Competition Flashback Q2 2025: Ontwikkelingen mededingingsrecht
Dit is de Competition Flashback Q2 2025 van bureau Brandeis. In deze flashback vindt u een selectie van de belangrijkste Europese en Nederlandse mededingingsrechtelijke ontwikkelingen over het afgelopen kwartaal (klik hier voor het origineel). Wilt u graag voortaan de Competition Flashback van bureau Brandeis per e-mail ontvangen? Dan kunt u zich hiervoor aanmelden via dit formulier.
Overzicht Q2 2025
Fusiecontrole en FDI
- ACM keurt overname DPG/RTL onder strenge voorwaarden goed
- Vergunning vereist voor overname Unox door Zwanenberg
- Minister van EZK publiceert het BTI-jaarverslag 2024
- ACM keurt overname FincoEnergies/Klaas de Boer onder voorwaarden goed
- Hoogtepunten fusiebeoordelingen Europese Commissie
Schadeclaims voor inbreuken mededingingsrecht
- Hoge Raad stelt prejudiciële vragen over toepasselijk recht in follow-on claims wegens enkele voortdurende kartelinbreuken
- Rechtbank relatief bevoegd in samenhangende WAMCA-procedures tegen Samsung en LG
- Consumentenbond en stichting deels ontvankelijk in vorderingen beeldbuizenkartel
Kartels & verticale beperkingen
- Commissie beboet autofabrikanten € 458 miljoen voor kartelvorming bij recycling autowrakken
- HvJ verduidelijkt voorwaarden voor rechtvaardiging exclusief distributiestelsel
- Commissie beboet Delivery Hero en Glovo € 329 miljoen voor deelname online voedselbezorgingskartel
Digitale markten
- Eerste boetes € 500 en € 200 miljoen voor Apple respectievelijk Meta wegens niet-naleving DMA
- Rechtbank Rotterdam: last onder dwangsom Apple terecht opgelegd door ACM
- ACM lanceert online ‘DSA-check’
- (Big) Tech in het vizier: ACM publiceert speerpunten digitale economie
Toezicht en handhaving
- ACM niet gehouden tot schadevergoeding na onrechtmatig bedrijfsbezoek
- Bedrijfsbezoek ACM wél rechtmatig jegens GMB
- EHRM bevestigt: doorgifte tapdata aan NMa in strafrechtelijk onderzoek was gerechtvaardigd
- Gerecht verwerpt beroep Symrise tegen inspectiebeschikking Commissie
Gereguleerde markten
- ACM keurt nieuwe tarieven Schiphol grotendeels goed
- ACM verklaart toezeggingen VodafoneZiggo over telemarketing bindend
- Post- en pakketmonitor 2024: ACM publiceert ontwikkelingen sector
- Bezwaren tegen last onder dwangsom Lactalis voor overtreding Wet OHP ongegrond
- ACM maakt aanpak marktonderzoek dierenartspraktijken bekend
- CBb: HRN-concessie moet worden gewijzigd ter bescherming van MaaS-aanbieders
ACM keurt overname DPG/RTL onder strenge voorwaarden goed
Autoriteit Consument en Markt, besluit van 27 juni 2025 (samenvatting)
Op 27 juni 2025 heeft de Autoriteit Consument en Markt (“ACM”) onder voorwaarden een vergunning verleend voor de overname van RTL Nederland (“RTL”) door DPG Media (“DPG”). De ACM heeft onderzocht wat de voorgenomen concentratie tussen DPG en RTL betekent voor de omvang, kwaliteit en pluriformiteit van het algemene nieuwsaanbod in Nederland (zie voor de aankondiging van het tweedefaseonderzoek ook CF Q2 2024). Daarbij beschouwt de ACM mediapluriformiteit als een kwaliteitsaspect, waarbij een verslechtering van de nieuwskwaliteit ook leidt tot een afname van de verscheidenheid aan meningen en perspectieven in de media. Door de voorgenomen concentratie ontstaat namelijk een mediabedrijf dat actief is over het gehele spectrum van het Nederlandse medialandschap met een breed media-aanbod door middel van vijf lineaire en drie digitale televisiezenders, video streaming, radio, landelijke- en regionale dagbladen, week- en maandbladen, online nieuws en diverse andere online diensten.
Ten aanzien van de online nieuwsmarkt oordeelt de ACM dat met de overname van RTL door DPG – allebei aanzienlijke spelers op die markt – een belangrijke concurrentiedruk wegvalt. De ACM acht het aannemelijk dat de voorgenomen concentratie kan leiden tot een verslechtering van de nieuwskwaliteit, mediapluriformiteit en concurrentie tussen redacties, onder meer door afnemende investeringen, politieke of commerciële beïnvloeding en verminderde prikkels om te concurreren op journalistieke kwaliteit.
DPG heeft een uitgebreid pakket aan bindende maatregelen aangeboden om de zorgen van de ACM weg te nemen, waaronder het voor onbepaalde tijd blijvend gratis aanbieden van RTL Nieuws en NU.nl (DPG zal de ACM in ‘de toekomst’ kunnen verzoeken de maatregel op te heffen of te wijzigen), het versterken van redactiestatuten en het oprichten van onafhankelijke stichtingen ter bewaking van redactionele onafhankelijkheid. Ook worden de statutaire rechten van Stichting Democratie en Media uitgebreid, verbindt DPG zich aan een Handvest dat pluriformiteit en onafhankelijkheid waarborgt, en zal RTL Nederland binnen vijf jaar onder Nederlands toezicht van het Commissariaat voor de Media gesteld worden. De uitvoering van deze maatregelen wordt nauw gemonitord via rapportages aan zowel de betrokken stichtingen als de ACM.
De ACM heeft ook onderzocht of DPG en RTL na de concentratie hun brede mediakanalen kunnen inzetten om concurrenten op de advertentiemarkt uit te sluiten via bundelkortingen, maar acht dit niet aannemelijk. Ook acht de ACM het onwaarschijnlijk dat de concentratie leidt tot verslechterde vergoedingen of voorwaarden voor (freelance) journalisten, gezien het beperkte marktaandeel van partijen en de rol van vakbonden. Tot slot concludeert de ACM dat hoewel de onderhandelingspositie van partijen richting persbureaus als ANP iets sterker wordt, dit niet leidt tot negatieve gevolgen voor de nieuwsvoorziening.
Vergunning vereist voor overname Unox door Zwanenberg
Autoriteit Consument en Markt, besluit van 5 juni 2025
Op 6 juni 2025 kondigde de ACM aan een vervolgonderzoek te willen verrichten naar de voorgenomen overname van het iconische Nederlandse merk Unox en het Belgische merk Zwan door Zwanenberg Benelux. Met de overname zou Unox na bijna honderd jaar worden afgesplitst van haar huidige moedermaatschappij Unilever. Zwanenberg produceert en verkoopt onder meer vleesconserven (waaronder rookworsten) en houdbare soepen, met name private label-producten die verkocht worden als huismerken van supermarkten maar ook producten met haar eigen merken, zoals Kips en Huls. Met de overname van Unox vreest de ACM dat de onderhandelingspositie van Zwanenberg tegenover supermarkten te sterk zou worden. Unox is namelijk een gevestigde naam en heeft merktrouwe klanten, die hiervoor mogelijk naar een andere supermarkt zouden gaan. In haar vervolgonderzoek zal de ACM de risico’s voor de mededinging op de nationale markten voor vleesconserven (kookworsten, rookworsten en overige vleesconserven) en houdbare natte soepen onderzoeken.
Minister van EZK publiceert het BTI-jaarverslag 2024
Ministerie van Economische Zaken, publicatie van 12 mei 2025
Op 12 mei 2025 heeft de Minister van Economische Zaken het Jaarverslag van het Bureau Toetsing Investeringen (“BTI”) over 2024 gepubliceerd (“Jaarverslag”). Het Jaarverslag geeft inzicht in de impact van de Wet Veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames (“Wet Vifo”) en andere sectorale wetgeving op de investeringspraktijk in Nederland, en benoemt enkele belangrijke ontwikkelingen.
Eén van die ontwikkelingen is de uitbreiding van het toepassingsbereik van de Wet Vifo. Het daartoe bestemde voorstel betreft een wijziging van het Besluit toepassingsbereik sensitieve technologie, waarin wordt geregeld welke sensitieve technologieën binnen het toepassingsbereik van de Wet Vifo vallen. Het voorstel ziet op de toevoeging aan dat besluit van biotechnologie, artificiële intelligentie, geavanceerde materialen en nanotechnologie, sensor- en navigatietechnologie en nucleaire technologie met medisch gebruik (zie ook onze Flash Forward 2025). De consulatie voor het wijzigingsvoorstel liep af op 31 januari 2025.
Verder behandelt het Jaarverslag het aantal onderzoeken, de achtergronden daarvan, de doorlooptijden en de transactiewaarden. Zo heeft het BTI in 2024 in totaal 83 onderzoeken uitgevoerd en zijn er 69 nieuwe meldingen gedaan. Ter vergelijking: in 2023 waren dat 34 onderzoeken en 46 meldingen (na de inwerkingtreding van de Wet Vifo op 1 juni 2023). De meerderheid van de onderzoeken werd uitgevoerd op grond van de Wet Vifo (61). Ook zijn er onderzoeken uitgevoerd op grond van de Wet Windenergie op Zee (7), de Elektriciteitswet 1998 (1) en de Telecommunicatiewet (1). Dertien onderzoeken waren aan het eind van 2024 nog niet afgerond. In 48 zaken werd onvoorwaardelijke goedkeuring gegeven; in vier zaken heeft het onderzoek geleid tot een toetsingsbesluit. Drie daarvan zijn onder voorwaarden goedgekeurd en in één zaak bleek dit niet mogelijk en is de transactie verboden. Het BTI geeft aan alle onderzoeken binnen de wettelijke termijn af te hebben gerond. In een kwart van de gevallen is het onderzoek binnen 35 dagen afgerond; de helft van alle zaken is afgerond tussen de 35 en 72 dagen. In 2024 is tien keer de termijn met maximaal zes maanden verlengd.
ACM keurt overname FincoEnergies/Klaas de Boer onder voorwaarden goed
Autoriteit Consument en Markt, besluit van 3 april 2025
De ACM maakte onlangs bekend onder voorwaarden groen licht te hebben gegeven voor de overname van Oliehandel Klaas de Boer door FincoEnergies. Beide partijen leveren scheepsbrandstoffen en smeermiddelen aan zakelijke afnemers in verschillende havens in Nederland (ook wel: ‘bunkeren’). Na het eerste faseonderzoek voorzag de ACM mogelijke mededingingsproblemen voor de levering van scheepsbrandstoffen (met name gasolie) aan havengebonden afnemers zoals visserijen, sleepdiensten, passagiers-/veerdiensten en offshore bedrijven in de havens van Harlingen, Lauwersoog, Eemshaven-Delfzijl, IJmuiden en Den Helder (zie ook CF Q2 2024). De ACM verwachtte dat er in deze havens na de concentratie nauwelijks of geen volwaardige alternatieven zouden zijn, met een mogelijke prijsstijging tot gevolg. De ACM besloot daarom dat voor de overname een vergunning was vereist.
Om de (mogelijke) mededingingsrisico’s weg te nemen hebben partijen gedurende het tweede faseonderzoek toegezegd verschillende bedrijfsonderdelen te verkopen aan GMB Groep, waar concurrent Slurink onderdeel van uitmaakt. Met de overdracht van vijf bunkerboten, een opslagterminal in Harlingen en het (havengebonden) klantportfolio van Klaas de Boer zal GMB onder de naam Klaas de Boer scheepsbrandstoffen gaan leveren in Harlingen, Lauwersoog, Eemshaven-Delfzijl en Den Helder. In IJmuiden verwacht de ACM na nader onderzoek toch geen nadelige gevolgen. Met deze afstoting verleent de ACM de benodigde vergunning.
Hoogtepunten fusiebeoordelingen Europese Commissie
Universal Music Group/Downtown
De Europese Commissie (“Commissie”) heeft onlangs een verwijzingsverzoek van de ACM over de overname van Downtown door Universal Music Group geaccepteerd. Op 24 februari 2025 meldden partijen de voorgenomen overname bij de ACM. Kort daarna ontving de ACM klachten over de voorgenomen overname van marktpartijen. Omdat de ACM zich zorgen maakt over de gevolgen van de overname voor de Nederlandse én Europese markten voor muziekdiensten, heeft de ACM besloten de zaak naar de Commissie te verwijzen op grond van artikel 22 van de Concentratieverordening.
Meer in het bijzonder vreest de ACM dat de overname zou kunnen leiden tot hogere prijzen voor artiesten, minder muziekaanbod en minder innovatie in muziekdiensten voor labels en artiesten. Deze zorgen spelen niet alleen bij de ACM, maar ook bij de Oostenrijkse mededingingsautoriteit (“AFCA”). De AFCA sloot zich om die reden aan bij het verwijzingsverzoek van de ACM. De Commissie zal nu een onderzoek doen naar de voorgenomen overname.
Mars/Kellanova
Op 25 juni 2025 heeft de Commissie een tweedefaseonderzoek aangekondigd naar de overname van Kellanova door Mars. Beide ondernemingen hebben sterke posities op verschillende voedselwarenmarkten. De Commissie vreest dat de concentratie zal leiden tot hogere prijzen voor consumenten door de versterkte onderhandelingspositie van Mars tegenover detailhandelaren. Zowel Mars als Kellanova bieden producten aan die door consumenten als must-have worden beschouwd, waardoor detailhandelaren mogelijk gedwongen worden hogere prijzen te accepteren om de producten te kunnen blijven aanbieden, om zo geen klandizie te verliezen. De Commissie heeft tot 31 oktober 2025 om de overname nader te onderzoeken.
UniCredit/Banco BPM
Op 19 juni 2025 heeft de Commissie de overname van Banco BPM (“BPM”) door UniCredit voorwaardelijk goedgekeurd. UniCredit en BPM bieden overlappende zakelijke en particuliere bankdiensten aan op de Italiaanse markt. De Commissie constateert dat er concurrentieproblemen zouden ontstaan op de lokale markten voor stortingen en leningen voor particulieren en kleine tot middelgrote bedrijven, nu de werkzaamheden van BPM en UniCredit op deze markt sterk overlappen. Op markten op breder, regionaal niveau ontstaan er volgens de Commissie geen mededingingsbezwaren. De Commissie voorziet tot slot ook geen coördinatierisico’s op de nationale Italiaanse markt voor bankdiensten, wegens (i) de gefragmenteerde en concurrentiegerichte aard van de markt; (ii) de lage prijstransparantie op de markt; en (iii) het gelimiteerd toezicht door concurrenten op elkaars marktgedrag.
UniCredit heeft toegezegd 209 fysieke vestigingen af te stoten in de lokale markten waar een problematische overlap bestaat met de werkzaamheden van BPM. Volgens de Commissie blijft het gezamenlijk marktaandeel van UniCredit en BPM op lokaal niveau door deze toezegging beperkt, wat de bovenstaande mededingingsrechtelijke problemen op de markt voor stortingen en leningen voor particulieren en kleine tot middelgrote bedrijven in Italië wegneemt.
Liberty Media/Dorna
Op 23 juni 2025 heeft de Commissie na een tweedefaseonderzoek de overname van Dorna Sports (“Dorna”) door Liberty Media Corporation (“Liberty Media”) onvoorwaardelijk goedgekeurd. Liberty Media is eigenaar van onder meer de Formula One Group, die op zijn beurt de commerciële rechten van de Formule 1 in handen heeft. Dorna bezit onder andere de commerciële rechten op de MotoGP. De Commissie onderzocht of de concentratie de mededinging zou beperken bij de licentieverlening van uitzendrechten voor sportcontent.
In haar onderzoek nam de Commissie als uitgangspunt de markt voor alle sportcontent, maar zij identificeerde twee criteria die mogelijk kunnen leiden tot een nauwere markt. Ten eerste maken zenders vaak onderscheid tussen reguliere sportuitzendingen (zoals jaarlijkse voetbalcompetities) en irreguliere sportuitzendingen (zoals de Olympische Spelen). Ten tweede zijn een aantal sporten – afhankelijk van de lidstaat – aanzienlijk populairder dan andere sporten, waardoor de licentiekosten voor die sporten substantieel hoger liggen.
Zo zou er een onderscheid gemaakt kunnen worden tussen premium en non-premium sporten. Formule 1 en MotoGP zouden onderdeel uitmaken van de reguliere, non-premium sportmarkt. De Commissie liet de precieze marktafbakening achterwege en onderzocht de gevolgen van de overname per lidstaat op de nauwst mogelijke markt (de reguliere, non-premium markt). De Commissie constateerde dat Liberty Media en Dorna op deze markten geen nabije concurrenten zijn. Verder zouden zenders ook na de overname nog in staat zijn om licenties te verkrijgen voor verscheidene andere sporten die publiek van op zijn minst vergelijkbare grootte trekken. De overname leidde derhalve volgens de Commissie niet tot mededingingsbezwaren.
Safran/Collins Aerospace
De Commissie heeft de overname van een deel van de luchtvaart- en ruimtevaart actuatie-activiteiten van Collins Aerospace door Safran onder voorwaarden goedgekeurd. Beide bedrijven waren voor de overname de grootste leveranciers van trimmable horizontal stabiliser actuator systems (systemen die het staartvlak verstellen om het vliegtuig stabiel te houden, “THSA-systemen”). De overname, zoals deze in eerste instantie werd aangemeld, zou de concurrentie op de markt voor THSA-systemen beperken. Om dit te verhelpen, heeft Safran aangeboden alle Noord-Amerikaanse THSA-activiteiten af te stoten. De Commissie heeft ook onderzocht of de transactie impact zou hebben in andere gerelateerde markten, maar dat bleek niet het geval.
De Commissie concludeert dat de overname, behoudens de naleving van de toezeggingen die zijn gedaan, niet langer mededingingsbeperkend zal zijn. Een onafhankelijke toezichthouder zal toezicht houden op de naleving van de toezeggingen. Safran heeft eind 2024 een overeenkomst met Woodward gesloten voor de verkoop van de THSA-activiteiten. De geschiktheid van Woodward als koper wordt afzonderlijk beoordeeld.
Hoge Raad stelt prejudiciële vragen over toepasselijk recht in follow-on claims wegens enkele voortdurende kartelinbreuken
Hoge Raad, arresten van 20 juni 2025
Op 20 juni 2025 heeft de Hoge Raad in twee arresten prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (“HvJ”) over het toepasselijk recht. De eerste zaak ziet op follow-on claims tot schadevergoeding naar aanleiding van het vrachtwagenkartel; de tweede zaak betreft follow-on claims tot schadevergoeding naar aanleiding van het luchtvrachtkartel. Met betrekking tot zowel het vrachtenwagenkartel als het luchtvrachtkartel heeft de Commissie geconcludeerd dat sprake is van een enkele en voortdurende inbreuk op het mededingingsrecht.
De vraag in beide zaken is, kort gezegd, of een dergelijke enkele en voortdurende inbreuk moet worden aangemerkt als een onrechtmatige gedraging (schadeveroorzakende gebeurtenis) die per benadeelde leidt tot één schadevordering, of als een onrechtmatige gedraging die per transactie leidt tot een afzonderlijke schadevordering. Daarbij vraagt de Hoge Raad zich tevens af of deze kwalificatie moet geschieden aan de hand van Europees recht of dat dit is overgelaten aan het nationaal recht van de lidstaten. In beide arresten stelt de Hoge Raad daarom de prejudiciële vraag of het Unierecht, met name het doeltreffendheidsbeginsel, met zich brengt dat een enkele en voortdurende inbreuk op het mededingingsrecht per benadeelde als één onrechtmatige gedraging met één schadevordering moet worden aangemerkt, of dat lidstaten zelf mogen bepalen of elke transactie afzonderlijk tot een aparte schadevordering leidt.
Met betrekking tot het vrachtwagenkartel, stelt de Hoge Raad ook nog vragen over de Wet Conflictenrecht Onrechtmatige Daad (“WCOD”) – die temporeel van toepassing is op schadeveroorzakende gebeurtenissen die plaatsvonden tot 11 januari 2009 – en de Rome II-Verordening – die ziet op schadeveroorzakende gebeurtenissen daarna. Zo vraagt de Hoge Raad zich af of de Rome II-Verordening al dan niet temporeel van toepassing is op de gehele inbreukperiode van het kartel, die aanving voor 11 januari 2009 maar eindigde na die datum. Daarnaast verzoekt de Hoge Raad het HvJ om inzicht te verstrekken over de vraag hoe de beïnvloede markt in de zin van artikel 6(3)(a) Rome II-Verordening moet worden uitgelegd ingeval van een follow-on schadevergoedingsvordering als gevolg van een EER-breed kartel waarbij de kartelproducten in meerdere landen van meerdere karteldeelnemers zijn afgenomen. Tot slot vraagt de Hoge Raad om opheldering over de vraag of de eenzijdige rechtskeuze ex artikel 6(3)(b) Rome II-Verordening alleen openstaat voor de benadeelden die zelf schade hebben geleden, of ook voor eisers die de vorderingen hebben overgedragen gekregen, zoals stichtingen.
Rechtbank relatief bevoegd in samenhangende WAMCA-procedures tegen Samsung en LG
Rechtbank Noord-Holland, uitspraak van 16 april 2025
De rechtbank Noord-Holland heeft zich in incident (relatief) bevoegd verklaard om kennis te nemen van de WAMCA-vorderingen tegen LG Electronics (“LG”) omdat er voldoende samenhang bestaat met de WAMCA-vorderingen tegen Samsung.
Twee stichtingen, Stichting Consumenten Competition Claims (“CCC”) en Stichting Eerlijke Prijzen & Marktwerking (“STEP”), hebben collectieve vorderingen ingesteld tegen zowel Samsung als LG wegens vermeende prijsafspraken waarvoor de ACM eerder twee separate boetes opgelegde (zie Samsung en LG-besluiten). In een eerdere rolbeslissing had de rechtbank al geoordeeld dat de vorderingen van CCC en STEP tegen LG betrekking hebben op dezelfde gebeurtenissen. Artikel 1018d lid 3 Rechtsvordering (“Rv”) bepaalt dat dergelijke vorderingen in dat geval als één zaak moeten worden behandeld.
LG probeerde zich in het voorliggende incident te onttrekken aan de procedure bij de rechtbank Noord-Holland door te stellen dat de rechtbank Amsterdam bevoegd is op basis van de hoofdregel in artikel 99 Rv, omdat LG daar statutair is gevestigd. Artikel 107 Rv bepaalt echter dat indien een rechter bevoegd is ten aanzien van één gezamenlijke gedaagde – in dit geval Samsung – deze ook bevoegd is ten aanzien van de andere gedaagde, mits er voldoende samenhang bestaat tussen de vorderingen.
Die samenhang is volgens de rechtbank aanwezig. Een belangrijke factor was dat STEP zowel Samsung als LG in één en dezelfde dagvaarding had gedagvaard. Bovendien worden Samsung en LG dezelfde overtreding verweten – verticale prijsbinding – in dezelfde productmarkt en in een overlappende periode. Cruciaal was dat de ACM zelf in het LG-besluit had erkend dat “Samsung vergelijkbare praktijken bezigde als LG” en dat bij de beoordeling rekening moest worden gehouden met deze “bredere praktijk in de markt”. Om die reden acht de rechtbank zich bevoegd kennis te nemen van niet alleen de vorderingen van STEP tegen Samsung maar ook van STEP tegen LG, en in het verlengde daarvan ook van de vorderingen van CCC tegen LG.
Deze uitspraak toont aan dat rechtbanken bij WAMCA-procedures het belang van efficiënte, gecoördineerde behandeling zwaar laten wegen. Voor eisers in collectieve procedures is dit een positieve ontwikkeling: het voorkomt versnippering en tegenstrijdige uitspraken.
Consumentenbond en stichting deels ontvankelijk in vorderingen beeldbuizenkartel
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, arrest van 27 mei 2025
Op 27 mei 2025 heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch de Consumentenbond en een niet bij naam genoemde belangenbehartigingsstichting, deels ontvankelijk verklaard in hun vorderingen. De Consumentenbond en de stichting stelden collectieve vorderingen in tegen Philips naar aanleiding van diens deelname aan het beeldbuizenkartel, waarvoor de Europese Commissie (“Commissie”) in 2012 onder andere Philips beboette. De vorderingen zijn gestoeld op artikel 3:305a (oud) BW en zijn te onderscheiden in twee categorieën. Met het ene deel van de vorderingen beogen de Consumentenbond en de stichting een verklaring voor recht te verkrijgen dat Philips onrechtmatig heeft gehandeld jegens alle (door hen afgebakende groepen) afnemers van CRTapparatuur door deel te nemen aan het beeldbuizenkartel. De overige vorderingen gaan ook over verklaringen voor recht, maar zien op het bestaan en de hoogte van een meerprijs (‘overcharge’) en parapluschade (‘umbrella damages’) als gevolg van het kartel.
Het hof oordeelt dat de Consumentenbond en de stichting ontvankelijk zijn met betrekking tot de eerste categorie vorderingen, omdat deze vorderingen zich richten op het verkrijgen van een verklaring voor recht over de onrechtmatigheid van het handelen van Philips. De tweede categorie vorderingen zien daarentegen in essentie op het vaststellen van de (hoogte van de) daadwerkelijke overcharge en parapluschade. Het hof concludeert dat dit vorderingen betreffen die bedoeld zijn om de omvang van de schadevergoedingsverplichtingen van Philips jegens individuele afnemers vast te stellen. De strekking van art 3:305a (oud) BW verzet zich daar echter tegen: op grond van die bepaling kan immers alleen een verklaring voor recht worden gevorderd en geen schadevergoeding, zoals onder het huidige artikel 3:305a BW (wel) kan. Ten aanzien van die vorderingen zijn de Consumentenbond en de stichting daarom niet-ontvankelijk.
Commissie beboet autofabrikanten € 458 miljoen voor kartelvorming bij recycling autowrakken
Europese Commissie, besluiten van 1 april 2025
Op 1 april 2025 heeft de Commissie 15 grote autofabrikanten alsook de Europese vereniging van autofabrikanten ACEA, geldboetes opgelegd voor een totaal van € 458 miljoen wegens deelname aan een langdurig kartel voor de recycling van autowrakken. Het kartel betreft een enkele en voortdurende inbreuk over een periode van meer dan 15 jaar: van 29 mei 2002 tot en met 4 september 2017. Aan het kartel namen naast ACEA vrijwel alle grote autofabrikanten deel: MercedesBenz, Stellantis, Mitsubishi, Ford, BMW, Honda, Hyundai/Kia, Jaguar Land Rover, Mazda, Renault/Nissan, Opel, GM, Suzuki, Toyota, Volkswagen, en Volvo.
De autofabrikanten spraken onderling af om (i) autodemonteerders niet te betalen voor de verwerking van autowrakken (de zogenaamde “Zero-Treatment-Cost”-strategie) en om (ii) geen promotie te voeren over het aandeel van een autowrak dat voor recycling en hergebruik in aanmerking komt. Hiermee probeerden de karteldeelnemers te voorkomen dat consumenten de recyclemogelijkheden in acht namen bij het kiezen van een (nieuwe) auto.
Als eerste clementieverzoeker ontving Mercedes-Benz geen boete. Stellantis en Opel kwamen als tweede naar voren en kregen in ruil daarvoor een boetevermindering van 50%. Mitsubishi en Ford kregen onder de clementieregeling respectievelijk 30% en 20% korting op hun boete. De hoogte van de boetes loopt sterk uiteen. Zo kreeg ACEA slechts een boete van € 500.000 vanwege haar faciliterende rol en het feit dat alle aangesloten autofabrikanten ook individueel zijn beboet. Stellantis kreeg, ondanks de 50% korting, alsnog een boete opgelegd van bijna € 75 miljoen; Volkswagen kreeg de hoogste boete van ruim € 127 miljoen.
HvJ verduidelijkt voorwaarden voor rechtvaardiging exclusief distributiestelsel
Hof van Justitie van de Europese Unie, arrest van 8 mei 2025
In navolging op de conclusie van advocaat-generaal Medina, bevestigt het HvJ dat voor de rechtvaardiging van een exclusief distributiestelsel onder de Groepsvrijstelling verticale overeenkomsten (“VBER”) vereist is dat andere afnemers op enige wijze hebben ingestemd niet in dat gebied te verkopen. In een Belgische procedure tegen Albert Heijn stelde ‘exclusieve distributeur’ Beevers Kaas (“Beevers”) dat Albert Heijn door het verkopen van Beemster Kaas in België ‘medeplichtig’ was aan het schenden van de alleenverkoopovereenkomst tussen Beevers en leverancier/producent Cono. In de alleenverkoopovereenkomst tussen Beevers en Cono was echter (slechts) opgenomen dat Beevers als exclusieve distributeur voor België en Luxemburg wasaangewezen. De overeenkomst vermeldde niet dat Beevers buiten dat gebied niet zou mogen verkopen. Albert Heijn was als exclusieve distributeur voor Nederland aangewezen maar ook haar was het niet expliciet verboden in andere lidstaten (zoals België en Luxemburg) te verkopen.
De vraag rees of – om van de vrijstelling van het exclusieve distributiestelsel te kunnen genieten – de oude VBER vereist dat naast de toewijzing van exclusiviteit tegelijkertijd ook de bescherming tegen actieve verkoop door andere distributeurs is overeengekomen (ook wel: ‘parallelle oplegging’). Het HvJ beantwoordt deze vraag bevestigend; alleen als de leverancier die een afnemer een exclusief gebied toewijst die leverancier tegelijkertijd ook beschermt tegen actieve verkoop van andere afnemers kan de doeltreffendheid van de exclusiviteit immers worden gewaarborgd. Inmiddels is het vereiste van parallelle oplegging expliciet opgenomen in artikel 4, b) onder i) van de nieuwe VBER.
Het HvJ gaat vervolgens in op hoe parallelle oplegging bij gebrek aan een contractuele bepaling kan worden aangetoond. Met verwijzing naar Super Bock oordeelt het HvJ dat sprake moet zijn van wilsovereenstemming, die zowel kan worden afgeleid uit een uitdrukkelijk ge- of verbod, als uit het uitdrukkelijke of stilzwijgende gedrag van de betrokken partijen. In dit geval dient volgens het HvJ te worden aangetoond dat (i) Cono de afnemer ‘in welke vorm dan ook’ heeft verzocht om niet actief in een bepaald gebied te verkopen, en dat (ii) de afnemer met dit verzoek heeft ingestemd. Aangezien het gaat om een bewijstechnische kwestie omtrent het bestaan van een overeenkomst, laat het HvJ het aan de nationale rechter om te beoordelen of hieraan is voldaan. Wel oordeelt het HvJ dat uit het feit dat er los van Albert Heijn geen enkele afnemer actief in dat gebied heeft verkocht op zichzelf niet kan worden afgeleid dat Cono haar afnemers heeft verzocht niet actief in die gebieden te verkopen. Dit kan een relevant gegeven zijn om aan te tonen dat de afnemers van Cono eventueel stilzwijgend hebben ingestemd met het verzoek, maar bij gebrek aan een uitdrukkelijk verzoek volstaat deze omstandigheid op zichzelf niet om het bestaan van een overeenkomst te bewijzen. Dit zou immers ook kunnen wijzen op een autonome commerciële beslissing van de andere afnemers, aldus het HvJ.
Commissie beboet Delivery Hero en Glovo € 329 miljoen voor deelname online voedselbezorgingskartel
Europese Commissie, besluit van 2 juni 2025
De Commissie heeft Delivery Hero en Glovo een boete van in totaal €329 miljoen opgelegd voor deelname aan een kartel in de online voedselbezorgingssector. Het kartel duurde vier jaar en betrof de gehele EER. De bedrijven kwamen overeen elkaars personeel niet actief te benaderen (zogenoemde ‘no-poach’), wisselden commercieel gevoelige informatie uit, en spraken af om geografische markten onderling te verdelen. Dit gedrag werd mogelijk gemaakt en gefaciliteerd door Delivery Hero’s minderheidsbelang in Glovo, dat stapsgewijs werd uitgebreid tot volledige controle in 2022. De Commissie kwalificeerde deze gedragingen als een enkele en voortdurende inbreuk op artikel 101 VWEU.
Opmerkelijk hieraan is dat het de eerste keer is dat de Commissie een kartelbesluit neemt met betrekking tot concurrentiebeperking op de arbeidsmarkt én dat het voor het eerst een anti-competitief gebruik van een minderheidsbelang in een concurrent bestraft. Beide bedrijven erkenden hun betrokkenheid en gingen akkoord met een schikkingsprocedure, hetgeen leidde tot een standaardkorting van 10% op de opgelegde boetes.
Eerste boetes € 500 en € 200 miljoen voor Apple respectievelijk Meta wegens niet-naleving DMA
Europese Commissie, besluiten van 23 april 2025
De Digitalemarktenverordening (Digital Markets Act, “DMA”) heeft niet alleen tanden, maar kan ook echt bijten – dat blijkt uit de besluiten (Apple, Meta) van de Commissie van 23 april 2025 om boetes op te leggen van respectievelijk € 500 miljoen en € 200 miljoen aan Apple en Meta. Dit zijn de eerste sancties wegens overtreding van de DMA en volgen op de eerste onderzoeken naar niet-naleving die de Commissie op 25 maart 2024 startte (zie ook CF Q2 2024).
De boete van € 500 miljoen voor Apple betreft haar kernplatformdienst (“KPD”) ‘Apple App Store’. Volgens de Commissie overtrad Apple het zogeheten anti-sturingsverbod, vastgelegd in artikel 5, lid 4, van de DMA, door appontwikkelaars te beperken in de manier waarop zij gebruikers binnen hun apps konden informeren over alternatieve distributiekanalen en (goedkopere) betalingsmethoden buiten de App Store om. Apple heeft niet aangetoond dat de restricties objectief noodzakelijk en proportioneel waren, aldus de Commissie. Parallel aan dit onderzoek liep een tweede onderzoek naar mogelijke niet-naleving van de DMA door Apple. De Commissie heeft dat onderzoek inmiddels afgesloten na een ‘constructieve dialoog’ met Apple. Die leidde ertoe dat gebruikers nu eenvoudiger standaardapps kunnen verwijderen en de standaardinstellingen van het iOS-besturingssysteem kunnen aanpassen. Deze besluiten staan los van de specificatiebesluiten inzake de maatregelen die Apple dient te nemen om aan de interoperabiliteitsverplichting van artikel 6 lid 7 van de DMA te voldoen.
De boete van € 200 miljoen opgelegd aan Meta ziet op het ‘Consent or Pay’-model dat Meta hanteerde van maart 2024 – het moment dat de DMA verplichtingen wettelijk bindend werden – tot november 2024. De Commissie onderzocht of dit model in strijd was met de verplichting uit artikel 5, lid 2, van de DMA: bedrijven moeten toestemming vragen om persoonlijke gegevens van gebruikers te combineren of kruislinks te gebruiken over verschillende kernplatformdiensten. Gebruikers die geen toestemming geven, moeten toegang krijgen tot een minder gepersonaliseerde maar volwaardig alternatief. De binaire keuze die Meta aanbood – óf betalen, óf toestemming geven voor het datagebruik – voldeed daar niet aan. Tegelijk met het opleggen van de boete besloot de Commissie om Meta’s dienst ‘Marketplace’ niet langer als KPD te classificeren, aangezien dit platform minder dan 10.000 zakelijke gebruikers kent. Daardoor geldt het niet meer als een belangrijke toegangspoort voor bedrijven om eindgebruikers te bereiken.
Rechtbank Rotterdam: last onder dwangsom Apple terecht opgelegd door ACM
Rechtbank Rotterdam, uitspraak van 16 juni 2025
De last onder dwangsom voor Apple is terecht door de ACM opgelegd, zo heeft de rechtbank Rotterdam geoordeeld op 16 juni 2025. In 2021 stelde de ACM vast dat Apple in strijd met artikel 24 Mw en 102 VWEU handelde door datingappaanbieders onbillijke voorwaarden op te leggen. Al in 2021 schorste de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam een gedeelte van de last en halveerde de maximaal te verbeuren dwangsom (zie ook CF Q4 2021). In 2022 besliste de ACM dat Apple de opgelegde last niet tijdig en volledig had nageleefd en vorderde een dwangsom van in totaal € 50 miljoen. De rechtbank Rotterdam laat de opgelegde last onder dwangsom (grotendeels) in stand en oordeelt dat de ACM de verbeurde dwangsom terecht heeft ingevorderd.
De zaak draait om de voorwaarden die Apple oplegde aan aanbieders van datingapps, waaronder de verplichte afhandeling van betalingen via Apple (de zogeheten IAP-verplichting), een commissie van 30% en het verbod op verwijzingen naar externe betaalmethoden (anti-steering). Volgens de ACM maakte Apple hiermee misbruik van haar economische machtspositie, omdat datingapps niet realistisch konden uitwijken naar andere distributiekanalen en afhankelijk zijn van Apple brede toegang tot gebruikers.
De rechtbank oordeelt dat de ACM de relevante markt correct heeft afgebakend. Alternatieve distributiekanalen zoals Android-appstores, websites of Progressive Web Apps vormen geen reële substituten voor de App Store. Op die markt, die dus uitsluitend bestaat uit de App Store, heeft Apple een marktaandeel van 100% en daarmee een economische machtspositie. De rechtbank oordeelt vervolgens dat de ACM terecht heeft vastgesteld dat Apple misbruik heeft gemaakt van die machtspositie door onbillijke voorwaarden op te leggen aan aanbieders van datingapps. Apple heeft hiervoor geen overtuigende economische rechtvaardiging gegeven, terwijl er minder ingrijpende alternatieven beschikbaar zijn. Bovendien past Apple haar voorwaarden inconsistent toe. Dit ondermijnt haar argumenten over gebruikservaring, veiligheid en de waarde van haar diensten, aldus de rechtbank.
ACM lanceert online ‘DSA-check’
Autoriteit Consument en Markt, publicatie van 7 mei 2025
Op 7 mei 2025 heeft de ACM een ‘voorlichtingstool’ gepubliceerd waarmee bedrijven kunnen controleren of zij voor hun websites en apps moeten voldoen aan de Digital Services Act (“DSA”): de ‘DSA-check’. Sinds februari 2024 gelden er namelijk nieuwe Europese regels voor aanbieders van online diensten. Omdat de verplichtingen onder de DSA gelaagd zijn, gelden niet alle regels voor iedere onderneming. Daarnaast kunnen de regels alleen van toepassing zijn op bepaalde diensten van een bedrijf.
De tool werkt als een digitale beslisboom met meerkeuzevragen aan de hand waarvan een onderneming kan nagaan welke verplichtingen uit de DSA voor haar gelden. Zo wordt bijvoorbeeld gevraagd of de website of app in kwestie gebruikt wordt voor het verrichten van een economische activiteit; websites of apps waar geen economische activiteit mee wordt verricht vallen niet onder de DSA regels. De DSA-check is bedoeld voor webwinkels en marktplaatsen, en websites en apps met user generated content. Met de DSA-check hoopt de ACM voor bedrijven makkelijk en overzichtelijk in kaart te brengen aan welke verplichtingen zij zich voor welke diensten moeten houden.
(Big) Tech in het vizier: ACM publiceert speerpunten digitale economie
Autoriteit Consument en Markt, publicatie van 12 mei 2025
In de afgelopen jaren is het takenpakket van de ACM ten aanzien van de digitale economie sterk uitgebreid. Zo is er veel (Europese) digitale wetgeving bijgekomen, zoals de DMA, de DSA, de Platform to Business Verordening (“P2B Verordening”), de Data Act en de Data Governance Act. Ook past de ACM bestaande bevoegdheden, zoals het mededingingsrecht en het consumentenrecht, toe op de digitale sector. Met het publiceren van haar speerpunten bundelt de ACM al haar toezichtstaken in een coherent en samenhangend plan van aanpak voor 2025.
De ACM heeft haar focus onderverdeeld in vier pijlers. De eerste daarvan is ‘eerlijke toegang tot online markten voor mensen en bedrijven’, waarbij de nadruk ligt op het verbeteren en beschermen van de concurrentie tussen grote en kleine techbedrijven. De ACM stelt in 2025 een onderzoek te zullen afronden naar mogelijk machtsmisbruik in Nederland door een specifiek online platform. Daarnaast start zij in 2025 een onderzoek naar mogelijk machtsmisbruik door een softwarebedrijf. Tegelijkertijd is de ACM, in afstemming met de Commissie, twee onderzoeken gestart naar de naleving van de DMA-regels.
De tweede pijler, ‘veilige en toegankelijke online omgeving: beschermen van online gebruikers’, betreft consumentenbescherming. De ACM legt hierbij de nadruk op de naleving van de DSA door webhostingdiensten. Daarnaast zal de ACM blijven optreden tegen online misleiding van consumenten, bijvoorbeeld door nepreviews, dark patterns en algemeen misleidende marketingtechnieken. De derde pijler, ‘zeker en betrouwbaar data delen voor innovatie’ richt zich op het verantwoord en betrouwbaar omgaan met data door bedrijven. Met de vierde en laatste pijler, ‘samenwerken om gaten en overlap in het toezicht te voorkomen’, schetst de ACM hoe zij, in samenwerking met andere Nederlandse en Europese autoriteiten, efficiënt toezicht wil houden.
ACM niet gehouden tot schadevergoeding na onrechtmatig bedrijfsbezoek
Rechtbank Den Haag, uitspraak van 21 mei 2025
In zijn uitspraak van 21 mei 2025 oordeelde de rechtbank Den Haag dat de ACM (de Staat) niet gehouden is tot schadevergoeding na de intrekking van een boetebesluit wegens een onrechtmatig bedrijfsbezoek. In het kader van een onderzoek naar de naleving van het consumentenrecht bij de telefonische verkoop van energiecontracten besloot de ACM in november 2021 een bedrijfsbezoek uit te voeren bij Global Marketing Bridge B.V. (“GMB”), een intermediair die voor energieleveranciers telefonisch klanten werft. Hoewel de ACM op basis van informatie van verhuurder Regus reeds had vernomen dat de activiteiten mogelijk zouden zijn voortgezet onder de bedrijfsnaam Sales Innovators B.V. (“SI”), nam zij in haar doelomschrijving slechts GMB en daaraan gelieerde ondernemingen op. Bij aankomst op het adres informeerde de betrokken personen de ACM dat niet langer GMB, maar SI op deze locatie gevestigd was. De ACM besloot desalniettemin het onderzoek voort te zetten. Dit leidde uiteindelijk tot een boete voor SI, alsmede haar feitelijk leidinggevende.
In voorlopige voorziening oordeelde de voorzieningenrechter dat voor de doelomschrijving niet de feitelijke verbondenheid (of SI de activiteiten van GMB heeft overgenomen) doorslaggevend is. Aangezien SI simpelweg buiten de kring viel van de (groep van) ondernemingen waar het onderzoek zich op richtte, was het bedrijfsbezoek in strijd met artikel 8 EVRM en artikel 7 van het Handvest. Nu het dragende bewijs voor de overtreding was verkregen tijdens deze bedrijfsbezoeken, schorste de voorzieningenrechter het boete- en publicatiebesluit (zie ook CF Q1 2024).
De ACM besloot hierop het boetebesluit in te trekken. SI wendde zich daarna tot de burgerlijke rechter voor onder andere een vergoeding van de kosten voor rechtsbijstand (i) vanaf het moment van het bedrijfsbezoek tot aan het boetebesluit (de voorafgaande onderzoekshandelingen), en (ii) vanaf het boetebesluit (de bestuursrechtelijke procedure). De rechtbank oordeelt dat – alhoewel de besluiten zijn ingetrokken en niet in geschil is dat deze onrechtmatig zijn – de ACM zonder de vormfout in de doelomschrijving eveneens een onderzoek naar SI zou hebben gestart, waardoor het causale verband voor de kosten gemaakt vanwege de voorbereidende handelingen ontbreekt. Ten aanzien van de kosten in de bestuursrechtelijke procedure (ná het boetebesluit) bepaalt de rechtbank dat niet de burgerlijke rechter, maar de bestuursrechter bij uitsluiting bevoegd is over deze kosten te oordelen. Alle vorderingen, waaronder ook die tot immateriële schadevergoeding, worden derhalve afgewezen.
Bedrijfsbezoek ACM wél rechtmatig jegens GMB
Rechtbank Rotterdam, uitspraak van 19 juni 2025
Met betrekking tot GMB zelf (zie hierboven) oordeelde de rechtbank Rotterdam in zijn uitspraak van 19 juni 2025 dat de ACM terecht boetes heeft opgelegd aan GMB en twee van haar leidinggevenden, wegens oneerlijke handelspraktijken in de telefonische verkoop van energiecontracten en het feitelijk leidinggeven daaraan.
De boete was mede gebaseerd op bewijs uit het hierboven besproken bedrijfsbezoek. De rechtbank oordeelt dat al het bewijs rechtmatig was verkregen, ook dat uit het bedrijfsbezoek. Zelfs als de ACM tijdens het bedrijfsonderzoek onrechtmatig zou hebben gehandeld jegens SI, betekent dit niet automatisch dat ook onrechtmatig is gehandeld jegens GMB en haar leidinggevenden. Het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a Awb, wat inhoudt dat GMB en haar leidinggevenden zich niet kunnen beroepen op de rechten van een ander, staat hieraan namelijk in de weg. Bovendien was er geen sprake van een ‘fishing expedition’: het onderzoek richtte zich mede op GMB en haar leidinggevenden, op basis van signalen die de ACM had ontvangen over de handelspraktijken van GMB. De ACM handelde daarnaast niet willekeurig en maakte geen misbruik van haar bevoegdheden, nu zij concrete informatie had dat GMB kantoor hield op de onderzochte locaties. Pas tijdens het bedrijfsbezoek werd duidelijk dat GMB daar niet meer gevestigd was.
Het feit dat de ACM enkel GMB en twee van haar leidinggevenden heeft beboet voor deze overtredingen, en niet ook andere leidinggevenden of energieleveranciers waarmee GMB contracteerde, doet volgens de rechtbank niet af aan de rechtmatigheid van de boetes. Verder acht de rechtbank de boetes voor het feitelijk leidinggeven aan de overtredingen terecht. De leidinggevenden hadden verschillende indicaties ontvangen dat energiecontracten op een met het consumentenrecht strijdige manier werden verkocht, maar hebben vervolgens onvoldoende gedaan om deze gedragingen te voorkomen dan wel te beëindigen.
Tot slot acht de rechtbank de boetes passend en geboden, en hield daarmee het boetebesluit in stand. Wel verlaagt de rechtbank de boetes ieder ambtshalve met vijf procent, voor zover de verlaging niet meer bedraagt dan € 5.000, wegens overschrijding van de redelijke termijn.
EHRM bevestigt: doorgifte tapdata aan NMa in strafrechtelijk onderzoek was gerechtvaardigd
Europees Hof voor de Rechten van de Mens, uitspraak van 1 april 2025
Op 1 april 2025 bevestigde de Grote Kamer van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (“EHRM”) het eerdere oordeel dat de doorgifte van gerechtvaardigd verkregen bewijsmateriaal door middel van telefoontaps aan de (destijds nog) Nederlandse Mededingingsautoriteit (“NMa”) niet in strijd is met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (“EVRM”). De uitspraak betreft twee Nederlandse kartelzaken (te weten: Zeescheepsafval en Limburgse bouw), die beide volgden op strafrechtelijke onderzoeken naar onder andere fraude. In beide zaken werden gesprekken van werknemers van betrokken ondernemingen getapt na een machtiging van de rechter-commissaris (“RC”). Bij het beluisteren van deze gesprekken vonden de betrokken politieambtenaren aanwijzingen voor illegale prijsafspraken, in strijd met het kartelverbod. De processen-verbaal met transcripten van deze gesprekken werden vervolgens doorgezonden aan de NMa. Deze stukken vormden uiteindelijk belangrijk bewijsmateriaal voor de door de NMa vastgestelde overtredingen in de kartelbesluiten van 29 oktober 2010 (Limburgse bouw) en 16 november 2011 (Zeescheepsafval).
Na een lange rechtsgang bij de rechtbank Rotterdam en het CBb (zie hier en hier de finale uitspraken) buigt het EHRM zich in deze uitspraak over de vraag of de doorgifte van informatie aan de NMa in dit geval gerechtvaardigd was. Niet in geschil is dat de doorgifte leidt tot een ‘inmenging’ van artikel 8 EVRM die moet worden gerechtvaardigd. Het EHRM toetst vervolgens of naast het initiële tappen, ook de doorgifte op zichzelf (i) voorzien is bij wet, (ii) een legitiem doel nastreeft, en (iii) noodzakelijk is in een democratische samenleving (ook wel: proportioneel en een ‘pressing social need’). Daarbij introduceert het EHRM de volgende handvatten: (i) het onderschepte materiaal moet in overeenstemming met het EVRM zijn verkregen, (ii) de voorwaarden voor doorgifte moeten duidelijk bij wet zijn geregeld, (iii) er moeten afdoende waarborgen zijn voor het onderzoek, gebruik en de opslag en vernietiging van het materiaal, en (iv) er moet sprake zijn van effectieve rechtsbescherming.
Het EHRM stelt vast dat de Wet Justitiële en Strafvorderlijke gegevens (“WJSG”) een wettelijke basis biedt voor het doorzenden van informatie aan de NMa (zie artikel 39f). Het feit dat de doelstellingen van de doorgifte algemeen zijn geformuleerd en de NMa niet concreet is genoemd als mogelijke ontvanger, doet volgens het EHRM niet af aan de voorzienbaarheid van de doorgifte. Bovendien vereist artikel 8 EVRM op zichzelf niet dat de onderneming in kwestie (vooraf) op de hoogte wordt gesteld van deze doorgifte; dit zou de vertrouwelijke aard van het strafrechtelijk onderzoek immers ondermijnen. Aangezien in de zaak Zeescheepsafval de betrokken ondernemingen echter al op de hoogte waren van het strafrechtelijk onderzoek (en ‘waarschijnlijk’ ook over de telefoontaps) en het mededingingsonderzoek, acht het Hof het ‘betreurenswaardig’ (“regrettable”) dat de ondernemingen niet vooraf in kennis zijn gesteld van de doorgifte. Het EHRM vervolgt dat zowel de rechtbank Rotterdam als het CBb in de administratieve procedures de feitelijke handelingen van de autoriteiten aan artikel 8 EVRM hebben getoetst. Er bestaat daarom voldoende rechtsbescherming om de rechtmatigheid en motivering van de doorgifte als feitelijke handeling (geen ‘besluit’ in de zin van de Awb) ex post aan de kaak te stellen, aldus het EHRM. Ook was het mogelijk een civiele actie in te stellen, zoals in de zaak Limburgse bouw ook daadwerkelijk is gedaan. Op basis van deze overwegingen ziet het EHRM ook geen schending van artikel 13 EVRM.
Het EHRM sluit af met de opmerking dat er een sterk publiek belang betrokken is bij de effectieve handhaving van het mededingingsrecht. Het is daarom belangrijk dat mededingings- en andere autoriteiten kunnen samenwerken. Dit geldt temeer nu de overtredingen die door het getapte materiaal aan het licht zijn gekomen (prijsafspraken) ‘onmiskenbaar ernstig’ zijn en onder andere gezien het hoge marktaandeel van de verzoekende bedrijven aanzienlijke schade zouden kunnen veroorzaken. Het EHRM wijst de voorzieningen af.
Gerecht verwerpt beroep Symrise tegen inspectiebeschikking Commissie
Gerecht van de Europese Unie, arrest van 30 april 2025
In zijn arrest van 30 april 2025 verwierp het Gerecht van de Europese Unie (“Gerecht”) de door Symrise AG (“Symrise”) ingestelde vordering tot vernietiging van een Commissiebesluit inzake de inspectie van haar bedrijfsruimten. Symrise is een van de grootste producenten van geurstoffen ter wereld. De Commissie vermoedde dat Symrise en drie andere geurstofproducenten onder andere gevoelige bedrijfsinformatie hadden uitgewisseld en hun marktgedrag onderling hadden afgestemd, in strijd met het kartelverbod. Daarop besloot de Commissie tot een bedrijfsbezoek. In het beroep bij het Gerecht stelde Symrise dat de beschikking arbitrair en disproportioneel was in verhouding tot haar recht op privacy. Verder zou de beschikking onvoldoende zijn gemotiveerd: het voorwerp en doel van de inspectie zou onvoldoende precies zijn, en de redenering zou niet duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking zijn gebracht.
Het Gerecht oordeelt dat de Commissie in haar besluit de vermoedens die zij wil verifiëren nauwkeurig moet omschrijven. Daartoe dient de Commissie de voornaamste kenmerken van de vermoedelijke inbreuk toe te lichten, waaronder de mate van betrokkenheid van (in casu) Symrise. Hoewel de Commissie de betrokkenheid van Symrise niet expliciet toelichtte, oordeelde het Gerecht dat deze desondanks voldoende uit de beschikking bleek. Verder was de motivering van de Commissie volgens het Gerecht voldoende duidelijk en ondubbelzinnig. In het beginstadium van een onderzoek naar mogelijke kartelafspraken kan er immers niet van de Commissie worden verwacht dat zij reeds een afgebakende zienswijze paraat heeft. Het Gerecht verklaarde de motiveringsklachten dan ook ongegrond.
Ook de klachten over de willekeurigheid en proportionaliteit van de beschikking in verhouding tot Symrise’s recht op privacy troffen geen doel. Volgens het Gerecht waren de verdenkingen gegrond, mede doordat de Commissie zich baseerde op informatie van derden, openbare bronnen en onderzoeken ingesteld door andere mededingingsautoriteiten op basis van dezelfde feiten. Het Gerecht achtte het tijdsbestek van de bedrijfsinspectie in het licht van het recht op privacy van Symrise bovendien proportioneel: de on-site inspectie duurde slechts drie dagen, waarna de verzamelde gegevens werden geanalyseerd bij de Commissie zelf en op het kantoor van de advocaten van Symrise. Het beroep van Symrise werd daarmee in zijn geheel verworpen.
ACM keurt nieuwe tarieven Schiphol grotendeels goed
Autoriteit Consument en Markt, besluit van 27 mei 2025
Bij besluit van 27 mei jl. heeft de ACM de door Royal Schiphol Group (“RSG”) voorgestelde nieuwe tarieven en voorwaarden voor de periode 2025-2027, grotendeels goedgekeurd. Naar aanleiding van het voorstel dat RSG op 31 oktober 2024 bekendmaakte – waarbij de tarieven voor luchtvaartmaatschappijen voor het gebruik van de luchthaven gemiddeld met 37% stijgen – dienden verschillende luchtvaartmaatschappijen en representatieve organisaties een aanvraag in bij de ACM om deze tarieven en voorwaarden te toetsen aan de eisen van redelijkheid, kostenoriëntatie en non-discriminatie op basis van de Wet Luchtvaart (“Wlv”).* In lijn met haar oordeel over de vorige tariefperiode – en de uitspraak van het CBb in dat kader – toetst de ACM redelijk terughoudend. De ACM gaat (wederom) niet mee in de verschillende bezwaren van de luchtvaartmaatschappijen over de gebrekkige transparantie en consultatie, het gebrek aan efficiëntieprikkels, de onvoldoende onderbouwde investeringsbehoefte, en de ongekend forse stijging van de tarieven, mede door verrekeningen als gevolg van de COVID-19 pandemie. Ook de bredere kritiek over de door RSG fors aangescherpte differentiatie van de tarieven voor landen en opstijgen op basis van geluid en uitstoot, wordt verworpen. Volgens de ACM vereist de Wlv immers niet dat de tariefdifferentiatie in het kader van milieudoelstellingen evenredig moet zijn aan de daadwerkelijke uitstoot en/of geluidsbelasting.
Wel oordeelt de ACM – in lijn met haar eerdere opschortingsbesluit – dat de door RSG voorgestelde harde uitsluiting van bepaalde ‘lawaaiige vliegtuigtypen’ op de luchthaven onverenigbaar is met de Wlv. Een dergelijk verbod vormt volgens de ACM een operationele beperking die op basis van de Geluidsverordening niet past binnen de bevoegdheden van een luchthavenexploitant, en staat bovendien haaks op het recente (deels) negatieve advies van de Commissie in het kader van de balanced approach-procedure rondom de krimp op Schiphol. Nu de Minister op basis van het standpunt van de Commissie het verbod voor deze toestellen reeds heeft beperkt tot nachtelijke bewegingen, is RSG niet bevoegd een meer verstrekkend verbod (i.e. ook voor dagbewegingen) op te nemen. Pas na inwerkingtreding van deze ministeriële regeling kan RSG het nachtverbod eventueel opnemen in haar tarieven en voorwaarden, aldus de ACM.
Alle andere argumenten van de aanvragers worden verworpen. De door RSG voorgestelde tarieven zijn reeds per 1 april 2025 in werking getreden.
*Bas Braeken en Demi van den Berg vertegenwoordigen TUI Airlines Nederland in deze procedure
ACM verklaart toezeggingen VodafoneZiggo over telemarketing bindend
Autoriteit Consument en Markt, besluit van 12 juni 2025
Op 12 juni 2025 heeft de ACM toezeggingen van VodafoneZiggo bindend verklaard. De toezeggingen volgen op een onderzoek van de ACM naar het naleven van de vereisten uit artikel 11.7 van de Telecommunicatiewet (“Tw”), waarin is bepaald dat ondernemingen enkel commerciële telefoongesprekken mogen voeren indien zij daarvoor voorafgaand toestemming hebben verkregen van de consument. Deze toestemming moet bovendien op verzoek kunnen worden aangetoond.
De ACM had signalen ontvangen dat personen zonder toestemming werden benaderd voor commerciële aanbiedingen namens VodafoneZiggo. Naar aanleiding daarvan heeft de toezichthouder een onderzoek ingesteld naar de wijze waarop VodafoneZiggo invulling geeft aan haar verantwoordelijkheid bij (uitbestede) telemarketingactiviteiten. Daaruit bleek dat VodafoneZiggo onvoldoende maatregelen heeft genomen om te voldoen aan artikel 11.7 Tw, aldus de ACM.
In de inmiddels door de ACM geaccepteerde toezeggingen erkent VodafoneZiggo haar ketenverantwoordelijkheid voor commerciële telefoongesprekken die door of namens haar worden gepleegd. Het telecombedrijf biedt een lange lijst met toezeggingen aan, die in de kern zien op het juist (laten) verwerken, registreren en bewaren van zogenaamde ‘opt-ins’ (ik wil gebeld worden) en ‘opt-outs’ (ik wil niet meer gebeld worden). Daarbij zegt VodafoneZiggo toe een aanvullende, mondelinge verificatie te (laten) verrichten ingeval van het voor het eerst benaderen van een opt-in. Hiermee wordt tegemoet wordt gekomen aan de wens van de ACM om een ‘pauzemoment’ in te bouwen, aldus VodafoneZiggo. Ook committeert VodafoneZiggo zich aan een structurele monitoring van haar ketenpartners, waaronder het opstellen van scripts, het uitvoeren van audits, en het nemen van corrigerende maatregelen indien de intermediair niet aan deze verplichtingen voldoet (in het ergste geval: ontbinding van de intermediairsovereenkomst).
Het toezeggingsbesluit heeft een looptijd van twee jaren, waarbij VodafoneZiggo driemaal actief aan de ACM zal rapporteren. Daarnaast zal VodafoneZiggo een donatie van € 25.000,- doen aan het Nationaal Ouderenfonds. Mede gelet op deze financiële component acht de ACM de toezeggingen toereikend om de gesignaleerde risico’s weg te nemen.
Post- en pakketmonitor 2024: ACM publiceert ontwikkelingen sector
Autoriteit Consument en Markt, publicatie van 12 juni 2025
De ACM heeft de Post- en pakketmonitor 2024 gepubliceerd. In deze jaarlijkse monitor geeft de ACM een overzicht van de ontwikkelingen binnen de sector. Dit staat los van de aan het Ministerie van Economische Zaken opgelegde taak om de markt te monitoren; op grond van de wet mag de ACM alleen toezicht houden op de kwaliteit van de zogenoemde Universele Postdienst (“UPD”). Slechts ongeveer 15% van de verzonden post valt onder de UPD. Zakelijke post – goed voor 95% van de nationale poststroom – en de pakketmarkt zijn op dit moment niet gereguleerd.
De ACM constateert in de monitor dat er in 2024 opnieuw minder post werd verstuurd, waarmee de daling die sinds 2020 is ingezet, zich voortzet. Niet alleen nemen het postvolume en de bijbehorende omzet af, ook is de betrouwbaarheid van de postbezorging in de afgelopen jaren aanzienlijk gedaald. In 2024 werd 86% van de post de volgende dag bezorgd, ruim onder de wettelijke norm van 95%. In 2023 lag dit percentage nog op 89%. De ACM ziet deze ontwikkeling ook terug in het fors toenemende aantal klachten dat zij hierover ontvangt.
Het aantal bezorgde pakketten blijft daarentegen stijgen. De ACM merkt op dat het volume van internationale pakketten toenam met 12%, terwijl de omzet uit deze pakketten slechts met 5,7% groeide. Volgens de ACM komt dit doordat webwinkels uit Azië – zoals Temu en AliExpress, die vaak goedkopere pakketten verzenden – aan populariteit blijven winnen. Hoewel PostNL nog steeds de grootste vervoerder is op de pakketmarkt met een marktaandeel van 45–50%, loopt concurrent DHL langzaam in. Waar DHL in 2023 nog een marktaandeel had van 35–40%, is dat in 2024 gestegen naar 40–45%.
Bezwaren tegen last onder dwangsom Lactalis voor overtreding Wet OHP ongegrond
Autoriteit Consument en Markt, besluit 27 maart 2025 (update april 2025)
Op 27 maart 2025 verklaarde de ACM de bezwaren van Royal Lactalis Leerdammer (“Lactalis”) en Leveranciersvereniging Leerdammer Collectief (“LVLC”) ongegrond. Beide partijen hadden bezwaar ingesteld tegen het besluit van de ACM om in september 2024 een last onder dwangsom op te leggen aan Lactalis wegens overtreding van de Wet oneerlijke handelspraktijken landbouw en voedselvoorzieningsketen (“Wet OHP Landbouw”). De ACM nam dit besluit naar aanleiding van een klacht van LVLC, waarin werd gesteld dat Lactalis het verbod op eenzijdige wijziging van de prijsvoorwaarden (de melkprijs) had geschonden. Lactalis moest daarop haar leveringsvoorwaarden met betrekking tot de melkprijs aanpassen.
In bezwaar stelde Lactalis dat zij de Wet OHP Landbouw niet had overtreden, terwijl LVLC juist betoogde dat Lactalis ook op andere punten de wet had geschonden. De ACM oordeelde dat de wijze waarop Lactalis de melkprijs vaststelde – waarbij melkveehouders vooraf niet wisten welke prijs zij zouden ontvangen, hoe deze werd bepaald, en zonder onderhandelingsruimte – inderdaad in strijd was met de Wet OHP Landbouw. De ACM wees de bezwaren van LVLC echter af en verlengde de begunstigingstermijn, omdat er geen sprake was van andere overtredingen en Lactalis meer tijd nodig had om in overleg met melkveehouders tot een nieuw prijssysteem te komen.
In april 2025 heeft Lactalis gewijzigde leveringsvoorwaarden voorgelegd aan haar melkleveranciers – de leden van LVLC – waarin een nieuw prijssysteem is opgenomen. De ACM heeft deze voorwaarden onderzocht en geoordeeld dat het nieuwe prijssysteem voldoende transparant is en objectieve elementen bevat. Volgens de ACM voldoet Lactalis daarmee aan de eisen van de Wet OHP Landbouw.
De Wet OHP Landbouw, die op 1 november 2021 in werking is getreden, heeft het doel om de onderhandelingspositie van boeren, tuinders en vissers tegenover grotere en geconcentreerde marktpartijen te versterken. Uit onderzoek van de ACM blijkt dat veel afnemers en leveranciers nog niet bekend zijn met de Wet OHP Landbouw en de daarin verboden handelspraktijken. Ook worden deze veelal nog niet gemeld. Veel partijen weten bijvoorbeeld nog niet dat zij melding kunnen doen van te late betalingen, eenzijdige wijzigingen van contracten of het kort van tevoren annuleren van bestellingen.
ACM maakt aanpak marktonderzoek dierenartspraktijken bekend
Autoriteit Consument en Markt, publicatie van 13 mei 2025
In navolging van de aankondiging een marktonderzoek te starten naar dierenartspraktijken, publiceerde de ACM onlangs haar onderzoeksaanpak en consultatie. Hierin bespreekt de ACM de aanleiding voor het onderzoek, de te onderzoeken hypotheses en presenteert zij alvast een aantal denkrichtingen voor mogelijke aanbevelingen.
De ACM geeft aan verschillende signalen te hebben ontvangen dat de markt voor medische zorg voor huisdieren mogelijk niet goed werkt. Zo zou het aantal huisdieren de afgelopen jaren zijn gestegen, terwijl de druk op de beroepsgroep wegens tekorten is toegenomen. Huisdiereigenaren klagen over onnodige behandelingen en/of doorverwijzingen, hoge kosten, intransparantie van de prijzen en het gebrek aan keuzemogelijkheden (en daarmee: concurrentie tussen dierenartspraktijken). De ACM gaat dit jaar onderzoeken of deze signalen breed in de sector spelen en leiden tot structurele problemen in de markt. Daarbij zal zij focussen op drie pijlers, te weten (i) het keuzeproces en de gebrekkige informatiepositie van consumenten, (ii) het gebrek aan keuzemogelijkheden, en (iii) de bedrijfsvoering en strategieën van dierenartspraktijken. Bij dat laatste punt speelt een belangrijke rol dat er steeds meer overnames plaatsvinden door grote investeerders – waaronder private equity bedrijven – die volgens de ACM vaker gericht zijn op winstmaximalisatie en waar een risico bestaat op koppeling met andere aanpalende producten of diensten binnen het concern zoals dierenvoeding en -medicatie.
De ACM geeft reeds aan als mogelijke aanbevelingen te zien het (deels) reguleren van de (transparantie van de) prijzen (al dan niet door een prijsplafond voor bijvoorbeeld spoedzorg), het strenger toetsen van overnames, maar bijvoorbeeld ook het aantrekkelijker maken van de opleiding tot dierenarts en het onder de loep nemen van de huisdierverzekeringsmarkt. De ACM verwacht vóór het einde van 2025 met een eerste conceptrapport te komen.
CBb: HRN-concessie moet worden gewijzigd ter bescherming van MaaS-aanbieders
College van Beroep voor het bedrijfsleven, tussenuitspraak van 30 juni 2025
In zijn tussenuitspraak van 30 juni 2025 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven (“CBb”) de staatssecretaris Openbaar Vervoer en Milieu opgedragen de Hoofdrailnetconcessie (“HRN-concessie”) op bepaalde punten te wijzigen ten gunste van aanbieders van “mobility as a service” (“MaaS”). MaaS-diensten maken het mogelijk om met een fysieke kaart of app een “deur-tot-deur-reis” af te leggen (denk aan een OV-chipkaart met een NS Flex-abonnement). Treinvervoer maakt hier een belangrijk onderdeel van uit. Op de MaaS-markt zijn verschillende ondernemingen actief, met NS Reizigers B.V. (“NSR”) als grootste speler. NSR is bovendien houder van de HRN-concessie en daarmee exclusief gerechtigd tot exploitatie van het hoofdrailnet. Dit maakt NSR zowel vervoeraanbieder als concurrent van andere MaaS-dienstverleners. MaaS-aanbieders opereren binnen de marge tussen de wholesale tarieven die NSR aan hen aanbiedt en de retailtarieven die NSR aanbiedt aan bijvoorbeeld consumenten. Om het deur-tot-deur-reizen te faciliteren zijn er voorwaarden opgenomen in de HRN-concessie, waaronder het vereiste dat NSR moet voldoen aan de voorwaarden in de zogenaamde ‘MaaS-waardige bestekseisen’. Ter vaststelling van het wholesale tarief doet NSR een referentieaanbod, waarna de staatssecretaris dit beoordeelt. Volgens de MaaS-aanbieders ontbreken echter strikte en concrete eisen aan NSR en de staatssecretaris bij de berekening en beoordeling van dit aanbod. Hierdoor ontstaat er een reëel risico dat NSR haar machtspositie onder de HRN-concessie misbruikt om de mededinging op de MaaS-markt te verstoren. Dit levert strijd op met artikel 106 lid 1 jo. 102 VWEU.
Het CBb oordeelt dat het risico geschetst door de MaaS-aanbieders inderdaad reëel is. Aangezien de markt voor openbaar treinvervoer nauw verbonden is met de MaaS-markt, heeft de wijze waarop NSR haar exclusieve recht uitoefent, rechtstreeks invloed op de mate waarin MaaS-dienstverleners hun diensten kunnen aanbieden. Het feit dat NSR zelf ook actief is op de MaaS-markt draagt aan dit risico bij. De voorwaarden opgenomen in de HRN-concessie betreffende het wholesale aanbod van NSR aan MaaS-dienstverleners mitigeren dit risico onvoldoende.
Het CBb besluit tussenuitspraak te doen met de opdracht aan de staatssecretaris deze gebreken in de HRN-concessie te herstellen. De staatssecretaris moet in de HRN-concessie vastleggen dat het wholesale aanbod van NSR transparant, non-discriminatoir en concurrerend moet zijn, zodat er een gelijk speelveld ontstaat tussen NSR en andere MaaS-aanbieders. Dit vormt de basis voor de beoordeling van het referentieaanbod. Ook moet duidelijk worden vastgelegd volgens welke methode het referentieaanbod wordt berekend en beoordeeld. MaaS-aanbieders moeten onder de voorwaarden van het wholesale aanbod, het retailaanbod van NSR qua prijs en aanvullende faciliteiten kunnen evenaren. Tot slot moet worden voorkomen dat voor MaaS-aanbieders ongunstige wijzigingen in de MaaS-waardige bestekseisen automatisch doorwerken in de HRN-concessie.
De staatssecretaris moet uiterlijk op 1 september 2025 deze wijzigingen hebben doorgevoerd, en uiterlijk op 1 oktober 2025 het referentieaanbod van NSR hebben aanvaard of zelf een wholesale tarief hebben vastgesteld.
Voor al uw vragen met betrekking tot (EU) mededingingsrecht helpt bureau Brandeis u graag verder. U kunt ons bereiken via onderstaande links.

Bas Braeken – Jade Versteeg – Timo Hieselaar – Demi van den Berg – Joost van Belois
