Update recente uitspraken Reclame Code Commissie – juni 2026

Bente van Kan & Machteld Robichon & Lucas de Vet & Sophie Mostert
19 jun 2026

In deze blog praten we jullie bij over enkele interessante uitspraken van de Reclame Code Commissie (“RCC”) van de afgelopen maanden. In de blog komen uitspraken van de RCC aan bod over uiteenlopende thema’s, zoals influencer marketing en de grenzen van de vrijheid van meningsuiting bij ideële en maatschappelijk gevoelige reclame.

#Onvoldoende duidelijke reclamevermelding 

In een uitspraak van 21 mei 2026 behandelt de RCC een klacht over een Instagrambericht van een influencer waarin een ‘In Real Life’ (IRL) streamingtour door zeven Belgische steden wordt gepromoot. Deze tour werd georganiseerd in samenwerking met een sportretailer. In de afbeelding staat de tekst “Together with [adverteerder]”. Onderaan de beschrijving worden het account van de adverteerder en de hashtag “#ad” vermeld.

Geklaagd wordt dat niet onmiddellijk duidelijk is dat het om een reclame-uiting ging, omdat de vermelding ‘#ad’ pas zichtbaar wordt nadat de beschrijving is uitgeklapt en bovendien helemaal onderaan staat. Op grond van artikel 3 van de Reclamecode Social Media & Influencer Marketing (“RSM”) moet de relatie tussen adverteerder en influencer onmiddellijk en ondubbelzinnig herkenbaar zijn.

De adverteerder voert aan dat de contractuele voorwaarden ten tijde van de post nog niet definitief waren overeengekomen en dat er nog geen overeenkomst bestond op grond waarvan de influencer verplicht was te posten of waarvoor werd betaald. Er werd wel een samenwerking overwogen en uit de standaardvoorwaarden van de adverteerder volgt een verplichting om commerciële samenwerking duidelijk te markeren.

Voor het bestaan van een ‘relevante relatie’ in de zin van artikel 2 RSM is volgens de RCC niet vereist dat sprake is van een schriftelijke overeenkomst. Doorslaggevend is of sprake is van een relatie die is gericht op het (doen) verspreiden van reclame via social media tegen enig voordeel, en die de geloofwaardigheid daarvan kan beïnvloeden. Nu de influencer in het bericht zelf expliciet naar de adverteerder verwijst als partij met wie de tour wordt georganiseerd, gaat de RCC ervan uit dat ten tijde van de klacht sprake was van enige vorm van samenwerking waarbij voor de influencer sprake was van enig voordeel.

De RCC stelt vast dat de volledige beschrijving ten tijde van de klacht pas zichtbaar werd nadat de beschrijving werd uitgeklapt. Omdat het mogelijk is dat een consument het bericht bekijkt zonder de beschrijving uit te klappen, is volgens de RCC niet voldaan aan het vereiste dat de relevante relatie uitdrukkelijk in de uiting moet worden vermeld. De uiting is daarom in strijd met artikel 3 onder a en b RSM. Omdat op grond van artikel 6 lid 4 RSM zowel de adverteerder als de influencer verantwoordelijk is voor naleving van artikel 3 RSM, en niet is gebleken dat de adverteerder aan zijn zorgplicht heeft voldaan, heeft ook de adverteerder in strijd met de RSM gehandeld. De RCC beveelt verweerder aan om niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken. Omdat de influencer het bericht al had aangepast, laat de RCC ten aanzien van de influencer een aanbeveling achterwege.

Aanprijzing van historische Duitse legervoertuigen

In een uitspraak van 12 mei 2026 behandelt de RCC een klacht over een uiting op de website van een oorlogsmuseum, waarin reclame wordt gemaakt voor een evenement waar Duitse voertuigen uit de Tweede Wereldoorlog worden getoond. In de uiting worden de voertuigen aangeprezen als “vooral afkomstig van de Wehrmacht” en wordt onder meer gesteld dat “de Duitse voertuigtechniek (…) in die tijd vaak kwalitatief beter [was] dan de geallieerde’’.

Geklaagd wordt dat de uiting (in strijd met de regels van de Museumvereniging) niet neutraal is en dat de getoonde voertuigen louter in positieve bewoordingen worden omschreven, zoals ‘’bijzondere voertuig’’, ‘’volle glorie’’ en ”imposante’’. Volgens klager wordt ten onrechte geen link gelegd tussen de getoonde voertuigen en de Holocaust, waarbij hij in het bijzonder wijst op kinderen die het evenement bezoeken.

De RCC overweegt dat het voor de gemiddelde consument, duidelijk zal zijn dat de voertuigen betrokken zijn geweest bij de Tweede Wereldoorlog, en wel aan Duitse zijde. Dat de aanprijzing positieve bewoordingen bevat en dat geen gebruik is gemaakt van termen als ‘nazi’ en ‘Holocaust’, betekent volgens de RCC nog niet dat de uiting in strijd is met de van de Nederlandse Reclame Code (“NRC”). Dit geldt evenmin voor zover kinderen van de uiting kennisnemen. Ook voor zover het evenement niet kan voldoen aan regels van de Museumvereniging betekent dit niet dat sprake is van een ontoelaatbare reclame in de zin van de NRC. Dat sprake zou zijn van het aanzetten tot of toelaten van strafbare feiten, is niet gebleken. De klacht wordt daarom afgewezen.

De RCC merkt tot slot op dat de klager tijdens de zitting heeft verwezen naar “RCC-jurisprudentie”, waarbij de betreffende dossiernummers niet corresponderen met de daarbij in de pleitnota gegeven omschrijving.

Advertentie voor hoger opgeleiden

In een uitspraak van 29 april 2026 behandelt de RCC een klacht over een radiocommercial van een verzekeraar waarin een autoverzekering wordt aangeboden met de belofte van “minimaal 20%’’ besparing en de toevoeging dat het gaat om ”verzekeringen voor hoger opgeleiden’’.

De klager stelt dat de boodschap maatschappelijk ongewenst is. Door onderscheid te maken op basis van opleidingsniveau wordt de suggestie gewekt dat mensen zonder hogere opleiding een hoger risico vormen of minder verantwoordelijk zijn. De uiting raakt klager ook persoonlijk, omdat zijn dochter haar schoolloopbaan onder meer door mentale problemen niet heeft kunnen afronden. Volgens klager is de uiting discriminerend, denigrerend en onnodig kwetsend, en daarmee in strijd met de NRC.

De adverteerder voert aan dat het iedere verzekeraar vrijstaat zich op een specifieke doelgroep te richten en dat dit is gebaseerd op schadestatistieken en jarenlange ervaring, waaruit blijkt dat deze groep minder schade claimt. Opleidingsniveau is bovendien niet als discriminatiegrond opgenomen in de Algemene wet gelijke behandeling. Eind 2025 concludeerde ook het kabinet dat onderscheid op basis van studieachtergrond als onderdeel van een risicoprofiel is toegestaan.

De toelichting bij artikel 2 NRC verwijst naar de Richtlijn Audiovisuele Mediadiensten, die voorschrijft dat reclame de menselijke waardigheid niet mag aantasten en geen discriminatie mag bevatten of bevorderen op grond van onder meer geslacht, ras, etnische afkomst, nationaliteit, levensovertuiging of seksuele geaardheid. Volgens de RCC  kan niet worden geconcludeerd dat de uiting, waarin verzekeringen ”voor hoger opgeleiden’’ worden gepromoot, in strijd is met deze bepalingen inzake discriminatie. Het staat de adverteerder vrij om reclame te richten op een specifieke doelgroep die wordt bepaald door opleidingsniveau. De uiting is daarom niet in strijd met artikel 2 NRC.

Ook van een nodeloos kwetsende uiting als bedoeld in artikel 4 NRC is geen sprake. De RCC stelt zich daarbij terughoudend op vanwege het subjectieve karakter van dat criterium. Dat de uiting niet door iedereen wordt gewaardeerd en dat sommigen zich eraan storen, is onvoldoende om te concluderen dat de uiting ontoelaatbaar is en dat de vrijheid van meningsuiting moet worden beperkt. Het feit dat de verzekering niet voor iedereen toegankelijk is, maakt de uiting op zichzelf nog niet ontoelaatbaar. De RCC wijst de klacht af.

Schelden in reclame: niet door iedereen gewaardeerd, niet ontoelaatbaar

In een uitspraak van 23 april 2026 behandelt de RCC een klacht over een televisiecommercial voor een ijsthee waarin een bekende rapper figureert. In de commercial vestigen de rapper en zijn collega op humoristische wijze de aandacht op de ‘originele’ ijsthee, in tegenstelling tot personen die ‘niet-originele’ ijsthee drinken. Op het moment dat een ‘niet-originele’ ijsthee wordt gedronken, klinkt de tekst “little fake-ass b*tch”.

Het is volgens klager onbegrijpelijk hoe de jeugd wordt beïnvloed en slecht taalgebruik wordt genormaliseerd. Geklaagd wordt dat het taalgebruik in de commercial erg provocerend is en in strijd is met de goede smaak en het fatsoen, dan wel nodeloos kwetsend is, zoals bedoeld in artikel 2 en artikel 4 NRC.

Bij deze beoordeling stelt de RCC zich terughoudend op, gelet op het subjectieve karakter van deze criteria. Uitgaande van deze terughoudende toets kan de klacht niet slagen. De reclame is bedoeld om op een humoristische wijze de (originele) ijsthee onder de aandacht te brengen. De RCC heeft er begrip voor dat dergelijke taalgebruik niet door iedereen wordt gewaardeerd, maar dat leidt niet tot het oordeel dat de uiting om die reden ontoelaatbaar is. Niet kan worden geoordeeld dat de tekst, gelet op de huidige algemene maatschappelijke opvattingen, de grenzen van het toelaatbare overschrijdt. De RCC wijst de klacht af.

Een indringende campagne: niet vóór 20:00 uur

In een uitspraak van 23 maart 2026 behandelt de RCC een klacht over een televisiecommercial van een goededoelenorganisatie over meisjesbesnijdenissen. De commercial begint met de tekst ”Elke 15 minuten gaat er in Afrika een meisje dood door meisjesbesnijdenis’’ en een waarschuwing over een gedetailleerde beschrijving van kindermishandeling. Vervolgens komen verschillende meisjes in beeld en wordt onder meer beschreven dat meisjes die 8 jaar oud worden tegen hun wil worden besneden, zonder verdoving. Ook vertelt een van de meisjes het verhaal over hoe haar zusje bij een besnijdenis zo hevig bloedde dat zij bewusteloos raakte.

Geklaagd wordt dat de commercial om 18:45 uur werd uitgezonden, een tijdstip waarop doorgaans met het gezin naar de televisie wordt gekeken. Daarnaast werd aangevoerd dat de commercial, ondanks de voorafgaande waarschuwing, te confronterend is om op dat tijdstip uit te zenden.

De adverteerder voert aan dat de campagne bedoeld is om onder volwassenen bewustwording te creëren en middelen te werven, en dat zorgvuldig rekening is gehouden met de gevoeligheid van het onderwerp: er wordt zendtijd ingekocht rond programma’s met een volwassen doelgroep, er gaat een waarschuwing aan de commercial vooraf en er is bewust gekozen voor een sobere vertelvorm. Naar aanleiding van een eerdere uitspraak van de RCC had de adverteerder bovendien een “zachtere versie” ontwikkeld, en had de adverteerder toegezegd de commercial na afloop van de lopende campagne niet meer vóór 20:00 uur uit te zenden.

De RCC overweegt dat zij in een eerder dossier een versie van de commercial ongeschikt voor jonge kinderen en in strijd met de goede smaak in de zin van artikel 2 NRC achtte, voor zover deze vóór 20:00 uur werd uitgezonden. Naar het oordeel van de RCC is, ondanks de voorafgaande waarschuwing, ook bij de “zachtere versie” nog steeds sprake van een commercial die ongeschikt is voor kinderen. De beschrijvingen in de commercial zijn, mede gelet op de emotionele context waarin zij worden gepresenteerd, dermate indringend dat zij door jonge kinderen als schokkend of angstaanjagend kunnen worden ervaren.

Gelet hierop is de uiting in strijd met de goede smaak als bedoeld in artikel 2 NRC, voor zover deze vóór 20:00 uur wordt uitgezonden. De RCC geeft het vrijblijvende advies om voortaan niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken en om de reclame in deze vorm niet vóór 20:00 uur te (laten) programmeren.

Met dank aan Daan Zwinkels

Naar
boven