Update recente uitspraken Reclame Code Commissie – december 2025

Bente van Kan & Machteld Robichon & Ole Oerlemans
18 dec 2025

In deze blog praten we jullie bij over enkele interessante uitspraken van de Reclame Code Commissie (“RCC”) van de afgelopen maanden. De blog bevat uitspraken waarin de RCC zich uitspreekt over verschillende thema’s, zoals reclame voor minderjarigen, misleidende (duurzaamheids)claims en de waarheidsplicht bij reclame.

Anti-abortus reclamefolders bij de huisarts

In een uitspraak van de RCC 19 november 2025 heeft de RCC geoordeeld over een klacht tegen een pro life organisatie naar aanleiding van een brief en bijbehorende folder. Deze brief werd, in de context van de wetswijziging die het mogelijk maakt voor huisartsen om de abortuspil voor te schrijven, op grote schaal per post aan huisartsen verstuurd en bevatte als bijlage een folder met de titel “Waarom ik, als huisarts geen abortuspil voorschrijf”. Deze folder stond ook op de website van de organisatie.

Er werd geklaagd dat de brief en folder niet als neutrale informatie kwalificeren, maar als reclame voor denkbeelden. De brief en folder zouden niet als reclame herkenbaar zijn omdat de daadwerkelijke afzender zich onvoldoende kenbaar maakt en de folder wordt ondertekend met “je huisarts”. Daarnaast zou de brief huisartsen aansporen om de folder, die expliciet is gericht op mogelijk kwetsbare vrouwen, in hun wachtkamer te leggen. Tot slot zou de folder feitelijke onjuistheden bevatten die inspelen op angstgevoelens.

Uiteindelijk worden er 11 passages van de brief en de folder door de RCC beoordeeld, niet alle klachten worden door de RCC gevolgd. Zo wordt er bijvoorbeeld geklaagd dat de passage “Doel van deze verandering is om de drempel voor het gebruik van de abortuspil te verlagen” zou suggereren dat de wetswijziging zou leiden tot “impulsief, onzorgvuldig of onveilig handelen”. De RCC oordeelt echter dat deze suggestie niet wordt gewekt en dat de stelling uit de folder voldoende grondslag vindt in de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel. Er is dus op dit punt geen sprake van strijd met artikelen 2 en/of 6 van de Nederlandse Reclamecode (“NRC”).

Van de 11 passages waarover wordt geklaagd wordt de klacht uiteindelijk op 2 onderdelen afgewezen. Van de 9 toegewezen klachtonderdelen worden er uiteindelijk 3 als misleidend of onjuist gekwalificeerd, 5 als ongerechtvaardigd appellerend aan gevoelens van angst waarvan één zelfs een bedreiging voor de volksgezondheid vormt en één uiting als schadelijk voor het vertrouwen in reclame. Hieronder worden deze categorieën a.d.h.v. een aantal voorbeelden uit de uitspraak toegelicht.

Schadelijk voor het vertrouwen in reclame als bedoeld in artikel 5 NRC

De RCC oordeelt dat de brief en folder, zowel tezamen als apart, kwalificeren als reclame voor denkbeelden. Aangezien de brief is ondertekend door een functionaris van de organisatie en voorzien is van het logo is die voldoende kenbaar volgens de RCC. De folder is daarentegen niet voldoende duidelijk aangezien nergens wordt vermeld wie de daadwerkelijke schrijver is en het is ondertekend door “je huisarts”. Daarnaast verwijst de folder naar “onafhankelijke organisaties” die eigenlijk aan de afzender zijn gelieerd. Dit schaadt het vertrouwen in reclame in de zin van artikel 5 NRC, aldus de RCC.

In strijd met de waarheid als bedoeld in artikel 2 NRC

Met name medische beweringen uit de folder lijken misleidend of onjuist te zijn, zo wordt er bijvoorbeeld gesuggereerd dat een echo noodzakelijk zou zijn om een abortuspil voor te schrijven, voor het vaststellen van de duur van de zwangerschap . De klagers stellen echter dat “vrouwen doorgaans goed in staat zijn om de duur van hun zwangerschap in te schatten op basis van de datum van hun laatste menstruatie en het de huisarts vrij staat om alsnog een echo te laten verrichten, indien er twijfel bestaat bij de patiënte of de huisarts over de zwangerschapsduur.” Hoewel sommige artsen er de voorkeur aan geven om aan de hand van een echo de duur “exact” vast te stellen, oordeelt de RCC dat dit niet voldoende grondslag biedt “voor de juistheid van voornoemde suggestie dat een abortuspil alleen kan worden ingezet als door middel van een echo “de exacte duur” van de zwangerschap is vastgesteld”.

Ongerechtvaardigd appellerend aan gevoelens van angst als bedoeld in artikel 6 NRC

Een groot deel van de beklaagde uitingen acht de RCC ontoelaatbaar omdat zij zonder rechtvaardiging onrust en angst oproepen. Het gaat om uitingen zoals dat “de richtlijnen zodanig [zijn] versoepeld, om het voorschrijven maar mogelijk te maken, dat zelfs abortusartsen op de risico’s wijzen”. De onderbouwing hiervan is dat er tijdens de internetconsultatie meerdere artsen zouden zijn geweest die hadden gewezen op concrete risico’s en waarvan niet alle bezwaren zijn weggenomen. De RCC oordeelt echter dat dit de suggestie “dat er sprake is van een versoepeling van richtlijnen, puur om het voorschrijven van de abortuspil door huisartsen mogelijk te maken, met de (medische) risico’s van dien” niet rechtvaardigt en dat er sprake is van ongerechtvaardigd appelleren aan gevoelens van angst.

Bedreiging voor de geestelijke en/of lichamelijk volksgezondheid als bedoeld in artikel 4 NRC

In de passage “Een waarnemer die een andere visie kan hebben op de abortuspil, maar daarvoor wel de verantwoording moet overnemen. Dat vind ik ongewenst” wordt gesuggereerd dat ‘je huisarts’ niet voldoende vertrouwen heeft in de (eventueel noodzakelijke) hulpverlening door de betreffende waarnemer en dat een vrouw die door complicaties in nood is, mogelijk ontoereikende medische zorg zou krijgen. Aangezien niet valt uit te sluiten dat kwetsbare vrouwen die deze passage lezen voordat zij met een arts hebben gesproken van nodige medische zorg afzien of dit uitstellen, brengt dit ernstige risico’s met zich mee voor de lichamelijke en psychische gezondheid van deze doelgroep. Deze uiting wordt daarom gekwalificeerd als een bedreiging voor de geestelijke en/of lichamelijke volksgezondheid.

De RCC geeft adverteerder het vrijblijvend advies om voortaan niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken.

Motherf*cking windmolens ten onrechte neergezet als milieuvriendelijke oplossing?

In een uitspraak van de RCC 13 november 2025 behandelt de RCC een klacht over een reclame van een energieleverancier.

De klager stoort zich enerzijds aan een ongenuanceerd positief beeld dat over windmolens wordt geschetst door de acteur zeewierchips te laten eten die op windmolenparken zijn geteeld en te stellen dat “These giants are standing tall against fossil fuels. Rising out of the ocean like a middle finger to Co2. Deep beneath the waves they can become artificial reefs. Creating habitat for sea life to grow.” terwijl windmolens juist grote overlast voor het zeeleven kunnen veroorzaken. Volgens de klager is het misleidend om windmolens als een milieuvriendelijke oplossing neer te zetten. Anderzijds stoort de klager zich aan het grove taalgebruik in de reclame “Motherf*cking windfarms…

Adverteerder stelt daartegenover dat zij wil laten zien dat de fundering van en de ruimte tussen de windmolens nuttig kan zijn voor andere doelen dan het opwekken van niet-fossiele energie. Dit probeert zij op een ludieke manier te doen door zeewiersnacks te laten zien die niet voor de verkoop zijn bedoeld. Adverteerder voert ook aan dat het standpunt over kunstmatige riffen wetenschappelijk is onderbouwd en dat de formulering “can become” bewust is gekozen om feitelijk juist te zijn. Over het taalgebruik wilde het bedrijf op een creatieve manier inspelen op de verschillende meningen die mensen hebben over windmolenparken.

De RCC gaat mee met de redenering van de adverteerder. Zij stelt dat, overwegende de reclame als geheel, het duidelijk is dat er wordt bedoeld dat windmolenparken een manier zijn om niet-fossiele energie op te wekken en dat dit aan het zeeleven deels ten goede kan komen, hetgeen voldoende genuanceerd is. Ook wat betreft het taalgebruik volgt de RCC de adverteerder in de stelling dat “motherf*cking” tegenwoordig niet letterlijk zal worden opgevat en voldoende maatschappelijk is geaccepteerd om een uiting kracht bij te zetten. Daarmee is de uiting niet in strijd met goede smaak en fatsoen als bedoeld in artikel 2 NRC en wordt de klacht afgewezen.

Snoepreclame met een content creator gericht op minderjarigen?

In een uitspraak van de RCC van 16 oktober 2025 werd de vraag behandeld of een reclame voor een nieuwe chocoladereep die voortkwam uit een samenwerking tussen een snoepwinkel en een content creator zich specifiek richtte op minderjarigen. De reclame zou een jonge doelgroep aan kunnen spreken aangezien er een jonge jongen in speelt en de content creator regelmatig voorkomt in video’s waarin jonge kinderen te zien zijn.

Reclame voor voedingsmiddelen gericht op kinderen tot en met 12 jaar is volgens artikel 8 lid 1 Reclamecode Voor Voedingsmiddelen (“RVV”) verboden tenzij er sprake is van één van de drie wettelijk bepaalde uitzonderingen. Het moet dan gaan om:

  1. reclame voor Voedingsmiddelen die tot stand is gekomen in samenwerking met dan wel gesteund wordt door de overheid en/of een andere erkende autoriteit op het terrein van voeding, gezondheid en/of beweging;
  2. verpakkingen en point-of-sale materiaal; of
  3. reclame gericht op kinderen van 7 tot en met 12 jaar voor Voedingsmiddelen die voldoen aan de voedingskundige criteria.

Aangezien er nog geen door de markt geaccepteerde bereikcijfers bestaan waaruit volgt dat het publiek van sociale mediakanalen of andere online platforms voor minimaal 25% bestaan uit kinderen tot en met 12 jaar, kan de RCC niet op basis van deze in artikel 8 lid 4 RVV opgenomen maatstaf oordelen dat een reclame op sociale media gericht is op kinderen.  Om het gebruiksprofiel te kunnen bepalen moet zij daarom letten op “criteria als taalgebruik, vormgeving en animatie, games en speelse activiteiten en het gebruik van kinderidolen.

De RCC volgt uiteindelijk de content creator in zijn betoog dat de reclame niet gericht is op kinderen jonger dan 12. De content creator stelt onder meer dat dit niet kan aangezien de minimumleeftijd om een account aan te maken op Instagram en TikTok 13 jaar is en dat de acteur die in de reclame voorkomt ouder dan 12 jaar is. De RCC acht de stellingen van de klager in dit verband onvoldoende geconcretiseerd en komt tot afwijzing van de klacht.

Flyeren aan jonge kinderen

In een uitspraak van de RCC van 14 oktober 2025 nam de RCC een klacht in behandeling van een ouder aan wiens 4-jarig kind een flyer en zonnebril zijn uitgereikt als onderdeel van een wervingsactie. De ouder vindt het onaanvaardbaar dat jonge kinderen rechtstreeks worden aangesproken en flyers en gratis artikelen krijgen.

De adverteerder stelt dat de flyer met goede bedoelingen is uitgereikt en dat er gratis activiteiten mee werden gepromoot zoals sport en spel voor kinderen en andere initiatieven zoals mensen helpen met klusjes in huis en ouderen bezoeken.

Het is van belang dat er terughoudend wordt gehandeld bij kwetsbare groepen zoals jonge kinderen en dat zorgvuldig om wordt gegaan met het bevattingsvermogen van deze doelgroep, aldus de RCC. De RCC oordeelt in dit geval dat het rechtstreeks benaderen van jonge kinderen, zonder toezicht of toestemming van ouders/begeleiders, ongeacht de intenties of doeleinden, “zonder meer onwenselijk” is. Daarom concludeert de RCC dat deze uiting in strijd is met de goede smaak en/of fatsoen, als bedoeld in artikel 2 NRC. De RCC adviseert adverteerder om niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken.

Vrijheid van meningsuiting vs. juiste beeldvorming bij milieucampagne

In een uitspraak van de RCC 6 oktober 2025 behandelde de RCC een klacht van een olie- en gasbedrijf tegen een tv-commercial van een milieuorganisatie. De commercial beweerde dat het bedrijf 700 nieuwe olie- en gasvelden heeft, “Die aanboren is zo onwaarschijnlijk in strijd met alle klimaatafspraken, dat een nieuwe rechtszaak meer kans maakt dan ooit. Dus steun ons.” Na de commercial werd de link naar de website van de milieuorganisatie in beeld gebracht en uitgesproken.

Het betrokken bedrijf klaagt dat het noemen van de naam van het bedrijf bedoeld is om te schaden en te intimideren. Daarnaast zou het genoemde aantal velden feitelijk onjuist zijn, zou het bedrijf geen exclusief eigendom maar slechts belangen hebben in die velden en zou het totaal aantal velden van dit bedrijf in 2025 juist met 113 velden zijn verminderd.

De adverteerder stelt zich op het standpunt dat zij het bedrijf wel bij naam mag noemen aangezien de commercial gemaakt is in de context van haar lopende/aanstaande rechtszaken, hetgeen de directe aanleiding voor de commercial is.  Er wordt verder niet gesteld of gesuggereerd dat andere bedrijven geen vergelijkbare activiteiten ontplooien of dat het bedrijf als enige verantwoordelijk zou zijn voor het klimaatprobleem. Verder stelt de adverteerder dat het rapport dat zij aanhalen, in tegenstelling tot het rapport dat klager aanhaalt, wel expliciet spreekt over 700 velden waar het bedrijf belangen in zou hebben en dat een daling van 813 naar 700 velden nog niks zegt over de potentiële uitstoot aangezien gasproductie zal toenemen. Tot slot stelt de adverteerder dat de formulering “heeft 700 nieuwe olie- en gasvelden” moet worden gezien in het kader van een publiekscampagne waarbij “heeft” niet verwijst naar exclusief eigendom maar zakelijke betrokkenheid.

De RCC oordeelt dat, aangezien de adverteerder niet als handelaar handelt maar als organisatie die een ideëel doelt nastreeft, de regels van misleidende reclame niet van toepassing zijn. Voor dit soort uitingen geldt een ruime vrijheid van meningsuiting dus stelt de RCC zich terughoudend op. Wel merkt de RCC op dat “uitingen die op dergelijke wijze het publieke debat trachten te beïnvloeden mogen echter geen onjuiste indruk wekken” omdat dit ertoe kan leiden dat het publieke debat op onjuiste informatie wordt gevoerd.

Dit is volgens de RCC in dit geval aan de orde. De indruk wordt namelijk bij het publiek gewekt dat er 700 bijkomende olie- en gasvelden zijn aangekocht of waarvan de productie is gestart hetgeen een forse uitbreiding van de activiteiten van het bedrijf zou betekenen. Het gaat echter om velden die al (deels) in bezit van het bedrijf waren en waarvan het niet zeker is of zij in de toekomst geopend zullen worden. Door de slechts algemene verwijzing naar de website van de adverteerder waar meer informatie te vinden is, is de kijker onvoldoende in staat de informatie te nuanceren of op waarde te schatten en schaadt de commercial het vertrouwen in reclame als bedoeld in artikel 5 NRC.

Het concreet benoemen van een specifiek bedrijf valt volgens de RCC binnen de brede vrijheid van meningsuiting die deze organisatie toekomt en is dus niet problematisch. De RCC acht de commercial wel in strijd met de NRC voor zover het gaat om de onjuist gewekte indruk dat het bedrijf uitbreidt zonder deze stelling verder te nuanceren of de kijker deze informatie voldoende op haar waarde te laten schatten. De RCC geeft de adverteerder het vrijblijvende advies om niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken.

Vragen over deze onderwerpen? Neem graag contact op met Bente van Kan, Machteld Robichon of Ole Oerlemans.

Met dank aan Mathijs Borchardt

Naar
boven