Dawn raids in het mededingingsrecht: recente ontwikkelingen en juridische grenzen

Bas Braeken & Jade Versteeg & Demi van den Berg
20 jan 2026

Inleiding

Na een tijdelijke terugval tijdens de COVID-19-pandemie zijn dawn raids, ook wel invallen of onaangekondigde bedrijfsbezoeken genoemd, inmiddels met hernieuwde intensiteit teruggekeerd in het handhavingsarsenaal van toezichthouders. Waar wij in 2021 nog schreven over de praktische do’s en don’ts tijdens een onaangekondigde inval, zien we nu een sterke juridische ontwikkeling rond de rechtmatigheid, reikwijdte en procedurele waarborgen van invallen en de daaropvolgende boetebesluiten. Recent hebben meerdere baanbrekende uitspraken van onder meer het Hof van Justitie van de Europese Unie (“HvJEU”) en het Gerecht van de Europese Unie (“Gerecht”) de spelregels aangescherpt.

In deze blog analyseren we de meest recente juridische ontwikkelingen rond een inval en wat deze betekenen voor ondernemingen. We behandelen onder meer wanneer een inval gerechtvaardigd is, welke waarborgen gelden tijdens een inval, en hoe het staat met de rechten van verdediging tijdens en na een inval. Dit alles aan de hand van spraakmakende recente zaken zoals die van Red Bull, Michelin, Symrise, Qualcomm, Nuctech, en de Franse supermarktenzaak.

Inhoudsopgave

Wanneer is een inval gerechtvaardigd?

Juridische grondslag en voorwaarden

Invallen mogen alleen plaatsvinden wanneer er concrete aanwijzingen bestaan van mededingingsbeperkende gedragingen. De juridische basis voor een inval door de Autoriteit Consument & Markt (“ACM”) is verankerd in de Algemene wet bestuursrecht (“Awb”) en de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt. Voor de Europese Commissie (“Commissie”) vloeien deze bevoegdheden voort uit Verordening 1/2003. De bevoegdheden worden nader gedefinieerd en afgebakend door nationale en Europese jurisprudentie.

Invallen door de ACM (al dan niet ter ondersteuning van de Commissie) mogen alleen plaatsvinden bij concrete aanwijzingen van gedragingen zoals:

  • Misbruik van een economische machtspositie;
  • Verboden prijs- of andere kartelafspraken tussen ondernemingen;
  • Gun jumping’ (het voortijdig implementeren van een meldingsplichtige concentratie zonder goedkeuring);
  • Overtreding van de Digital Markets Act; of
  • Overtreding van de Foreign Subsidies Regulation (“FSR”).

Deze concrete aanwijzingen kunnen voortkomen uit diverse bronnen:

  • (Anonieme) meldingen van concurrenten, leveranciers of afnemers;
  • Tips van ex-werknemers of andere betrokkenen; en/of
  • Marktstudies van de ACM of Commissie.

De ACM heeft bijvoorbeeld begin 2025 aangekondigd vijf nieuwe marktonderzoeken te starten naar onder meer digitale leermiddelen en dierenartspraktijken, die uiteindelijk aanleiding kunnen geven tot nader onderzoek en mogelijk zelfs tot onaangekondigde bedrijfsbezoeken.

Rechtmatigheid van invallen: nieuwe accenten in de rechtspraak

De drempel voor het uitvoeren van een inval ligt betrekkelijk laag. Er bestonden tot voor kort relatief weinig uitspraken van Europese en Nederlandse rechters over de rechtmatigheid van invallen, aangezien de mogelijkheden voor beroep tot nietigverklaring bijzonder beperkt zijn. Desondanks tonen recente ontwikkelingen in de rechtspraak aan dat het aanvechten van (de besluiten die de basis vormen voor) invallen wel degelijk succesvol kan zijn. Dit komt doordat er op grond van (Europese) jurisprudentie in toenemende mate aandacht bestaat voor procedurele waarborgen die ondernemingen beschermen tegen te vergaande onderzoeksbevoegdheden.

České dráhy-zaak: ruime maar begrensde bevoegdheden van de Commissie bij mededingingsinvallen

Op 30 januari 2020 bevestigde het HvJEU in de České dráhy-zaak de ruime bevoegdheden van de Commissie om onaangekondigde invallen uit te voeren in mededingingsonderzoeken. De zaak betrof een inval bij de Tsjechische spoorwegmaatschappij České dráhy, naar aanleiding van informatie die de Tsjechische mededingingsautoriteit aan de Commissie had verstrekt over mogelijk misbruik van machtspositie door middel van het hanteren van roofprijzen (predatory pricing).

De Commissie voerde op basis van deze aanwijzingen een eerste inval uit. Naar aanleiding van informatie die tijdens deze eerste inval werd verkregen, besloot de Commissie een tweede inval te doen. Het HvJEU oordeelde echter dat voor die tweede inval onvoldoende concrete aanwijzingen bestonden om te voldoen aan de vereisten van noodzakelijkheid en proportionaliteit. Het besluit werd daarom gedeeltelijk vernietigd.

Het HvJEU benadrukte in deze uitspraak verder een aantal belangrijke principes ten aanzien van invallen. Ten eerste hoeft de Commissie bij het besluit tot een inval geen ontlastend bewijs te onderzoeken, zolang er voldoende belastende aanwijzingen zijn. Ten tweede kan informatie van een nationale mededingingsautoriteit al voldoende grondslag bieden voor een inval. Tot slot moet de reikwijdte van het besluit om een inval uit te voeren concreet en niet te ruim geformuleerd zijn, opdat het onderzochte bedrijf zijn rechten goed kan begrijpen en uitoefenen.

Deze uitspraak bevestigt enerzijds de brede bevoegdheden van de Commissie om invallen uit te voeren ter handhaving van het mededingingsrecht, maar stelt daar anderzijds duidelijke grenzen aan om willekeur en disproportionele inbreuken op het verdedigingsrecht te voorkomen.

Franse supermarktenzaak: duidelijke eisen aan documentatie concrete aanwijzingen voor een inval

Een belangwekkende uitspraak die de procedurele vereisten voor invallen heeft verscherpt, zijn de zogenaamde Franse supermarktenzaken. De Commissie voerde in 2017 onaangekondigde invallen uit bij verschillende Franse supermarktketens, waaronder Casino en Intermarché, op basis van een verdenking van mededingingsbeperkende afspraken.

De supermarkten in kwestie beargumenteerden dat de Commissie interviews, die dienden als basis voor de onaangekondigde invallen, niet correct had vastgelegd. Voor haar dossier had de Commissie enkel samenvattingen opgesteld van interviews met derden, zonder volledige verslagen van deze gesprekken op te nemen. Het Gerecht had eerder ten onrechte geoordeeld dat deze verplichting niet zou gelden vóór de formele opening van een onderzoek. Het HvJEU maakt in dit arrest duidelijk dat dit standpunt onjuist is.

Het HvJEU oordeelt dat de verplichting om interviews vast te leggen niet afhangt van de fase waarin de procedure zich bevindt, maar van het doel van de gesprekken. Volgens het HvJEU moeten interviews die worden afgenomen om informatie te verzamelen over het onderwerp van onderzoek – zoals het onderbouwen van een redelijk vermoeden voor een inval – correct gedocumenteerd worden door de Commissie. Deze uitspraak versterkt de procedurele waarborgen voor bedrijven die met mededingingsonderzoek te maken krijgen en stelt grenzen aan de onderzoeksmethoden van de Commissie, ook in de voorbereidende fase.

Telemarketing: bij welke onderneming voor de deur?

Deze formele aanpak wordt ook in Nederland gevolgd. In het kader van een onderzoek naar de naleving van het consumentenrecht bij de telefonische verkoop van energiecontracten besloot de ACM in november 2021 een bedrijfsbezoek uit te voeren bij Global Marketing Bridge B.V. (“GMB”), een intermediair die voor energieleveranciers telefonisch klanten werft. Hoewel de ACM op basis van informatie van verhuurder Regus had vernomen dat de activiteiten mogelijk zouden zijn voortgezet onder de bedrijfsnaam Sales Innovators B.V. (“SI”), nam zij in haar doelomschrijving slechts GMB en daaraan gelieerde ondernemingen op. Bij aankomst op het adres informeerde de betrokken personen de ACM dat niet langer GMB, maar SI op deze locatie gevestigd was. De ACM besloot desalniettemin het onderzoek voort te zetten en uiteindelijk een boete op te leggen aan SI, alsmede haar feitelijk leidinggevende, voor een overtreding van het consumentenrecht.

De voorzieningenrechter bepaalde in december 2023 dat voor de doelomschrijving niet de feitelijke verbondenheid (of SI de activiteiten van GMB heeft overgenomen) doorslaggevend is. Aangezien SI simpelweg buiten de kring viel van de (groep van) vennootschappen waar het onderzoek zich op richtte, was het bedrijfsbezoek onrechtmatig wegens strijd met artikel 8 EVRM en artikel 7 van het Handvest. Nu het dragende bewijs voor de overtreding was verkregen tijdens deze bedrijfsbezoeken, schorste de voorzieningenrechter het boete- en publicatiebesluit. Na een intrekking van het boetebesluit door de ACM, oordeelde rechtbank Den Haag in mei 2025 echter dat de ACM niet gehouden was een schadevergoeding te betalen wegens het onrechtmatige bedrijfsbezoek, aangezien de ACM zonder deze procedurele fout waarschijnlijk ook een onderzoek naar SI zou zijn gestart.

Red Bull: uitgebreide klacht van concurrent biedt voldoende aanwijzingen

Los van de strenge eisen aan de meer formele aspecten aan de voorkant, bevestigt het Gerecht in recente rechtspraak dat niet snel sprake is van een onrechtmatige inval op inhoudelijke gronden, zoals het ontbreken van voldoende aanwijzingen of een te ruime doelomschrijving.

In maart 2023 voerde de Commissie een onaangekondigde inval uit bij Red Bull wegens vermeende mededingingsbeperkende praktijken om concurrerende energiedrankproducenten te weren. Red Bull stelde vervolgens beroep in tegen het inspectiebesluit en verzocht de Commissie om een schadevergoeding wegens de vermeend onevenredige omvang en duur van het onderzoek. Volgens Red Bull nam de Commissie tijdens de inval een buitensporige hoeveelheid bedrijfsgegevens in beslag en was de inval slechts gebaseerd op de klacht van haar grootste concurrent Monster Energy. In beroep klaagde Red Bull daarom onder andere over een gebrekkige motivering van het inspectiebesluit en de schending van haar materiële verdedigingsrechten.

Het Gerecht stelde de Commissie in het gelijk en oordeelde dat het inspectiebesluit voldoende precies omschreven en gemotiveerd was. De Commissie beschikte over voldoende concrete aanwijzingen, waaronder een 80-pagina tellende klacht van een concurrent, aangevuld met e-mails, gespreksverslagen en meerdere aanvullende informatieverzoeken. Anders dan Red Bull betoogde, achtte het Gerecht het in dit geval niet noodzakelijk deze ontvangen informatie bij andere marktspelers te verifiëren. Dat de Commissie in haar inspectiebesluit gebruikmaakte van open formuleringen en voorzichtige termen is volgens het Gerecht inherent aan het vroege stadium van het onderzoek.

De inval was ook niet disproportioneel, omdat alleen langs deze weg informatie kon worden verkregen die Red Bull naar verwachting niet vrijwillig zou verstrekken. Bezwaren over de uitvoering van de inval, zoals het doorzoeken van mobiele telefoons en het gedrag van de ambtenaren in kwestie, hebben volgens het Gerecht geen betrekking op de rechtmatigheid van het inspectiebesluit als zodanig. Red Bull heeft inmiddels beroep ingesteld bij het HvJEU.

Symrise v. Michelin: ruime beoordelingsmarge om aanwijzingen te combineren mits voldoende specifiek

Ook geurstoffenleverancier Symrise had in de loop van 2025 geen succes met haar vordering tot nietigverklaring van het invalbesluit. Het Gerecht oordeelde op 30 april 2025 dat de Commissie zich mocht baseren op een samenstel van aanwijzingen, waaronder antwoorden op informatieverzoeken van derden en inlichtingenrapporten, zelfs indien (een deel van) het bewijsmateriaal uit één bron afkomstig was. Daarbij bevestigde het Gerecht dat aanwijzingen in onderlinge samenhang moeten worden beoordeeld en dat de Commissie ook mocht steunen op informatie uit eerdere ambtshalve onderzoeken. Dat Symrise niet met naam werd genoemd in de ontvangen informatieverzoeken deed, gelet op haar marktpositie, geen afbreuk aan de gerechtvaardigde vermoedens van de Commissie. Het Gerecht bevestigde daarmee de bestaande lijn dat mededingingsautoriteiten over een ruime beoordelingsmarge beschikken bij het nemen van dergelijke besluiten.

Voor Michelin liep het daarentegen anders. Op 10 januari 2024 voerde de Commissie een inval uit bij verschillende bandenproducenten, waaronder Michelin, wegens vermoedens van verboden prijsafstemming op de groothandelsmarkten voor nieuwe en vervangingsbanden voor personenauto’s en vrachtwagens. De Commissie baseerde zich daarbij onder meer op een grootschalige analyse van zogenaamde openbare ‘earnings calls’ en andere publieke aankondigingen waarin mogelijk signalen werden gegeven over toekomstige prijsverhogingen. Michelin stelde in maart 2025 beroep in tegen het inspectiebesluit, en betoogde dat de Commissie haar verdenkingen onvoldoende concreet had onderbouwd, met name voor het begin van de vermeende kartelperiode, en dat openbare earnings calls geen plausibele basis konden vormen voor (verdenking van) verboden kartelafspraken.

Het Gerecht oordeelde dat de Commissie wel degelijk beschikte over voldoende concrete aanwijzingen om de inval te rechtvaardigen en achtte de inval niet disproportioneel. Anders dan Michelin had aangevoerd, mocht de Commissie daarbij wel degelijk waarde hechten aan de earnings calls, nu de informatie daaruit daadwerkelijk kon bijdragen aan het staven van de vermoedelijke prijscoördinatie tijdens de onderzochte periode. Voor een eerdere periode echter had de Commissie geen specifiek bewijs geleverd waaruit de mogelijke coördinatie bleek. Het Gerecht vernietigde het besluit daarom ten aanzien van dat deel van de vermeende inbreukperiode.

Deze recente uitspraken onderstrepen het belang voor ondernemingen om de doelomschrijving van de inval en de rest van een (eventueel) inspectiebesluit (in geval van de Commissie) kritisch te analyseren en hun rechten en plichten te kennen. Hoewel de Commissie in een inspectiebesluit over het algemeen een redelijk ruime doelomschrijving kan hanteren en zich kan baseren op uiteenlopende soorten informatie als ‘aanwijzing’, is het raadzaam alert te zijn op zowel de inhoud en reikwijdte van als mogelijke procedurele missers gedurende het onderzoek.

Waarborgen tijdens en na een inval

Medewerkingsplicht en bevoegdheden van toezichthouders

Bij een inval door de Commissie of de ACM geldt voor bedrijven een wettelijke medewerkingsplicht. Ondernemingen zijn verplicht volledige en juiste informatie te verstrekken; het niet meewerken of geven van misleidende informatie kan leiden tot boetes tot 1% van de jaaromzet. Deze plicht is beperkt tot het doel en voorwerp van het onderzoek, zoals bij aanvang medegedeeld.

De bevoegdheden van de toezichthouders tijdens een inval zijn verstrekkend:

  • Gebouwen, terreinen en vervoermiddelen van de organisatie betreden, eventueel begeleid door de politie;
  • Met toestemming van de rechter-commissaris ook derdenlocaties en privéwoningen betreden;
  • Administratie inzien en kopieën maken;
  • Verzegelingen aanbrengen;
  • Verklaringen afnemen van personen die daarmee instemmen; en
  • Toelichting vragen op feiten of documenten, mits binnen het onderzoeksdoel.

Gevolgen van niet-medewerking

Toezichthouders treden hard op tegen bedrijven die tijdens een inval informatie achterhouden of verwijderen. Een zwaar gesanctioneerde vorm van niet-medewerking is het wissen van relevante communicatie, zoals berichten op mobiele telefoons of via chatdiensten.

In maart 2023 deden de Commissie en mededingingsautoriteiten uit de VS, het VK en Zwitserland invallen bij bedrijven in de geurstoffenindustrie. Hoewel het onderzoek nog loopt, legde de Commissie inmiddels al een boete van € 15,9 miljoen op aan International Flavors & Fragrances, nadat een medewerker tijdens de inval berichten van zijn mobiele telefoon had verwijderd.

Ook in andere landen wordt deze gedraging streng beboet. In september 2023 kregen twee bedrijven in Polen gezamenlijk een boete van circa € 2,6 miljoen van de Poolse mededingingsautoriteit wegens het wissen van WhatsApp-berichten tijdens een onderzoek naar vermeende prijsafspraken rond koffiemachines. De Autoriteit Consument & Markt (ACM) legde in 2019 ook nog een boete van € 1,84 miljoen op aan een onderneming wegens het verwijderen van WhatsApp-berichten tijdens een lopende inval.

Nuctech: ook medewerking vereist indien informatie op niet-EU servers staat

In een voorzieningenprocedure bij de Europese rechter is Nuctech, een Chinese producent van detectieapparatuur, opgekomen tegen het inspectiebesluit van de Commissie die Nuctech verplichtte mee te werken aan invallen. De Commissie deed in het voorjaar van 2024 invallen bij dochterondernemingen van Nuctech gevestigd in Nederland en Polen wegens verdenkingen van concurrentieverstorende buitenlandse subsidies (op basis van de FSR). Nuctech verzocht om een schorsing van het Commissieonderzoek met als argument dat de territoriale onderzoeksbevoegdheden van de Commissie niet uitstrekken tot mailboxen die zich op servers in China bevinden. Het Chinese strafrecht zou het verlenen van toegang tot dergelijke informatie verbieden en sanctioneren, aldus Nuctech.

Het Gerecht en daarna het HvJEU achtten deze argumenten onvoldoende onderbouwd en stelde in het kader van de belangenafweging voorop dat Nuctech – door activiteiten uit te oefenen in de EU – ervoor heeft gekozen zich te onderwerpen aan EU-recht. Nuctech is daarom in beginsel gehouden mee te werken aan een inspectiebesluit waarin de Commissie toegang verlangt tot informatie op zakelijke mailboxen die worden gebruikt voor het dagelijkse uitoefenen van activiteiten in de EU.

Rechtsbescherming tijdens een inval: drie essentiële rechten

De bevoegdheden van de ACM en de Commissie tijdens een inval zijn begrensd. Ondernemingen en hun medewerkers hebben drie essentiële rechten tijdens een inval:

Recht op bijstand

Een onderneming heeft recht op bijstand tijdens een inval van de Commissie of de ACM. Uit het arrest van 6 september 2024 van de Hoge Raad volgt daarnaast dat op grond van het EVRM, bestuursorganen zoals de ACM verplicht zijn om betrokkene tijdig en actief te informeren over dit recht, zodra duidelijk is dat er een punitieve sanctie in het spel kan zijn. In dit licht rijst ook de vraag of het bestendige beleid van de ACM – waarbij bij een inval maximaal 30 minuten wordt gewacht op een advocaat – nog in overeenstemming is met het EVRM. Indien de betrokkene niet feitelijk gebruik kan maken van zijn recht op bijstand vóór de inval begint, bestaat het risico dat het recht op een eerlijk proces wordt geschonden. Dit roept mogelijk vragen op over de houdbaarheid van die werkwijze onder het huidige mensenrechtenkader.

Zwijgrecht

De toezichthouders zijn bevoegd om in het kader van het onderzoek inlichtingen in te winnen bij medewerkers. Medewerkers van een onderneming die wordt verdacht een inbreuk te hebben gemaakt op de mededingingsregels, zijn niet verplicht om antwoord te geven op vragen waarmee zij zichzelf of de onderneming zouden (kunnen) beschuldigen. De verhorende ambtenaar dient voor aanvang van de bevraging de medewerker te wijzen op zijn/haar zwijgrecht (de ‘cautie’). Zij kunnen dus niet worden gedwongen om incriminerende verklaringen af te leggen. De cautie geldt niet voor feitelijke informatie.

Legal privilege

De communicatie tussen een bedrijf en een externe advocaat valt onder het zogeheten verschoningsrecht (ook wel: legal privilege). Er mag geen inzage worden gevorderd in correspondentie, documenten en adviezen die zijn uitgewisseld tussen het bedrijf en externe advocaten. Van deze informatie mogen ook geen kopieën worden gemaakt door ambtenaren.

Voorheen was het beleid van de ACM dat ACM-medewerkers geprivilegieerde communicatie vluchtig mochten inzien om te verifiëren of iets onder legal privilege valt, maar dit beleid is na het arrest van de Hoge Raad van 12 maart 2024 aangepast. Sindsdien kan het materiaal worden gevorderd en wordt het voorgelegd aan een privacyfunctionaris van de ACM. Dit blijft controversieel aangezien nog steeds een ambtenaar van de ACM oordeelt over de toepasselijkheid van legal privilege, in plaats van een onafhankelijke derde.

Procedurele gebreken in de bewijsvoering en verdedigingsrechten

Het toegenomen accent op procedurele waarborgen komt niet alleen terug bij het aanvechten van de rechtmatigheid van invallen bij ondernemingen, maar ook bij bezwaren tegen de werkwijze in de rapportfase na een inval (als opmaat voor het boetebesluit). In meerdere recente zaken zijn boetebesluiten van de Commissie vernietigd, niet alleen vanwege inhoudelijke tekortkomingen, maar ook wegens procedurele gebreken die de verdedigingsrechten van ondernemingen hebben aangetast. Onderstaande jurisprudentie benadrukt dat procedurele rechtvaardigheid essentieel is gedurende het onderzoek tot de uiteindelijke boete.

Qualcomm-zaak: procedurele tekortkomingen in het bewijs en reikwijdte van Punten van Bezwaar

Op 15 juni 2022 vernietigde het Gerecht de boete van bijna € 1 miljard die de Commissie aan chipsetontwikkelaar Qualcomm had opgelegd. De Commissie had in 2018 vastgesteld dat Qualcomm misbruik maakte van haar machtspositie door exclusiviteitsbetalingen aan Apple te doen voor de afname van LTE-chipsets.

Naast inhoudelijke gebreken in de bewijsvoering (de Commissie had onvoldoende aangetoond dat er sprake was van marktafschermingseffecten), constateerde het Gerecht meerdere procedurele onregelmatigheden:

  1. De Commissie had nagelaten de precieze inhoud van alle afgenomen gesprekken te documenteren, waaronder vergaderingen en conference calls met derde partijen; en
  1. Het boetebesluit zag uiteindelijk slechts op één relevante markt, terwijl de Punten van Bezwaar (Statement of Objections, “SO”) meerdere markten bestreek. Deze wijziging tastte de relevantie van Qualcomms economische analyse aan, zonder dat Qualcomm in de gelegenheid was gesteld hierop te reageren.

Deze procedurele missers leidden volgens het Gerecht tot een schending van Qualcomm’s verdedigingsrechten, en resulteerde in volledige vernietiging van het besluit.

Sony-zaak: verhouding tussen Punten van Bezwaar en uiteindelijke besluit

Het HvJEU benadrukte op 16 juni 2022 in de Sony-zaak eveneens het belang van een zorgvuldige administratieve procedure. De mededingingsinbreuk zag op een vermeend kartel tussen Sony, Quanta en de joint ventures van Toshiba en Samsung. De Commissie had in haar besluit vastgesteld dat er sprake was van zowel één enkele voortdurende inbreuk als een aantal afzonderlijke inbreuken. Deze afzonderlijke inbreuken waren echter een aanvulling op de eerder uitgebrachte SO. In tegenstelling tot het oordeel van het Gerecht concludeerde het Hof dat hiermee de verdedigingsrechten van de kartellisten waren geschonden, aangezien deze afzonderlijke inbreuken in de SO onvoldoende waren onderzocht en gekwalificeerd.

BEH e.a/Commissie: gebrekkige bewijsvoering en procedurele waarborgen

Een recenter voorbeeld is de zaak Bulgarian Energy Holding (“BEH”) tegen de Commissie. Op 25 oktober 2023 vernietigde het Gerecht de boete van € 77 miljoen die in 2018 aan het staatsgasbedrijf was opgelegd voor vermeend misbruik van machtspositie tussen 2010 en 2015. Naast het feit dat de Commissie onvoldoende had aangetoond dat aan de specifieke vereisten van de ‘essential facilities’-doctrine was voldaan, stelde het Gerecht vast dat de Commissie grote procedurele fouten had gemaakt:

  1. De Commissie had bepaalde gespreksverslagen met derde partij Overgas niet gedocumenteerd; en
  2. Ontlastende gespreksverslagen met derden, die later essentieel bleken voor BEH’s verdediging, waren buiten het dossier gehouden.

Deze procedurele gebreken hadden BEH in haar verdediging geschaad, wat leidde tot volledige vernietiging van het boetebesluit.

De bovenstaande zaken illustreren het groeiende belang van procedurele waarborgen in Europese mededingingszaken die uitmonden in punitieve sancties. De rechterlijke instanties stellen hoge eisen aan de zorgvuldigheid waarmee de Commissie haar onderzoeken uitvoert en de wijze waarop zij verdedigingsrechten van ondernemingen waarborgt.

Conclusie en praktische tips

Invallen zijn terug van weggeweest – en intensiever dan ooit. Tegelijkertijd laten recente uitspraken zien dat de juridische speelruimte voor toezichthouders niet onbeperkt is. De (Europese) rechter stelt steeds hogere eisen aan de motivering, proportionaliteit en procedurele zorgvuldigheid van invallen. Daarmee is er een kans voor ondernemingen om een inval – of het daaropvolgende boetebesluit – met succes aan te vechten, mits zij hun rechten tijdig en correct inroepen. Voor ondernemingen die betrokken raken bij mededingingsonderzoeken is het cruciaal om zich vanaf het begin bewust te zijn van hun procedurele (verdedigings)rechten. De praktijk wijst uit dat een strategisch en juridisch onderbouwde aanpak tijdens én na een inval het verschil kan maken.

Een praktisch stappenplan voor bedrijven bij een inval:

  1. Voorbereiding is cruciaal: Zorg dat er een actueel inval-protocol klaarligt, inclusief een noodplan met interne en externe contactpersonen.
  2. Handel onmiddellijk en juridisch onderbouwd: Vraag direct om juridische bijstand en wacht met verklaringen tot een advocaat aanwezig is. Laat toezichthouders weten dat je je rechten kent.
  3. Documenteer de inval zelf: Check de doelomschrijving (en eventueel het inspectiebesluit) vóórdat de toezichthouder naar binnen gaat en houd nauwkeurig bij wat toezichthouders doen, welke vragen worden gesteld en welke documenten worden ingezien of gekopieerd.
  4. Voorkom obstructie, maar bewaak je grenzen: Werk mee, verwijder niets, maar wees alert op overschrijdingen van bevoegdheden. Vraag om verduidelijking bij onduidelijke verzoeken; reageer niet te vluchtig op basis van aannames. Maak bezwaar wanneer dat nodig is, en laat hier een formele aantekening van maken.
  5. Ken en benut je rechten: Denk aan het zwijgrecht, het recht op bijstand en het legal privilege. Zorg deze rechten worden gerespecteerd. Wees bijvoorbeeld waakzaam of, en zo ja wanneer de cautie wordt gegeven en aan wie, en noteer dit voor jezelf.
  6. Overweeg bezwaar of beroep: De recente jurisprudentie toont aan dat invallen en boetebesluiten steeds vaker worden vernietigd vanwege procedurele fouten. Laat dus altijd juridisch toetsen of er gronden zijn om de werkwijze of reikwijdte van de inval bij de rechter aan te vechten.

Meer weten? Vind hier onze specifieke instructies voor de receptie en medewerkers bij een inval door de ACM of de Europese Commissie.

Met dank aan onze ex-collega Lara Elzas.

Naar
boven