Competition Flashback Q4 2025: Ontwikkelingen mededingingsrecht
Dit is de Competition Flashback Q4 2025 van bureau Brandeis. In deze flashback vindt u een selectie van de belangrijkste Europese en Nederlandse mededingingsrechtelijke ontwikkelingen over het afgelopen kwartaal (klik hier voor het origineel). Wilt u voortaan graag de Competition Flashback van bureau Brandeis per e-mail ontvangen? Dan kunt u zich hiervoor aanmelden via dit formulier.
Overzicht Q4 2025
Fusiecontrole, FDI & FSR
- Rechtbank Rotterdam bevestigt vergunning ACM inzake KPN/Youfone
- ACM past voorwaarden goedkeuring overname Open Tower Company door KPN aan na beroep derde partij
- CBb bevestigt verbod ACM voor overname Sandd door PostNL
- Commissie publiceert vijfde jaarlijkse FDI-rapport
- BTI publiceert nieuwe Q&A over de Wet Vifo
- Hoogtepunten fusiebeoordelingen Europese Commissie
Schadeclaims voor inbreuken mededingingsrecht
- HvJEU bevestigt absolute en territoriale bevoegdheid (elke) Nederlandse rechter over WAMCA-vordering tegen Apple
- Rechtbank Amsterdam stelt counterfactual vast voor schadebegroting na Google Shopping-misbruik
Kartels & verticale beperkingen
- € 157 miljoen boete voor verticale prijsbinding door modehuizen Gucci, Chloé, Loewe
- Civiele rechter wijst mededingingsbezwaren van leden over statuten van coöperatie Avebe af
- Hof bevestigt boetes voor ‘pay-for-delay’ schikking in Modafinil-zaak
- Commissie beboet fabrikanten van startaccu’s wegens afspraken over loodtoeslag
- ACM zet stempel onder duurzaamheidsafspraken in metaalsector
Misbruik machtspositie
- Gerecht matigt boete Intel voor ‘naked restrictions’ € 140 miljoen
- HvJEU bevestigt hoge drempel van Bronner-arrest rondom toegangsweigering Lukoil
- Commissie opent misbruikonderzoek naar Google’s AI-diensten
- Dawn raids bij Red Bull naar aanleiding van informele klacht van concurrent zijn gesteund op voldoende bewijs
- HvJEU verduidelijkt kader margin squeeze (prijsklem) na Bulgaarse boete Lukoil
Gereguleerde markten
- ACM beoordeelt uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid concept-Postbesluit 2009
- CBb vernietigt boete PostNL voor late postbezorging in 2019
Oneerlijke handelspraktijken
- Rechtbank Rotterdam houdt nepkorting-boetes Leen Bakker en Koopjedeal in stand
- ACM scherpt toezicht kortingen aan, maakt afspraken met Velderhof over consumentenrecht
- ACM grijpt in bij Farm Frites na klachten aardappeltelers
Staatssteun en de Wet Markt & Overheid
- Nederlandse Staat moet inzage verlenen in correspondentie met Commissie rondom staatssteunaanvraag
- Relativiteitsvereiste Wet M&O blokkeert schadeclaim fitnesscentrum tegen gemeente
Rechtbank Rotterdam bevestigt vergunning ACM inzake KPN/Youfone*
Rechtbank Rotterdam, uitspraak van 14 oktober 2025
Op 14 oktober 2025 oordeelde de rechtbank Rotterdam dat de Autoriteit Consument en Markt (“ACM”) terecht een vergunning heeft verleend voor de overname van mobile virtual network operator (“MVNO”) Youfone door mobile network operator (“MNO”) KPN. MVNO L-mobi stelde in 2024 beroep in tegen het vergunningsbesluit. Volgens L-mobi heeft de ACM de gevolgen van de overname voor de concurrentie op zowel de wholesale- als de retailmarkt voor mobiele telecommunicatiediensten onvoldoende onderzocht. De concentratie zou ertoe leiden dat KPN extra marktmacht verkrijgt ten opzichte van MVNO’s, waardoor wholesalevoorwaarden kunnen verslechteren. Daarnaast zou de ACM de concurrentiedruk van Youfone op de retailmarkt hebben onderschat. L-mobi betoogde daarom dat de ACM ten minste de prijs van mobiele data en de overstap- c.q. implementatiekosten had moeten reguleren, dan wel voorschriften aan de vergunning had moeten verbinden.
De rechtbank overweegt dat de ACM een uitgebreide prospectieve analyse heeft verricht van de effecten op zowel de wholesale- als retailmarkt. Daarbij heeft de ACM onder meer gekeken naar de ontwikkeling van marktaandelen en prijzen, evenals naar de naamsbekendheid en het imago van Youfone. Daarnaast heeft de ACM kwantitatief onderzoek verricht aan de hand van een fusiesimulatiemodel. De stellingen van L-mobi over de concurrentiekracht van Youfone staan haaks op de uitkomsten van dit onderzoek, zijn niet onderbouwd en geven daarom geen aanleiding om aan de juistheid van de analyse van de ACM te twijfelen, aldus de rechtbank.
Ten aanzien van de effecten op de wholesalemarkt oordeelt de rechtbank eveneens dat het door de ACM verrichte onderzoek de conclusies kan dragen en de stellingen van L-mobi onvoldoende onderbouwd zijn. Alhoewel KPN de voorwaarden voor toegang tot haar netwerk zou kunnen verslechteren, heeft de ACM volgens de rechtbank terecht geconcludeerd dat MVNO’s geloofwaardig met een overstap kunnen dreigen. Mede nu KPN (net als andere MNO’s) een sterke prikkel heeft zo veel mogelijk gebruikers aan haar netwerk toe te voegen, behoudt KPN ook na de concentratie een prikkel om wholesaletoegang te blijven bieden. Voor zover L-mobi doelt op het nemen van reguleringsmaatregelen, gaat dit het kader van de concentratiebeoordeling te buiten, aldus de rechtbank. Het beroep wordt derhalve ongegrond verklaard.
* Bas Braeken en Demi van den Berg vertegenwoordigden Youfone in deze procedure.
ACM past voorwaarden goedkeuring overname Open Tower Company door KPN aan na beroep derde partij
Autoriteit Consument & Markt, besluit van 21 november 2025
In februari 2025 keurde de ACM de overname van antenne-opstelpuntenaanbieder Open Tower Company (inmiddels: Althio) door KPN onder voorwaarden goed. Eén van deze voorwaarden had betrekking op het voorkomen van de uitwisseling van concurrentiegevoelige informatie. Cellnex heeft beroep ingesteld tegen de voorwaardelijke goedkeuring en stelt dat Althio bij het aanbieden van antenne-opstelpunten aan KPN, via KPN, toegang kan krijgen tot concurrentiegevoelige informatie van haar directe concurrenten, waaronder Cellnex.
De ACM erkent dat de zogenoemde Chinese Walls, interne protocollen om informatie-uitwisseling tussen verschillende afdelingen binnen KPN te voorkomen, onvoldoende uitgewerkt waren en het mededingingsprotocol op onderdelen onvoldoende duidelijk was. Om die reden heeft de ACM de fuserende partijen verzocht een nieuw (concept)voorstel in te dienen met aanpassingen van deze voorwaarden. Het voorstel houdt in dat binnen Althio een aantal medewerkers wordt aangewezen dat als enige toegang heeft tot concurrentiegevoelige informatie en die niet betrokken is bij commerciële onderhandelingen van Althio met andere mobiele netwerkdiensten. Daarnaast wordt voorzien in gescheiden IT-systemen en een lijnmanager aangewezen die verantwoordelijk is voor de toegangsautorisatie. De aangewezen medewerkers zijn gehouden een geheimhoudingsverklaring te ondertekenen, hun namen worden bekendgemaakt aan afnemers en zij dienen een cooling-downperiode te hanteren indien zij van functie wisselen.
Ondanks dat Cellnex, Odido en VodafoneZiggo bezwaren hebben geuit tegen de aangepaste voorwaarden, is de ACM van oordeel dat het nieuwe conceptvoorstel de zorgen over een marktverstorende informatievoorsprong voor Althio volledig wegneemt. Bovendien acht de ACM het voorstel handhaafbaar en uitvoerbaar. Het goedkeuringsbesluit wordt dan ook op deze punten aangepast. Het wijzigingsbesluit vormt daarmee een schoolvoorbeeld van een uitwerking van Chinese Walls die volgens de ACM mededingings-compliant is.
CBb bevestigt verbod ACM voor overname Sandd door PostNL
College van Beroep voor het bedrijfsleven, uitspraak van 2 december 2025
Op 2 december 2025 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven (“CBb”) geoordeeld dat de ACM terecht de vergunning voor de overname van postbedrijf Sandd door PostNL heeft geweigerd. Het CBb oordeelde dat de ACM voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat PostNL door de overname feitelijk een monopolist op het gebied van postbezorging zou worden. Hiermee bevestigt het CBb de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 september 2023 (zie ook onze CF Q3 2023), waarin het beroep van PostNL tegen het tweedefasebesluit van de ACM werd afgewezen. Dit oordeel vormt het sluitstuk op een langdurig juridisch traject, waarin de Minister van Economische Zaken – ondanks het verbod van de ACM – de overname had goedgekeurd. Dit ministeriële besluit is later vernietigd, terwijl PostNL en Sandd in de tussentijd onomkeerbaar feitelijk zijn geïntegreerd.
In de procedure tegen de verbodsbeschikking van de ACM, voerde PostNL in hoofdlijnen aan dat de door de ACM gehanteerde marktafbakening en counterfactual gebrekkig waren en dat de ACM ten onrechte had geconcludeerd dat de continuïteit van de Universele Postdienst (“UPD”) ook zonder de overname niet in gevaar zou komen. Geen van deze argumenten werden door het CBb gevolgd. Volgens het CBb heeft de ACM bij het uitvoeren van de SSNIP-testen (Small but Significant Non-Transitory Increase in Price) ten behoeve van de marktafbakening gebruikgemaakt van logische parameters. In het bijzonder achtte het CBb de vaststelling van de ACM van de prijselasticiteiten niet gebrekkig. Ook het gebruik van de revealed preference analyse – het berekenen van overstapgedrag op basis van daadwerkelijk overstapgedrag in het verleden – achtte het CBb navolgbaar. Daarnaast oordeelde het CBb dat het door de ACM gehanteerde percentage van 6% voor ‘autonoom’, niet-prijsgerelateerd overstapgedrag voldoende was onderbouwd.
De argumenten van PostNL dat Sandd ook zonder de overname op korte termijn de markt zou hebben verlaten, slaagden eveneens niet. Het CBb oordeelde dat de ACM in haar counterfactual voldoende rekening had gehouden met de afnemende concurrentiedruk van Sandd door uit te gaan van een scenario waarin Sandd in afgeschaalde vorm zou blijven bestaan en derhalve gedurende de drie tot vijf jaar na het tweedefasebesluit (verminderde) concurrentiedruk zou blijven uitoefenen op PostNL. Tot slot verwierp het CBb de argumenten van PostNL dat de verlening van de UPD in gevaar zou komen zonder overname van Sandd. De ACM had volgens het CBb afdoende onderbouwd dat PostNL ook zonder de overname onder economisch aanvaardbare omstandigheden de UPD winstgevend zou kunnen blijven uitvoeren. Het hoger beroep van PostNL werd daarmee afgewezen.
Commissie publiceert vijfde jaarlijkse FDI-rapport
Europese Commissie, webpublicatie van 14 oktober 2025
Op 14 oktober 2025 heeft de Europese Commissie (“Commissie”) het vijfde jaarlijkse rapport over het screenen van directe buitenlandse investeringen (foreign direct investments, “FDI”) gepubliceerd.
De FDI-verordening, die sinds oktober 2020 van kracht is, biedt een EU-breed kader voor samenwerking tussen lidstaten en de Commissie bij de beoordeling van buitenlandse investeringen op risico’s voor veiligheid, economische onafhankelijkheid en de openbare orde. De daadwerkelijke screening en uiteindelijke beslissing over het toestaan van een investering blijft echter volledig bij de EU-lidstaten. In Nederland is dit geregeld via de Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames (“Wet Vifo”).
Uit het nieuwe jaarrapport blijkt dat het aantal meldingen opnieuw sterk blijft stijgen: in 2024 behandelden lidstaten met een screeningsmechanisme in totaal 3.136 meldingen en ambtshalve onderzoeken, tegenover 1.808 in 2023 en 1.444 in 2022. Van deze zaken werd 41% formeel gescreend, terwijl 59% niet in aanmerking kwam voor een volledige beoordeling. Van de formeel beoordeelde investeringen werd 86% zonder voorwaarden goedgekeurd (2023: 85%). In 9% van de gevallen werden voorwaarden of mitigerende maatregelen opgelegd (2023: 10%). Het aandeel geblokkeerde investeringen bleef stabiel op 1%, terwijl 4% van de meldingen door partijen zelf werd ingetrokken vóórdat een besluit was genomen.
Tegen deze achtergrond blijven lidstaten hun nationale FDI-regimes verder uitbouwen. In 2024 startten drie lidstaten met de ontwikkeling van een screeningsmechanisme, werden in twee lidstaten recent ingevoerde systemen operationeel en actualiseerden tien lidstaten hun bestaande wetgeving. Eind 2024 beschikten daarmee 24 lidstaten over FDI-screeningswetgeving. Parallel hieraan wordt gewerkt aan een herziening van de FDI-verordening: het voorstel dat de Commissie in januari 2024 presenteerde, wordt momenteel behandeld door het Parlement en de Raad van de Europese Unie. De beoogde nieuwe verordening verplicht alle lidstaten tot het invoeren van een screeningsmechanisme en voorziet in verdere harmonisatie en procedurele verbeteringen binnen het EU-brede samenwerkingskader voor FDI.
Medio december 2025 – na de publicatie van het rapport – bereikten het Parlement en de Raad een politiek akkoord bereikt over de wijziging van de FDI-Verordening.
BTI publiceert nieuwe Q&A over de Wet Vifo
Bureau Toetsing Investeringen, publicatie van 15 oktober 2025
Op 15 oktober 2025 heeft het Bureau Toetsing Investeringen (“BTI”) een nieuwe versie gepubliceerd van haar Q&A inzake de interpretatie van begrippen in de Wet Vifo. Dit document wordt eens in de zoveel tijd geüpdatet en bevat praktische informatie over de toepassing van de Wet Vifo. Zo geeft het BTI in de nieuwe Q&A bijvoorbeeld nadere toelichting op de taal waarin een melding moet worden ingediend, alsook de wijze van inleveren van de meldingsdocumentatie.
In de geüpdatete versie van de Q&A wijdt het BTI onder meer uit over het vermelden van limited partners bij het melden van een verwervingsactiviteit door een private equity fonds. Voor een spoedig beoordelingsproces zou het wenselijk kunnen zijn om inzicht te verschaffen in limited partners die meer dan 5% van het fonds of meer dan 2,5% van het gezamenlijk kapitaal hebben toegezegd. Ook kan het bevorderlijk zijn om direct inzicht te verschaffen in statelijke actoren die kapitaal aan het fonds verschaffen, zoals staatsinvesteringsfondsen of staatsondernemingen, en andere kapitaalverschaffers die vragen kunnen oproepen. Andere informatie, zoals de overheidsklanten van de doelonderneming, het soort goederen en/of diensten die worden afgenomen door de overheidsklant en de waarde van de contracten, zou eveneens nodig kunnen zijn voor een volledige beoordeling van een verwervingsactiviteit door het BTI.
Hoogtepunten fusiebeoordelingen Europese Commissie
Boeing/Spirit
- het afstoten van alle activiteiten van Spirit die momenteel vliegtuigstructuren leveren aan Airbus, aan Airbus; en
- het afstoten van de vestiging van Spirit in Maleisië die momenteel Airbus voorziet van vliegtuigstructuren aan Composites Technology Research Malaysia Sdn. Bhd. (“CTRM”).
Mars/Kellanova
Op 8 december 2025 heeft de Commissie het tweedefaseonderzoek naar de overname van Kellanova door Mars afgesloten met een onvoorwaardelijke goedkeuring. Beide bedrijven zijn mondiale leveranciers met een portfolio aan bekende merken voor chips en cornflakes (waaronder Pringles, Kellogg’s, Special K), respectievelijk chocoladerepen, snacks, kauwgom, rijst en diervoeding (waaronder Mars, Twix, M&M, Skittles, Extra, Ben’s Original, Whiskas en Royal Canin). De Commissie onderzocht of de overname zou kunnen leiden tot een significante toename in onderhandelingsmacht voor de fuserende partijen ten opzichte van retailers. Hoewel beide leveranciers over enige mate van marktmacht beschikken, waren er echter onvoldoende aanwijzingen dat de toevoeging van de Kellanova-merken aan het portfolio van Mars een dergelijk effect zou hebben.
Volgens de Commissie worden de Kellanova-merken gekenmerkt door een lange houdbaarheid en vaak impulsieve aankopen. De loyaliteit aan de merken van de fuserende partijen is ook niet dermate groot dat consumenten bij een gebrek aan beschikbaarheid – in vergelijking met de situatie zonder de fusie – vaker naar een andere retailer zou gaan om de producten daar te kopen. Tot slot concludeerde de Commissie dat de fusie niet zou leiden tot een ‘basket effect’, waarbij consumenten in afwezigheid van de Kellanova- en Mars-producten voor ál hun boodschappen zouden overstappen naar een andere supermarkt. Bij gebrek aan mededingingsbezwaren kon de overname na een zes maanden durende tweede fase zonder voorwaarden worden goedgekeurd.
ADNOC/Covestro
De Commissie heeft op 14 november 2025 bekendgemaakt de overname door ADNOC (het staatsoliebedrijf van Abu Dhabi) van Covestro (een Duitse chemicaliënproducent) voorwaardelijk goed te keuren onder de Foreign Subsidies Regulation (“FSR”). Op 28 juli 2025 had de Commissie aangekondigd een diepgaand onderzoek te starten naar de voorgenomen overname (zie ook onze CF Q3 2025). Uit dat onderzoek bleek dat ADNOC en Covestro buitenlandse subsidies ontvingen in de vorm van een onbeperkte staatsgarantie voor ADNOC, een toegezegde kapitaalverhoging door ADNOC in Covestro en enkele gunstige belastingmaatregelen. De vastgestelde buitenlandse subsidies zouden negatieve gevolgen kunnen hebben voor de concurrentie in het overnameproces en waarschijnlijk post-transactie hebben geleid tot een concurrentieverstoring op de interne markt van de EU. In het bijzonder vermoedde de Commissie dat de vastgestelde buitenlandse subsidies de capaciteit van de gefuseerde entiteit om haar activiteiten op de interne markt te financieren kunstmatig zouden verbeteren en haar onverschilligheid ten aanzien van risico’s zouden vergroten.
Om deze zorgen weg te nemen heeft ADNOC toegezegd haar statuten aanpassen om ervoor te zorgen dat deze niet afwijken van het gebruikelijke insolventierecht van de VAE, waardoor de onbeperkte staatsgarantie komt te vervallen. Daarnaast zal Covestro onder transparante voorwaarden octrooien op het gebied van duurzaamheid delen met bepaalde marktdeelnemers. Een aantal concurrenten van Covestro is namelijk afhankelijk van toegang tot de duurzaamheidstechnologie van Covestro. De toezeggingen zijn geldig voor tien jaar. De octrooien die in deze periode zijn aangegaan, blijven daarna gedurende hun looptijd van kracht.
De voorwaardelijke goedkeuring van de ADNOC/Covestro-overname past binnen de recent geïntensiveerde handhaving van de FSR door de Commissie. Zo heeft de Commissie een eerste dawn raid uitgevoerd bij het Chinese e-commerceplatform Temu, en heeft zij op 11 december 2025 een tweedefaseonderzoek geopend naar Nuctech, een Chinese onderneming gespecialiseerd in de productie en verkoop van dreigingsdetectiesystemen. Na een ex officio onderzoek heeft de Commissie geconcludeerd dat bepaalde maatregelen van de Chinese overheid ten behoeve van Nuctech, zoals belastingvoordelen en leningen, wellicht kwalificeren als buitenlandse investeringen die de interne markt verstoren. Hierdoor heeft Nuctech mogelijk biedingen kunnen doen in aanbestedingsprocedures die niet konden worden geëvenaard door andere inschrijvers.
Vandemoortele/Délifrance
Op 18 december 2025 heeft de Commissie de overname van Délifrance door Vandemoortele voorwaardelijk goedgekeurd. Zowel Délifrance als Vandemoortele zijn wereldwijde producenten en leveranciers van diepgevroren bakkerijproducten. De Commissie vreesde dat de overname in oorspronkelijke vorm zou leiden tot een beperking van de mededinging op de Franse en Italiaanse markten voor de productie en levering van diepgevroren gelamineerde deegproducten aan retail- en foodserviceklanten. Na de overname zou de gefuseerde entiteit een aanzienlijk marktaandeel hebben op een reeds sterk geconcentreerde markt.
Wegens deze mededingingsbezwaren hebben Délifrance en Vandemoortele toegezegd twee productielocaties van Délifrance in Frankrijk af te stoten. De afstoting omvat alle noodzakelijke materiële en immateriële activa, alsook uitrusting, overeenkomsten en personeel. De Commissie dient in een separaat proces nog een geschikte koper die voldoende concurrentiedruk op de gefuseerde entiteit zal kunnen uitoefenen, goed te keuren. Pas daarna mogen partijen de fusie implementeren (zogenaamde fix-it-first).
HvJEU bevestigt absolute en territoriale bevoegdheid (elke) Nederlandse rechter over WAMCA-vorderingen tegen Apple
Hof van Justitie van de Europese Unie, arrest van 2 december 2025
Het Hof van Justitie van de Europese Unie (“HvJEU”) heeft op 2 december 2025 geoordeeld dat elke Nederlandse rechter in beginsel absoluut en territoriaal bevoegd is om kennis te nemen van collectieve vorderingen waarbij de gestelde schade geleden is op het hele Nederlandse grondgebied. De zaak betreft een Nederlandse WAMCA-procedure waarin twee stichtingen – Stichting Right to Consumer Justice en Stichting App Stores Claims – opkomen voor de (collectieve) belangen van zowel consumenten als zakelijke gebruikers van de Apple App Store (app-ontwikkelaars). De stichtingen verwijten Apple misbruik te maken van haar machtspositie op de markt voor de distributie van apps voor Apple-apparaten, waardoor zowel consumenten als app-ontwikkelaars schade zouden hebben geleden.
Apple stelde zich op het standpunt dat de Nederlandse rechter geen internationale rechtsmacht toekomt, omdat de schadetoebrengende gebeurtenis niet in Nederland zou hebben plaatsgevonden. Daarnaast stelt Apple dat de rechtbank Amsterdam hooguit territoriaal bevoegd zou zijn ten aanzien van vorderingen die betrekking hebben op gebruikers die in Amsterdam apps hebben gekocht (via de Nederlandse App Store), en niet ten aanzien van gebruikers die in andere arrondissementen wonen. Tegen deze achtergrond stelde de rechtbank Amsterdam prejudiciële vragen aan het HvJEU.
Het HvJEU overweegt in het kader van artikel 7, lid 2, van de Brussel I-bis-verordening in het criterium ‘de plaats waar het schadetoebrengende feit zich heeft voorgedaan of waar de vermeende schade is ingetreden’, dat de App Store in kwestie specifiek voor Nederland is ontworpen, met onder meer een Nederlandstalige interface, een Nederlandse store front en een Apple-ID dat aan Nederland is gekoppeld. De ‘virtuele ruimte’ van de Nederlandse App Store valt daarmee samen met het gehele Nederlandse grondgebied, zodat de schade die voortvloeit uit aankopen via deze App Store geacht wordt zich op dat grondgebied te hebben voorgedaan.
Het HvJEU benadrukt dat in deze situatie – waarin stichtingen zelfstandig opkomen bij een niet-geïdentificeerde maar wel identificeerbare groep personen – niet kan worden verlangd dat een gerecht bij de vaststelling van zijn territoriale bevoegdheid voor iedere individuele benadeelde de specifieke plaats vaststelt waar de schade is ingetreden. Het HvJEU concludeert dat iedere rechterlijke instantie die materieel bevoegd is kennis te nemen van een collectieve vordering, internationaal én territoriaal bevoegd is kennis te nemen van de gehele vordering op grond van artikel 7 lid 2 Brussel I-bis. Deze uitkomst voldoet aan de doelstellingen van nabijheid en voorspelbaarheid alsook de vereisten van een goede rechtsbedeling. Het is voor Apple immers voorzienbaar dat een representatieve vordering voor aankopen op de Nederlandse App store wordt ingesteld bij elke willekeurige Nederlandse rechterlijke instantie die materieel bevoegd is. Hierdoor is ook een doeltreffend procedureel beheer mogelijk en wordt de bewijsvoering vergemakkelijkt. Het HvJEU stelt voor het eerst dat in het bijzonder de complexiteit van mededingingszaken en het recht op schadevergoeding pleiten voor de bundeling van individuele vorderingen en een bevoegdheidsconcentratie.
Rechtbank Amsterdam stelt counterfactual vast voor schadebegroting na Google Shopping-misbruik
Rechtbank Amsterdam, tussenuitspraak van 5 november 2025
In een follow-on schadevergoedingszaak over het misbruik van Google en Alphabet ten opzichte van productvergelijkingswebsites (Google Shopping) heeft de rechtbank Amsterdam in een tussenvonnis zich uitgesproken over de relevante counterfactual – de denkbeeldige situatie zoals die zou zijn geweest zonder mededingingsinbreuk. Deze stap gaat vooraf aan de begroting van de schade.
In deze zaak vordert Wolfson Capital Limited (“Wolfson”) namens een aantal productvergelijkingsdiensten schadevergoeding van Google en Alphabet. Voor dit misbruik heeft de Commissie de techgigant in 2017 een boete opgelegd van € 2,42 miljard. Het misbruik bestond, kort gezegd, uit twee samenhangende elementen: het promoten van Google’s eigen productvergelijkingsdienst en het tegelijkertijd ‘demoten’ van concurrende productvergelijkingsdiensten (zowel visueel als via algoritmes). Het boetebesluit is vervolgens bekrachtigd door zowel het Gerecht van de Europese Unie (“Gerecht”) als het HvJEU (zie ook onze CF Q3 2024).
Het tussenvonnis beperkt zich tot de vraag welk contrafeitelijke scenario als uitgangspunt moet worden genomen. Wolfson stelt dat dit de hypothetische situatie is waarin geen van beide elementen van het misbruik zou zijn toegepast. Google betwist dit en voert aan dat slechts één van de elementen behoeft te worden weggedacht, omdat elk element afzonderlijk geen zelfstandige inbreuk zou opleveren.
De rechtbank volgt het betoog van Wolfson en baseert zich daarbij op het arrest van het HvJEU, waarin uitdrukkelijk is geoordeeld dat juist de combinatie van beide elementen het misbruik vormt. Het scenario waarin geen van beide praktijken werd toegepast, is daarom het enige relevante contrafeitelijke scenario. Een andere benadering zou ertoe leiden dat de gecombineerde effecten van het misbruik slechts gedeeltelijk in de schadeberekening worden betrokken.
Google’s betoog dat zij, als zij had geweten dat beide elementen gezamenlijk een inbreuk opleverden –maar één van de praktijken had geïmplementeerd, wordt door de rechtbank verworpen. Het is niet in overeenstemming met de aard van de aansprakelijkheid (artikel 6:97 BW) voor een opzettelijke overtreding van het mededingingsrecht dat Google wordt ‘geholpen’ door uit te gaan van de situatie waarin Google had gekozen voor het meest gunstige alternatief dat mogelijk nog net wel toelaatbaar zou zijn geweest. Wolfson mag zich nu bij akte nader uitlaten over de omvang van de schade.
€ 157 miljoen boete voor verticale prijsbinding door modehuizen Gucci, Chloé, Loewe
Europese Commissie, persbericht van 14 oktober 2025
De Commissie heeft modehuizen Gucci, Chloé en Loewe boetes opgelegd van in totaal € 157 miljoen wegens verticale prijsbinding (resale price maintenaince, “RPM”). Uit onderzoek van de Commissie is gebleken dat de bedrijven zowel online- als fysieke detailhandelaren beperkten in hun mogelijkheid om zelfstandig detailhandelsprijzen vast te stellen voor vrijwel het gehele assortiment producten dat door de drie modehuizen wordt ontworpen en verkocht. De modebedrijven legden hun detailhandelaren beperkingen op om niet af te wijken van (i) de aanbevolen verkoopprijzen, (ii) de maximale kortingspercentages, en (iii) specifieke uitverkoopperiodes. Daarnaast legde Gucci extra beperkingen op aan de onlineverkoop van een specifieke productlijn door bepaalde detailhandelaren te verzoeken te stoppen die producten online te verkopen.
Om naleving van hun prijsbeleid te waarborgen, hielden de modebedrijven toezicht op de prijzen van detailhandelaren en spraken hen aan indien zij van de opgelegde voorwaarden afweken. Alle drie de modebedrijven werkten in een vroeg stadium van het onderzoek mee met de Commissie door bewijsmateriaal te verstrekken. Hierdoor kreeg Gucci een boetevermindering van 50%, terwijl Loewe en Chloé ieder een vermindering van 15% ontvingen.
Civiele rechter wijst mededingingsbezwaren van leden over statuten van coöperatie Avebe af
Rechtbank Noord-Holland, uitspraak van 7 december 2016 (gepubliceerd op 3 oktober 2025)
De rechtbank Noord-Holland heeft op 7 december 2016 uitspraak gedaan in een geschil tussen coöperatie Avebe (verwerker van zetmeelaardappel) en zeven landbouwbedrijven die zetmeelaardappelen telen (tevens voormalig leden van de coöperatie). Avebe verplicht haar leden op grond van de statuten jaarlijks aardappelen te leveren in verhouding tot hun aandelenbezit en hanteert daarbij onder meer de zogenoemde 681-regeling. Deze regeling houdt in dat bij overdracht van aandelen een bedrag van € 681 per aandeel aan de coöperatie verschuldigd is.
De betrokken landbouwbedrijven vonden deze regels te knellend. Ze klaagden over lage uitbetalingsprijzen, boetes bij onvoldoende levering van aardappelen en een gebrek aan vrijheid om hun aardappelen aan derden te verkopen. Nadat enkele boeren toch aan derden hadden geleverd, legde Avebe boetes op van € 125 per ton te weinig geleverd zetmeel. Vervolgens zegden sommige landbouwbedrijven hun lidmaatschap op en weigerden zij de betaling op grond van de 681-regeling.
De landbouwbedrijven stelden dat de 681-regeling hun uittredingsvrijheid onaanvaardbaar beperkte, omdat de aandelen daardoor een negatieve waarde zouden hebben en verkoop aan derden feitelijk onmogelijk was. Daarnaast stelden zij dat de regeling de mededinging beperkte, aangezien Avebe volgens hen de enige zetmeelaardappelverwerker in Nederland zou zijn en over een machtspositie beschikte. Verder betoogden de landbouwbedrijven dat de boetes en de regeling in strijd waren met de redelijkheid en billijkheid, omdat de door Avebe gehanteerde uitbetalingsprijzen structureel onder de kostprijs zouden liggen, waardoor zij in een economische dwangpositie zouden verkeren.
De rechtbank oordeelde dat zowel de 681-regeling als de leveringsverplichting een legitiem doel dienden, namelijk het waarborgen van de continuïteit en solvabiliteit van de coöperatie en de bescherming van de belangen van achterblijvende leden. De regeling was volgens de rechtbank niet in strijd met de uittredingsvrijheid en evenmin met het mededingingsrecht, omdat niet is komen vast te staan dat Avebe een machtspositie heeft en zetmeel van aardappelen slechts een bescheiden rol speelt op de wereldmarkt. Evenmin was sprake van strijd met de redelijkheid en billijkheid: de opgelegde boetes waren niet buitensporig en er was onvoldoende bewijs dat Avebe structureel te lage uitbetalingsprijzen hanteerde.
HvJEU bevestigt boetes voor ‘pay-for-delay’ schikking in Modafinil-zaak
Hof van Justitie van de Europese Unie, arrest van 23 oktober 2025
Op 23 oktober 2025 heeft het HvJEU arrest gewezen in de zaak betreffende het slaapstoornisgeneesmiddel modafinil. Het HvJEU verwierp de hogere voorziening van farmaceutische reuzen Teva Pharmaceutical industries Ltd en Cephalon Inc., en bekrachtigt daarmee het besluit van de Commissie en het oordeel van het Gerecht.
De zaak betrof een zogenaamde pay-for-delay overeenkomst, waarin was opgenomen dat Teva niet zelfstandig tot de modafinilmarkt zou toetreden en zich van concurrentie zou onthouden. In ruil voor deze beperkingen ontving Teva waardeoverdrachten (‘betaling in omgekeerde richting’) van Cephalon, verpakt in een reeks handelstransacties, waaronder licentieovereenkomsten en leveringen van het werkzame farmaceutische bestanddeel. De Commissie legde hiervoor boetes op aan Cephalon en Teva.
Zowel de Commissie als het Gerecht kwalificeerden de overeenkomst als een mededingingsbeperking naar strekking. Het HvJEU bevestigde dat het Gerecht daarbij het juiste criterium hanteerde, zoals voortvloeide uit het arrest Generics (UK). Een schikkingsovereenkomst vormt een beperking naar strekking wanneer uit de analyse blijkt dat de waardeoverdrachten uitsluitend kunnen worden verklaard door het commerciële belang van de partijen om niet te concurreren op basis van verdienste. Het Gerecht had terecht geoordeeld dat de handelstransacties geen ander doel hadden dan het verhogen van de globale waardeoverdracht ten gunste van Teva om haar ertoe aan te zetten zich te onderwerpen aan de beperkende bedingen.
Teva en Cephalon beweerden dat het Gerecht een te strenge ‘contrafeitelijke analyse’ had uitgevoerd. Het HvJEU verwierp dit betoog en overwoog dat het Gerecht überhaupt geen contrafeitelijke methode had gehanteerd, maar enkel had onderzocht of de waardeoverdrachten een voldoende prikkel vormden voor Teva om af te zien van concurrentie. Als de transacties zonder beperkende bedingen niet tegen dezelfde (gunstige) voorwaarden zouden zijn gesloten, moet de verklaring hiervoor worden gevonden in een beperking van de mededinging. Het HvJEU laat de opgelegde boetes dan ook volledig in stand.
Commissie beboet fabrikanten van startaccu’s wegens afspraken over loodtoeslag
Europese Commissie, persbericht van 15 december 2025
Op 15 december 2025 heeft de Commissie boetes van in totaal € 72 miljoen opgelegd aan fabrikanten van startaccu’s Exide, FIAMM Energy Technology (“FET”) en Rombat, evenals aan brancheorganisatie EUROBAT, wegens deelname aan een kartel dat meer dan twaalf jaar duurde. Samen met Clarios (voorheen JC Autobatterie) stemden zij hun marktgedrag af bij de verkoop van startaccu’s voor motorvoertuigen aan autofabrikanten in de Europese Economische Ruimte.
De kartelafspraken hadden betrekking op de toeslag voor het lood die wordt gebruikt in startaccu’s (de zogenoemde EUROBAT-toeslag) en leidden mogelijk tot hogere kosten voor auto- en vrachtwagenproducenten. De betrokken ondernemingen creëerden en publiceerden deze toeslagen tezamen en kwamen overeen deze te hanteren in prijsonderhandelingen met autofabrikanten. Hierdoor bleef de EUROBAT-toeslag op een hoger niveau dan zonder de overeenkomst het geval zou zijn geweest.
Clarios kreeg volledige boete-immuniteit op basis van het clementieprogramma van de Commissie. FET en Rombat ontvingen een boeteverlaging van respectievelijk 50% en 30% wegens medewerking aan het onderzoek. De boete voor brancheorganisatie EUROBAT werd vastgesteld op een forfaitair bedrag van € 125.000. De Commissie benadrukt met deze beslissing dat ook brancheorganisaties verantwoordelijk worden gehouden wanneer zij concurrentieverstorend gedrag faciliteren.
ACM zet stempel onder duurzaamheidsafspraken in metaalsector
Autoriteit Consument & Markt, persbericht van 18 november 2025
Op 18 november 2025 heeft de ACM een informele zienswijze gepubliceerd in reactie op de sectorovereenkomst Internationaal Maatschappelijk Ondernemingen (“IMVO”) in de metaalsector. Hierin zijn afspraken gemaakt tussen bedrijven, brancheorganisaties, vakbonden en maatschappelijke organisaties die actief zijn in de metaalsector over doorlopende due diligence om zo IMVO-risico’s in de (internationale) metaalketen te analyseren. Concreet zullen bedrijven een plan van aanpak indienen bij en rapporteren aan een onafhankelijk secretariaat – medewerkers van de SER – die hun IMVO-voortgang zullen beoordelen aan de hand van een monitoring tool.
Deze duurzaamheidsafspraak is conform ACM’s Beleidsregel Toezicht duurzaamheidsafspraken toegestaan, met name nu (i) deelname aan de sectorovereenkomst grotendeels op vrijwillige basis is, (ii) een open structuur kent, en (iii) deelnemers vrij zijn om aanvullende duurzaamheidsmaatregelen te treffen. De ACM merkt op dat elke deelnemer zelf werkt aan zijn eigen IMVO en overweegt dat de afspraken hierdoor niet verder strekken dan noodzakelijk om de duurzaamheidsdoelen te behalen. Daarnaast voorziet de ACM geen merkbare effecten op (verkoop)prijzen. Ook wordt bij het uitwisselen van kennis en praktijkervaring voor het bepalen van duurzaamheidscriteria aangesloten bij objectieve bronnen, zodat de ACM ook op dit punt meent dat geen sprake is van enige concurrentiebeperking.
Om te voorkomen dat er concurrentiegevoelige informatie (met name productielocaties) wordt uitgewisseld zullen de informatiestromen plaatsvinden met tussenkomst van een onafhankelijke derde (het secretariaat), die de informatie aggregeert en alleen niet herleidbare informatie zal verspreiden onder de deelnemers. Mochten bedrijven menen dat bepaalde informatie niettemin concurrentiegevoelig is, dan kunnen zij een verzoek doen voor vrijstelling van openbaarmaking van specifieke productielocaties. Verder dragen vertrouwelijkheidsovereenkomsten en ingebouwde waarborgen tijdens bijeenkomsten bij aan het voorkomen van mededingingsbeperkende informatie-uitwisseling.
Gerecht matigt boete Intel voor ‘naked restrictions‘ met € 140 miljoen
Gerecht van de Europese Unie, arrest van 10 december 2025
Op 10 december 2025 sprak het Gerecht zich voor de derde keer uit over de boete die de Commissie in 2009 aan Intel opgelegde wegens machtsmisbruik. In deze procedure stonden nog uitsluitend ter discussie de betalingen die Intel aan HP, Acer en Lenovo deed opdat zij de lancering van producten met concurrerende processoren zouden uitstellen of annuleren (de zogenaamde ‘naked restrictions’). De boete voor de exclusiviteitskortingen die Intel hanteerde, is sinds 2024 al definitief van tafel (zie ook onze CF Q4 2024 over het eerdere procesverloop). In zijn arrest van 2022 bevestigde het Gerecht de overtreding voor zover deze zag op de naked restrictions. Aangezien het Gerecht de hoogte van de boete voor alleen dit deel van het misbruik niet zelfstandig kon vaststellen, vernietigde het destijds het boetebesluit en droeg het de Commissie op een nieuwe boete vast te stellen. Dit besluit – waarin de Commissie een boete van € 376 miljoen oplegt – volgde in 2023 en is het onderwerp van deze procedure.
Intel betwist in essentie de bevoegdheid van de Commissie om op basis van slechts een deel van de oorspronkelijk vastgestelde inbreuk opnieuw één enkele voortdurende inbreuk (EVI) aan te nemen en daarvoor een substantiële boete op te leggen. Het Gerecht verwierp alle door Intel aangevoerde middelen. Samengevat oordeelde het dat de Commissie enkel een nieuwe boete had vastgesteld en geen nieuwe overtreding, zodat zij niet gehouden was haar bevoegdheid opnieuw te toetsen, haar motivering aan te scherpen of een nieuwe hoorzitting te organiseren. Het arrest van het Gerecht uit 2022 – waarin de onrechtmatigheid van de naked restrictions definitief was vastgesteld – had immers kracht van gewijsde gekregen (res judicata).
Ook Intels betoog dat de Commissie bij de boeteberekening onvoldoende rekening had gehouden met de beperkte marktdekking, de geografische impact binnen de EER en de ernst van de naked restrictions als overtreding, werd verworpen. Volgens het Gerecht heeft de Commissie de boete op juiste wijze en in lijn met de Boetebeleidsregels toegepast.
Niettemin zag het Gerecht aanleiding de boete ambtshalve te matigen. Daarbij woog het mee dat (i) er een tussenperiode van twaalf maanden bestond tussen de betalingen aan HP en Lenovo, en (ii) de naked restrictions slechts een bescheiden aandeel vormden van het totaal aantal door de initiële inbreuk getroffen computers, zoals ook door de Commissie in eerdere procedures was erkend. Op die grond werd de boete verlaagd tot € 237 miljoen. Per saldo blijft het boetebesluit dus in stand, zij het met een vermindering van 37%.
HvJEU bevestigt hoge drempel van Bronner-arrest rondom toegangsweigering Lukoil
Hof van Justitie van de Europese Unie, arrest van 18 december 2025
Op 18 december 2025 oordeelde het HvJEU dat Lukoil geen misbruik heeft gemaakt van haar machtspositie in de vorm van toegangsweigering indien – naar het oordeel van de verwijzende rechter – zou komen vast te staan dat aan de Bronner-criteria is voldaan. Hiermee bevestigt het HvJEU de blijvende relevantie van het Bronner-arrest en de daarin ontwikkelde essentials facility doctrine, ondanks dat het deze doctrine de laatste jaren vaak niet van toepassing verklaarde in verschillende zaken over toegangsweigering, zoals bijvoorbeeld in zijn arresten Google Shopping en Google Android Auto.
Twee entiteiten van het Bulgaarse Lukoil exploiteren een netwerk van transport- en opslagfaciliteiten voor motorbrandstoffen. Hoewel deze infrastructuur oorspronkelijk een staatsinfrastructuur was, is deze via privatisering in handen gekomen van Lukoil. Tussen 2016 en 2021 weigerde de Lukoil-groep verschillende andere brandstofproducenten en -importeurs tegen billijke vergoeding toegang te verlenen tot deze infrastructuur. De Bulgaarse mededingingsautoriteit besloot dat dit misbruik van een machtspositie opleverde en beboette de entiteiten. Lukoil ging in beroep en stelde dat zij de toegang wel degelijk mocht weigeren nu zij de eigenaar is van de infrastructuur en deze ten behoeve van haar eigen activiteiten is ontwikkeld. Hierover stelde de Bulgaarse rechter prejudiciële vragen aan het HvJEU.
Het HvJEU brengt in herinnering dat een toegangsweigering door een dominante onderneming slechts misbruik oplevert indien cumulatief is voldaan aan de voorwaarden dat (i) de weigering iedere daadwerkelijke mededinging op de betrokken markt kan uitsluiten, (ii) zij niet objectief gerechtvaardigd is, en (iii) de betrokken infrastructuur onontbeerlijk is voor de uitoefening van de activiteit van de verzoekende onderneming. Indien de dominante onderneming geen eigenaar is van de infrastructuur of de bouwkosten daarvan niet heeft gedragen, bijvoorbeeld wanneer zij de infrastructuur van de staat heeft verkregen, is in beginsel niet aan deze voorwaarden voldaan.
Het HvJEU oordeelt echter dat de Bronner-voorwaarden wél van toepassing kunnen zijn op door de overheid ontwikkelde infrastructuur die later via een open en concurrerende privatisering is verworven, of die op basis van exclusieve rechten wordt geëxploiteerd, mits de betrokken onderneming volledig autonoom kan beslissen over de toegang. In dat geval is de situatie van Lukoil immers vergelijkbaar met die van een eigenaar van een zelf-bekostigde essentiële infrastructuur, aldus het HvJEU. Het is aan de verwijzende rechter om te beoordelen of hiervan in het concrete geval sprake is.
Commissie opent misbruikonderzoek naar Google’s AI-diensten
Europese Commissie, persbericht van 9 december 2025
Onlangs maakte de Commissie bekend een onderzoek te zijn gestart naar mogelijk machtsmisbruik door Google ten aanzien van haar AI-gedreven diensten. Daarbij gaat het in de eerste plaats om het gebruik van de ‘AI modus’ binnen Google Search. De Commissie onderzoekt in hoeverre daarbij content van uitgevers wordt gebruikt zonder dat er een passende vergoeding is betaald, en bekijkt of uitgevers de mogelijkheid hebben het gebruik van hun content te weigeren zonder dat ze de toegang tot Google Search verliezen. In de tweede plaats onderzoekt de Commissie of Google makers van video’s en andere content op Youtube een passende vergoeding betaalt voor het gebruik van deze content om haar generatieve AI-modellen te trainen, dan wel of de onmogelijkheid dit te weigeren kwalificeert als een onredelijke voorwaarde in de zin van artikel 102 VWEU. Alhoewel de precieze tijdslijnen onbekend zijn, geeft de Commissie aan dit onderzoek met prioriteit te behandelen.
Dawn raids bij Red Bull naar aanleiding van informele klacht van concurrent zijn gesteund op voldoende bewijs
Gerecht van de Europese Unie, arrest van 15 oktober 2025
Het Gerecht heeft op 15 oktober 2025 geoordeeld dat het besluit van de Commissie om onaangekondigde inspecties (dawn raids) uit te voeren bij energiedrankproducent Red Bull voldoende gemotiveerd was. Red Bull betwistte de wettigheid, de motivering en de evenredigheid van het Commissiebesluit en stelde bij het Gerecht een beroep tot nietigverklaring in. In 2023 had de Commissie in verschillende lidstaten onaangekondigde inspecties uitgevoerd bij Red Bull. Daartoe was besloten nadat de Commissie een informele klacht had ontvangen van concurrent Monster Energy. Op basis van circa 700 pagina’s aan bewijsmateriaal die in het kader van die klacht waren ingediend, vermoedde de Commissie dat sprake was van mededingingsbeperkend gedrag, mogelijk in de vorm van afstemming via een brancheorganisatie.
Volgens het Gerecht was het besluit naar behoren gemotiveerd: het omschreef niet alleen het vermoedelijke gedrag, maar plaatste dit ook in de relevante marktcontext en maakte de vermeende rol van Red Bull inzichtelijk. Bovendien beschikte de Commissie over een aanzienlijke hoeveelheid bewijsmateriaal – ongeveer 700 pagina’s afkomstig uit een informele klacht – die de inspecties rechtvaardigen. Tegen deze achtergrond, en gelet op zowel de ernst van de vermoedens als het risico van niet-medewerking, was het volgens het Gerecht gerechtvaardigd en evenredig om te kiezen voor een onaangekondigde inspectie in plaats van een verzoek om informatie. Ook de procedurele bezwaren van Red Bull tegen het verloop en de duur van de inspecties, waaronder beschuldigingen van schending van de rechten van verdediging, werden afgewezen, aangezien deze betrekking hadden op de feitelijke uitvoering van de inspecties en niet op de rechtmatigheid van het besluit zelf.
HvJEU verduidelijkt kader margin squeeze (prijsklem) na Bulgaarse boete Lukoil
Hof van Justitie van de Europese Unie, arrest van 18 december 2025
In een prejudiciële procedure tussen Lukoil en de Bulgaarse mededingingsautoriteit heeft het HvJEU op vragen van de Bulgaarse rechter verduidelijking gegeven over het toepasselijke beoordelingskader bij de misbruiksvorm marge-uitholling (margin squeeze). De Bulgaarse mededingingsautoriteit had vastgesteld dat Lukoil – een verticaal geïntegreerde onderneming actief in de raffinage, groothandel en retail van motorbrandstoffen – op de downstream groothandelsmarkt (na betaling van accijns) lagere prijzen hanteerde dan op de upstream groothandelsmarkt (waar een accijnsschorsing gold). Volgens de autoriteit leidde deze tariefstructuur tot een margin squeeze.
Lukoil betwistte de afbakening van de relevante productmarkt omdat de Bulgaarse mededingingsautoriteit volgens haar ten onrechte diesel en benzine wél tot dezelfde productmarkt rekende, maar LPG niet. Haar marktaandelen op deze submarkten waren ook onvoldoende vastgesteld volgens Lukoil. Daarnaast betwistte Lukoil de gehanteerde opsplitsing tussen de downstream- en upstreammarkt. De Bulgaarse rechter stelde hierover prejudiciële vragen aan het HvJEU.
Het HvJEU verduidelijkt dat voor margin squeeze sprake moet zijn van (i) een onderneming met een machtspositie op de upstreammarkt en (ii) downstreamprijzen die een uitsluitingseffect veroorzaken voor minstens-even-efficiënte concurrenten. Dominantie op de downstreammarkt is niet vereist, maar de kenmerken van die markt mogen wel worden meegewogen in de beoordeling of sprake is van misbruik. Wat betreft de marktafbakening geldt dat alleen voldoende substitueerbare producten tot de relevante productmarkt behoren. Hoewel diesel, benzine en LPG voor eindgebruikers mogelijk niet substitueerbaar zijn, kan op de upstream groothandelsmarkt wel substitueerbaarheid bestaan, aldus het HvJEU. HvJEU overweegt dat LPG kan worden uitgesloten van de relevante productmarkt, zoals de Bulgaarse mededingingsautoriteit heeft gedaan, indien daarvoor specifieke (wettelijke) opslag- en transportvereisten gelden die een gebrek aan substitueerbaarheid aantonen. De beoordeling daarvan berust bij de verwijzende rechter.
ACM beoordeelt uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid concept-Postbesluit 2009
Autoriteit Consument & Markt, besluit van 17 november 2025
De ACM heeft een uitvoerbaarheids- en handhaafbaarheidstoets uitgevoerd op het concept-Postbesluit 2009 en de concept-Postregeling 2009. Hoewel de ACM de noodzaak van aanpassingen in de postmarkt onderschrijft, concludeert zij dat de voorgestelde wijzigingen slechts uitvoerbaar en handhaafbaar zijn indien er aanzienlijke aanpassingen worden gedaan. De ACM constateert dat de voorgenomen wijzigingen in de huidige vorm weinig recht doen aan de belangen van gebruikers.
De voorgestelde wijzigingen behelzen een verruiming van de overkomstduur (standaard bezorgtermijn) van de universele postdienst (“UPD”) naar D+2 en op termijn naar D+3, wat de financiële bestendigheid van de UPD moet waarborgen. De ACM hekelt echter de voorgestelde verlaging van het kwaliteitspercentage naar 90% bij D+2 en 92% bij D+3 ten opzichte van de huidige norm van 95%, aangezien betrouwbaarheid voor gebruikers het belangrijkst is. De ACM merkt op dat een kwaliteitspercentage van 90% bij D+2 betekent dat tussen 1 juli 2026 en 1 juli 2027 ongeveer 27 miljoen brieven te laat mogen komen, wat niet het maatschappelijk belang dient.
Een cruciaal probleem voor de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid is volgens de ACM dat het voorgenomen bezorgmodel – dat het aantal bezorgdagen per adres terugbrengt om kosten te besparen – een structurele overtreding van de Europese Postrichtlijn en de Postwet zou inhouden, omdat deze minimaal vijf bezorgdagen per week voorschrijven. De ACM mist bovendien maatregelen voor sneller en effectiever toezicht bij slechte prestaties.
Ten slotte oordeelt de ACM dat de voorgestelde evaluatiebepaling, die uiterlijk één jaar na de ingang van D+3 moet plaatsvinden, niet doeltreffend en doelmatig is. Omdat de kwaliteitsnorm een gemiddelde over een heel kalenderjaar betreft en operationele processen tijd kosten, zijn de gevolgen voor de kwaliteit en betaalbaarheid pas effectief meetbaar na drie volledige kalenderjaren. Een vroegtijdige evaluatie op de voorgestelde termijn zou bovendien een prikkel creëren om de norm niet te halen.
CBb vernietigt boete PostNL voor late postbezorging in 2019
College van Beroep voor het bedrijfsleven, uitspraak van 16 december 2025
Onlangs zette het CBb een streep door de boete die de ACM in 2021 oplegde aan PostNL wegens het niet behalen van de 95%-kwaliteitseis uit het Postbesluit 2009. Als verlener van de UPD is PostNL gehouden om brieven per kalenderjaar in ten minste 95% van de gevallen de eerstvolgende dag na aanbieding te bezorgen, niet zijnde een zondag, maandag of feestdag. In haar jaarlijkse rapportage over 2019 – gebaseerd op een zogenaamd proefbriefonderzoek – vermeldde PostNL een percentage van 94,34%. Hierop legde de ACM PostNL een boete van € 2 miljoen op.
Nadat de rechtbank het beroep van PostNL in 2022 ongegrond verklaarde, voerde PostNL voor het eerst in hoger beroep aan dat de proefbrieven die niet op de juiste wijze zijn teruggemeld buiten beschouwing moet worden gelaten, aangezien de oorzaak van de vertraging van die brieven ook bij de onzorgvuldigheid van de afzender en/of de ontvanger kan liggen. Indien deze brieven buiten beschouwing worden gelaten, wordt de 95%-kwaliteitsnorm wel behaald. De ACM bracht daartegenin dat zij mocht uitgaan van hetgeen PostNL zelf, op basis van een door PostNL ontwikkelde meetmethode, aan de ACM heeft gerapporteerd. Bovendien heeft PostNL dit argument al eerder prijsgegeven, aldus de ACM.
Het CBb oordeelt dat het PostNL vrij staat in hoger beroep nieuwe gronden aan te voeren tegen de boete. Volgens het CBb bestaat er voor de beoordeling van het 95%-criterium geen specifieke bindende norm, en is het aan de ACM om ‘buiten redelijke twijfel’ vast te stellen dat PostNL de overtreding heeft begaan. Aangezien voor de niet-teruggemelde proefbrieven niet kan worden vastgesteld dat die brieven daadwerkelijk (door toedoen van PostNL) zijn vertraagd – ondanks het feit dat PostNL de niet-teruggemelde proefbrieven zelf als vertraagd beschouwde – mocht de ACM dit niet als vaststaand aannemen en op basis daarvan een boete opleggen, aldus het CBb. Deze brieven dienen dus buiten de meting te worden gehouden. Daarmee heeft de ACM niet buiten redelijke twijfel vastgesteld dat PostNL de kwaliteitsnorm niet heeft behaald, en vervalt de boetegrondslag.
Rechtbank Rotterdam houdt nepkorting-boetes Leen Bakker en Koopjedeal in stand
Rechtbank Rotterdam, uitspraken van 11 november 2025
De rechtbank Rotterdam heeft op 11 november 2025 de twee bestuurlijke boetes aan Leen Bakker en Koopjedeal van respectievelijk € 130.000 en € 163.000 in stand gehouden. Beide ondernemingen hadden foutieve ‘van-prijzen’ gehanteerd, waardoor kortingen op producten gunstiger werden gepresenteerd dan deze in werkelijkheid waren.
Leen Bakker betoogde dat de ACM niet bevoegd zou zijn toezicht te houden op de naleving van regels omtrent de aanduiding van prijsvermindering zoals neergelegd in artikel 5a van het Besluit prijsaanduiding producten (“Bpp”), nu de Wet handhaving consumentenbescherming (“Whc”) de ACM niet expliciet aanwijst als toezichthouder voor Richtlijn 2019/2161. Deze richtlijn wijzigt onder meer Richtlijn 98/6/EG, waarop artikel 5a Bpp (via de Prijzenwet) is gebaseerd. De rechtbank oordeelt echter dat de verwijzing in de Whc naar Richtlijn 98/6/EG en de Prijzenwet dynamisch is, waardoor de ACM ook bevoegd is latere wijzigingen van deze regelgeving te handhaven.
Ook het beroep op het ontbreken van een strafmaat faalt, aangezien de Whc voorziet in boetemaxima en wegingsfactoren. Het ontbreken van een uitdrukkelijk boetebeleid voor een overtreding zoals in onderhavig geval, is voor de bestuurlijke boetes evenmin fataal. Uit de wet volgt immers geen verplichting om een boetebeleid vast te stellen. Verder was er volgens de rechtbank sprake van een duidelijke schending van artikel 5a Bpp.
Argumenten omtrent willekeur en onevenredigheid van de boete baatten Leen Bakker en Koopjedeal eveneens niet. De ACM had objectieve, navolgbare selectiecriteria gehanteerd op basis waarvan zij handhavingsprioriteiten had opgesteld. Ook achtte de rechtbank de boetes evenredig; de ACM heeft aansluiting gezocht bij haar Boetebeleidsregel voor de berekening van de boetes en heeft daarbij rekening gehouden met het aantal overtredingen, de duur ervan en de prijsverschillen. Dat de ACM daarbinnen de duur per overtreding heeft berekend en bij elkaar heeft opgeteld, kwam de rechtbank niet onlogisch voor. Ook had de ACM reeds de boetes gematigd gelet op het feit dat het ging om een overtreding van nieuwe regelgeving.
ACM scherpt toezicht kortingen aan, maakt afspraken met Velderhof over consumentenrecht*
Autoriteit Consument & Markt, publicaties van 20 november en 18 december 2025
De ACM heeft meubelverkoper Velderhof aangesproken op verkooppraktijken waarbij ouderen bij de aanschaf van een sta-op-stoel extra kortingen werd geboden als zij snel beslisten over hun aanschaf. Informele gesprekken tussen de ACM en Velderhof vonden plaats naar aanleiding van berichten in de media. Bij het doorlopen van een consumentenrechtelijke verbetertraject zijn met de ACM concrete afspraken gemaakt, waaronder over extra bewustwording en trainen van personeel en het aanpassen van de prijsweergave op de website.
Deze informele handhavingsactie past binnen het bredere toezichtsbeleid van de ACM op het gebied van consumentenrecht dat voor een belangrijk deel is gericht op het juiste gebruik van kortingen. Zo waarschuwde de ACM rondom Black Friday consumenten nog voor misleidende kortingen (zogenaamde ‘van-voorprijzen’). Uit recent onderzoek van de ACM naar de aanbiedingen van 24 grote verkopers op het gebied van wonen, kleding, doe-het-zelf en tuin, huishoudelijke elektronica en cosmetica kwam namelijk naar voren dat 75% van de winkels kortingen nog steeds niet correct weergeeft (fysiek en/of online). Ondanks de in september 2025 gepubliceerde Leidraad prijsweergave en vergelijkingen en de boetes die de ACM in 2024 oplegde aan meerdere retailers (waaronder Leen Bakker en Koopjedeal), zijn veel retailers dus nog niet compliant. Het is dan ook te verwachten dat de ACM opnieuw handhavend zal gaan optreden tegen de winkels die het recent heeft onderzocht.
* Jade Versteeg en Bas Braeken hebben Velderhof bijgestaan.
ACM grijpt in bij Farm Frites na klachten aardappeltelers
Autoriteit Consument & Markt, nieuwsbericht van 8 december 2025
Na verschillende signalen vanuit aardappeltelers heeft de ACM onlangs ingegrepen bij frietproducent Farm Frites. De frietproducent liet aardappeltelers eind november weten een plotselinge wijziging in het kortingssysteem voor aardappelen met kwaliteitsafwijkingen door te zullen voeren. De ACM overwoog dat deze wijziging grote financiële gevolgen kon hebben voor telers, omdat de kwaliteit van de oogst dit jaar lager ligt dan gebruikelijk. Telers kregen slechts vijf dagen de tijd om hiermee akkoord te gaan. Deze zeer korte reactietermijn leidde tot onrust, waarna de LTO-vakgroep Akkerbouw een melding deed bij de ACM.
De ACM is daarop in gesprek gegaan met Farm Frites vanwege een mogelijke schending van de Wet oneerlijke handelspraktijken landbouw (“Wet OHP Landbouw”). Deze wet beoogt de onderhandelingspositie van boeren, telers en andere leveranciers te versterken en hen te beschermen tegen misbruik van inkoopmacht door grote afnemers. Farm Frites heeft naar aanleiding van het optreden van de ACM de oorspronkelijke voorwaarden aangepast. Telers krijgen nu meer tijd om te bepalen of zij akkoord gaan met het nieuwe kortingssysteem. Telers die reeds akkoord zijn gegaan mogen hun keuze herzien. Het nieuwe kortingssysteem is er bovendien op gericht voortaan minder aardappelen af te keuren. Als telers niet akkoord gaan met het voorstel van Farm Frites, blijven de huidige voorwaarden van kracht.
De ACM benadrukt met verwijzing naar de Wet OHP Landbouw dat marktpartijen in de landbouwsector contracten niet eenzijdig mogen wijzigen en afnemers niet te laat mogen uitbetalen voor geleverde landbouwproducten. Met deze maatregelen vanuit Farm Frites sluit de ACM haar onderzoek.
Nederlandse Staat moet inzage verlenen in correspondentie met Commissie rondom staatssteunaanvraag
Gerechtshof Den Haag, arrest van 4 november 2025
Op 4 november 2025 heeft het gerechtshof Den Haag de Nederlandse Staat veroordeeld tot het verlenen van inzage in correspondentie met de Commissie in het kader van een staatssteunonderzoek naar het fosfaatrechtenstelsel. Via dit stelsel kregen melkveehouders een begrensde hoeveelheid fosfaatrechten toegekend. Het fosfaatrechtenstelsel kwalificeerde als staatssteun en is goedgekeurd door de Commissie.
Na de invoering van dit stelsel is onduidelijkheid ontstaan over de toepassing daarvan op jongvee bestemd voor de vleessector (dat wordt gehouden door bedrijven die zowel melk- als de vleesvee houden). In een beleidsregel verduidelijkte de destijds verantwoordelijke minister dat jongvee bestemd om zoogkoe te worden (en dus vleesvee is) ook onder het stelsel valt, waardoor bepaalde vleesveehouders ook gratis fosfaatrechten kregen.
Deze zaak is gestart door twee Nederlandse melkveehouders en een Belgische vleesveehouder (De Baerdemaeker). De Nederlandse melkveehouders stellen dat ten onrechte fosfaatrechten zijn uitgekeerd aan vleesveehouders; de Belgische vleesveehouder stelt dat de concurrentie is verstoord doordat Nederlandse vleesveehouders gratis fosfaatrechten kregen. Zij stellen dat de Commissie geen goedkeuring heeft gegeven voor de steunmaatregel met deze reikwijdte en vorderen daarom op grond van artikel 843a Rv (oud) inzage in de correspondentie tussen de Staat en de Commissie in dat kader. De rechtbank wees de vorderingen toe, waartegen de Staat in hoger beroep is gekomen.
Het gerechtshof Den Haag concludeert dat het bestaan van een vordering van de Nederlandse melkveehouders jegens de Staat onvoldoende aannemelijk geworden, waardoor hun beroep op artikel 843a Rv (oud) niet op gaat. De inzagevordering van De Baerdemaeker wordt wel toegewezen. Het gerechtshof oordeelt dat inderdaad twijfel kan bestaan over de reikwijdte van het goedkeuringsbesluit, omdat het aanwijzingen bevat dat de Commissie ervan is uitgegaan dat alleen melkveehouderijen (in enge zin) begunstigden zijn van het stelsel en dus niet ook bepaalde jong vleesveehouderijen.
Het gerechtshof vervolgt dat er geen gewichtige redenen bestaan tegen inzage in de correspondentie met de Commissie, zoals de Staat aanvoerde. De Staat verwees naar artikel 4 lid 2 van Verordening 1049/2001 en de (Europese) rechtspraak daaromtrent op basis waarvan de Commissie inzage kan weigeren wanneer de openbaarmaking daarvan zou leiden tot ondermijning van de bescherming van het doel van inspecties, onderzoeken en audits. Het gerechtshof merkte op dat het hier een reeds geëindigde staatssteunprocedure betreft zodat deze weigeringsgrond hier niet opgaat. De Staat is derhalve tot inzage veroordeeld op grond van artikel 843a Rv (oud).
Relativiteitsvereiste Wet M&O blokkeert schadeclaim fitnesscentrum tegen gemeente
Rechtbank Gelderland, uitspraak van 3 december 2025
In haar uitspraak van 3 december 2025 heeft de rechtbank Gelderland zich uitgelaten over het relativiteitsvereiste bij schadeclaims wegens schending van artikel 25i van de Mededingingswet (“Mw”). Deze bepaling, die onderdeel uitmaakt van de Wet Markt & Overheid, verplicht bestuursorganen die economische activiteiten verrichten om de integrale kosten daarvan door te berekenen aan de afnemers van deze diensten of producten. De zaak in kwestie betreft een sportcentrum in Malden, die door de gemeente Heumen wordt verhuurd en door fitnessaanbieder Laco Malden wordt gehuurd en geëxploiteerd.
Een andere fitnessaanbieder, Lierdal, stelde dat de door de gemeente Heumen en Laco Malden gesloten huur- en exploitatieovereenkomst strijdig is met de wet, openbare orde en goede zeden. De reden hiervoor zou zijn dat de integrale kosten die de gemeente voor het sportcentrum maakt, niet aan Laco Malden zijn doorberekend (in strijd met artikel 25i Mw). Lierdal eist daarom schadevergoeding van Laco Malden en de gemeente Heumen. De rechtbank wijst deze vordering echter af nu er niet is voldaan aan het relativiteitsvereiste.
De rechtbank stelt voorop dat artikel 25i Mw een gedragsregel is voor overheden. Het is bedoeld om te voorkomen dat een overheid, op een specifieke markt waarop zij zélf actief is, concurrenten verdringt door oneigenlijke overheidsvoordelen. Het beschermingsbereik van artikel 25i Mw omvat derhalve concurrerende ondernemingen op de markt waarop de overheid zélf economische activiteiten verricht. In dit geval was de gemeente Heumen actief op de markt voor de verhuur van vastgoed (met het oog op sportbeoefening), terwijl Lierdal actief was en de gestelde schade zou hebben geleden op de fitnessmarkt. Lierdal was daarmee geen concurrent van de gemeente Heumen, waardoor zij niet onder het beschermingsbereik van artikel 25i Mw valt. De rechtbank wijst de vorderingen van Lierdal af.
Voor al uw vragen met betrekking tot (EU) mededingingsrecht helpt bureau Brandeis u graag verder. U kunt ons bereiken via onderstaande links.
Bas Braeken – Jade Versteeg – Timo Hieselaar – Demi van den Berg – Joost van Belois – Lisanne Kooijman










