Update recente uitspraken Reclame Code Commissie – april 2026
In deze blog praten we jullie bij over enkele interessante uitspraken van de Reclame Code Commissie (“RCC”) van de afgelopen maanden. De uitspraken betreffen verschillende onderwerpen op het gebied van onder meer influencer marketing, (misleidende) voedingsclaims en de reikwijdte van de vrijheid van meningsuiting bij ideologische reclame – waaronder reclame afkomstig van een pro-life organisatie en twee (fondsenwervende) reclames over Gaza.
Het verband tussen een historisch oprichtingsjaar en het einde van de slavernij
In een uitspraak van 12 maart 2026 beoordeelt de RCC een klacht over een biercommercial die zou verwijzen naar de manier waarop Nederlanders hebben geprofiteerd van de slavernij. In de reclame wordt een biertje getapt en verschijnt de tekst: “die verfrissende smaak sinds 1873”.
Volgens de klager is de commercial stuitend omdat in 1863 slavernijgelden via een Surinaamse weduwe in de brouwerij zijn geïnvesteerd en 1873 voor Surinamers een beladen jaar is: het einde van het Staatstoezicht en de daadwerkelijke vrijlating. De uiting zou daarom in strijd zijn met de goede smaak en/of fatsoen (artikel 2 Nederlandse Reclame Code (“NRC”)) en nodeloos kwetsend zijn (artikel 4 NRC).
De adverteerder voert aan dat “Est. 1873” en “sinds 1873” gangbare, feitelijke verwijzingen zijn naar traditie, historie en kwaliteit, zonder schokkende of aanstootgevende elementen. Ook verwijst hij naar onafhankelijk historisch onderzoek waaruit niet blijkt dat de eerste brouwerij met slavernijgelden is gefinancierd.
Vanwege het subjectieve karakter van de normen goede smaak, fatsoen en nodeloos kwetsend hanteert de RCC een terughoudende toets. Dat het oprichtingsjaar samenvalt met het einde van de slavernij in Suriname, en het veronderstelde financiële verband daartussen, maakt de uiting volgens de RCC niet ontoelaatbaar. De klacht wordt afgewezen.
#gekregen
Op 10 maart 2026 behandelt de RCC een klacht over reclame in Instagram Stories van een influencer.
De klager stelt dat de influencer in twee opeenvolgende Stories een op maat gemaakte kast aanprijst en vier kortingscodes deelt, zonder duidelijk te maken dat het om een betaalde samenwerking gaat. Dat is volgens de klager misleidend.
De influencer voert aan dat in eerdere Stories in dezelfde reeks de hashtag “#gekregen” in beeld stond, zodat het publiek al wist dat sprake was van een samenwerking met de adverteerder. Deze vermelding ontbrak in de twee onderhavige Stories. De adverteerder wijst erop dat in het contract staat dat de influencer de samenwerking als commercieel moet markeren via de juiste platformtools. Deze Stories zijn echter niet vooraf ter goedkeuring voorgelegd, waardoor de fout niet is opgemerkt.
De RCC oordeelt dat zowel de influencer als de adverteerder tekort is geschoten:
- Sprake is van een ‘relevante relatie’ in de zin van artikel 2 Reclamecode Social Media & Influencer Marketing (“RSM”), omdat de influencer een vergoeding en een kast heeft ontvangen om reclame te maken. Omdat deze relatie niet uitdrukkelijk in de uiting wordt vermeld, is sprake van strijd met artikel 3 onder b RSM:
- Het enkele gebruik van een “@” met de naam van adverteerder is hiertoe onvoldoende;
- Ook de vermelding van kortingscodes is onvoldoende om duidelijk kenbaar te maken dat de video op een samenwerking, door middel van een gratis gekregen product en vergoeding, berust.
- Op grond van artikel 6 lid 4 RSM is de adverteerder mede verantwoordelijk voor naleving van artikel 3 RSM. Een contractuele verplichting alleen is daarvoor niet genoeg: de adverteerder moet zich actief inspannen om de influencer aan de regels te houden en op overtredingen te reageren, wat hier niet is gebeurd. De adverteerder zegt maatregelen te hebben genomen, zoals een aanvullende training over reclamerecht, om herhaling te voorkomen.
De RCC acht de uitingen daarom in strijd met artikel 3 onder b RSM en beveelt zowel de influencer als de adverteerder aan om niet meer op deze wijze reclame te maken.
Toezicht door het Commissariaat voor de Media
Het is dus belangrijk om transparant te zijn over het bestaan van een betaalde samenwerking. Dit wordt verder onderstreept door het nieuwsbericht van het Commissariaat voor de Media (het “Commissariaat”) deze week. Zo laat het Commissariaat weten dat onderzoek is uitgevoerd naar de herkenbaarheid van reclame voor jonge kijkers (via YouTube, Instagram en TikTok). Het Commissariaat bekeek meer dan duizend video’s van verschillende influencers en constateert dat influencers duidelijker moeten maken wanneer hun content reclame bevat. Dit moet worden gedaan door middel van een reclamevermelding die “in één oogopslag zichtbaar of hoorbaar” moet zijn in een video en geldt ook voor reclame die zij maken voor hun eigen merk. Het Commissariaat biedt verdere guidance over hoe aan deze regels kan worden voldaan.
Sinds juni 2025 valt een grotere groep influencers onder actief toezicht van het Commissariaat. Zie ook onze eerdere blog hierover: https://bureaubrandeis.com/video-uploaders-met-minder-dan-500-000-volgers-vanaf-16-juni-2025-ook-onder-toezicht-van-het-commissariaat-voor-de-media/. Zij riskeren een formele waarschuwing of boete bij niet-naleving van voornoemde regels.
Misleidende zwangerschapskaartjes van een pro-life organisatie
In een uitspraak van 4 maart 2026 beoordeelt de RCC of een wervende kaart voor hulp bij onbedoelde zwangerschappen in strijd is met de reclamecode, wanneer de organisatie met een uitgesproken anti-abortusstandpunt niet wordt genoemd. Op de voorkant staat: “Onbedoeld zwanger? Je staat er niet alleen voor. Er is hulp.” Op de achterkant staan een hartje en een link naar de website waarvoor de organisatie hulp verleent.
Volgens de klager voldoet het kaartje niet aan de NRC omdat onduidelijk is welke organisatie erachter zit. Vrouwen in een kwetsbare positie die onafhankelijke informatie zoeken, komen zo uit bij een hulpaanbod met pro-life standpunten, wat misleidend zou zijn.
De RCC stelt voorop dat organisaties vanuit ideologische overtuiging hulp mogen aanbieden, maar dat wel duidelijk moet zijn door wie en vanuit welke context een boodschap komt. Omdat de naam waaronder de hulp wordt verleend en de organisatienaam sterk verschillen, ontbreekt essentiële context over het pro-life perspectief. Gezien de kwetsbare doelgroep schaadt dit het vertrouwen in reclame, zodat de uiting in strijd is met artikel 5 NRC is. De RCC geeft de adverteerder het vrijblijvend advies om voortaan niet meer op een dergelijke wijze reclame te maken.
81% + 27% is niet 100%?
In een uitspraak van 3 maart 2026 beoordeelt de RCC of de claim “met 81% fruit” op een pot abrikozenfruitspread misleidend is als het eindproduct ook 27% suiker bevat. De klager vindt dat misleidend, omdat 81% en 27% samen meer dan 100% zijn.
De adverteerder stelt dat “81% fruit” ziet op de hoeveelheid abrikoos die bij aanvang van het proces wordt gebruikt. Tijdens het koken verliest de vrucht vocht en daalt het gewicht, maar blijft het aandeel fruit hoog. Volgens de adverteerder sluit dit aan bij artikel 22 lid 2 en bijlage VII onder 4 van de Verordening (EU) Nr. 1169/2011 betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten (“VIC Verordening”).
De RCC volgt dit verweer. De adverteerder past de regels van de VIC Verordening correct toe, waarin staat dat bij producten met vochtverlies moet worden uitgegaan van de hoeveelheid ingrediënt vóór de bereiding. Dat het percentage abrikoos in het eindproduct lager is dan 81% is daarom geen reden om van deze etiketteringsregels af te wijken. De klacht wordt daarom afgewezen.
Vrijheid van meningsuiting over Gaza
In een uitspraak van 24 februari 2026 beoordeelt de RCC een klacht over een fondsenwervende brief over het conflict in Gaza. Op de envelop staat: “Schokkend: meer dan 250 journalisten gedood door Israël”. In de brief wordt onder meer gesteld dat:
- dit het hoogste aantal gedode journalisten in een conflict in de afgelopen twee jaar betreft;
- Gaza voor journalisten nog steeds de meest dodelijke plaats ooit is; en
- journalisten daar zes keer meer risico lopen om te worden gedood dan burgers.
Als voorbeeld wordt de dood van journalist Saleh al-Jafawari genoemd. Adverteerder verzoekt om donaties om journalisten in Gaza te steunen.
Volgens de klager zijn de uitingen feitelijk onjuist en daarom misleidend. Klager wijst op hogere aantallen gedode journalisten in bijvoorbeeld Syrië (715) en tijdens de Tweede Wereldoorlog (1232 Joodse journalisten), betwist dat het zesvoudige risico is onderbouwd en stelt dat de genoemde journalist volgens bronnen door een Palestijnse militie is gedood. Fondsenwerving op basis van deze onjuistheden zou volgens klager, in strijd met artikel 8 en 10 NRC, het vertrouwen in reclame schaden.
De adverteerder voert primair aan:
- dat sprake is van ideële reclame, zodat artikel 8 NRC niet van toepassing is;
- dat artikel 10 NRC – bedoeld om consumenten tegen misleidende commerciële praktijken te beschermen – niet geldt voor haar niet-commerciële, ideële fondsenwerving;
- dat de uitingen onder het recht op vrijheid van meningsuiting (artikel 10 EVRM) vallen, dat slechts mag worden beperkt bij een dringende maatschappelijke noodzaak; en
- dat beide partijen het eens zijn over de kernboodschap: journalisten in Gaza lopen gevaar.
Subsidiair stelt de adverteerder dat de beweringen in de brief feitelijk kloppen. Adverteerder verwijst in het verweer naar onder meer VN-uitspraken en academisch onderzoek die Gaza “the deadliest conflict ever for journalists” noemen, geeft het voorbeeld van een omgekomen journalist als illustratie en onderbouwt het zesvoudige risico met een berekening waarbij het aandeel gedode journalisten wordt vergeleken met het aandeel gedode burgers.
De RCC oordeelt dat het ontbreken van (voornoemde) bronvermeldingen in de reclame-uiting niet maakt dat het gebruik van de zin – “In de afgelopen twee jaar werden meer dan 250 Palestijnse journalisten gedood – het hoogste aantal in een conflict” – van dien aard is dat daardoor, naar de huidige maatschappelijke opvattingen, de grens van het toelaatbare wordt overschreden.
Ook suggereert het voorbeeld van Saleh al-Jafawari niet dat hij tot die 250 journalisten behoort; in de brief is niet vermeld dat deze journalist om het leven is gebracht door Israël, aldus de RCC. Zodat dit klachtonderdeel ongegrond wordt geacht.
Ten aanzien van de stelling dat journalisten zes keer meer risico lopen dan burgers overweegt de RCC dat het ontbreken van feitelijke onderbouwing nog niet betekent dat de uiting ontoelaatbaar is. Verder heeft adverteerder in reactie op de klacht toegelicht op welke berekening deze uitspraak is gebaseerd.
De RCC concludeert dat van ontoelaatbare reclame geen sprake is en wijst de klacht af.
Toelaatbaarheid van het gebruik van de term ‘genocide’ in reclame
In een uitspraak van 19 februari 2026 beoordeelt de RCC een klacht over een televisiecommercial waarin volgens de klager ten onrechte het woord genocide wordt gebruikt voor onder meer de situatie in Gaza. De commercial toont beelden van puin na bombardementen, extreme arbeidsomstandigheden en andere verwoestende situaties, terwijl een voice-over onder meer zegt: “Wegkijken is een keuze. Terwijl in Gaza een genocide gezinnen verscheurt. (…) Welke keuze maak jij? Doneer nu op [website adverteerder]”.
De klager stelt dat in Gaza wel sprake kan zijn van oorlogsmisdaden of genocidaal geweld, maar niet van genocide. Fondsen werven acht klager toelaatbaar, maar dan op basis van feiten en niet op meningen.
De RCC oordeelt dat het gebruik van het woord genocide toelaatbaar is, omdat dit duidelijk een mening van de adverteerder is en geen definitief juridisch of feitelijk oordeel. Voor een donatie-oproep geldt een ruime vrijheid van meningsuiting. Dat het woord genocide alleen zou mogen worden gebruikt als een rechter daar een uitspraak over heeft gedaan, vindt geen steun in het recht, aldus de RCC. Dat meningen over hoe de situatie in Gaza moet worden geduid uiteenlopen maakt de commercial evenmin ontoelaatbaar; ook een mening die niet door iedereen wordt gedeeld mag worden geuit. De RCC komt tot afwijzing van de klacht.
Vragen over deze onderwerpen? Neem graag contact op met Bente van Kan of Machteld Robichon.
Met dank aan Roemer van Stekelenburg
