordelijkheid voor het bestuur

Waar de ISO-normen enkel eisen stellen aan de techniek en de organisatie daarvan, stelt de Cbw ook eisen aan het bestuur van een entiteit. Zoals ook in een eerdere blog beschreven, bepaalt artikel 24 van de Cbw dat bestuurders eindverantwoordelijk zijn voor de naleving van de Cbw verplichtingen. De NIS2, gaat niet in op de definitie van ‘het bestuur’. In de memorie van toelichting bij de Cbw wordt voor ‘bestuur’ aanknoping gezocht bij de Digital Operational Resilience act (“DORA”), een verordening met het doel de digitale weerbaarheid van financiële instellingen te verhogen. Uit deze verordening wordt afgeleid dat onder het bestuur wordt verstaan:

  • Het dagelijks bestuur en niet een toezichthoudend orgaan (zoals een RvC)
  • En in het geval van een one-tier board, de uitvoerende bestuurders en niet de niet-uitvoerende bestuurders.

Het bestuur is bij rechtspersonen dus de gebruikelijke term uit boek 2 van het Nederlands Burgerlijk Wetboek (“BW”). De zorgplicht uit artikel 24 van de Cbw rust dus op het bestuur van een rechtspersoon in de zin van boek 2 BW. De memorie van toelichting verwijst in lijn hiermee naar de taak van het bestuur voor de N.V.  en B.V. in respectievelijk artikel 2:129 en artikel 2:239 BW.

Aansprakelijkheid feitelijk leidinggevende onder Algemene wet bestuursrecht

Naast bestuurders kunnen ook andere natuurlijke personen aansprakelijk gesteld worden voor schending van verplichtingen onder de Cbw. Het gaat hier om personen die, hoewel ze geen bestuurder zijn, in feite de besluiten nemen en controle uitoefenen over de naleving van de verplichtingen uit de Cbw. Deze aansprakelijkheid is dus niet beperkt tot bestuurders, maar kan ook zien op andere personen binnen een organisatie. In NIS2 is niet uitgewerkt hoe deze aansprakelijkheid vormgegeven moet worden. In Nederland wordt dit ingevuld met bestuursrechtelijke handhaving waarop de Algemene wet bestuursrecht (“Awb”) van toepassing is. Op basis van artikel 5:1 van de Awb geldt dat indien een rechtspersoon een overtreding begaat, degene die tot het feit opdracht gegeven heeft of degene die feitelijk leiding heeft gegeven ook een sanctie opgelegd kan krijgen, zoals een bestuurlijke boete. Dit wel onder de voorwaarde dat voldaan is aan het leerstuk feitelijk leidinggeven in de zin van de Awb.

Conclusie

De zorgplicht onder de Cbw brengt dus veel nieuwe verplichtingen en verantwoordelijkheden voor bestuurders van entiteiten mee. De ISO-normen kunnen steun bieden bij het voldoen aan de technische en organisatorische maatregelen die uit de Cbw volgen.

Wilt u meer weten over de verplichtingen die gelden voor u als bestuurder en hoe u uw organisatie en positie kunt beschermen? Neem dan contact op met Machteld Robichon of Bente van Kan.

Met dank aan Maartje Nelemans

Lees daarnaast onze andere blogs, waaronder:

Visie

Chambers rankings 2026

Wij zijn trots dat Bureau Brandeis opnieuw wordt erkend in de Chambers Europe Guide 2026.

Zes van onze kernpraktijken zijn opgenomen in de ranglijst: Class Actions (Band 2), Intellectual Property (Band 4), Litigation (Band 4), Mededingingsrecht/Europees recht (Band 3) en zowel TMT Media als TMT Telecom (beide Band 2). Deze erkenning bevestigt onze sterke positie in de Nederlandse en Europese markt.

Daarnaast onderstreept de vermelding van onze praktijk in de Chambers Global Guide onze toenemende internationale zichtbaarheid en betrokkenheid bij grensoverschrijdende zaken.

De feedback van onze cliënten sluit nauw aan bij onze strategie als gespecialiseerd proceskantoor. Ons team wordt omschreven als “pragmatic, hands-on” en gewaardeerd om het vermogen om “business requirements te vertalen naar effectieve strategieën richting toezichthouders”. Ook wordt onze combinatie van “deep technical expertise” en een “highly practical, business-oriented approach” expliciet genoemd.

Ook individueel worden onze partners erkend. Bas Braeken wordt geprezen om zijn “exceptional legal acumen” en “strategic foresight” en is gerankt in Band 2 voor Mededingingsrecht/Europees recht. Christiaan Alberdingk Thijm is gerankt in Band 3 voor IP en Band 2 voor TMT Media. Machteld Robichon is gerankt in Band 3 voor zowel TMT Media als TMT Telecom. Marnix Holtzer is gerankt in Band 4 voor Litigation.

Deze resultaten bevestigen onze koers: bouwen aan een toonaangevend litigationkantoor met een duidelijke focus, inhoudelijke diepgang en groeiende internationale impact. Wij danken onze cliënten en zakenpartners voor hun vertrouwen en voor hun waardevolle bijdrage aan het onderzoek van Chambers & Partners.

Visie

bureau Brandeis benoemt Martine Passier per 2 maart 2026 tot kantoordirecteur.

Amsterdam, 2 maart 2026 – bureau Brandeis benoemt Martine Passier per 2 maart 2026 tot kantoordirecteur. De benoeming volgt op de aanhoudende groei van het kantoor en de daarmee samenhangende behoefte aan verdere professionalisering van de organisatie. Martine treedt toe tot het dagelijks bestuur, naast Wesley Vader, Bas Braeken en Jana Penkoski.

Als kantoordirecteur richt zij zich op de strategische en organisatorische ontwikkeling van het kantoor, met aandacht voor people & culture, business development, marketing en communicatie, kwaliteitsmanagement en organisatie brede projecten.

Naast haar rol als kantoordirecteur zal Martine ook inhoudelijk meewerken binnen de privacypraktijk van Elise Troll. Vanuit haar ruime ervaring op het gebied van privacy, governance en compliance levert zij daarmee een directe bijdrage aan de verdere uitbouw van deze praktijk.

Martine brengt brede ervaring mee binnen professionele dienstverlening. Zij vervulde eerder diverse senior management- en directierollen, onder meer als Director Privacy en Group Data Protection Officer bij Talpa Network. Daarnaast heeft zij een achtergrond als advocaat en mediator en ruime ervaring met governance, compliance en organisatieontwikkeling.

Wesley Vader en Bas Braeken, Co-Managing Partners:
“De groei die bureau Brandeis doormaakt vraagt om een verdere versterking van de organisatie. Met Martine voegen we een kantoordirecteur toe die organisatie, strategie en inhoud op een natuurlijke manier weet te verbinden en daarmee een waardevolle aanvulling vormt op het dagelijks bestuur.”

Martine Passier:
“bureau Brandeis is een kantoor dat zichtbaar in ontwikkeling is. Ik kijk ernaar uit om samen met het dagelijks bestuur en het team bij te dragen aan die groei. Dat ik daarnaast ook nog inhoudelijk betrokken kan blijven bij de privacy praktijk is een unieke kans en een uitdaging die ik heel graag aan ga.”

Visie

bureau Brandeis versterkt partnerteam met Marnix Holtzer

Advocatenkantoor bureau Brandeis breidt het partnerteam verder uit met de benoeming van Marnix Holtzer. Hij treedt per 1 februari toe als partner. Met deze versterking zet bureau Brandeis een volgende stap in de verdere uitbouw van haar high-end litigationpraktijk.

De komst van Holtzer sluit aan bij de strategie van bureau Brandeis om zich te richten op complexe procedures waarin civiel en strafrecht, maar ook toezicht en bestuurlijke handhaving samenkomen.

Toonaangevende versterking van Commercial & Corporate Litigation praktijk

Marnix Holtzer sluit zich aan bij bureau Brandeis als partner binnen de praktijkgroep commercial & corporate litigation. Marnix is een vooraanstaand procesadvocaat met een sterke focus op ondernemingsrechtelijke geschillen.

In zijn praktijk staat Marnix ondernemingen, bestuurders en aandeelhouders bij in complexe procedures, waaronder enquêteprocedures bij de Ondernemingskamer, geschillen over bestuurdersaansprakelijkheid en class actions. Vaak zijn dit procedures waarin ondernemingen en bestuurders tegenover toezichthouders, belangenorganisaties of andere stakeholders staan. Zo staat hij onder meer de raad van bestuur van SNS Reaal ten tijde van de onteigening bij, is hij onlangs voor vijf jaar door de Ondernemingskamer benoemd tot beheerder van de aandelen van Sanderink Investments in Oranjewoud/Strukton, stond hij de voormalig CEO succesvol bij in de vele claims die tegen hem werden ingediend en treedt hij op voor Lodewijk Asscher en Ton Heerts in een baanbrekende zaak tot verbetering van de governance bij vakbond FNV.

Marnix is lid van de Monitoring Commissie Corporate Governance Code en richtte de Vereniging Corporate Litigation op. In 2014 promoveerde hij op de invloed van werknemers op de strategie van een onderneming. Marnix is een gevestigde naam op het gebied van corporate en commercial litigation en is als zodanig ook erkend in de juridische vakpers. Zo omschrijft Chambers & Partners hem als een “great lawyer who prepares himself and the client very well”. Legal500 (2025) schrijft over hem “he does not shy away from difficult situations in which various stakeholders are involved and always acts pragmatically”.

Marnix Holtzer zal binnen bureau Brandeis een belangrijke rol vervullen bij de verdere groei van de gerenommeerde (internationale) litigation praktijk.

Quotes

Wesley Vader en Bas Braeken, managing partners van bureau Brandeis:
“Met Marnix Holtzer versterken we de positie van bureau Brandeis als het litigation en regulatory enforcement boutique kantoor van Nederland. Marnix brengt diepgaande ervaring in onder meer corporate litigation en het enquêterecht mee.”

Marnix Holtzer:
“bureau Brandeis kiest nadrukkelijk voor procederen in zaken waar veel op het spel staat. Dat vraagt om inhoud, strategie en betrokkenheid. Ik geloof dat een procesadvocaat in zulke situaties een rots in de branding moet zijn voor zijn cliënt. Die manier van werken, vanuit een gespecialiseerde litigation boutique, sluit precies aan bij mijn praktijk.”

 

Visie

bureau Brandeis versterkt partnerteam met Elise Troll

Advocatenkantoor bureau Brandeis breidt het partnerteam verder uit met de benoeming van Elise Troll. Zij treedt per 1 februari toe als partner. Met deze versterking zet bureau Brandeis een volgende stap in de verdere uitbouw van haar high-end litigationpraktijk.

De komst van Elise sluit aan bij de strategie van bureau Brandeis om zich te richten op complexe procedures waarin civiel en strafrecht, maar ook toezicht en bestuurlijke handhaving samenkomen.

Versterking van Privacy, Technologie en AI

Elise Troll sluit zich aan bij bureau Brandeis als partner en zal leidinggeven aan het privacyteam. Zij is een ervaren advocaat met een duidelijke focus op het privacyrecht.

Een belangrijk deel van haar praktijk bestaat uit advisering, procedures en handhavingstrajecten bij de Autoriteit Persoonsgegevens, onder meer over de verwerking van persoonsgegevens in gevoelige en sterk gereguleerde contexten.

Elise adviseert en procedeert over AVG-vraagstukken zoals internationale doorgifte van persoonsgegevens en rechten van betrokkenen. Tevens houdt zij zich bezig met grote contractsonderhandelingen en data protection impact assessments. Zij werkt voor zowel nationale als internationale cliënten en beweegt zich soepel tussen advisering, procederen en strategische positionering. Recentelijk vertegenwoordigde zij een partij in een handhavingsprocedure bij de Autoriteit Persoonsgegevens en wist zij het dossier zonder boete te laten sluiten.

Elise wordt breed gezien als een groot talent op het gebied van het privacyrecht. Zo schrijft Legal 500 (2024) over haar: “Elise Troll is definitely on the rise. She is super smart, always available, very practical, comes with creative and out of the box solutions and is fun to work with. She is strong on both content and relationship.’”

Binnen bureau Brandeis zal zij haar praktijk verder uitbouwen met een duidelijke focus op het privacyrecht maar ook regelgeving op het gebied van AI. Ook zal zij een actieve rol spelen in collectieve acties en andere zaken met een bredere impact. Met haar komst versterkt bureau Brandeis haar profiel als kantoor waar privacyrecht nadrukkelijk ook in procedures wordt vormgegeven.

Quotes

Wesley Vader en Bas Braeken, managing partners van bureau Brandeis:
“Met de komst van Elise Troll wordt onze positie op privacy, technologie en bestuurlijke handhaving aanzienlijk versterkt”.

Elise Troll:
“De focus van bureau Brandeis op procedures en handhavingskwesties spreekt mij zeer aan. Privacyrecht speelt zich steeds vaker af in de rechtszaal, onder meer in de collectieve acties-praktijk (WAMCA), waar bureau Brandeis een vooraanstaande positie inneemt. Ik kijk ernaar uit om, naast mijn adviespraktijk, een bijdrage te leveren aan die bestaande procespraktijk.”

 

Visie

Update recente uitspraken Reclame Code Commissie – december 2025

In deze blog praten we jullie bij over enkele interessante uitspraken van de Reclame Code Commissie (“RCC”) van de afgelopen maanden. De blog bevat uitspraken waarin de RCC zich uitspreekt over verschillende thema’s, zoals reclame voor minderjarigen, misleidende (duurzaamheids)claims en de waarheidsplicht bij reclame.

Anti-abortus reclamefolders bij de huisarts

In een uitspraak van de RCC 19 november 2025 heeft de RCC geoordeeld over een klacht tegen een pro life organisatie naar aanleiding van een brief en bijbehorende folder. Deze brief werd, in de context van de wetswijziging die het mogelijk maakt voor huisartsen om de abortuspil voor te schrijven, op grote schaal per post aan huisartsen verstuurd en bevatte als bijlage een folder met de titel “Waarom ik, als huisarts geen abortuspil voorschrijf”. Deze folder stond ook op de website van de organisatie.

Er werd geklaagd dat de brief en folder niet als neutrale informatie kwalificeren, maar als reclame voor denkbeelden. De brief en folder zouden niet als reclame herkenbaar zijn omdat de daadwerkelijke afzender zich onvoldoende kenbaar maakt en de folder wordt ondertekend met “je huisarts”. Daarnaast zou de brief huisartsen aansporen om de folder, die expliciet is gericht op mogelijk kwetsbare vrouwen, in hun wachtkamer te leggen. Tot slot zou de folder feitelijke onjuistheden bevatten die inspelen op angstgevoelens.

Uiteindelijk worden er 11 passages van de brief en de folder door de RCC beoordeeld, niet alle klachten worden door de RCC gevolgd. Zo wordt er bijvoorbeeld geklaagd dat de passage “Doel van deze verandering is om de drempel voor het gebruik van de abortuspil te verlagen” zou suggereren dat de wetswijziging zou leiden tot “impulsief, onzorgvuldig of onveilig handelen”. De RCC oordeelt echter dat deze suggestie niet wordt gewekt en dat de stelling uit de folder voldoende grondslag vindt in de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel. Er is dus op dit punt geen sprake van strijd met artikelen 2 en/of 6 van de Nederlandse Reclamecode (“NRC”).

Van de 11 passages waarover wordt geklaagd wordt de klacht uiteindelijk op 2 onderdelen afgewezen. Van de 9 toegewezen klachtonderdelen worden er uiteindelijk 3 als misleidend of onjuist gekwalificeerd, 5 als ongerechtvaardigd appellerend aan gevoelens van angst waarvan één zelfs een bedreiging voor de volksgezondheid vormt en één uiting als schadelijk voor het vertrouwen in reclame. Hieronder worden deze categorieën a.d.h.v. een aantal voorbeelden uit de uitspraak toegelicht.

Schadelijk voor het vertrouwen in reclame als bedoeld in artikel 5 NRC

De RCC oordeelt dat de brief en folder, zowel tezamen als apart, kwalificeren als reclame voor denkbeelden. Aangezien de brief is ondertekend door een functionaris van de organisatie en voorzien is van het logo is die voldoende kenbaar volgens de RCC. De folder is daarentegen niet voldoende duidelijk aangezien nergens wordt vermeld wie de daadwerkelijke schrijver is en het is ondertekend door “je huisarts”. Daarnaast verwijst de folder naar “onafhankelijke organisaties” die eigenlijk aan de afzender zijn gelieerd. Dit schaadt het vertrouwen in reclame in de zin van artikel 5 NRC, aldus de RCC.

In strijd met de waarheid als bedoeld in artikel 2 NRC

Met name medische beweringen uit de folder lijken misleidend of onjuist te zijn, zo wordt er bijvoorbeeld gesuggereerd dat een echo noodzakelijk zou zijn om een abortuspil voor te schrijven, voor het vaststellen van de duur van de zwangerschap . De klagers stellen echter dat “vrouwen doorgaans goed in staat zijn om de duur van hun zwangerschap in te schatten op basis van de datum van hun laatste menstruatie en het de huisarts vrij staat om alsnog een echo te laten verrichten, indien er twijfel bestaat bij de patiënte of de huisarts over de zwangerschapsduur.” Hoewel sommige artsen er de voorkeur aan geven om aan de hand van een echo de duur “exact” vast te stellen, oordeelt de RCC dat dit niet voldoende grondslag biedt “voor de juistheid van voornoemde suggestie dat een abortuspil alleen kan worden ingezet als door middel van een echo “de exacte duur” van de zwangerschap is vastgesteld”.

Ongerechtvaardigd appellerend aan gevoelens van angst als bedoeld in artikel 6 NRC

Een groot deel van de beklaagde uitingen acht de RCC ontoelaatbaar omdat zij zonder rechtvaardiging onrust en angst oproepen. Het gaat om uitingen zoals dat “de richtlijnen zodanig [zijn] versoepeld, om het voorschrijven maar mogelijk te maken, dat zelfs abortusartsen op de risico’s wijzen”. De onderbouwing hiervan is dat er tijdens de internetconsultatie meerdere artsen zouden zijn geweest die hadden gewezen op concrete risico’s en waarvan niet alle bezwaren zijn weggenomen. De RCC oordeelt echter dat dit de suggestie “dat er sprake is van een versoepeling van richtlijnen, puur om het voorschrijven van de abortuspil door huisartsen mogelijk te maken, met de (medische) risico’s van dien” niet rechtvaardigt en dat er sprake is van ongerechtvaardigd appelleren aan gevoelens van angst.

Bedreiging voor de geestelijke en/of lichamelijk volksgezondheid als bedoeld in artikel 4 NRC

In de passage “Een waarnemer die een andere visie kan hebben op de abortuspil, maar daarvoor wel de verantwoording moet overnemen. Dat vind ik ongewenst” wordt gesuggereerd dat ‘je huisarts’ niet voldoende vertrouwen heeft in de (eventueel noodzakelijke) hulpverlening door de betreffende waarnemer en dat een vrouw die door complicaties in nood is, mogelijk ontoereikende medische zorg zou krijgen. Aangezien niet valt uit te sluiten dat kwetsbare vrouwen die deze passage lezen voordat zij met een arts hebben gesproken van nodige medische zorg afzien of dit uitstellen, brengt dit ernstige risico’s met zich mee voor de lichamelijke en psychische gezondheid van deze doelgroep. Deze uiting wordt daarom gekwalificeerd als een bedreiging voor de geestelijke en/of lichamelijke volksgezondheid.

De RCC geeft adverteerder het vrijblijvend advies om voortaan niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken.

Motherf*cking windmolens ten onrechte neergezet als milieuvriendelijke oplossing?

In een uitspraak van de RCC 13 november 2025 behandelt de RCC een klacht over een reclame van een energieleverancier.

De klager stoort zich enerzijds aan een ongenuanceerd positief beeld dat over windmolens wordt geschetst door de acteur zeewierchips te laten eten die op windmolenparken zijn geteeld en te stellen dat “These giants are standing tall against fossil fuels. Rising out of the ocean like a middle finger to Co2. Deep beneath the waves they can become artificial reefs. Creating habitat for sea life to grow.” terwijl windmolens juist grote overlast voor het zeeleven kunnen veroorzaken. Volgens de klager is het misleidend om windmolens als een milieuvriendelijke oplossing neer te zetten. Anderzijds stoort de klager zich aan het grove taalgebruik in de reclame “Motherf*cking windfarms…

Adverteerder stelt daartegenover dat zij wil laten zien dat de fundering van en de ruimte tussen de windmolens nuttig kan zijn voor andere doelen dan het opwekken van niet-fossiele energie. Dit probeert zij op een ludieke manier te doen door zeewiersnacks te laten zien die niet voor de verkoop zijn bedoeld. Adverteerder voert ook aan dat het standpunt over kunstmatige riffen wetenschappelijk is onderbouwd en dat de formulering “can become” bewust is gekozen om feitelijk juist te zijn. Over het taalgebruik wilde het bedrijf op een creatieve manier inspelen op de verschillende meningen die mensen hebben over windmolenparken.

De RCC gaat mee met de redenering van de adverteerder. Zij stelt dat, overwegende de reclame als geheel, het duidelijk is dat er wordt bedoeld dat windmolenparken een manier zijn om niet-fossiele energie op te wekken en dat dit aan het zeeleven deels ten goede kan komen, hetgeen voldoende genuanceerd is. Ook wat betreft het taalgebruik volgt de RCC de adverteerder in de stelling dat “motherf*cking” tegenwoordig niet letterlijk zal worden opgevat en voldoende maatschappelijk is geaccepteerd om een uiting kracht bij te zetten. Daarmee is de uiting niet in strijd met goede smaak en fatsoen als bedoeld in artikel 2 NRC en wordt de klacht afgewezen.

Snoepreclame met een content creator gericht op minderjarigen?

In een uitspraak van de RCC van 16 oktober 2025 werd de vraag behandeld of een reclame voor een nieuwe chocoladereep die voortkwam uit een samenwerking tussen een snoepwinkel en een content creator zich specifiek richtte op minderjarigen. De reclame zou een jonge doelgroep aan kunnen spreken aangezien er een jonge jongen in speelt en de content creator regelmatig voorkomt in video’s waarin jonge kinderen te zien zijn.

Reclame voor voedingsmiddelen gericht op kinderen tot en met 12 jaar is volgens artikel 8 lid 1 Reclamecode Voor Voedingsmiddelen (“RVV”) verboden tenzij er sprake is van één van de drie wettelijk bepaalde uitzonderingen. Het moet dan gaan om:

  1. reclame voor Voedingsmiddelen die tot stand is gekomen in samenwerking met dan wel gesteund wordt door de overheid en/of een andere erkende autoriteit op het terrein van voeding, gezondheid en/of beweging;
  2. verpakkingen en point-of-sale materiaal; of
  3. reclame gericht op kinderen van 7 tot en met 12 jaar voor Voedingsmiddelen die voldoen aan de voedingskundige criteria.

Aangezien er nog geen door de markt geaccepteerde bereikcijfers bestaan waaruit volgt dat het publiek van sociale mediakanalen of andere online platforms voor minimaal 25% bestaan uit kinderen tot en met 12 jaar, kan de RCC niet op basis van deze in artikel 8 lid 4 RVV opgenomen maatstaf oordelen dat een reclame op sociale media gericht is op kinderen.  Om het gebruiksprofiel te kunnen bepalen moet zij daarom letten op “criteria als taalgebruik, vormgeving en animatie, games en speelse activiteiten en het gebruik van kinderidolen.

De RCC volgt uiteindelijk de content creator in zijn betoog dat de reclame niet gericht is op kinderen jonger dan 12. De content creator stelt onder meer dat dit niet kan aangezien de minimumleeftijd om een account aan te maken op Instagram en TikTok 13 jaar is en dat de acteur die in de reclame voorkomt ouder dan 12 jaar is. De RCC acht de stellingen van de klager in dit verband onvoldoende geconcretiseerd en komt tot afwijzing van de klacht.

Flyeren aan jonge kinderen

In een uitspraak van de RCC van 14 oktober 2025 nam de RCC een klacht in behandeling van een ouder aan wiens 4-jarig kind een flyer en zonnebril zijn uitgereikt als onderdeel van een wervingsactie. De ouder vindt het onaanvaardbaar dat jonge kinderen rechtstreeks worden aangesproken en flyers en gratis artikelen krijgen.

De adverteerder stelt dat de flyer met goede bedoelingen is uitgereikt en dat er gratis activiteiten mee werden gepromoot zoals sport en spel voor kinderen en andere initiatieven zoals mensen helpen met klusjes in huis en ouderen bezoeken.

Het is van belang dat er terughoudend wordt gehandeld bij kwetsbare groepen zoals jonge kinderen en dat zorgvuldig om wordt gegaan met het bevattingsvermogen van deze doelgroep, aldus de RCC. De RCC oordeelt in dit geval dat het rechtstreeks benaderen van jonge kinderen, zonder toezicht of toestemming van ouders/begeleiders, ongeacht de intenties of doeleinden, “zonder meer onwenselijk” is. Daarom concludeert de RCC dat deze uiting in strijd is met de goede smaak en/of fatsoen, als bedoeld in artikel 2 NRC. De RCC adviseert adverteerder om niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken.

Vrijheid van meningsuiting vs. juiste beeldvorming bij milieucampagne

In een uitspraak van de RCC 6 oktober 2025 behandelde de RCC een klacht van een olie- en gasbedrijf tegen een tv-commercial van een milieuorganisatie. De commercial beweerde dat het bedrijf 700 nieuwe olie- en gasvelden heeft, “Die aanboren is zo onwaarschijnlijk in strijd met alle klimaatafspraken, dat een nieuwe rechtszaak meer kans maakt dan ooit. Dus steun ons.” Na de commercial werd de link naar de website van de milieuorganisatie in beeld gebracht en uitgesproken.

Het betrokken bedrijf klaagt dat het noemen van de naam van het bedrijf bedoeld is om te schaden en te intimideren. Daarnaast zou het genoemde aantal velden feitelijk onjuist zijn, zou het bedrijf geen exclusief eigendom maar slechts belangen hebben in die velden en zou het totaal aantal velden van dit bedrijf in 2025 juist met 113 velden zijn verminderd.

De adverteerder stelt zich op het standpunt dat zij het bedrijf wel bij naam mag noemen aangezien de commercial gemaakt is in de context van haar lopende/aanstaande rechtszaken, hetgeen de directe aanleiding voor de commercial is.  Er wordt verder niet gesteld of gesuggereerd dat andere bedrijven geen vergelijkbare activiteiten ontplooien of dat het bedrijf als enige verantwoordelijk zou zijn voor het klimaatprobleem. Verder stelt de adverteerder dat het rapport dat zij aanhalen, in tegenstelling tot het rapport dat klager aanhaalt, wel expliciet spreekt over 700 velden waar het bedrijf belangen in zou hebben en dat een daling van 813 naar 700 velden nog niks zegt over de potentiële uitstoot aangezien gasproductie zal toenemen. Tot slot stelt de adverteerder dat de formulering “heeft 700 nieuwe olie- en gasvelden” moet worden gezien in het kader van een publiekscampagne waarbij “heeft” niet verwijst naar exclusief eigendom maar zakelijke betrokkenheid.

De RCC oordeelt dat, aangezien de adverteerder niet als handelaar handelt maar als organisatie die een ideëel doelt nastreeft, de regels van misleidende reclame niet van toepassing zijn. Voor dit soort uitingen geldt een ruime vrijheid van meningsuiting dus stelt de RCC zich terughoudend op. Wel merkt de RCC op dat “uitingen die op dergelijke wijze het publieke debat trachten te beïnvloeden mogen echter geen onjuiste indruk wekken” omdat dit ertoe kan leiden dat het publieke debat op onjuiste informatie wordt gevoerd.

Dit is volgens de RCC in dit geval aan de orde. De indruk wordt namelijk bij het publiek gewekt dat er 700 bijkomende olie- en gasvelden zijn aangekocht of waarvan de productie is gestart hetgeen een forse uitbreiding van de activiteiten van het bedrijf zou betekenen. Het gaat echter om velden die al (deels) in bezit van het bedrijf waren en waarvan het niet zeker is of zij in de toekomst geopend zullen worden. Door de slechts algemene verwijzing naar de website van de adverteerder waar meer informatie te vinden is, is de kijker onvoldoende in staat de informatie te nuanceren of op waarde te schatten en schaadt de commercial het vertrouwen in reclame als bedoeld in artikel 5 NRC.

Het concreet benoemen van een specifiek bedrijf valt volgens de RCC binnen de brede vrijheid van meningsuiting die deze organisatie toekomt en is dus niet problematisch. De RCC acht de commercial wel in strijd met de NRC voor zover het gaat om de onjuist gewekte indruk dat het bedrijf uitbreidt zonder deze stelling verder te nuanceren of de kijker deze informatie voldoende op haar waarde te laten schatten. De RCC geeft de adverteerder het vrijblijvende advies om niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken.

Vragen over deze onderwerpen? Neem graag contact op met Bente van Kan, Machteld Robichon of Ole Oerlemans.

Met dank aan Mathijs Borchardt

Visie

Persbericht kort geding tegen het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie weigert een Pro Justitia rapportage te gelasten in aanloop naar een zaak over huiselijk geweld met een vrouwelijk slachtoffer. Daarom dient aanstaande vrijdag 28 november 2025 om 10:00 uur bij de rechtbank Den Haag een kort geding, dat advocaten Richard Korver en Tessel Bossen van bureau Brandeis hebben aangespannen tegen het Openbaar Ministerie in Amsterdam c.q. de Staat der Nederlanden.

Een jonge vrouw werd in een relatie langdurig mishandeld en kreeg te maken met vernieling van haar spullen door haar vriend. Ook na het verbreken van de relatie bleef de man vervelend en bovendien strafbaar gedrag vertonen en ging hij haar stalken en belagen.

Die belaging culmineerde in het aanbrengen van een explosief aan de gevel van haar woning. Het explosief heeft hij ook tot ontploffing gebracht met als gevolg dat grote delen van de gevel uit het pand werden geblazen en dat in de straat verderop bij vier huizen de ramen er ook uit lagen.

Het Openbaar Ministerie liet weten dat het niet voornemens is om de verdachte, die is aangehouden, psychiatrisch en/of psychologisch te laten onderzoeken. De argumenten van het Openbaar Ministerie daarvoor zijn onder andere dat er geen aanwijzingen zouden zijn voor het aanwezig zijn van een stoornis, de verdachte geen vaste woon- en/of verblijfplaats in Nederland heeft en de verdachte zou weigeren om mee te werken.

Van de zijde van de vrouw is aangevoerd dat alleen al het delict gedrag aanwijzing is voor een stoornis en dat is ook onderbouwd met een deskundigenbericht van professor dr. Liem. Desalniettemin wil het Openbaar Ministerie niet wijken. Ook niet nadat erop werd gewezen, dat er ingeval van verdachten die niet meewerken, een speciale afdeling bestaat bij het Pieter Baan Centrum, waar in een zeer groot aantal gevallen alsnog een stoornis wordt vastgesteld.

Deze zaak wordt onder uw aandacht gebracht, omdat veel vrouwen die huiselijk geweld ervaren met deze materie te maken krijgen. Het Openbaar Ministerie gelast soms wel een Pro Justitia rapportage, maar doet dat bijna alleen maar in zaken waarin er aperte aanwijzingen zijn voor het aanwezig zijn van een stoornis. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer de dader aangeeft al zijn hele leven stemmen in zijn hoofd te horen.

Die houding is niet meer van deze tijd en verhoudt zich zeer slecht met het feit dat er in ons land gemiddeld eens per acht dagen een vrouw overlijdt aan de gevolgen van huiselijk geweld. Het is een feit van algemene bekendheid dat vrouwen het meeste risico lopen op het moment dat zij de relatie verbreken. Dat is hier ook wel gebleken. Het was meer geluk dan wijsheid dat mevrouw niet thuis was, want als zij thuis was geweest en bijvoorbeeld in de kamer had gezeten dan was er levensgevaar te duchten geweest, zo blijkt uit het politiedossier.

bureau Brandeis hoopt met dit kort geding, dat gesteund wordt door het Fonds Slachtofferhulp, een precedent te kunnen creëren waardoor vrouwen niet alleen recht hebben op het vervolgen van de dader van huiselijk geweld, maar ook recht hebben op een behoorlijke risicotaxatie en bescherming doordat de dader psychologisch en psychiatrisch wordt onderzocht en indien nodig behandeld. Aan dit persbericht zijn de geanonimiseerde dagvaarding en het geanonimiseerde rapport van professor dr. Liem gehecht.

Wij stellen het zeer op prijs als u aandacht aan deze zaak kunt schenken. Voor nader commentaar kunt u advocaat mr. Richard Korver benaderen.

20251124-Dagvaarding-KG-DEF-pers-exemplaar

Rapport-Liem-persexemplaar

Visie

Nieuwe ministeriële regelingen onder de Cyberbeveiligingswet: wat betekent de regeling van het ministerie van Economische Zaken voor uw sector?

Op 10 november 2025 zijn de concept ministeriële regelingen onder de Cyberbeveiligingswet (de “Cbw”) gepubliceerd. De internetconsultatie loopt tot en met 21 december 2025. Met deze regelingen krijgen zowel de Cbw als de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten (“Wwke”), het Cyberbeveiligingsbesluit en het Besluit weerbaarheid kritieke entiteiten een sectorspecifieke en praktische uitwerking. De regelingen bevatten gedetailleerde bepalingen die per sector aangeven welke maatregelen worden verwacht en wanneer incidenten moeten worden gemeld.

Omdat de verplichtingen sterk uiteenlopen per domein, stellen de meeste departementen een eigen ministeriële regeling op. Een belangrijk onderdeel daarvan is de nadere invulling van de meldplicht, waaronder de drempelwaarden die bepalen wanneer een cyberincident als “significant” geldt en dus moet worden gemeld aan het Nationaal Cyber Security Centrum (“NCSC”) of het sectorale Computer Security Incident Response Team (“CSRIT”). Daarnaast bevatten de regelingen de verdere uitwerking van de zorgplicht, waaronder risicobeoordelingen, beveiligingsmaatregelen, monitoring en ketenverantwoordelijkheid.

De ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (het “ministerie van BZK”), Infrastructuur en Waterstaat (het “ministerie van I&W”), Economische Zaken (het “ministerie van EZ”), Klimaat en Groene Groei (het “ministerie van KGG”), Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (het “ministerie van LVVN”) en Volksgezondheid, Welzijn en Sport (het “ministerie VWS”) hebben hun conceptregelingen inmiddels gepubliceerd. De nadere regels over de zorgplicht zijn voor de sectoren onder de ministeries van I&W, EZ, KGG en LVVN gezamenlijk ontwikkeld op basis van een eerdere consultatie die begin dit jaar is gehouden.

In dit blog richten we ons op de ministeriële regeling van het ministerie van EZ, de Regeling cyberbeveiliging EZ (de “Regeling EZ”).

Wat regelt de Regeling EZ?

In de kern vallen vijf clusters van sectoren onder de regeling van EZ: digitale infrastructuur, ruimtevaart, post- en koeriersdiensten, vervaardiging (manufacturing) en onderzoeksorganisaties voor zover zij binnen het EZ-domein vallen. Binnen de sector digitale infrastructuur ziet de Regeling EZ specifiek op aanbieders van openbare elektronische communicatienetwerken, aanbieders van openbare elektronische communicatiediensten en aanbieders van internetknooppunten. Voor cloud- en datacenterdiensten gelden de regels uit de Europese uitvoeringsverordening.

Verdieping van de zorgplicht

De Cbw verplicht essentiële en belangrijke entiteiten tot het treffen van “passende en evenredige” technische en organisatorische maatregelen. De Regeling EZ maakt expliciet wat daar in ieder geval onder moet worden verstaan. Dat gebeurt langs drie lijnen: 1) managementsystematiek, 2) bedrijfscontinuïteit en 3) de manier waarop systemen worden ontwikkeld, beheerd en benaderd.

Deze drie lijnen bespreken we hierna.

  1. Managementsystematiek en beleid

Entiteiten worden verplicht om hun beveiligingsbeleid en managementsystematiek expliciet vorm te geven. Zij moeten vastleggen:

  • Welke maatregelen voor het beheer van cyberrisico’s worden gemonitord en gemeten;
  • Met welke methoden die metingen plaatsvinden en hoe de resultaten worden gevalideerd;
  • Wanneer monitoring en meting plaatsvinden; en
  • Wie verantwoordelijk is voor monitoring, analyse en evaluatie.

De Regeling EZ sluit aan bij bestaande praktijk en internationale normen zoals International Standardization Organization (“ISO”), zodat organisaties geen parallel systeem hoeven te ontwerpen, maar bestaande managementsystemen kunnen uitbreiden of aanscherpen.

  1. Bedrijfscontinuïteit en back-ups

De Regeling EZ werkt de plicht tot het hebben van een bedrijfscontinuïteitsplan verder uit. Dat plan moet in ieder geval de doelstelling en reikwijdte, rollen en verantwoordelijkheden, interne en externe communicatiekanalen, criteria voor activering en de-activering, benodigde middelen (inclusief redundantie) en voorwaarden voor herstel en hervatting van activiteiten bevatten.

Daarnaast stelt de Regeling EZ eisen aan back-upprocedures: organisaties moeten hersteldoelen definiëren, zorgen voor volledige en nauwkeurige back-ups (inclusief configuratiegegevens en in de cloud opgeslagen data) en passende waarborgen treffen voor integriteit, vertrouwelijkheid en beschikbaarheid van back-ups. Ook is het periodiek testen van het terugzetten van back-ups verplicht.

  1. Ontwikkeling, onderhoud en toegangsbeheer

De Regeling EZ richt zich ook op de beveiliging bij het verwerven, ontwikkelen en onderhouden van netwerk- en informatiesystemen. Zo moeten de procedures bedoeld in het Cyberbeveiligingsbesluit ten minste betrekking hebben op:

  • Beveiligingstesten: er moeten structurele processen zijn om te testen of maatregelen feitelijk werken en kwetsbaarheden tijdig worden ontdekt.
  • Patchmanagement: patches moeten uit betrouwbare bron komen, waar passend vooraf worden getest en binnen een redelijke termijn worden toegepast. Als wordt besloten om een patch (nog) niet door te voeren, moet die keuze gemotiveerd en gedocumenteerd worden.

Daarnaast schrijft de Regeling EZ voor dat entiteiten onder meer maatregelen treffen tegen kwaadaardige en ongeoorloofde software en periodiek kwetsbaarheidsscans uitvoeren.

Wanneer is een incident “significant”?

Naast de drie hoofdlijnen bevat de Regeling EZ nadere criteria voor de meldplicht voor (significante) incidenten. De Regeling EZ bespreekt zowel algemene als sectorspecifieke criteria.

Algemene criteria

Een incident is in ieder geval significant als:

  • Het (kan) leidt(en) tot de dood of aanzienlijke schade aan de gezondheid van een of meer personen; of
  • Er sprake is van succesvolle, vermoedelijk kwaadwillige en ongeoorloofde toegang tot de netwerk- en informatiesystemen van een entiteit, ongeacht of er al zichtbare schade is; of
  • Een van de sectorspecifieke criteria wordt gehaald.

Geplande dienstonderbrekingen in verband met onderhoud door of namens de entiteit vallen buiten de meldplicht, tenzij er onverwachte neveneffecten optreden.

Sectorspecifieke criteria

De regeling introduceert de volgende drempelwaarden per sector:

Telecom / elektronische communicatiediensten

Een incident is onder meer significant als:

  • De integriteit, vertrouwelijkheid of authenticiteit van gegevens in het kader van de dienstverlening is aangetast;
  • Ten minste 50.000 gebruikers door een onderbreking worden getroffen; of
  • Het alarmnummer 112 of NL-Alert niet beschikbaar is.

De maatschappelijke impact van uitval of datalekken in deze infrastructuur is daarmee het uitgangspunt.

Internetknooppunten

Voor internetknooppunten geldt onder meer dat:

  • Uitval van ten minste 25% van het actuele totale verkeer gedurende 30 minuten of langer als significant geldt;
  • Dat geldt ook voor aantasting van integriteit, vertrouwelijkheid of authenticiteit van gegevens.

 

Ruimtevaart

In de ruimtevaartsector is een incident onder meer significant als:

  • Gedurende een door de entiteit vastgestelde periode geen communicatie met een ruimtevoorwerp mogelijk is;
  • Als een netwerk- of informatiesysteem uitvalt dat essentieel is voor economische of publieke activiteiten; of
  • Als vlucht- of besturingsgegevens worden gemanipuleerd of corrupt raken.

 

Post- en koeriersdiensten

Voor post- en koeriersdiensten is een incident significant als:

  • Door een verstoring in de systemen ten minste 30% van de gebruikers hun poststukken minimaal twee bezorgdagen later ontvangt dan wettelijk of contractueel is voorzien; of
  • Als de integriteit, vertrouwelijkheid of authenticiteit van gegevens over de dienstverlening is aangetast.

 

Vervaardiging

Een incident geldt als significant als sprake is van:

  • Verlies of degradatie van veiligheidsfuncties;
  • Verlies van besturings- of monitoringsfuncties;
  • Een inbreuk op de integriteit van industriële systemen waardoor product- of proceskwaliteit in gevaar komt;
  • Milieuschade door een cyberincident;
  • Een aanval die het beoogde securitylevel overstijgt of zich over meerdere zones verspreidt.

 

Onderzoek (EZ-domein)

Voor onderzoeksorganisaties geldt een duidelijk criterium: aantasting van de integriteit, vertrouwelijkheid of authenticiteit van onderzoeksgegevens is voldoende om een incident als significant te kwalificeren. Dat past bij het vaak vertrouwelijke en economisch of strategisch waardevolle karakter van onderzoeksdata.

Meldingen van significante incidenten verlopen via één centraal meldloket dat zowel het sectorale CSIRT als de toezichthoudende instantie bedient. De precieze procedurele eisen (termijnen, inhoud van meldingen) staan in de Cbw en worden in de Regeling EZ niet verder gewijzigd.

Hoe nu verder?

Wilt u sparren over een mogelijke consultatiereactie op de Regeling EZ of meer weten over de gevolgen van deze regeling voor uw sector? Neem dan contact op met Machteld Robichon of Bente van Kan.

Meer weten over de Cbw? Lees onze andere blogs:

Visie

Boete Ongehoord Nederland! voor overtredingen Mediawet

Naar aanleiding van overtredingen van de Mediawet 2008 (“Mediawet”) heeft het Commissariaat voor de Media (het “Commissariaat”) op 18 september 2025 een boete opgelegd aan omroepvereniging Ongehoord Nederland! (“ON!”). Dat de boete zou worden opgelegd was al eerder bekend gemaakt aan ON!. Recent is het volledige sanctiebesluit gepubliceerd op de website van het Commissariaat.

Het Commissariaat legt een boete op, omdat er sprake is van (een schijn van) belangenverstrengeling. Daarnaast zou ON! haar eigen redactiestatuut niet hebben nageleefd.

Belangenverstrengeling

Volgens het Commissariaat is in twee situaties (een schijn van) belangenverstrengeling ontstaan:

  1. De eerste ziet op een bestuurder die verantwoordelijk is geweest voor de personeelsaangelegenheden van een familielid. Deze bestuurder zou betrokken zijn geweest bij de aanstelling, beloningen en promoties van een direct familielid. Voor deze potentiële belangenverstrengeling had ON! een risicoanalyse laten maken, waar een laag risico uit kwam. Deze risicoanalyse is echter niet schriftelijk vastgelegd.
  2. De tweede situatie waardoor een daadwerkelijke belangenverstrengeling is ontstaan, ziet op de vermenging van redactionele en (privé) politieke belangen van een medewerker van ON!.

Volgens het Commissariaat heeft ON! de situaties onvoldoende herkend, dan wel onvoldoende maatregelen genomen om een (schijn van) belangenverstrengeling te voorkomen.

Niet naleving redactiestatuut

Op grond van de Mediawet dienen landelijke publieke omroepen te beschikken over een eigen redactiestatuut. Het Commissariaat houdt toezicht op de naleving van deze statuten.

Volgens het redactiestatuut van ON! mogen redactieleden geen binding hebben met politieke partijen.

De belangenverstrengeling in situatie 2 hierboven (vermenging redactioneel en privé politiek) ziet op een directe binding van een redactielid van ON! met een lokale politieke partij, die verder strekt dan een lidmaatschap. Het redactielid was naast zijn werkzaamheden bij ON! als presentator namelijk ook fractievoorzitter, partijvoorzitter en gemeenteraadslid voor de politieke partij in kwestie (nr. 79-82 besluit).

Volgens ON! kwalificeert de presentator niet als redactielid, waardoor er geen sprake zou zijn van strijdigheid met het redactiestatuut of de Mediawet (nr. 83-84 besluit). Het Commissariaat gaat hier niet in mee en stelt dat de werkzaamheden van de presentator meebrengen dat hij actief wordt betrokken in de voorbereiding van de uitzendingen die hij presenteert. Dit maakt hem onderdeel van de redactie.

Reactie ON! op boete

Nog voordat het sanctiebesluit was gepubliceerd sprak ON! al over de boete op X en Instagram. Op haar website vraagt ON! om financiële steun en laat zij weten dat het Commissariaat hen met deze boete “definitief de oorlog [heeft] verklaard”.

Het Commissariaat voelde zich genoodzaakt om naar aanleiding van deze uitingen te benadrukken dat haar sanctiebesluiten op zorgvuldige wijze tot stand komen en dat er geen sprake is van ‘strijd’ of ‘oorlog’ tegen ON! of haar presentatoren. Het Commissariaat geeft daarom op 22 september 2025 op haar website al een korte toelichting over de aan ON! opgelegde boete.

Het boetebesluit wordt enige tijd daarna, op 30 oktober 2025 op de website van het Commissariaat gepubliceerd. ON! heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit.

Niet de eerste boete voor ON!

De boete van het Commissariaat is niet de eerste boete voor ON!. In 2023 heeft De Raad van Bestuur van de NPO vanwege stelselmatige schending van de Journalistieke Code NPO (“Journalistieke Code”) drie keer een boete opgelegd aan ON!. Als gevolg hiervan bepleitte de NPO zelfs dat de vergunning van ON! als publieke omroep moest te worden ingetrokken. Dit verzoek werd door de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de “staatssecretaris”) afgewezen. In dit afwijzingsbesluit sprak de staatssecretaris ook het voornemen uit om de Journalistieke Code expliciet in de Mediawet op te nemen. Dit is tot op heden niet gebeurd.

In 2024 werden twee van de drie boetes voor ON! door de NPO weer ingetrokken, omdat de NPO aan ON! de ruimte wilde bieden om aan de eisen voor publieke omroepen te voldoen en hiermee tot een betere samenwerking met de NPO te komen. Een boete voor het stelselmatig schenden van de Journalistieke Code en het verspreiden van onjuiste informatie bleef staan, mede om zo de rechter de kans te geven om de NPO duidelijkheid te verschaffen over de reikwijdte van haar mandaat in gevallen waarin stelselmatig de Journalistieke Code wordt geschonden.

De hervorming van de publieke omroep

De aan ON! opgelegde boete is ook in het licht van de eerder aangekondigde hervorming van de publieke omroep interessant (zie ook onze eerdere blog over de hervormingsplannen). De nadruk van de hervorming ligt namelijk op governance, transparantie en verantwoording. In de probleemstelling, die door de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de “minister”) werd geformuleerd in zijn brief aan de Tweede Kamer van 4 april 2025 werden onder meer ‘betrouwbaarheid’ en ‘onafhankelijkheid’ genoemd als publieke waarden waar momenteel te weinig aandacht voor is. Een redactielid van een publieke omroep dat daarnaast een functie vervult bij een politieke partij staat op gespannen voet met deze waarden en de waakhondfunctie van de publieke omroep in het algemeen.

Als onderdeel van de aangekondigde hervorming zullen de bestaande omroepen ook moeten gaan clusteren in verschillende omroephuizen. ON! is op dit moment nog aspirant-omroep en daarom niet opgenomen in het voorstel voor mogelijke omroephuizen. In het voorjaar van 2026 zal een evaluatie plaatsvinden van ON!. Beoordeeld wordt of ON! voldoet aan de eisen die gelden voor een volwaardig lid van de publieke omroep. Als ON! officieel wordt toegelaten tot het bestel, zal zij opgaan in een van de omroephuizen.

Kortom, genoeg interessante ontwikkelingen in het vooruitzicht. We houden jullie op de hoogte van het vervolg!

Met dank aan Lisa Overbosch

Visie

Bestuurders en de Cyberbeveiligingswet

In het tweede kwartaal van 2026 treedt naar verwachting de Cyberbeveiligingswet (“Cbw”) in werking. De Cbw heeft tot doel de cyberverplichtingen voor entiteiten in sectoren met maatschappelijk of economisch gewicht te versterken. Ook bevat de Cbw bepalingen over het toezicht, de handhaving en aanvullende verantwoordelijkheden voor bestuurders van zogeheten essentiële of belangrijke entiteiten.

In dit blog bespreken we de verantwoordelijkheid van bestuurders van de zogenoemde essentiële en belangrijke entiteiten. We gaan in op wat de Cbw van bestuurders verlangt, welke kennis en vaardigheden zij moeten bezitten, en hoe zij hun taken kunnen verdelen met bijvoorbeeld de Chief Information Security Officer (“CISO”).

De rol en verplichtingen van bestuurders

De Cbw maakt bestuurders eindverantwoordelijk voor de naleving van alle Cbw verplichtingen. Bestuurders moeten onder meer zorg dragen voor de registratie van de organisatie bij het digitale loket van het Nationaal Cyber Security Centrum. Daarnaast onderhouden bestuurders het contact met toezichthoudende instanties en Computer Security Incident Response Teams (“CSIRTs”) wanneer zich significante incidenten voordoen. De bestuurders brengen de relevante cyberrisico’s in kaart, stellen passende beheersmaatregelen vast, keuren deze goed en houden actief toezicht op de uitvoering

De verantwoordelijkheid ligt bij het formele bestuur of, in geval van een one-tier board, bij de uitvoerende bestuurders. Bij andere rechtsvormen rust de verantwoordelijkheid op de feitelijke bestuurders. Voor overheidsinstanties zijn de minister, het college van burgemeester en wethouders of het dagelijks bestuur verantwoordelijk.

Vereiste kennis en vaardigheden

Bestuurders kunnen alleen beslissingen nemen als zij voldoende kennis hebben over cyberbeveiliging. Daarom zijn zij verplicht om regelmatig trainingen te volgen op het gebied van cyberbeveiliging Deze scholingsplicht stelt hen in staat risico’s te begrijpen, maatregelen en de impact daarvan te beoordelen en weloverwogen besluiten te nemen. Vanaf de inwerkingtreding van de Cbw geldt een overgangstermijn van twee jaar (of, bij nieuwe benoemingen, twee jaar na aantreden). Daarna moeten bestuurders hun kennis aantoonbaar actueel houden, onder meer via trainingen met certificering.

Iedere bestuurder moet in ieder beschikken over kennis en vaardigheden om:

  • Risico’s voor de beveiliging van netwerk- en informatiesystemen te kunnen identificeren;
  • Risicobeheersmaatregelen te kunnen beoordelen; en
  • De gevolgen van de risico’s en risicobeheersmaatregelen voor de dienstverlening te kunnen beoordelen.

In de praktijk betekent dit dat bestuurders:

  • Typische dreigingen en kwetsbaarheden kunnen herkennen en duiden. Het gaat bijvoorbeeld om malware/ransomware, phishing, insider threats, supply-chain-risico’s, Distributed Denial of Service aanvallen, misconfiguraties en afhankelijkheden van derden;
  • Inzicht hebben in het risicomanagementproces: hoe risico’s worden geïdentificeerd, geanalyseerd, geprioriteerd en behandeld, hoe het risicoregister en de rapportagelijnen functioneren, en welke risicobereidheid en drempelwaarden de organisatie hanteert; en
  • Risicobeheersmaatregelen kunnen beoordelen, prioriteren en hun impact kunnen afwegen tegen effectiviteit, proportionaliteit en kosten.

De precieze kennisvereisten kunnen bij algemene maatregel van bestuur nader worden uitgewerkt.

Concrete bestuurlijke taken

Naast de vereisten rond kennis en scholing schrijft de Cbw ook voor wat bestuurders in de praktijk moeten doen. De belangrijkste bestuurlijke taken zijn:

1. Cyberrisicomanagement integreren

  • Cyberbeveiliging is een kernonderdeel van de risicostrategie.
  • Het bestuur is eindverantwoordelijk voor een effectief risicomanagementproces dat continu wordt gemonitord en verbeterd.

2. Vaststellen en goedkeuren van beleid

  • Het bestuur stelt het informatiebeveiligingsbeleid vast en keurt dit goed.
  • Het beleid omvat preventieve maatregelen, incidentrespons, opleidingen en supply-chain-beveiliging.

3. Incidentmanagement en meldplicht

  • Het bestuur zorgt voor een goed ingerichte incidentresponsprocedure, inclusief Operatioonal Technology (“OT”)-systemen. Een kwetsbaarheid in IT kan directe gevolgen hebben voor fysieke processen in OT. Bestuurders moeten daarom toezien op een geïntegreerde aanpak, waarin incidentrespons ook OT-scenario’s omvat en risico’s uit beide domeinen in samenhang worden beheerd.
  • Significante incidenten worden tijdig gemeld aan toezichthouders en CSIRTs.

De rol van de CISO

Voor de uitvoering en invulling van het cyberbeveiligingsbeleid stellen veel organisaties een CISO aan. Het aanstellen van een CISO is niet verplicht, maar voor grote organisaties wel aan te raden.

Het bestuur blijft eindverantwoordelijk voor de naleving van de Cbw, een CISO dient ter ondersteuning. Zo kan een CISO bijvoorbeeld:

  • Adviseren: technische risico’s vertalen naar strategische en operationele impact;
  • Coördineren: implementatie en voortgang van maatregelen bewaken; en
  • Controleren: naleving van beleid toetsen en periodiek rapporteren.

Aansprakelijkheid

Bestuurders die niet of onvoldoende verantwoordelijkheid nemen op het gebied van de naleving en invulling van de Cbw lopen het risico civielrechtelijk aansprakelijk te worden gesteld. Daarnaast kunnen toezichthouders handhavens optreden jegens hen.

Conclusie

De Cbw maakt cyberweerbaarheid een belangrijke prioriteit voor bestuurders. De nieuwe wet brengt veel nieuwe verplichtingen, verantwoordelijkheden en risico’s voor bestuurders van essentiële en belangrijke entiteiten mee. Voor bestuurders dus zaak om zich tijdig te informeren en voor te bereiden.

Wilt u weten welke verplichtingen voor u als bestuurder gelden en hoe u uw organisatie én uzelf juridisch kunt beschermen? Neem dan contact op met Bente van Kan of Machteld Robichon.

Meer weten over de Cbw? Lees onze andere blogs:

Visie

Hervorming van de publieke omroep en verkiezingen: partijkeuzes in beeld

In de Verenigde Staten leidde de beslissing van netwerk ABC om de talkshow van Jimmy Kimmel tijdelijk van de buis te halen tot opschudding. De Amerikaanse telecomwaakhond FCC dreigde na republikeinse druk maatregelen te nemen tegen het netwerk na opmerkingen van Kimmel over de moord op Charlie Kirk. Commentatoren spraken van een beangstigende en gevaarlijke ontwikkeling voor de onafhankelijkheid van media. Hetzelfde gevoel ontstond bij het recent aangekondigde nieuwe mediabeleid van Amerikaanse ministerie van Defensie waarbij publicatie van ongeautoriseerde informatie werd verboden. Dergelijke voorbeelden benadrukken de kwetsbaarheid van de pers en het belang dat de functie en onafhankelijkheid van de publieke omroep in Nederland zorgvuldig wordt gewaarborgd.

Eerder schreven wij over de plannen voor hervorming van de landelijke publieke omroep; plannen die volgens voormalig minister van Onderwijs en Cultuur Eppo Bruins gericht waren op het waarborgen van die onafhankelijkheid in de landelijke publieke omroep. Inmiddels zijn de contouren van die hervorming verder uitgewerkt.

Kaders voor omroephuizen en tijdschema’s

De concessie- en erkenningsperiode van de publieke omroep is met twee jaar verlengd, tot eind 2028. Daarmee ontstaat de ruimte om de hervorming daadwerkelijk per 1 januari 2029 door te voeren. Wordt dat tijdpad niet gehaald, dan kan pas in 2032 een nieuw bestel worden ingevoerd. Deze verlenging is inmiddels vastgelegd in wetgeving en door zowel de Tweede als Eerste Kamer aanvaard.

In het notaoverleg op 21 mei 2025 werd besproken hoe het nieuwe bestel juridisch en bestuurlijk ingericht kan worden: er bestaat breed draagvlak voor de vorming van omroephuizen, het sluiten van het bestel voor nieuwe organisaties, maar ook voor het behouden van ruimte voor nieuwe geluiden. Minister Bruins gaf aan hoe de taakverdeling tussen NPO en de omroephuizen vorm gaat krijgen, met meer vrijheid voor omroephuizen binnen vooraf afgesproken kaders, terwijl de NPO een coördinerende rol blijft vervullen. Er is nadruk op governance, transparantie en verantwoording: de omroephuizen moeten bestuurlijk robuust zijn en aan wettelijke kaders voldoen.

Er werden eerder aangenomen moties besproken en toezeggingen gedaan over de rol van de NTR, de rol van een procesregisseur die het clusteringproces gaat begeleiden, en over het tijdspad richting wetgeving. Ook werd besproken hoe externe pluriformiteit kan worden beschermd, welke waarborgen er komen voor kwaliteitsjournalistiek, en hoeveel ruimte er blijft voor regionale en lokale omroepen. Minister Bruins stelde dat hij begin 2026 met een wetsvoorstel in internetconsultatie wil komen, zodat de hervorming op 1 januari 2029 ingevoerd kan worden, mits alle stappen tijdig gezet zijn.

Politieke en maatschappelijke reacties

De Kamerbrief bevatte zoals eerder benoemd ook het voorstel om de NTR op te heffen, wat leidde tot massale maatschappelijke steunbetuigingen voor behoud. Een petitie voor behoud werd meer dan 60.000 keer ondertekend, waarna minister Bruins aangaf dat de NTR toch een plek in het mediabestel zal behouden, mogelijk in combinatie met de NOS.

Verdere reacties op de Kamerbrief waren vóór een hervorming van het stelsel, maar niet zonder kritiek. Het Commissariaat voor de Media onderschreef de richting, maar waarschuwde dat minder omroepen kan leiden tot minder pluriformiteit. De Raad voor Cultuur wees er eveneens op dat educatie en cultuur expliciet moeten worden geborgd. De NPO en het College van Omroepen benadrukten dat zij de hervorming steunen, maar wezen op de forse bezuiniging van €157 miljoen per jaar. Naar aanleiding van deze bezuiniging kondigde de NPO aan dat NPO 2 en NPO 3 gaan veranderen waardoor er minder programma’s nodig zijn om de zendtijd te vullen. Ook werd de minister gewezen op de risico’s van een mogelijke verruiming van de STER-reclame.

Advies over hervorming en clustering van 3Rivers

Eerder deze maand kwam het advies van de procesregisseur ‘3Rivers beschikbaar over hoe de huidige omroepen zich zouden kunnen clusteren tot omroephuizen. Daaruit blijkt evenwel dat het de omroepen nog niet is gelukt om gezamenlijk tot een breed gedragen clustering te komen. Er wordt namelijk verschillend gedacht over de invulling van de gestelde kaders en er blijken verschillen in belangen en voorkeuren te zijn.

Demissionair minister Gouke Moes (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) stelt in zijn Kamerbrief van 3 oktober 2025 dat het van wezenlijk belang is dat de politiek duidelijke kaders vaststelt en deze aanscherpt. Het doel is om de publieke omroep duurzaam, slagvaardig en bestuurbaar te organiseren, in overeenstemming met diens maatschappelijke opdracht. Onder die kaders valt onder meer vastlegging in de Mediawet 2008 van het aantal omroephuizen. Binnen de vastgestelde kaders is het vervolgens aan de omroepen om op gestructureerde wijze te clusteren in de voorgeschreven omroephuizen. De minister waarschuwt omroepen dat het onverstandig is om vooruitlopend op die wetgeving zelfstandig initiatieven voor clustering te nemen en kondigt aan hierover met hen in overleg te gaan.

Verkiezingsprogramma’s

Nu de kaders na de verkiezingen vorm zullen moeten gaan krijgen is van belang wat de verschillende partijen over de publieke omroep in hun verkiezingsprogramma’s hebben opgenomen:

  • PVV wil de publieke omroep afschaffen en het Mediapark herbestemmen tot woonwijk.
  • GroenLinks-PvdA pleit juist voor een sterke publieke omroep met vier omroephuizen en een taakomroephuis voor NOS en NTR, stabiele financiering en minder reclame. Ook is de partij voor het schrappen van het ledencriterium en onafhankelijke redacties.
  • CDA en VVD steunen hervorming, maar leggen de nadruk op kerntaken en versterking van lokale en regionale omroepen. De VVD wil tevens het ledencriterium afschaffen en meer toezicht door het Commissariaat voor de Media en de ACM.
  • D66 ziet de publieke omroep als instrument tegen desinformatie en wil meer middelen voor onderzoeksjournalistiek. Ook lokale en regionale journalistiek zijn volgens de D66 belangrijk.
  • SP en PvdD pleiten voor structurele steun en een reclame-arme publieke omroep. In plaats van bezuinigen op de publieke omroep zou er als het aan deze partijen ligt juist geïnvesteerd moeten worden in de NPO.
  • BBB benadrukt dat de stem van de regio moet doorklinken. De publieke omroep dient enkel als bron voor neutrale nieuwsvoorziening en educatie maar moet verder sober zijn.
  • JA21 wil de NPO fors afslanken tot twee zenders, uitsluitend gericht op bijvoorbeeld nieuws, sport, documentaire, geschiedenis, debat en duiding.
  • DENK legt nadruk op diversiteit en representatie in het media-aanbod, waarbij behoud van de NTR een grote rol speelt.

Deze uiteenlopende standpunten laten zien dat hervorming van de publieke omroep onderwerp is van een bredere ideologische strijd: gaat het primair om efficiëntie en kostenbeheersing, of om pluriformiteit, onafhankelijkheid en maatschappelijke representatie?

De bredere context

Het hervormingsdebat raakt aan bredere zorgen over de rol van media in de democratische rechtsstaat. Desinformatie en polarisatie hebben de potentie het publieke debat te ondermijnen. In een tijd waarin sociale media, algoritmes en buitenlandse platforms steeds dominanter worden, kan een sterke publieke omroep een anker van betrouwbaarheid en onafhankelijkheid zijn.

Minister Bruins formuleerde de kernwaarden van de hervorming als kwaliteit, verbinding, betrouwbaarheid, onafhankelijkheid en impact. De komende maanden zal moeten blijken of de hervormingsvoorstellen, met alle politieke spanningen en financiële beperkingen, deze waarden daadwerkelijk kunnen waarborgen.

De hervorming van de publieke omroep is juridisch complex en politiek beladen. Met de verlenging van de concessieperiode is de weg vrijgemaakt om het bestel in 2029 te vernieuwen. Of dit (tijdig) lukt zal mede afhangen van de verkiezingsuitslag en het te vormen kabinet plus de maatschappelijke bereidheid om te blijven investeren in een onafhankelijke en pluriforme publieke omroep.

We blijven de ontwikkelingen volgen! Heeft u intussen vragen over dit onderwerp, neem gerust contact op met Machteld Robichon, Ole Oerlemans of Bente van Kan.

Visie

Update recente uitspraken Reclame Code Commissie – oktober 2025

In deze blog praten we jullie bij over enkele interessante uitspraken van de Reclame Code Commissie (“RCC”) van de afgelopen maanden. De blog bevat uitspraken waarin de RCC zich uitspreekt over verschillende thema’s, van stereotypering en gendergelijkheid tot duurzaamheidclaims en misleidende productclaims.

Manonvriendelijk recyclen?

In een uitspraak van 18 september 2025 heeft de RCC zich gebogen over de vraag of een reclame van een drogist manonvriendelijk is. In de betreffende televisiecommercial komt een vrouw haar ex-partner tegen in de winkel. Hij zegt: “Ik zat te denken ik ben weer single jij kan niemand krijgen misschien is het goed dat we onze relatie recyclen?” Waarop de vrouw antwoordt: “Recyclen? Goed idee. Gooi jij even het oud papier weg als je toch gaat. Thanks.”

Klager acht de commercial manonvriendelijk. Klager meent dat mannen tegenwoordig “steeds vaker [worden] voorgesteld als niet erg slim of capabel”, hetgeen in het bijzonder zou gelden voor de “witte hetero man”.

De RCC stelt voorop dat bij de beoordeling of reclame ’nodeloos kwetsend’ is (zoals bedoeld in artikel 4 van de Nederlandse Reclame Code (“NRC”)) terughoudendheid past, gelet op het subjectieve karakter van dit criterium. In dit geval acht de RCC de commercial duidelijk herkenbaar als ludiek bedoeld. De man probeert de relatie weer nieuw leven in te blazen door te laten zien dat hij duurzaamheid belangrijk vindt, omdat de vrouw eerder heeft aangegeven dat belangrijk te vinden. Onderdeel van het ludieke karakter van de commercial is volgens de RCC dat de vrouw de man het huis uit stuurt onder het voorwendsel dat hij een stapel oud papier voor haar moet wegbrengen. Hierin ziet de RCC geen negatieve stereotypering van mannen terug die nodeloos kwetsend is in de zin van artikel 4 NRC. De klacht wordt afgewezen.

Vrouwonvriendelijke horrorcampagne?

In een uitspraak van 12 september 2025 heeft de RCC een klacht over een vrouwonvriendelijke reclame toegewezen. Een attractiepark promootte een Halloweenevenement via een video op Instagram met de tekst: “Eddie veilt slachtoffers aan de hoogste bieder. Eén knik van Eddie één slag en je ziel is verkocht!” In de video is een schaars geklede vrouw te zien die angstig opgesloten zit in een glazen kooi en uiteindelijk ”geveild” wordt aan het publiek. De video leidde tot een groot aantal klachten bij de RCC. Deze uitspraak betreft één van de geselecteerde representatieve klachten die de RCC in behandeling heeft genomen.

Volgens klager is het schadelijk om in een reclame-uiting op een stereotyperende wijze een bange vrouw neer te zetten en daarbij te lachen als ze wordt vermoord. Dit is volgens klager stereotyperend, vrouwonvriendelijk en bagatelliseert gender gerelateerd geweld en vrouwenhaat. Klager meent dat de uiting zodoende nodeloos kwetsend is en in strijd met de goede smaak en fatsoen.

De RCC erkent dat bij fictieve en horror-achtige reclame een ruime vrijheid van meningsuiting geldt, maar stelt dat die vrijheid niet onbeperkt is. Door de RCC moet worden getoetst of de uiting volgens de huidige algemene maatschappelijke opvattingen de grenzen van het toelaatbare te buiten gaat, mede gelet op de wijze waarop deze is gepubliceerd en het effect dat de uiting daardoor op het publiek heeft. De vrijheid van meningsuiting (zoals beschermd onder artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (“EVRM”)) beschermt niet alleen “neutrale” uitingen, maar ook uitingen die “offend, shock or disturb”. De RCC dient te beoordelen of de reclame-uiting naar de huidige maatschappelijke opvattingen de grenzen van het toelaatbare te buiten gaat en komt tot de conclusie dat dat het geval is.

Doordat de vrouw in deze video duidelijk als hulpeloos en verhandelbaar object wordt neergezet, raakt de reclame aan haar menselijke waardigheid, zo oordeelt de RCC. Hieraan doet niet af dat dit gebeurt in de setting van het horrorgenre. Aan de strijdigheid draagt volgens de RCC bij dat “sterk de nadruk wordt gelegd op de kwetsbaarheid en hulpeloosheid van de vrouw, namelijk door haar schaarse kleding in combinatie met haar angstige gedrag en blik”. Dit versterkt het beeld dat de vrouw een (veiling)object is, waarvan het lot – de dood – wordt bepaald door degene die haar opkoopt. Een dergelijke vergaande objectivering van een vrouw hoort niet thuis in reclame, ook los van actuele berichten over geweldsmisdrijven tegen vrouwen, aldus de RCC.

De RCC acht de uiting in strijd met ‘de goede smaak en het fatsoen’ in de zin van artikel 2 NRC en beveelt de adverteerder aan om niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken. De adverteerder gaf in diens verweer aan dat hij geschrokken is van de ophef die de video heeft veroorzaakt en naar aanleiding hiervan de video (tijdelijk) offline had gehaald. Op een later moment, voordat de uitspraak werd gewezen, werd door de adverteerder besloten de video definitief offline te halen.

Gas geven op de Zwarte Cross

In een uitspraak van 25 augustus 2025 heeft de RCC een klacht over een advertentie voor een alcoholhoudende drank afgewezen. De advertentie betreft buitenposters langs autowegen waarin deze drank als colamixer geadverteerd wordt met de woorden: “Gas geven met [naam adverteerder] & cola op de Zwarte Cross”.

De koptekst van de poster, “gas geven”, zou aanzetten tot overmatig alcoholgebruik of onverantwoord gedrag zoals rijden onder invloed, aldus klager.

De RCC volgt die redenering niet. De RCC volgt het verweer van de adverteerder dat de slogan in de context van het festival duidelijk bedoeld is als metafoor voor “feestvieren”. Deze interpretatie wordt volgens de RCC ondersteund door het feit dat de tekst direct is gekoppeld aan het festival en door de visuele vormgeving, waarin geen sprake is van nadruk op meerdere consumpties maar slechts één glas wordt getoond. Er wordt verder in de advertentie geen verband gelegd tussen drinken en deelname aan het verkeer. De gemiddelde consument zal de uitdrukking in de bovengenoemde context niet opvatten als een aanmoediging om onder invloed te rijden, aldus de RCC. De klacht wordt afgewezen.

Nauwelijks” bescherming tegen de zon?

In een uitspraak van 12 maart 2025 oordeelt de RCC dat een tijdschriftadvertentie voor UV-werende kleding misleidend is. In de advertentie wordt gesteld dat “gewone kleding nauwelijks tegen de zon beschermt”.

Volgens klager is dat onzin, omdat gewone kleding wel degelijk bescherming biedt tegen UV-straling. De term ‘nauwelijks’ is volgens klager niet terecht “je blijft namelijk wel degelijk wit waar je zwempak of T-shirt heeft gezeten”.

De adverteerders (de kledingproducent en de zorgverzekeraar die de tijdschriften produceert) voeren aan dat UV-werende kleding aantoonbaar beter beschermt. Door middel van een link verwijzen adverteerders naar het advies van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (“RIVM”) over UV-werende kleding. Het RIVM stelt UV-straling werende kleding boven insmeren als maatregel om je te beschermen tegen zonnebrand.

De RCC volgt dit verweer niet. Dat UV-werende kleding beter beschermt tegen de zon dan gewone kleding (zoals klager heeft erkend), betekent niet dat gewone kleding “bijna niet” of “nauwelijks” beschermt. De RCC oordeelt dat de mededeling gepaard gaat met onjuiste informatie zoals bedoeld in artikel 8.2 aanhef NRC en bovendien onterecht inspeelt op angstgevoelens rond huidbeschadiging. De uiting wordt daarom misleidend en oneerlijk geacht in strijd met de artikelen 6 en 7 NRC. De RCC beveelt adverteerders aan om niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken.

Bewuster reizen

In een uitspraak van 10 maart 2025 oordeelt de RCC dat een paginagrote online krantadvertentie van een reisorganisatie misleidend is. De advertentie bevatte teksten als “De meerwaarde van bewuster reizen” en “Natuurbehoud is een van de pijlers van de impact van reizen”, aangevuld met foto’s van een Thais resort, een anemoonvis in een koraalrif en een baai en met verwijzingen naar donaties aan natuurbeschermingsprojecten en “vliegen op groene waterstof”.

Volgens klager wordt in de advertentie, door het gebruik van algemene en onbewezen claims, alsmede door het gebrek aan inhoudelijke toelichting en concrete onderbouwing van “bewuster reizen”, ten onrechte een té positief beeld geschetst over de milieu-impact van dergelijke verre (vlieg)reizen naar Thailand.

De RCC oordeelt dat de combinatie van teksten, beelden en duurzaamheidsaanduidingen de indruk wekt dat reizen met adverteerder leidt tot concrete klimaatvoordelen ten opzichte van andere (vlieg)reizen naar Thailand. Voorts wordt niet toegelicht welke resultaten met de genoemde maatregelen worden behaald en hoe die bijdragen aan het verminderen van de klimaatimpact. Volgens de RCC ontbreekt voldoende onderbouwing.

Zo blijkt uit zowel de bestreden uiting als uit de webpagina waarnaar wordt verwezen niet welke resultaten daadwerkelijk met het investeren van (een deel van) 1% van de reissom worden behaald. “Zodoende is onduidelijk in hoeverre deze maatregel daadwerkelijk bijdraagt aan het behoud van lokale natuur en hoe hiermee de klimaatimpact van een (vlieg)reis naar Thailand daadwerkelijk geminimaliseerd wordt”. Een bijdrage aan lokaal natuurbehoud is niet zonder meer een maatregel die bijdraagt aan het klimaat als geheel, aldus de RCC. De RCC meent dat aangenomen kan worden dat het effect van een financiële bijdrage aan het beschermen of in stand houden van lokale ecosystemen “zich beperkt tot het betreffende ecosysteem of natuurgebied en dat dit de negatieve impact van een – in dit geval verre – vliegreis op het klimaat als geheel niet of slechts in zeer beperkte mate minimaliseert”.

De reclame kan de gemiddelde consument ertoe brengen een besluit over een reis te nemen dat hij anders niet had genomen. De RCC acht de uiting daarom misleidend en oneerlijk, in de zin van artikel 3.1 van de Code voor Duurzaamheidsreclame (“CDR”). De RCC beveelt de adverteerder aan om niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken.

Hoogst beoordeelde” en 100% natuurlijke producten

In een uitspraak van 10 maart 2025 oordeelt de RCC dat een Google-advertentie en een Instagram-bericht van een sportvoeding producent misleidend zijn.

De klacht richt zich tot een Google-advertentie waarin staat vermeld “100% natuurlijke producten”, terwijl de producten van adverteerder ‘sucralose’ en ‘xanthaangom’ bevatten. Daarnaast wordt op Instagram gesteld dat het eiwitpoeder het “hoogst beoordeelde proteïne poeder in NL” is, zonder bronvermelding. Volgens klager wekt dit ten onrechte de indruk dat het product beter scoort dan andere merken.

Adverteerder stelt dat de advertentie afkomstig is van een Google-campagne, waarbij Google in sommige gevallen zelfstandig koppen aanpast op basis van gebruikersinteresse en klikgedrag. In dit geval zou de zin “100% natuurlijk” afgeleid zijn van specifieke producten van adverteerder waarvoor deze claim wel geldt. De verwijzing naar het “hoogst beoordeelde proteïne poeder” is gebaseerd op klantbeoordelingen op het eigen platform, maar adverteerder erkent dat dit niet duidelijk wordt vermeld en zal dit aanpassen.

De RCC oordeelt dat “100% natuurlijk” een absolute claim is die door de aanwezigheid van kunstmatige toevoegingen in het product feitelijk onjuist is. De term wekt de indruk dat geen enkel synthetisch ingrediënt wordt gebruikt. De advertentie bevat zodoende onjuiste voedselinformatie als bedoeld in artikel 7 lid 1 aanhef en onder a van Verordening (EU) nr. 1169/2011 betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten. Daarom is de uiting in strijd met de wet als bedoeld in artikel 2 NRC.

Ook de claim “hoogst beoordeelde proteïne poeder” is niet onderbouwd; de toelichting of bronvermelding ontbreekt. Dat de claim voortkomt uit beoordelingen op het platform van adverteerder betreft volgens de RCC essentiële informatie die de gemiddelde consument nodig heeft om een geïnformeerd besluit te kunnen nemen. De uiting is daardoor misleidend als bedoeld in artikel 8.3 aanhef en onder c NRC en om die reden oneerlijk in de zin van artikel 7 NRC.

Omdat de adverteerder heeft aangegeven voortaan explicieter de context en de bron van haar claims te vermelden in communicatie, en maatregelen heeft genomen om herhaling te voorkomen, laat de RCC een aanbeveling achterwege.

Vragen over deze onderwerpen? Neem graag contact op met Bente van Kan of Machteld Robichon.

Met dank aan Jean Mattijsen en Kiki Beckers

Visie

Richard Korver treedt per 1 oktober toe als partner bij bureau Brandeis

Per 1 oktober 2025 treedt advocaat Richard Korver toe als partner bij bureau Brandeis. Met zijn komst verstevigt het kantoor zijn positie als geschillenoplosser pur sang, ongeacht het rechtsgebied.

Korver zal leidinggeven aan de nieuwe praktijkgroep strafrecht. Zijn focus zal daarbij liggen op fraude, onderzoeken, integriteitskwesties en het bijstaan van slachtoffers. Van oudsher combineert Korver een commerciële praktijk met een maatschappelijke, wat goed past bij het DNA van bureau Brandeis.

Korver staat bekend als een betrokken en vastberaden litigator met unieke ervaring in procedures op het snijvlak van civiel- en strafrecht. In spraakmakende zaken heeft hij zich bewezen als uitgesproken en maatschappelijk betrokken advocaat. Zijn cliënten roemen zijn strategisch inzicht, oog voor reputatierisico’s en zijn vermogen om bruggen te slaan tussen verschillende rechtsgebieden.

Met deze benoeming verstevigt bureau Brandeis zijn strategische focus: geschillen, onderzoeken en bestuursrechtelijke handhaving. “Met Richard halen wij niet alleen een grote naam in huis, maar een partner met wie we onze cliënten multidisciplinair kunnen bijstaan”, aldus Christiaan Alberdingk Thijm, co-managing partner van het kantoor.

Korver staat bekend als een uitgesproken challenger in de rechtszaal en daarbuiten. Zijn ervaring in zowel commerciële als maatschappelijke dossiers stelt hem in staat cliënten te begeleiden bij juridische conflicten en risico’s, met oog voor hun positie in een steeds veeleisender omgeving. Daarnaast speelt hij een actieve rol in het publieke debat en weet hij complexe kwesties te vertalen en te duiden naar begrijpelijke en strategische standpunten.

Met zijn toetreding onderstreept bureau Brandeis zijn unieke propositie: cliënten bijstaan wanneer het ertoe doet. Korver is de tweede nieuwe partner in korte tijd. In september trad Eric Meijer van Gelderen toe als partner financial & commercial litigation. Met Richard zal ook Tessel Bossen kantoor versterken, die eerder al zes jaar bij bureau Brandeis werkte.

 

Visie

Eric Meijer van Gelderen treedt toe als partner bij bureau Brandeis

Bureau Brandeis verwelkomt per 1 september 2025 Eric Meijer van Gelderen als partner. Met zijn komst verstevigt het kantoor zijn positie als toonaangevend litigation kantoor met een scherpe focus op geschillen op het snijvlak van civiel-, bestuurs- en strafrecht.

Eric is een uitstekend allround jurist met meer dan 25 jaar ervaring, onder meer opgedaan bij De Brauw Blackstone Westbroek, Rabobank en diverse internationale kantoren. Hij beschikt over uitgebreide expertise in complexe financiële geschillen en collectieve acties. Zijn diepgaande juridische kennis koppelt hij aan strategisch inzicht, waarmee hij cliënten effectief bijstaat in zaken met grote financiële en maatschappelijke impact.

“Eric belichaamt waar bureau Brandeis voor staat: procederen om het verschil te maken en te excelleren binnen én buiten de rechtszaal. Met zijn komst versterken wij onze commercial litigation-praktijk, met name in de financiële sector,” aldus Christiaan Alberdingk Thijm, partner bij bureau Brandeis.

Met deze benoeming onderstreept bureau Brandeis zijn unieke propositie: cliënten bijstaan in zaken die ertoe doen – van complexe financiële geschillen tot strategische en maatschappelijk relevante procedures.

 

 

Visie

Update recente uitspraken Reclame Code Commissie – augustus 2025

In deze blog praten we jullie bij over enkele interessante uitspraken van de Reclame Code Commissie (“RCC”) van de afgelopen maanden. De uitspraken betreffen verschillende onderwerpen op het gebied van onder meer influencer marketing en duurzaamheid. Verder wordt in de uitspraken nadere uitleg gegeven aan de reikwijdte van de vrijheid van meningsuiting bij reclame die “confronterende” of “kwetsende” boodschappen bevat.

Daarnaast wijzen wij erop dat de Code Reclame via E-mail uit 2012 is gemoderniseerd. Zodoende is per 15 augustus 2025 de herziene ‘Code Reclame via E-mail’ opgenomen in de Nederlandse Reclame Code (“NRC”).

Code Reclame via E-mail

In de herziene Code Reclame via E-mail zijn de regels voor reclame via e-mail op diverse punten verduidelijkt. De herziening speelt onder meer in op technische ontwikkelingen in de e-mailsector en is meer in lijn gebracht met andere zelfregulering op het gebied van direct marketing, zoals de Code Telemarketing.

De RCC vat de belangrijkste wijzigingen als volgt samen:

  1. De code definieert het verschil tussen reclame en een servicebericht;
  2. De adverteerder moet de toestemming of klantrelatie kunnen aantonen;
  3. De vereisten aan hoe adverteerders e-mailadressen verkrijgt zijn duidelijker gemaakt; en
  4. De regels rondom het verwerken van afmeldingen zijn aangescherpt.

De volledige tekst van de herziene Code Reclame via E-mail is hier te vinden.

Melkwagen-metafoor binnen de grenzen van vrijheid van meningsuiting

In een uitspraak van 18 juli 2025 heeft de RCC een klacht over een tv-commercial van een dierenwelzijnsorganisatie afgewezen. In de reclame rijdt een melkwagen van een zuivelcoöperatie achter een koe aan, begeleid door de boodschap dat melkkoeien “tot het uiterste” worden gedreven en worden “gesloopt”.

Volgens de klager is de reclame onjuist omdat goed verzorgde koeien vanzelf meer melk geven en de zuivelcoöperatie boeren niet tot hogere productie dwingt. De koeien van klager zijn duurzaam, gezond en worden ontzettend oud, aldus verweerder. De reclame zou daarom niet op feiten, maar op gevoel zijn gebaseerd.

De RCC overweegt, in lijn met eerdere uitspraken (bijvoorbeeld 2023/00570), dat de dierenwelzijnsorganisatie in reclames haar mening mag uiten om bewustzijn te creëren over problemen in de melkveehouderij. Hierbij geldt een ruime vrijheid van meningsuiting, ook bij eenzijdige of confronterende boodschappen, zolang deze de grenzen daarvan niet overschrijden.

De dierenwelzijnsorganisatie stelt dat melkkoeien door het huidige fok- en prijsbeleid ziek en uitgeput raken en gebruikt de melkwagen van de zuivelcoöperatie als metafoor. Omdat dit verband door de organisatie voldoende is onderbouwd, kan volgens de RCC niet worden gesteld dat het gebruik van deze metafoor in de context van de uiting als geheel ontoelaatbaar is. Zodoende besluit de RCC tot afwijzing van de klacht.

Boost your Boomer’-campagne niet nodeloos kwetsend

In een uitspraak op 10 juli 2025 bevestigt het College van Beroep (“CvB”) een uitspraak van de RCC over de ‘Boost your Boomer’-campagne van een uitzendbureau. In deze uitspraak kwam de RCC tot afwijzing van de klacht dat de campagne leeftijdsdiscriminatie en kwetsende stereotypering van oudere werknemers zou bevatten.

De campagne, die bestaat uit een tv-commercial en een via sociale media verspreide video, toont hoe bij een vrouw ‘GenZ extract’ wordt afgetapt en in een blikje wordt verwerkt tot ‘Boomer energy drink’. Daarna volgen beelden van het effect van het drinken van de energyblikjes: te zien is hoe oudere werknemers na het drinken van een blikje enthousiast maar onhandig typen of hulp krijgen bij werken in Excel, gevolgd door een uitbundig personeelsfeest met de teksten “Boost your Boomer” en “Work needs young energy”.

Bij de RCC ging een beroep op discriminatie op grond van de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij arbeid (“WGBL”) niet op; de reclame is niet gericht op personeelswerving maar prijst in het algemeen de diensten van het uitzendbureau aan, aldus de RCC.

Het CvB stelt dat de term ‘boomer’ hier wel degelijk naar leeftijd verwijst, en niet naar slechts een mentaliteit, zoals is gesteld in het verweer en is aangenomen in het oordeel van de RCC. Volgens het CvB is echter geen sprake van (het aanzetten tot) ongelijke behandeling op basis van leeftijd; de uiting benadrukt juist het voordeel van een gevarieerd personeelsbestand, waarbij jongere werknemers oudere werknemers aanvullen in plaats van vervangen.

Hoewel de combinatie van het woord ‘boomer’ en de uitbeelding van de oudere werknemers als “bijzonder onhandig en afhankelijk van ‘GenZ energy’” als beledigend kan worden opgevat, is de stijl volgens het CvB duidelijk absurdistisch en humoristisch bedoeld. Het aftappen van ‘GenZ-extract’ is evident niet realistisch en moeten worden gezien als overdreven aanprijzing van de diensten van het uitzendbureau. De video bevat volgens het CvB “niet een algemene boodschap dat ouderen structureel ongeschikt zijn om te werken”. Voorts moet het uitzendbureau binnen de grenzen van de vrijheid van meningsuiting kunnen wijzen op “de vermeende voordelen van aanvulling van het personeelsbestand met jonge medewerkers”.

Gelet op voorgaande onderschrijft het CvB de conclusie van de RCC dat de uiting niet ‘nodeloos kwetsend’ is in de zin van artikel 4 NRC. De afwijzing van de klacht wordt daarom bevestigd door het CvB.

Lespakketten voor basisscholen zijn onvoldoende herkenbaar als reclame en schetsen te rooskleurig beeld van de zuivelsector

In een uitspraak van 13 juni 2025 oordeelt de RCC dat onderdelen uit drie lespakketten over zuivel voor basisschoolleerlingen in strijd zijn met de NRC en de Kinder- en Jeugdreclamecode (“KJC”).

De RCC kwalificeert de lespakketten als reclame in de zin van de NRC omdat deze niet alleen feitelijke informatie over zuivel bevatten, maar ook een aanprijzing als bedoeld in artikel 1 NRC, zowel van denkbeelden als van goederen. Omdat niet duidelijk is gemaakt dat het materiaal afkomstig is van partijen met commerciële belangen in de zuivelsector, zijn de pakketten in strijd met de herkenbaarheidseis van artikel 11 NRC en de KJC.

Daarnaast bevatten de lesmaterialen volgens de RCC meerdere misleidende elementen die maken dat sprake is van strijd met artikel 1 KJC:

  • De oorspronkelijke teksten en video’s wekten de indruk dat alle koeien ruime, halfopen stallen hebben, vaak zelf naar buiten kunnen en altijd een zachte ligplaats hebben. Dit schetst volgens de RCC een te rooskleurig beeld van de zuivelsector en maakt de uiting misleidend.
  • De video “Wat doet een koe op een dag” suggereert dat koeien na het melken direct naar buiten gaan en de hele dag door gras eten. Dit is onjuist, aangezien klager onweersproken heeft meegedeeld dat 25% van de koeien jaarrond op stal staan en weidekoeien in Nederland gemiddeld 85% van hun tijd binnen staan.
  • De video “Moderne snufjes in de stal” leidt niet tot een gegrond bezwaar over de suggestie dat alle koeien zachte stalmatrassen hebben. In de video wordt verteld dat sommige boeren hun koeien op een waterbed laten liggen. De RCC acht de illustratie van een waterbed voor mensen hierbij wél misleidend, omdat dit zonder toelichting werd gebruikt om een (hiervan afwijkend) waterbed voor koeien uit te beelden.
  • Het lespakket bevatte ook een uiting die suggereerde dat een stal altijd heel groot is. In combinatie met de absolute mededeling “Elke koe heeft in de stal een fijne zachte plek om te liggen” wordt dan ook een te rooskleurige voorstelling van zaken gegeven.
  • Een oorspronkelijke foto in het lespakket toonde groepshuisvesting van kalveren, terwijl deze in de praktijk vaak direct na geboorte individueel in een kalveriglo staan. Het lespakket bevatte daarbij een vraag over de reden van de scheiding van koe en kalf en benoemde alleen gezondheidsredenen, terwijl ook economische redenen een rol spelen. Ook dit acht de RCC misleidend.

Omdat het materiaal via leerkrachten wordt verspreid, oordeelde de RCC bovendien sprake is van het profiteren van het bijzondere vertrouwen dat kinderen in hen stellen. Daarmee zijn de bestreden uitingen eveneens in strijd met artikel 2 lid 1 sub c KJC. De RCC beveelt de verweerders (voor zover nog nodig) aan om niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken.

Sportinfluencer en adverteerders onvoldoende duidelijk over bestaan commerciële samenwerking

In een uitspraak van 10 juni 2025 oordeelt de RCC dat een TikTok-video van een influencer in strijd is met de Reclamecode Social Media & Influencer Marketing (“RSM”).

In de betreffende video laat de influencer zien welke sportkleding zij aantrekt en meeneemt naar een hardloopwedstrijd.  Terwijl zij deze kleding aanprijst, vertelt ze in de voice-over dat ze een aankooplink in de reacties plaatst. Ook toont ze sportgels van een sportvoeding merk, met in beeld een gepersonaliseerde kortingscode.

Onder de video staat in de beschrijving:

RACE OUTFIT & NUTRITION!

Dit is alles wat ik aan doe en meeneem naar mijn 1/2 marathon wedstrijd! Als je nog vragen hebt, mag je mij altijd een DM sturen op Instagram “(Influencer)!

Code “(naam influencer)” voor %%% op alle items van @adverteerder 1 en code “(naam influencer)” voor %%% op alle items van @adverteerder 2 + je support mij! <3

Volgens de klager ontbreekt in de video een vermelding dat de influencer samenwerkt met de twee merken. Hierdoor lijkt het alsof zij puur haar eigen mening geeft, terwijl sprake is van een commerciële samenwerking.

De RCC oordeelt dat sprake is van een ‘relevante relatie’ in de zin van artikel 2 onder d RSM. De influencer heeft immers een persoonlijke kortingscode van de merken ontvangen, waarmee zij een financiële vergoeding kan verdienen. Dit kan de geloofwaardigheid van de uiting beïnvloeden.  Bovendien heeft zij gratis producten ontvangen, wat materieel voordeel oplevert.

Het enkel vermelden van een gepersonaliseerde kortingscode gevolgd door “@[naam adverteerder]” beoordeelt de RCC als onvoldoende informatief. Weliswaar volgt hieruit dat er sprake is van enige samenwerking tussen de influencer en adverteerders, maar dit maakt onvoldoende duidelijk wat de inhoud van die relatie is, aldus de RCC. Ook met de toevoeging “+ je support mij! <3” kan van de gemiddelde consument niet worden verwacht dat hij/zij begrijpt dat er sprake is van een onderliggende commerciële relatie, waarbij de influencer een financieel en materieel voordeel ontvangt. Daarmee is de uiting in strijd met artikel 3 onder b RSM.

Op grond van artikel 6 lid 4 van de RSM zijn zowel de adverteerder als de verspreider (influencer) verantwoordelijk voor de naleving van artikel 3 RSM. Omdat de adverteerders niet hebben voldaan aan hun zorgplicht zoals in artikel 6 lid 1 RSM, hebben zij bovendien in strijd met dit artikel gehandeld. De RCC beveelt de influencer en adverteerders om niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken.

Uitstoot kachels vs. uitstoot auto’s geen toegestane vergelijking

In een uitspraak van 3 juni 2025 oordeelt de RCC deels in het voordeel van een klager over verschillende uitingen op de website van een houtkachelaanbieder. In de voorzittersbeslissing van 18 maart 2025 heeft de voorzitter de klacht op twee onderdelen afgewezen, hiertegen is de klager in bezwaar gekomen.

Het eerste klachtonderdeel betreft een overzicht met twee tabellen: één met de uitstoot van verschillende auto’s en één met de uitstoot van verschillende kachels. De klager stelt dat adverteerder hiermee ten onrechte suggereert dat een milieu voorlichtingsorganisatie – die wordt vermeld als bron bij de uitstoottabel van de auto’s – de aankoop van daargenoemde kachels goed acht voor mens, dier en milieu.

De RCC verklaart de klacht op dit punt alsnog gegrond; volgens artikel 7 van de Code voor Duurzaamheidsreclame (“CDR”) mogen producten alleen worden vergeleken als ze in dezelfde behoefte voorzien of voor hetzelfde doel zijn bestemd, en de vergelijking objectief mogelijk is. Een auto en een kachel voldoen daar niet aan, aldus de RCC. Daarmee is de vergelijking in strijd met artikel 7 CDR, en komt de RCC niet meer toe aan de vraag of de indruk wordt gewekt dat het overzicht afkomstig is van de milieu voorlichtingsorganisatie, dan wel of de in het overzicht weergegeven informatie kan worden onderbouwd met cijfers van de milieu voorlichtingsorganisatie. De RCC beveelt de adverteerder aan niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken.

Het tweede klachtonderdeel dat aanvankelijk door de voorzitter werd afgewezen betreft een artikel op de website waarin kritiek wordt geleverd op een onderzoek naar houtstook van de milieu voorlichtingsorganisatie (“Een rammelend onderzoek”). Het artikel zit volgens klager “vol feitelijke onjuistheden” en is daarmee misleidend. Naar oordeel van de RCC gaat het echter duidelijk om een subjectieve kwalificatie van de adverteerder. De titel en inhoud zijn herkenbaar als opinie, zodoende ziet de RCC, in lijn met de voorzittersbeslissing, onvoldoende aanleiding om de uiting in strijd met de NRC te achten.

Vragen over deze onderwerpen? Neem graag contact op met Bente van Kan of Machteld Robichon.

Met dank aan Anne Jorna

Visie

bureau Brandeis publiceert DSA stappenplan

Sinds 17 februari 2024 moeten alle digitale platforms en diensten voldoen aan de Digital Services Act (DSA). Van Meta tot uw eigen webshop – het is op bijna alle digitale diensten van toepassing. De kans is dus groot dat u onder deze wetgeving valt. De DSA hanteert een slimme trap-structuur: hoe groter uw impact, hoe strenger de regels.

 

Om onze cliënten en relaties te ondersteunen bij het navigeren door deze nieuwe regelgeving, hebben wij een uitgebreid en praktisch DSA-stappenplan ontwikkeld. Dit stappenplan begeleidt u stapsgewijs bij uw compliance-traject. Of u nu voor het eerst met de DSA te maken krijgt, of al bezig bent met compliance, dit stappenplan biedt een overzichtelijke en toegankelijke handleiding.

 

Met het oog op de recente verplichting om vanaf 1 juli 2025 gegevens te verzamelen en te rapporteren via officiële, voorgeschreven templates, is het nu des te belangrijker om goed voorbereid te zijn.

 

Heeft u vragen over uw DSA-verplichtingen, wilt u direct aan de slag met uw compliance of heeft u een procedure lopen in het kader van de DSA? Neem vandaag nog contact met ons op. bureau Brandeis beschikt over ruime ervaring met regelgeving voor digitale tussenpersonen en ondersteunt u graag bij zowel compliance vraagstukken als geschillen rondom de DSA.

 

U vindt het stappenplan hier:
bureau Brandeis Stappenplan Compliance DSA

 

 

Visie

Richtsnoeren artikel 28 DSA: hoe online platforms een veilige en vriendelijke omgeving voor minderjarigen moeten inrichten

In mei 2025 heeft de Europese Commissie (“Commissie”) nieuwe richtsnoeren gepubliceerd voor openbare consultatie. De richtsnoeren geven invulling aan de verplichting voor online platforms zoals Instagram en TikTok om passende maatregelen te treffen ter bescherming van minderjarigen (artikel 28 Digital Services Act; “DSA”).

De consultatie is inmiddels gesloten en de Commissie gaat zich nu beraden over de definitieve versie. In de tussentijd bespreken we in dit blog alvast de belangrijkste aanbevelingen uit de concept richtsnoeren en wat deze mogelijk gaan betekenen voor de praktijk.

Richtsnoeren: doelstelling en reikwijdte

Artikel 28 DSA legt verplichtingen op aan alle online platforms die toegankelijk zijn voor minderjarigen. De aanbieders van deze platforms worden verplicht om “passende en evenredige maatregelen te nemen om een hoog niveau van privacy, veiligheid en beveiliging voor minderjarigen te waarborgen”. De verplichtingen gelden ook wanneer het platform formeel een leeftijdsgrens van 18 jaar hanteert, maar feitelijk toegankelijk is voor of gebruikt wordt door minderjarigen.

De richtsnoeren verduidelijken welke maatregelen platforms minimaal moeten nemen om hun diensten veilig en kindvriendelijk in te richten. Volgens de richtsnoeren moeten alle maatregelen die online platforms nemen voldoen aan vier kernbeginselen:

  1. Zo moeten maatregelen proportioneel zijn ten opzichte van de aard en het gebruik van de dienst, de risico’s voor minderjarigen en andere grondrechten.
  2. Daarnaast moeten de belangen van het kind centraal staan, zoals veiligheid, participatie en privacy.
  3. Bovendien geldt dat, om deze belangen te beschermen, online platforms al vanaf de ontwerpfase aandacht moeten hebben bij het stellen van de beveiligingsnormen.
  4. Het ontwerp van hun diensten moet daarbij afgestemd worden op het cognitieve en emotionele ontwikkelingsniveau van minderjarige gebruikers.

Om passende en proportionele maatregelen te bepalen, moeten online platforms een risicobeoordeling uitvoeren van de risico’s die hun dienst voor minderjarigen oplevert.

Het belang van het kind moet daarbij centraal staan, zonder dat andere rechten (zoals participatie, vrije meningsuiting of informatie) onnodig worden beperkt. Voor VLOP’s maakt de beoordeling deel uit van de systemische risicoanalyse onder artikel 34 DSA en moet zij ook worden herhaald bij ‘significante wijzigingen’.

Doel is om een veilige en kindvriendelijke omgeving te creëren, waarin fundamentele rechten van minderjarigen worden gewaarborgd. De richtsnoeren bevatten daarvoor een aantal praktische aanbevelingen.

Aanbevelingen

  1. Leeftijdsverificatie (age assurance)

Maatregelen die de toegang tot online platforms beperken op basis van leeftijd, zijn volgens de Commissie essentiële instrumenten om de privacy, veiligheid en beveiliging van minderjarigen te waarborgen. De Commissie onderscheidt self-declaration (‘Ik ben ouder dan 18 jaar’), age-estimation (een analyse van gezichtskenmerken of gedrag) en age-verification (bijvoorbeeld door middel van identiteitsbewijs).

Platforms moeten per geval beoordelen of leeftijdscontrole nodig is. Volgens de Commissie is leeftijdsverificatie (age-verification) in ieder geval vereist bij wettelijk vastgelegde leeftijdsgrenzen (zoals alcohol, gokken of pornografie), wanneer platforms zelf een 18+-grens hanteren vanwege geconstateerde risico’s, en in situaties waar hoge risico’s niet anders te beperken zijn.

  1. Veilige toegang vanaf het begin

Het registratieproces kan een belangrijk instrument zijn om minderjarigen veilig toegang te geven tot een platform. Als registratie wordt vereist, moet dit proces transparant, begrijpelijk en toegankelijk zijn voor kinderen. Het platform moet duidelijke uitleg geven over gebruiksvoorwaarden, minimumleeftijd en de mogelijkheid tot eenvoudig afmelden of accountverwijdering.

De Commissie benadrukt daarbij dat standaardinstellingen van kinderaccounts een cruciale rol spelen in de bescherming van minderjarigen op online platforms. Omdat kinderen deze instellingen zelden zelf aanpassen, moeten de standaardinstellingen vanaf het begin een hoog niveau van privacy, veiligheid en beveiliging bieden. Dit betekent onder meer dat tracking, locatiebepaling, camera, microfoon en pushmeldingen standaard zijn uitgeschakeld, net als sociale functies zoals likes, streaks of read receipts. Ook risicovolle filters die het zelfbeeld kunnen schaden, moeten standaard gedeactiveerd zijn.

Als een minderjarige tijdens registratie of op een later moment de instellingen wijzigt of gevoelige functies inschakelt, moet het platform steeds uitleg geven, waarschuwen en eventueel tijdelijke of automatische terugzetmechanismen toepassen. De Commissie beveelt aan dat bepaalde functies, zoals contact met onbekenden of zichtbaarheid in zoekresultaten, geheel uitgeschakeld kunnen worden voor minderjarige gebruikers.

  1. Aanbevelingen voor de online interface

Platforms moeten daarnaast hun interfaces zo inrichten dat minderjarigen controle hebben over hun digitale ervaring. Het platformontwerp moet toegankelijk, inclusief en eenvoudig te bedienen zijn.

Cruciaal hierbij is het vermijden van misleidende of manipulatieve ontwerpelementen zoals automatisch afspelende video’s, gefingeerde meldingen, sociale druk via notificaties of schaarste-trucs. Deze “persuasive design features” stimuleren namelijk eindeloos scrollen en kunnen leiden tot overmatig en problematisch platformgebruik. Hierbij hoort ook dat platforms expliciete voorkeuren van kinderen zwaarder moeten laten wegen dan indirecte gedragsdata, zoals kijktijd of klikgedrag. In plaats daarvan moeten zij juist ‘positieve frictie’ inbouwen – zoals tijdsmanagementtools of bewuste vertragingen (“weet je zeker dat je dit wilt plaatsen?“) – om minderjarigen bewuster te laten omgaan met hun platformgebruik.

Voor aanbevelingssystemen geldt verder dat deze specifiek moeten worden aangepast aan de ontwikkelingsfase en kwetsbaarheden van minderjarigen. Maximaliseren van schermtijd en betrokkenheid mag niet het primaire doel zijn; in plaats daarvan moeten de parameters van aanbevelingssystemen verschuiven naar factoren zoals nauwkeurigheid, diversiteit en eerlijkheid. Aanbieders moeten voorkomen dat kinderen herhaaldelijk worden blootgesteld aan schadelijke content, bijvoorbeeld aan inhoud die onrealistische schoonheidsidealen promoot of geweld verheerlijkt. Ook zoekfuncties vereisen specifieke bescherming, zoals het blokkeren van bekende schadelijke zoektermen. Platforms moeten daarnaast geverifieerde, leeftijdsgeschikte accounts exclusief aanbevelen.

  1. Bescherming tegen commerciële beïnvloeding

In de richtsnoeren wordt ook specifiek ingegaan op de bescherming van minderjarigen tegen commerciële beïnvloeding. Online platforms confronteren kinderen met steeds geavanceerdere marketingstrategieën, waaronder gepersonaliseerde advertenties, product placement, in-game aankopen, influencer marketing en AI-gestuurde nudging. Deze tactieken kunnen ernstige schade toebrengen aan de privacy, veiligheid en het welzijn van minderjarigen, vooral wanneer ze hun commerciële aard verhullen of misbruik maken van groepsdruk en de beperkte kennis van kinderen over economische waarde.

De Commissie eist daarom een verantwoord marketingbeleid dat expliciet rekening houdt met de leeftijd, kwetsbaarheden en beperkte commerciële kennis van minderjarigen. Alle schadelijke, onethische en onwettige reclame-uitingen moeten worden uitgesloten. Ook moet verborgen reclame, zoals product placement door influencers, actief worden bestreden.

Transparantie in economische transacties vormt een tweede cruciaal aandachtspunt. In-app betalingen en het gebruik van virtuele tussenvaluta zoals tokens, coins of loot boxes moeten transparant en begrijpelijk zijn voor minderjarigen. Platforms moeten vermijden dat deze virtuele valuta de werkelijke kosten verhullen of kinderen misleiden over de economische waarde van hun aankopen. Hetzelfde geldt voor verslavende of manipulatieve ontwerpkeuze, zoals willekeurige beloningen, schaarste-signalen (“nog maar 1 uur beschikbaar”) of gokachtige functies. Tot slot worden platforms aangemoedigd ouderlijke toezichttools in te zetten en bewuste frictie in te bouwen tussen contentconsumptie en aankopen, bijvoorbeeld door extra bevestigingen of instelbare uitgavendrempels.

  1. Aanbevelingen rondom transparantie, moderatie en rapportage

De Europese Commissie benadrukt dat effectieve en transparante moderatie essentieel is om minderjarigen online te beschermen. Platforms moeten duidelijk en expliciet definiëren wat zij als schadelijke content en ongewenst gedrag beschouwen, en dienen hiervoor heldere, stapsgewijze procedures op te stellen. Daarbij wordt proactieve inzet van filters en AI-systemen aanbevolen, aangevuld met menselijke beoordeling bij risicovolle situaties zoals populaire accounts. Minderjarigen moeten bovendien eenvoudig, vertrouwelijk en eventueel anoniem schadelijke content kunnen rapporteren.

Daarnaast doet de Commissie aanbevelingen op het gebied van transparantie, gebruikerscontrole en interne governance. Platforms dienen uitleg te geven over waarom specifieke content wordt aanbevolen, inclusief gebruikte parameters, en minderjarigen de mogelijkheid te bieden om hun aanbevelingsfeeds te resetten of voorkeuren aan te passen. Concrete hulpmiddelen zoals het blokkeren van andere gebruikers of het beperken van interacties moeten eveneens beschikbaar zijn, evenals toezicht-tools voor ouders en verzorgers met respect voor privacy. Tot slot vereist de Commissie een kindgerichte interne governance-structuur, waarin platformontwerp en beleid actief en veilig door minderjarigen worden beïnvloed, en waarin risico’s continu gemonitord, geëvalueerd en gerapporteerd worden.

Conclusie

De Commissie beschouwt deze richtsnoeren als een eerste interpretatie van artikel 28 DSA. Hoewel de richtsnoeren ruimte laten voor interpretatie en overlap met andere regelgeving (AI Act en AVG), markeren de richtsnoeren een belangrijke stap richting meer concrete maatregelen voor platforms, waarbij proportionaliteit, kinderrechten, privacy-by-design en leeftijdsgeschikt ontwerp centraal staan. Door expliciete aandacht voor risico’s zoals grooming, overmatig gebruik en manipulatieve, commerciële praktijken, adresseren de richtsnoeren de meest urgente bedreigingen voor minderjarigen online.

Voor nu is het eerst wachten met welke feedback de stakeholders zullen komen op de richtsnoeren en in hoeverre dit invloed zal hebben op de definitieve richtsnoeren. Deze worden naar verwachting later dit jaar gepubliceerd.

Alvast aan de slag met de concept richtsnoeren en/of vragen over de implementatie daarvan? Neem dan gerust contact op met Bente van Kan, Machteld Robichon of Christiaan Alberdingk Thijm.

Met dank aan Coen Buijs

Visie

Video-uploaders met minder dan 500.000 volgers vanaf 16 juni 2025 ook onder toezicht van het Commissariaat voor de Media

Vanaf 16 juni 2025 vallen video-uploaders met minder dan 500.000 volgers, zoals bijvoorbeeld Ginny Ranu en Daan Alferink (zogeheten ‘micro-influencers’), ook onder het toezicht van het Commissariaat voor de Media (het “Commissariaat”). Dit volgt uit de nieuwe Beleidsregel kwalificatie commerciële mediadiensten op aanvraag 2025 van het Commissariaat (de “Beleidsregel 2025”).

We bespreken de belangrijkste ontwikkelingen hierna.

Kwalificatie commerciële mediadienst op aanvraag

De Beleidsregel 2025 vervangt de Beleidsregel kwalificatie commerciële mediadiensten op aanvraag 2022 (de “Beleidsregel 2022”). De Beleidsregel 2022 geeft invulling aan de wijze waarop bepaald wordt of sprake is van een commerciële mediadienst op aanvraag in de zin van artikel 3.29a Mediawet 2008 (“Mediawet”).

Kort samengevat is sprake van een dergelijke dienst als wordt voldaan aan de volgende vijf criteria:

  • De dienst moet gebaseerd zijn op een catalogus: Een gestructureerde databank waarmee het audiovisueel media-aanbod op aanvraag toegankelijk wordt;
  • De aanbieder heeft redactionele verantwoordelijkheid over de inhoud en organisatie van het media-aanbod. Dit betekent effectieve controle over het aanbod en hoe dat wordt gepresenteerd.
    • Een video-uploader, die een mediadienst verzorgt op het platform van een derde (zoals Instagram, TikTok en Youtube) heeft redactionele verantwoordelijkheid
  • Het aanbod heeft een massamediaal karakter, waarbij het aanbod/de dienst met gewone consumentenapparatuur toegankelijk is;
  • De aanbieder moet materieel (economisch) voordeel hebben; en
  • Het hoofddoel of de essentiële functie van de dienst bestaat uit het verzorgen van audiovisueel media-aanbod ter informatie, vermaak of educatie.

Partijen die commerciële mediadiensten op aanvraag aanbieden vallen onder de reikwijdte van de Mediawet. Zij moeten zich op grond van artikel 3.29b Mediawet melden bij het Commissariaat (via link) en toezichtkosten betalen artikel 3.30 Mediawet.

Uitzondering meldplicht en toezichtkosten voor sommige video-uploaders

Video-uploaders die kwalificeren als ‘commerciële mediadienst op aanvraag’ moeten zich eveneens melden bij het Commissariaat en toezichtkosten betalen. Zij dienen daarnaast onder meer te voldoen aan de regels omtrent reclame. Zo zijn zij bijvoorbeeld verplicht om zowel in de video zelf als in de bijbehorende beschrijving te vermelden of er sprake is van reclame, sponsoring of productplaatsing. Bij het maken van inhoud voor minderjarigen moeten deze vermeldingen bovendien extra duidelijk zijn en is productplaatsing in het geheel niet toegestaan.

Op grond van de Beleidsregel 2022 geldt de meldplicht en verplichting tot het betalen van toezichtkosten echter alleen voor video-uploaders die voldoen aan de volgende criteria:

  • De video-uploader gebruikt een platform zoals YouTube, Instagram of TikTok;
  • De video-uploader heeft op ten minste één van die accounts 500.000 of meer volgers of abonnees;
  • De video-uploader heeft de afgelopen 12 maanden minstens 24 video’s geüpload;
  • De video-uploader behaalt een economisch voordeel met het maken en plaatsen van video’s; en
  • Het economisch voordeel komt ten goede komt van een bedrijf ingeschreven bij de KvK.

Video-uploaders die niet voldoen aan een of meer van deze criteria zijn uitgezonderd van de meldplicht en de verplichting tot het betalen van toezichtkosten. Zij vallen niet onder het ‘actieve toezicht’ van het Commissariaat. Van hen verwacht het Commissariaat dat zij verantwoordelijkheid nemen voor de content die zij aanbieden en hierbij rekening houden met de belangen van hun kijkers in het algemeen en jonge kijkers in het bijzonder. Hoewel het Commissariaat geen actief toezicht uitoefent op deze groep video-uploaders, wordt ook deze groep door het Commissariaat gemonitord. Het Commissariaat zal aan deze groep echter geen boete of last onder dwangsom opleggen, maar in plaats daarvan bijvoorbeeld in gesprek gaan over de aangeboden content.

Beleidsregel 2025: vereiste van 500.000 volgers of abonnees vervalt

De Beleidsregel 2025 heeft de inhoud van de Beleidsregel 2022 grotendeels overgenomen, met één belangrijke wijziging: de groep video-uploaders die onder het actieve toezicht van het Commissariaat valt is uitgebreid. Het vereiste dat een account 500.000 of meer volgers of abonnees moet hebben is namelijk komen te vervallen. Ook video-uploaders met minder dan 500.000 volgers zijn dus verplicht om zich te melden bij het Commissariaat en toezichtkosten te betalen. Zij vallen vanaf 16 juni 2025 onder het actieve toezicht van het Commissariaat.

Aanleiding van deze wijziging is onder meer de groeiende populariteit van eerdergenoemde micro-influencers. Bovendien sluit de uitbreiding van het toezicht volgens het Commissariaat aan bij een van de focusthema’s: het creëren van een veilige online omgeving voor jongeren.

Voor video-uploaders met minder dan 100.000 volgers of abonnees blijft de uitzondering op de meldplicht en de verplichting om jaarlijks toezichtkosten te betalen aan het Commissariaat gelden. Het Commissariaat ziet er wel op toe dat deze video-uploaders zich met betrekking tot hun mediadienst aan de overige regels uit de Mediawet houden, en kan zo nodig handhavend optreden. In dat geval moeten die video-uploaders zich melden bij het Commissariaat en jaarlijks toezichtkosten betalen.

Twijfel of je je als video-uploader moet registreren of vragen over de geldende reclameregels? Neem graag contact op met Bente van Kan of Machteld Robichon.

Visie

Update recente uitspraken Reclame Code Commissie – juni 2025

In deze blog praten we jullie bij over enkele interessante uitspraken van de Reclame Code Commissie (“RCC”) van de afgelopen maanden. De uitspraken betreffen verschillende onderwerpen op het gebied van duurzaamheidsclaims en kindermarketing.

Gebruik van Minecraft in fastfoodreclame niet gericht op kinderen

Op 2 mei 2025 heeft de voorzitter van de RCC een klacht tegen een uiting van een fastfoodbedrijf afgewezen. De uiting betreft een nieuwsbrief van een fastfoodbedrijf waarin een doos in blokkenvorm is afgebeeld met daarbij kipnuggets, een hamburger, frietjes, cola en de tekst “A Minecraft Movie Meal voor Volwassenen”. Volgens klager is de uiting gezien de ontzettend grote populariteit van het spel Minecraft onder kinderen gericht op kinderen (onder de 13 jaar).

Dit is naar het oordeel van de voorzitter niet het geval. De bestreden uiting is opgenomen in een (speciale) digitale nieuwsbrief van het fastfoodbedrijf dat blijkens het verweer alleen wordt verzonden aan personen die zich hiervoor hebben aangemeld via de app en daarbij hebben verklaard 16 jaar of ouder te zijn. Hiermee heeft het fastfoodbedrijf naar oordeel van de RCC voldoende aannemelijk gemaakt dat de reclame-uiting zich niet richt op personen tot en met 12 jaar. De klacht wordt daarom afgewezen.

Investing in better cotton” (in casu) geen strijdige duurzaamheidsclaim

Op 15 april 2025 oordeelt de RCC dat het aanprijzen van een kledingstuk met een label waarop “investing in better cotton” staat niet in strijd is met de Reclamecode.

Volgens klager is deze uiting oneerlijk, omdat het bedrijf op het label met grote letters sier maakt voor ‘Better Cotton’ terwijl daaronder in veel kleinere letters staat dat het product zelf misschien helemaal geen Better Cotton bevat.

De RCC concludeert dat geen sprake is van strijd met de Reclamecode, omdat:

  • De tekst op het label niet garandeert dat het product uit ‘beter katoen’ bestaat. Uit de tekst blijkt duidelijk dat de reikwijdte van de claim anders, namelijk beperkter, is. Onder meer de zinnen onder de tekst “Investing in better cotton” (By choosing our products, you’re supporting our investment in Better Cotton’s mission; This product is sourced via a system of mass balance and therefore may not contain better cotton), vergezeld door het Better Cotton-logo, maken immers duidelijk dat de aanschaf van een product met dit label bijdraagt aan de katoenproductie volgens de standaarden van Better Cotton, aldus de RCC.
  • Voor zover de consument door de teksten op het label (toch) op het verkeerde been is gezet, wat kan, wordt duidelijkheid geboden met de nuancering “This product is sourced via a system of mass balance and therefore may not contain better cotton”. Hoewel de RCC toegeeft dat deze zinsnede in een beduidend kleiner lettertype is weergegeven, is dit lettertype volgens de RCC niet zodanig klein dat deze de gemiddelde consument zal ontgaan of dat deze onvoldoende leesbaar is.
  • De RCC acht het voorts van belang dat het om een label gaat dat aan een kledingstuk bevestigd is; de gemiddelde consument zal deze labels doorgaans bekijken omdat deze ook informatie over de maat en de prijs bevat. Hierdoor zal in het onderhavige geval de tekst van het label en dus alle informatie over “Investing in better cotton” bij de gemiddelde consument, met of zonder leesbril, voldoende in het oog springen.

‘Milieubewust’ kent geen vaste invulling

In een uitspraak van 14 april 2025 oordeelt het College van Beroep van de RCC (“CvB”) dat een sticker op huurauto’s van een verhuurbedrijf in strijd is met de Code voor Duurzaamheidsreclame (“CDR”). Op de huurauto’s is een sticker te zien waarop rondom de afbeelding van een bloem en over de lengte van de auto de tekst “Huren is milieubewust” is opgenomen. Volgens de klager is dit een niet onderbouwde duurzaamheidsclaim.

Op 16 oktober 2024 oordeelde de RCC dat niet duidelijk is waarop deze claim betrekking heeft, waardoor de gemiddelde consument kan worden misleid over de duurzaamheidsaspecten van de aangeprezen diensten en ertoe worden gebracht een besluit over een transactie te nemen dat hij anders niet had genomen. Om die reden heeft de RCC de bestreden uiting in strijd geacht met artikel 3.1 CDR, waartegen het verhuurbedrijf in beroep is gegaan.

Met de RCC is het CvB van oordeel dat de uiting in strijd is met de CDR, zij het op een andere grondslag (artikel 7 CDR), en overweegt hiertoe als volgt:

  • Door de combinatie van de afbeelding en de tekst spoort het verhuurbedrijf aan tot het huren van een auto, vanuit het oogpunt van het milieu. Daarom is sprake van reclame en wordt voldaan aan de definities van ‘duurzaamheidsreclame’ en ‘milieuclaim’ in de CDR. De uiting impliceert immers een milieuvoordeel.
  • De gemiddelde consument kan niet op voorhand bekend worden geacht met de specifieke invulling die het verhuurbedrijf geeft aan de mededeling “Huren is milieubewust”: het is geen claim die een vaste invulling kent of waarvan de gemiddelde consument zonder toelichting begrijpt hoe het milieuvoordeel wordt verwezenlijkt en hangt daarmee af van de omstandigheden van het geval. De invulling van een dergelijke claim dient duidelijk uit de uiting te blijken.
  • Het huren van een benzine- of dieselauto is volgens het CvB op zichzelf genomen niet milieubewust, nu het een activiteit betreft die nadelig is voor het milieu, bijvoorbeeld door het veroorzaken van schadelijke uitlaatgassen. Het kan daarom niet als een feit van algemene bekendheid worden beschouwd dat huren als zodanig milieubewust is, zoals het verhuurbedrijf stelt, aldus het CvB.
  • Uitsluitend indien men de milieubelasting van het huren van een benzineauto afzet tegen de milieubelasting die de eigendom van een benzineauto veroorzaakt, kunnen naar oordeel van het CvB in bepaalde opzichten milieuvoordelen worden geclaimd. Dat blijkt volgens de CvB in feite de bedoeling van de uiting te zijn, zodat (impliciet) sprake van een vergelijkende milieuclaim.
  • Bij vergelijkende milieuclaims dient vermeld te worden tussen welk (aspect van het) geadverteerde product of bedrijf enerzijds en welk (aspect van het) product of bedrijf anderzijds de vergelijking wordt gemaakt. Hieraan is niet voldaan, nu de duurzaamheidsclaim zonder enige toelichting wordt gebruikt.
  • De gemiddelde consument zal daarom veronderstellen dat het vanuit het oogpunt van een milieubewuste keuze de voorkeur verdient een auto bij het verhuurbedrijf te huren in plaats van bij een andere verhuurder. Niet is gesteld of gebleken dat het bedrijf zich op het gebied van het milieu in positieve zin onderscheidt van haar concurrenten.

Gebruik kinderidolen Hey Duggee en Garfield op chocolade(verpakkingen) in strijd met de RCC

Op 8 april 2024 oordeelt de RCC dat twee uitingen op chocoladeverpakkingen in strijd zijn met de RCC. Op de verpakkingen zijn respectievelijk de figuren Hey Duggee (uiting 1) en Garfield (uiting 2) te zien, welke volgens klager kinderidolen zijn. Daarmee zouden de verpakkingen van de chocola – die niet aan de voedingskundige criteria uit de Reclamecode voor Voedingsmiddelen (“RvV”) voldoet – zijn gericht op kinderen t/m 6 jaar dan wel op kinderen van 7 t/m 12 jaar, aldus klager. Klager richt de klacht op zowel de aanbieder van het product als het platform waarop de producten te koop zijn.

Hey Duggee

Over de chocolade met Hey Duggee op de verpakking overweegt de RCC dat Hey Duggee een, door deelname aan speciaal op kinderen gerichte en/of speciaal voor kinderen ontwikkelde, media bekende personage is. Zowel de aanbieder als het platform waarop het product wordt verkocht kunnen verantwoordelijk zijn voor strijdigheid met de RvV.

  • De aanbieder omdat de RCC ervan uitgaat dat de uiting door de aanbieder mede op Nederland is gericht, nu deze na een zoekopdracht blijkbaar doelbewust ook aan een Nederlands publiek wordt getoond. Daarmee valt de uiting onder de reikwijdte van de RvV en heeft de aanbieder als aanbieder van het product op het platform een zelfstandige verantwoordelijkheid om de bepalingen van de RvV na te leven. Nu er gebruik wordt gemaakt van een kinderidool op een verpakking voor een voedingsmiddel (dat niet aan de voedingskundige criteria uit de RvV voldoet), had de aanbieder in dit geval artikel 8 lid 2 sub a RvV moeten naleven door te voorkomen dat de verpakking in Nederland op de markt wordt gebracht. Het feit dat zij een in het buitenland gevestigde partij is doet niet af aan deze op haar rustende verantwoordelijkheid.
  • Onder de aanwezige omstandigheden ziet de RCC evenwel geen aanleiding om het platform medeverantwoordelijk te houden. Het platform heeft adequaat gehandeld door de uiting direct na de ontvangst van de klacht van haar platform te verwijderen. Daarbij acht de RCC het verschoonbaar dat het platform onbedoeld en onbewust heeft toegestaan dat de inbreukmakende uiting op haar platform is gepubliceerd, omdat het gaat om een uiting in de Engelse taal van een in het buitenland gevestigd bedrijf met een vooral in het buitenland bekende licensed character, die blijkbaar ook primair op een buitenlandse consument is gericht. In die situatie zal voor het platform een overtreding van de RvV onvoorzien zijn.

Garfield

De chocolade met Garfield op de verpakking werd door het platform zelf verkocht. Daarom is het platform hiervoor zelf verantwoordelijk, aldus de RCC.

Volgens het platform is evenwel geen sprake van het verboden gebruik van een kinderidool, omdat de op de verpakking afgebeelde Garfield een ‘stripfiguur’ is die primair op volwassenen is gericht en zijn bekendheid ontleent aan op volwassenen gerichte ‘gagstrips’.

De RCC gaat hier niet in mee en overweegt onder meer dat:

  • Licensed media characters die oorspronkelijk niet specifiek op kinderen zijn gericht, door hun gebruik in speciaal voor kinderen ontwikkelde media alsnog bij kinderen bekend kunnen worden en daardoor, naast de oorspronkelijke doelgroep, ook onder kinderen populair kunnen raken. Hiervan is in dit geval sprake nu Garfield zoals afgebeeld in de recente animatiefilm waar klager naar verwijst, “door zijn visuele stijl, kleurgebruik en levendige animatie duidelijk op kinderen is gericht”;
  • Garfield oorspronkelijk uit een strip voor volwassenen afkomstig is, dus geen afbreuk doet aan de bekendheid van het personage onder kinderen door voornoemde recente mediaproducties.

De RCC acht zodoende aannemelijk dat Garfield voor kinderen een herkenbaar en aantrekkelijk karakter is geworden en daardoor aangemerkt kan worden als kinderidool in de zin van de RvV, zodat de uiting in strijd is met 8 lid 2 sub b RvV.

Vragen over deze onderwerpen? Neem graag contact op met Bente van Kan of Machteld Robichon.

Visie

Let op: een valse e-mail die momenteel uit naam van ons kantoor, bureau Brandeis, wordt verspreid

Geachte relatie,

Wij willen u via deze weg dringend informeren over een valse e-mail die momenteel uit naam van ons kantoor, bureau Brandeis, wordt verspreid. Deze e-mail wordt verzonden vanaf het e-mailadres romanmahmoud627@gmail.com en bevat zogenaamd een klachtmelding over een vermeende auteursrechtschending.

Let op: deze e-mail is niet afkomstig van bureau Brandeis en is vals. Wij adviseren u met klem om:

  • Niet op links of bijlagen in deze e-mail te klikken;
  • Geen reactie te sturen naar het genoemde e-mailadres;
  • De e-mail onmiddellijk te verwijderen;
  • Bij twijfel contact met ons op te nemen via de bekende, officiële kanalen.

Wij hebben inmiddels stappen ondernomen om deze misleiding te onderzoeken en te laten beëindigen. Dit bericht maakt mogelijk deel uit van een phishingpoging of poging tot oplichting.

Visie

Samenwerking bij toezicht op de DSA: een noodzakelijke schakel in een complex toezichtlandschap

In april 2025 is in de Staatscourant het Samenwerkingsprotocol Digitaledienstenverordening gepubliceerd (“Samenwerkingsprotocol”). Het Samenwerkingsprotocol regelt de samenwerking tussen de Autoriteit Consument & Markt (“ACM”) en onder meer de Autoriteit Persoonsgegevens (“AP”), de Autoriteit Financiële Markten (“AFM”), het Commissariaat voor de Media (“CvdM”) en de Kansspelautoriteit (“Ksa”). Het Samenwerkingsprotocol verduidelijkt de onderlinge rolverdeling bij toezicht op de Digitaledienstenverordening (“DSA”; Verordening (EU) 2022/2065) en vult daarmee een belangrijke leemte in de handhavingspraktijk.

In dit blog bespreken we de rolverdeling tussen toezichthouders en de afspraken over gegevensdeling en bevelen.

Toezicht op digitale diensten: wie doet wat?

De Uitvoeringswet DSA wijst de ACM aan als digitale dienstencoördinator en als primaire toezichthouder op de naleving van de DSA.

Uitzonderingen op deze primaire toezichthouderspositie betreffen de verplichting voor online platforms om transparantie te bieden over hun aanbevelingssystemen en het verbod op reclame op basis van profilering met gebruikmaking van (bijzondere categorieën) persoonsgegevens. Voor deze bepalingen is de AP aangewezen als toezichthouder.

De AP is daarnaast aangewezen als ‘nationale bevoegde autoriteit’ (artikel 49 lid 1 DSA). Die bepaling verplicht lidstaten om één of meer bevoegde onafhankelijke autoriteiten aan te wijzen voor het toezicht op en de handhaving van de verplichtingen uit de DSA. De AP neemt die rol op zich voor bepalingen waar de verwerking van persoonsgegevens centraal staat.

Het Samenwerkingsprotocol benadrukt dat de ACM, als voorzitter van de zogenoemde ‘DSA Kamer’, verantwoordelijk is voor de coördinatie van het toezicht op nationaal niveau. Deze DSA Kamer is door het Samenwerkingsplatform Digitale Toezichthouders en fungeert als knooppunt voor informatiedeling en beleidsafstemming.

Samenwerking tussen autoriteiten

Het Samenwerkingsprotocol werkt de samenwerking tussen de verschillende autoriteiten op drie fronten verder uit: bevelen, gegevensuitwisseling en afstemming bij samenloop van bevoegdheden.

Bevelen

Nationale autoriteiten zijn verplicht om bevelen die zijn afgegeven op grond van artikel 9 lid 3 of 10 lid 3 DSA tijdig aan de ACM te verstrekken. Deze DSA-bepalingen verplichten lidstaten om tussenhandelsdiensten te kunnen bevelen om óf illegale inhoud te verwijderen (artikel 9 DSA) óf specifieke informatie over gebruikers te verstrekken (artikel 10 lid 3 DSA). Doordat de ACM door andere Nederlandse autoriteiten wordt geïnformeerd, kan zij fungeren als doorgeefluik naar autoriteiten binnen de Europese Unie.

Gegevensuitwisseling

Nationale autoriteiten zijn verplicht de ACM te informeren over mogelijke DSA-overtredingen. De ACM coördineert deze overtredingen vervolgens met Europese collega’s.  Omgekeerd stuurt de ACM gegevens die relevant zijn voor de taken van andere nationale autoriteiten proactief door, mits wettelijk toegestaan.

Samenloop van bevoegdheden

Een praktische uitdaging ontstaat wanneer meerdere autoriteiten bevoegd zijn in eenzelfde casus – denk aan onvergunde kansspelaanbiedingen via zeer grote onlineplatforms (VLOP) of de verspreiding van medische desinformatie. Het Samenwerkingsprotocol bevat voor die gevallen een meldplicht: zodra een toezichthouder in een handhavingszaak constateert dat ook een andere partij bevoegd is, moet deze geïnformeerd worden. Deze open communicatie tussen autoriteiten moet versnipperd optreden voorkomen.

Het Samenwerkingsprotocol biedt daarnaast ruimte voor inhoudelijke betrokkenheid van nationale bij vergaderingen van de Digitaledienstenraad, het Europese coördinatieorgaan waarin de ACM zitting heeft.

Een noodzakelijke blauwdruk

Het Samenwerkingsprotocol is geen juridisch bindend document, maar schetst wel een noodzakelijke structuur voor een samenhangende uitvoering van de DSA. Door expliciete afspraken te maken over rolverdeling, gegevensdeling en coördinatie kan het Samenwerkingsprotocol bijdragen aan effectieve handhaving van de complexe en breed gelaagde verplichtingen uit de DSA.

De praktijk zal uitwijzen of deze afspraken voldoende houvast bieden bij conflicterende mandaten en uiteenlopende handhavingsprioriteiten. De eerste evaluatie van het Samenwerkingsprotocol is voorzien na vijf jaar, maar het Samenwerkingsprotocol biedt ruimte om deze eerder te laten plaatsvinden indien daartoe aanleiding bestaat. Gezien de dynamiek van het digitale toezichtsdomein zal vermoedelijk al eerder van deze mogelijkheid gebruik worden gemaakt.

Vragen over dit onderwerp? Neem dan contact op met Machteld Robichon, Bente van Kan of Ole Oerlemans.

Visie

Update recente uitspraken Reclame Code Commissie – april 2025

In deze blog praten we jullie bij over enkele interessante uitspraken van de Reclame Code Commissie (“RCC”) van de afgelopen maanden. De uitspraken betreffen verschillende onderwerpen op het gebied van onder meer media, telecommunicatie en duurzaamheid.

Nepreviews en kunstmatige intelligentie

In een uitspraak van 12 februari 2025 oordeelt de RCC dat het plaatsen van valse reviews en een gebrek aan transparantie over het gebruik van kunstmatige intelligentie in strijd zijn met artikel 7 van de Nederlandse Reclame Code (“NRC”).

Het eerste onderdeel van de klacht ziet op reviews op de website van adverteerder. Klager stelt dat de reviews allemaal van dezelfde datum afkomstig zijn en met behulp van kunstmatige intelligentie zijn geschreven. Naar oordeel van de RCC is twijfel die over deze reviews is gezaaid niet weggenomen door de adverteerder. Op grond daarvan moet worden aangenomen dat de reviews niet door klanten zijn opgesteld en geplaatst. Het “op misleidende wijze voorstellen van consumentenbeoordelingen” is in strijd met artikel 7 NRC.

Het tweede klachtonderdeel betreft de service die adverteerder aanbiedt. Op de website van adverteerder kunnen gepersonaliseerde liedjes besteld worden en kunnen AI-gegenereerde liedjes zelfstandig gecomponeerd worden. De website van de adverteerder bevat de mededeling dat “de liedjes persoonlijk en professioneel zijn gecomponeerd”. Dat deze liedjes door kunstmatige intelligentie worden gegenereerd wordt volgens de RCC niet voldoende toegelicht, waardoor de consument op het verkeerde been wordt gezet.

De bovengenoemde onjuiste informatie kan de gemiddelde consument ertoe brengen een besluit over een transactie te nemen dat zij anders zij niet hadden genomen, waardoor de uiting volgens de RCC misleidend en oneerlijk is en om die reden in strijd is met artikel 7 NRC.

Nu de adverteerder niet heeft aangetoond dat de website is aangepast en niet heeft erkend dat in strijd met de NRC is gehandeld acht de RCC het noodzakelijk om een aanbeveling te doen om niet meer op dergelijke wijze reclame te maken.

Witte jas en tandartsadvies in reclame zijn verboden aanbeveling van ‘gezondheidsprofessional’

In een uitspraak van 13 februari 2025 oordeelt de RCC dat een televisiereclame voor tandpasta misleidend is, omdat daarin de indruk wordt gewekt dat een gezondheidsprofessional het product aanbeveelt.

De reclame laat een vrouw in een witte jas zien die tandpasta aanbeveelt en consumenten adviseert om hun tandarts of mondhygiënist te raadplegen. Volgens de klager suggereert deze combinatie dat een zorgprofessional het product aanbeveelt, hetgeen verboden is op grond van artikel 17 van de Code reclame voor Medische zelfzorg Hulpmiddelen 2019 (“CMH”). De adverteerder stelt dat de vrouw geen tandarts is, maar een laborante met een bedrijfslogo op haar jas, en dat het advies bedoeld is om consumenten te stimuleren professioneel advies in te winnen.

Naar oordeel van de RCC wekt het totaalbeeld inderdaad de indruk van een indirecte aanbeveling door een gezondheidsprofessional. Omdat het bedrijfslogo op de jas onvoldoende duidelijk in beeld komt, wordt de reclame in strijd met artikel 17 CMH geacht en voor zover nodig aanbevolen om niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken.

The entire place is (not) yours

In een uitspraak van 18 februari 2025 oordeelt de RCC dat een online advertentie voor een vakantievilla misleidend is, omdat deze de indruk wekt dat de gehele villa beschikbaar is voor huurders, terwijl dit niet het geval blijkt te zijn.

De klacht betreft de aanbieding van een villa op Kreta op de website van een boekingsorganisatie. De advertentie toont foto’s van een villa met twee verdiepingen en vermeldt expliciet: “The entire place is yours”. Bij aankomst wordt de huurder echter geïnformeerd dat alleen de bovenverdieping beschikbaar is; de begane grond wordt gebruikt voor opslag. Daarnaast is volgens klager de achterzijde van de villa niet volledig afgewerkt en dus niet begaanbaar. De klager voelt zich misleid door de advertentie en brengt dit na de vakantie onder de aandacht van de boekingsorganisatie en de RCC.​

De boekingsorganisatie stelt dat de accommodatie verantwoordelijk is voor de verstrekte informatie en dat zij niet kan garanderen dat alle gegevens altijd accuraat zijn. Desalniettemin treft zij maatregelen wanneer informatie onjuist blijkt te zijn.​

De RCC oordeelt dat de boekingsorganisatie verantwoordelijk is voor de juistheid van de informatie op haar website, ongeacht de bron. De combinatie van de foto’s en de tekst “The entire place is yours” wekt de indruk dat de gehele villa beschikbaar is voor huurders. Aangezien dit niet het geval is, acht de RCC de advertentie misleidend en in strijd met artikel 8.3 onder c en artikel 7 van de NRC en beveelt zij aan om niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken.

Voor zover de klacht ziet op het feit dat de achterkant van de villa nog niet geheel af was ten tijde van het verblijf door klager, wordt deze afgewezen door de RCC. Zo overweegt de RCC dat (inderdaad) duidelijk is dat er verschillen zijn tussen de foto’s op de website van de boekingsorganisatie en de door klager gemaakte foto’s. Deze verschillen zijn echter niet dusdanig groot dat moet worden geconcludeerd dat de achtertuin van de accommodatie op zo’n manier is gepresenteerd, dat dit op een incorrecte en misleidende wijze is gedaan.

Duurzaam bananenbrood?

In een uitspraak van 18 februari 2025 oordeelt de RCC dat het gebruik van het woord “duurzaam” in een advertentie voor een zorgverzekeraar niet misleidend is, omdat voldoende duidelijk wordt gemaakt welke invulling de adverteerder aan dat begrip geeft.

De klacht richt zich op een paginagrote krantenadvertentie waarin bananenbrood centraal staat als voorbeeld van een “duurzamere keuze”. De tekst stelt dat “duurzaamheid meer is dan zonnepanelen en windmolens” en legt de nadruk op gezondere keuzes, zoals het volgen van het ‘Gezonde gewoontes programma’. Volgens klager wordt ten onrechte gesuggereerd dat dergelijke gezondheidskeuzes bijdragen aan duurzaamheid in de zin van milieu, terwijl daarvoor geen onderbouwing wordt gegeven. Klager beschouwt de advertentie als een vorm van greenwashing.

De RCC overweegt dat het begrip duurzaam geen vastomlijnde betekenis heeft en in het maatschappelijk verkeer breed wordt gebruikt. Omdat de adverteerder in de uiting zelf uitlegt dat zij duurzaamheid koppelt aan een inclusievere, gezondere en groenere samenleving, en in het vervolg van de tekst invulling geeft aan het thema gezondheid, is volgens de RCC voldoende duidelijk welke betekenis aan het begrip wordt gegeven. De gemiddelde consument wordt daardoor niet misleid. De klacht wordt daarom afgewezen.

Een cadeau met een limiet

In een uitspraak van 20 februari 2025 oordeelt de RCC dat de mededeling “lees gratis” bij een gedeelde cadeaulink naar een nieuwsartikel misleidend is, omdat niet duidelijk werd gemaakt dat slechts een beperkt aantal mensen het artikel daadwerkelijk zonder verdere handelingen kan lezen.

De klacht betreft een social media post waarin wordt verwezen naar een artikel met de tekst “lees gratis” en een cadeausymbool. Via de hyperlink kunnen alleen de eerste tien personen het artikel direct lezen. Daarna verschijnt een melding dat registratie vereist is. Volgens de klager wordt hiermee ten onrechte de indruk gewekt dat iedereen zonder meer toegang zou hebben tot het artikel, terwijl er in feite voorwaarden gelden die pas achteraf zichtbaar worden.

De RCC stelt vast dat de uiting kwalificeert als reclame. De gemiddelde consument zal, bij het ontbreken van informatie over de beperking, niet verwachten dat de toegang tot het artikel slechts voor een beperkt aantal personen geldt. Omdat communicatie ontbreekt over het feit dat registratie met persoonsgegevens vereist is zodra de limiet wordt bereikt, is sprake van een omissie in de zin van artikel 8.3 aanhef en onder c van de NRC. De reclame wordt daarom als misleidend en oneerlijk aangemerkt in de zin van artikel 7 NRC. De RCC beveelt aan om niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken.

De RCC benadrukt dat de vorm en inhoud van de cadeaulink automatisch worden gegenereerd door de aanbieder van het artikel, en dat degene die de link deelt — ook wanneer dit de auteur van het artikel betreft — hier geen invloed op heeft. Voor zover de klacht mede gericht was tegen de verspreider van de link, wordt deze dan ook afgewezen.

Gratis aansluiting” blijkt toch niet gratis

In een uitspraak van 3 maart 2025 oordeelt de RCC dat een brief met de belofte van een “gratis aansluiting” op glasvezelinternet misleidend is, omdat essentiële informatie over hoge bijkomende kosten ontbreekt.

De klacht betreft een brief waarin een consument wordt uitgenodigd over te stappen op glasvezelinternet met de belofte van een gratis aansluiting en een vaste lage prijs. Na telefonisch contact blijkt echter dat op het adres van de consument nog geen glasvezelnetwerk aanwezig is, en dat er alsnog € 16 per maand of eenmalig € 1600 betaald moet worden voor de aanleg ervan. Volgens de klager is het gebruik van het woord “gratis” misleidend, omdat deze kosten nergens in de brief worden genoemd.

De RCC stelt vast dat de gemiddelde consument op basis van de uiting mag aannemen dat de volledige aansluiting kosteloos is, ongeacht de woonsituatie. Door in algemene bewoordingen een gratis aansluiting aan te bieden, zonder te wijzen op mogelijke (hoge) extra kosten, bijvoorbeeld bij een woning in het buitengebied, wordt een onjuiste indruk gewekt. De kleine lettertjes onderaan de brief — waarin staat dat prijzen exclusief vastrechtvergoeding zijn — zijn onvoldoende om deze misleiding te corrigeren. Omdat de consument niet wordt geïnformeerd over de mogelijke extra kosten, ontbreekt essentiële informatie die nodig is om een weloverwogen beslissing te nemen.

De RCC oordeelt zodoende dat de uiting misleidend is in de zin van artikel 8.3 aanhef en onder c NRC, en daarmee ook oneerlijk in de zin van artikel 7 NRC. De RCC beveelt daarom aan om niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken.

De ene smoes is de andere niet

In twee afzonderlijke uitspraken van 6 maart 2025 beoordeelt de RCC nagenoeg dezelfde televisie- en radiocommercials van een reisorganisatie, over vakantieverlenging door middel van “onzinnige smoesjes”.  In één uitspraak wordt de radiocommercial geacht in strijd te zijn met “de goede smaak en fatsoen”, maar de televisiecommercial niet. In de andere uitspraak worden alle klachten afgewezen.

De eerste uitspraak betreft een televisie- en een radiocommercial. In de televisiecommercial wordt aan de telefoon gesuggereerd dat een ouder een blindedarmontsteking heeft, waardoor de kinderen een weekje langer bij hun grootouders moeten blijven. In de radiocommercial worden zogenaamd zieke kinderen afgemeld om langer op vakantie te blijven. De RCC maakt onderscheid tussen beide uitingen. In de televisieversie wordt geen ziekmelding bij school gedaan en verblijven de kinderen bij familie. Daarom wordt deze uiting niet als strijdig met de normen van “goede smaak en fatsoen”, in de zin van artikel 2 NRC, gezien. In de radiocommercial daarentegen wordt nadrukkelijk gesuggereerd dat leerplichtige kinderen ziek worden gemeld bij school om de vakantie te verlengen. De RCC stelt zich, gezien het subjectieve karakter van de criteria van artikel 2 NRC, terughoudend op. Als maatstaf geldt of de bestreden reclame-uiting “naar de huidige algemene maatschappelijke opvattingen de grenzen van het toelaatbare te buiten gaat”. De RCC oordeelt dat dit geval het is. Zodoende wordt de reclame in strijd geacht met artikel 2 NRC en wordt de aanbeveling gedaan om niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken.

In de tweede uitspraak beoordeelt de RCC dezelfde televisie commercial als in de eerste uitspraak en nagenoeg dezelfde radiocommercial. Het verschil tussen de radiocommercials is dat in plaats van een smoes om kinderen thuis te houden van school, een smoes wordt bedacht om de verjaardag van een hoogbejaarde oma over te slaan. Volgens de klager wordt hiermee liegen op humoristische wijze genormaliseerd, hetgeen schadelijk zou zijn voor sociale normen. De RCC erkent dat sommige mensen dit als ongepast kunnen ervaren, maar oordeelt dat deze uitingen — hoewel gebaseerd op het verspreiden van onwaarheden — bedoeld waren als overduidelijke overdrijving en humor. Naar geldende maatschappelijke opvattingen gaan ze volgens de RCC niet de grens van het toelaatbare te buiten. De klachten werden in deze zaak afgewezen.

Vragen over deze onderwerpen? Neem graag contact op met Bente van Kan of Machteld Robichon.

Met dank aan Ole Oerlemans

Naar
boven