Competition Flashback Q1 2026: Ontwikkelingen mededingingsrecht
Dit is de Competition Flashback Q1 2026 van bureau Brandeis. In deze flashback vindt u een selectie van de belangrijkste Europese en Nederlandse mededingingsrechtelijke ontwikkelingen over het afgelopen kwartaal (klik hier voor het origineel). Wilt u voortaan graag de Competition Flashback van bureau Brandeis per e-mail ontvangen? Dan kunt u zich hiervoor aanmelden via dit formulier.
Overzicht Q1 2026
Fusiecontrole, FDI & FSR
- ACM keurt overname leverancier DigiD door Amerikaanse Kyndryl goed ondanks zorgen over digitale soevereiniteit
- Commissie opent diepgaand FSR-onderzoek naar activiteiten Goldwind in de windenergiesector
- Hoogtepunten fusiebeoordelingen Europese Commissie
Digitale platformmarkten
- Commissie dreigt met voorlopige maatregelen voor Meta wegens uitsluiting AI-concurrenten op WhatsApp
- Rechtbank Amsterdam wijst tussenvonnis in Booking.com-zaak omtrent pariteitsclausules: partijen kunnen aanvullende stukken in te dienen
Kartels en verticale beperkingen
- CBb stelt prejudiciële vragen over interbrand-concurrentie in verticale prijsbindingszaak Samsung
- HvJEU verduidelijkt grenzen verlenging onderzoekstermijn kartelonderzoeken
- Gerecht verwerpt beroep tegen boetebesluit Commissie in ethanolbenchmarkkartel; hybride schikkingsprocedure niet in strijd met vermoeden van onschuld
- HvJEU verwerpt hoger beroep van twaalf luchtvaartmaatschappijen in luchtvrachtkartelsaga, alleen boete SAS Cargo Group verlaagd
- ACM oordeelt positief over palletretoursysteem metselbakstenensector
- Afslagenbeleid Zilveren Kruis niet strijdig met vrij verkeer- en mededingingsregels
- Rechtbank Amsterdam geeft fout toe: na Metro-criteria volgt daadwerkelijke beoordeling selectief distributiestelsel HP
Schadeclaims voor inbreuken mededingingsrecht
- Kartelschaderichtlijn van toepassing op vorderingen tot inzage bewijsmateriaal
- Rechtbank Amsterdam komt toe aan begroting schade in follow-on zaak tegen Heineken/AB wegens misbruik van machtspositie op Griekse biermarkt
Gereguleerde markten
- CBb wijst beroepen Youca af: definitieve einde ex ante telecomreguleringstijdperk
- Afdeling vernietigt krimpbesluit Schiphol
Consumentenrecht en oneerlijke handelspraktijken
- Rechtbank houdt boete Epic Games voor onder andere ‘dark patterns’ in Fortnite in stand
- ACM verklaart toezeggingsbesluit Seats and Sofas bindend
- Eén boete voor zestien oneerlijke handelspraktijken in de voedselvoorzieningsketen toegestaan, mits sanctie doeltreffend blijft
- Alternatief aanbod Kings Online voor OV-chipkaart misleidend
ACM keurt overname leverancier DigiD door Amerikaanse Kyndryl goed ondanks zorgen over digitale soevereiniteit
Autoriteit Consument & Markt, besluit van 26 februari 2026
De Autoriteit Consument & Markt (“ACM”) heeft op 26 februari 2026 goedkeuring verleend voor de overname van Solvinity Group B.V. (“Solvinity”) – de leverancier van o.a. DigiD – door Kyndryl Nederland B.V. (“Kyndryl”). De ACM concludeert dat de overname niet leidt tot een significante belemmering van de mededinging op de Nederlandse markt voor IT-dienstverlening, ondanks uitgesproken zorgen van publieke afnemers over datasoevereiniteit en continuïteit van de dienstverlening.
Het Amerikaanse Kyndryl wil met de overname uitsluitende zeggenschap verkrijgen over Solvinity, een IT‑dienstverlener met een uitgebreid klantenbestand in de publieke sector, waaronder ministeries, gemeenten en de Nationale Politie. Naast de melding bij de ACM is de transactie ook gemeld bij het Bureau Toetsing Investeringen (“BTI”), dat de overname toetst op risico’s voor de nationale veiligheid.
De voornaamste zorgen in het marktonderzoek kwamen van publieke afnemers met vitale infrastructuur. Zij vrezen dat na de overname Amerikaanse wetgeving van toepassing wordt op Solvinity, waardoor de Amerikaanse overheid toegang zou kunnen verkrijgen tot vertrouwelijke gegevens en kritieke publieke processen. Daarnaast bestaat de vrees dat de continuïteit van de dienstverlening in het gedrang kan komen. Volgens deze afnemers is digitale autonomie uitgegroeid tot één van de belangrijkste concurrentieparameters bij de selectie van IT‑dienstverleners.
De ACM erkent deze zorgen, maar oordeelt dat zij geen mededingingsrechtelijke grondslag hebben. Het gezamenlijke marktaandeel van Kyndryl en Solvinity bedraagt op de algehele Nederlandse markt voor IT‑dienstverlening maximaal 5%, en ook op het meest nauwe deelsegment – implementatie en beheer van IT‑infrastructuur voor de publieke sector – blijft het gezamenlijke aandeel beperkt tot 15 tot 20%. Partijen zijn bovendien geen naaste concurrenten: uit aanbestedingsgegevens blijkt dat zij de afgelopen twee jaar niet op dezelfde aanbestedingen hebben ingeschreven. De markt kent daarnaast voldoende Nederlandse en Europese alternatieven, waaronder Capgemini, Atos, Conclusion, Cegeka en T-Systems.
De overstapdrempels die publieke afnemers ervaren – zoals contracten met een looptijd van soms meer dan tien jaar en migratietrajecten van één tot meerdere jaren – zijn reëel, maar worden door de overname als zodanig niet vergroot. De ACM wijst er verder op dat de overheid als grote opdrachtgever een disciplinerende werking kan uitoefenen door opdrachten te bundelen en eisen aan digitale soevereiniteit steviger in aanbestedingscriteria te verankeren.
Het besluit illustreert een bredere spanning in het concentratietoezicht: maatschappelijke en geopolitieke zorgen over digitale afhankelijkheid van niet‑Europese partijen zijn reëel en groeiend, maar vallen buiten het wettelijke toetsingskader van de ACM zolang zij niet voortvloeien uit een beperking van de mededinging. De ACM kan de overname dan ook niet tegenhouden op grond van de Mededingingswet (“Mw”).
Commissie opent diepgaand FSR-onderzoek naar activiteiten Goldwind in de windenergiesector
Europese Commissie, persbericht van 3 februari 2026
De Europese Commissie (“Commissie”) heeft op 3 februari 2026 bekendgemaakt een diepgaand onderzoek onder de Foreign Subsidies Regulation (“FSR”) te openen naar de activiteiten in de EU van producent en verkoper van windturbines Goldwind Science & Technology Co., Ltd. (“Goldwind”). Op basis van een voorlopige beoordeling is de Commissie van mening dat er voldoende aanwijzingen zijn dat Goldwind en aan haar verwante bedrijven buitenlandse subsidies hebben ontvangen die de interne markt verstoren. Het gaat om de volgende subsidies:
- subsidies van centrale of lokale Chinese overheidsinstanties, waaronder verzekeringspremiesubsidies en R&D-subsidies;
- belastingvoordelen in de vorm van verlaagde vennootschapsbelasting en btw-teruggaven; en
- preferentiële financiering via leningen van banken waarvan de Commissie voorlopig oordeelt dat hun handelen toe te schrijven is aan China.
Op basis van haar voorlopige onderzoek meent de Commissie dat de geïdentificeerde subsidies de concurrentiepositie van Goldwind op de interne markt hebben versterkt, en haar de mogelijkheid hebben gegeven om aanbestedingsprocedures in de windenergiesector te winnen. De Commissie opende het onderzoek op basis van haar ex-officio bevoegdheid op 9 april 2024. Hoewel de Commissie het openen van dit onderzoek niet heeft gepubliceerd, startte zij in Q2 2024 ook verschillende andere onderzoeken onder de FSR (zie CF Q2 2024).
Hoogtepunten fusiebeoordelingen Europese Commissie
Downtown Music Holdings/Universal Music Group
De Commissie heeft op 13 februari 2026 bekendgemaakt de voorgenomen overname van Downtown Music Holdings (“Downtown”) door Universal Music Group (“UMG”), beide wereldwijd actief als muziekbedrijf dat artiesten- en labeldiensten (“A&L-diensten”) en verwante diensten aanbiedt, onder voorwaarden goed te keuren. De Commissie concludeerde na haar diepgaande onderzoek dat de transactie niet zou leiden tot een significante beperking van de mededinging op de markten waar de activiteiten van Downtown en UMG overlappen (muziekopnames, A&L-diensten en muziekuitgeverij). Volgens de Commissie blijft het marktaandeel van UMG en Downtown op het gebied van muziekopnames en A&L-diensten ‘bescheiden’, daarnaast zijn er verschillende concurrenten op de markt actief, zoals Sony Music Entertainment, Warner maar ook Believe en andere (kleinere) muziekbedrijven. Ook zal de transactie de onderhandelingspositie van UMG tegenover digitale dienstenplatforms, zoals Spotify en Apple Music, niet noemenswaardig veranderen. Wel concludeerde de Commissie dat de aanvankelijk gemelde transactie de mededinging zou hebben geschaad, aangezien UMG dan toegang had kunnen krijgen tot commercieel gevoelige gegevens van concurrerende platenlabels die op het boekhoudplatform voor royalty’s van Downton, Curve Royalty Systems (“Curve”), staan opgeslagen. Volgens de Commissie zou UMG dan ook de prikkel hebben gehad om toegang te verkrijgen tot deze gegevens. Om de bezwaren van de Commissie weg te nemen, hebben UMG en Downton aangeboden om Curve volledig af te stoten. Op voorwaarde van afstoting keurde de Commissie de overname goed.
Commissie dreigt met voorlopige maatregelen voor Meta wegens uitsluiting AI-concurrenten op WhatsApp
Europese Commissie, persbericht van 9 februari 2026
Op 6 februari 2026 kondigde de Commissie aan voorlopige maatregelen op te willen leggen aan Meta wegens uitsluiting van derde AI-assistenten op WhatsApp. Eind 2025 opende de Commissie haar onderzoek naar aanleiding van een beleidswijziging die Meta in oktober 2025 aankondigde, waarbij de WhatsApp Business Solution Terms zo werden aangepast dat AI-assistenten van derden feitelijk van het platform werden geweerd. Sinds 15 januari 2026 is Meta AI de enige AI-assistent die beschikbaar is op WhatsApp.
In haar punten van bezwaar (statement of objections, “SO”), stelt de Commissie op prima facie basis dat Meta een dominante positie inneemt op de EER-markt voor communicatieapplicaties voor consumenten, met name via WhatsApp, en dat Meta misbruik maakt van die positie door concurrerende AI-assistenten de toegang tot het platform te ontzeggen. De Commissie beschouwt WhatsApp als een belangrijk toegangspunt voor AI-assistenten om consumenten te bereiken en stelt dat Meta’s gedrag de toetredingsdrempels verhoogt en kleinere concurrenten op de snel groeiende markt voor AI-assistenten onherstelbaar dreigt te marginaliseren. De Commissie is daarom voornemens voorlopige maatregelen op te leggen om ernstige en onherstelbare schade aan de mededinging te voorkomen. Meta heeft nu de mogelijkheid op deze bezwaren en het voornemen te reageren. De mededeling van punten van bezwaar heeft betrekking op de gehele EER, met uitzondering van Italië, waar de Italiaanse mededingingsautoriteit in december 2025 reeds eigen voorlopige maatregelen aan Meta oplegde.
Rechtbank Amsterdam wijst tussenvonnis in Booking.com-zaak omtrent pariteitsclausules: partijen kunnen aanvullende stukken in te dienen
Rechtbank Amsterdam, tussenvonnis van 4 maart 2026
De rechtbank Amsterdam heeft op 4 maart 2026 een tussenvonnis gewezen in het geschil tussen Booking.com en 63 Duitse hotels over prijspariteitsclausules. Dit volgt op een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (“HvJEU”) uit 2024, waarin werd geoordeeld dat deze clausules geen toegestane nevenrestricties zijn (zie CF Q3 2024). De clausules verboden hotels om kamers goedkoper aan te bieden via eigen kanalen of derden. De rechtbank moet nu beoordelen of deze clausules daadwerkelijk het effect hadden de mededinging beperken, aangezien zij eerder al had uitgesloten dat de clausules een mededingingsbeperkend doel hadden.
De hotels verwijzen naar eerdere Duitse uitspraken tegen Booking.com en HRS als bewijs, maar de rechtbank oordeelt dat deze geen bindende kracht hebben in Nederland en slechts als voorlopig bewijs gelden. Voor de beoordeling van mogelijke mededingingsbeperking is het eerst nodig om de relevante markt af te bakenen, onder meer om het marktaandeel van Booking.com vast te stellen. Omdat hierover onvoldoende gegevens beschikbaar zijn, zal een deskundige worden ingeschakeld. Voorlopig lijkt Booking.com het bewijs van mededingingsbeperking te hebben weerlegd, onder andere doordat het platform na afschaffing van de clausules juist sterker werd en prijzen en consumentengedrag weinig veranderden.
Tot slot wil de rechtbank terugkomen op haar eerdere oordeel over verjaring, mede naar aanleiding van recente rechtspraak van het HvJEU. Mogelijk zijn de schadeclaims van de hotels toch niet verjaard, omdat de verjaring pas begint na het einde van de inbreuk (op zijn vroegst in 2016). Beide partijen mogen zich nog uitlaten over de schade en de verjaring, waarna een deskundige de markt verder zal analyseren en de hotels aanvullend bewijs moeten leveren voor de vermeende mededingingsbeperking.
CBb stelt prejudiciële vragen over interbrand-concurrentie in verticale prijsbindingszaak Samsung
College van Beroep voor het bedrijfsleven, uitspraak van 3 februari 2026
In het hoger beroep van Samsung tegen de kartelboete van bijna € 40 miljoen die de ACM in 2021 oplegde voor verticale prijsbinding, heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven (“CBb”) prejudiciële vragen gesteld aan het HvJEU. Nadat de rechtbank Rotterdam het besluit volledig in stand hield (zie CF Q4 2023), ziet het CBb aanleiding voor verduidelijking van de rol die (schade aan de) interbrand-concurrentie speelt bij de vaststelling van een (hardcore) beperking van de intrabrand-concurrentie.
De beboete gedraging betreft verticale prijsafspraken tussen Samsung – marktleider op de Nederlandse TV-markt – en zeven detailhandelaren die tussen de 54% en 70% van de totale verkoop van Samsungtelevisies in Nederland vertegenwoordigden. De ACM heeft deze gedraging gekwalificeerd als een verticale overeenkomst die ertoe strekte de mededinging te beperken. Het CBb bevestigt allereerst dat de gedraging moet worden aangemerkt als ‘verticale overeenkomst’, gelet op de stelselmatige verzoeken van Samsung aan haar retailers om haar ‘advies’prijzen te hanteren en het systeem waarin het retailers monitorde en zij de opvolging aan verzoeken terugkoppelde aan Samsung. Uit Europese rechtspraak volgt niet dat voor ‘wilsovereenstemming’ sprake hoeft te zijn van dwangmaatregelen of financiële prikkels.
Voor de vraag of de ACM op juiste wijze heeft kunnen concluderen dat sprake was van een strekkingsbeperking, staat volgens het CBb vast dat de gedraging voldoende schadelijk is voor de concurrentie tussen verschillende verkoopkanalen van het merk Samsung. Volgens Samsung had de ACM echter moeten onderzoeken of de gedraging, gegeven de economische context, ook voldoende schadelijk is voor de concurrentie tussen Samsung en andere merken. Het CBb acht de Europese rechtspraak en de Richtsnoeren inzake verticale beperkingen van de Commissie uit 2022 op dit punt niet eenduidig. Wel leidt het CBb af uit het Superbock-arrest dat bij hardcore beperkingen mogelijk al vaststaat dat de intrabrand-concurrentie in voldoende mate wordt geschaad.
Het CBb verwijst de zaak naar het HvJEU met de vraag of bij een (verticale) strekkingsbeperking – en specifiek hardcore beperkingen – nog moet worden onderzocht of een bepaald gedrag voldoende schadelijk is voor de interbrand-concurrentie, en zo ja, welke concurrentieparameters in dat onderzoek moeten worden betrokken.
HvJEU verduidelijkt grenzen verlenging onderzoekstermijn kartelonderzoeken
Hof van Justitie van de Europese Unie, arrest van 15 januari 2026
In reactie op prejudiciële vragen van de hoogste bestuursrechter in Italië verduidelijkt het HvJEU de spelregels voor het stellen en verlengen van (onderzoeks)termijnen door mededingingsautoriteiten. De vraag rees in het kader van de in 2019 door de Italiaanse mededingingsautoriteit (“AGCM”) opgelegde boete aan onder andere Imballaggi Piemontesi (“IP”) wegens deelname aan het kartonkartel. Na de start van het onderzoek in 2017 besloot de AGCM meermaals verschillende ondernemingen toe te voegen aan de onderzoeksprocedure van zowel het karton- als verpakkingskartel en verlengde de AGCM meermaals de termijnen voor de beëindiging van die onderzoeksprocedures. In (hoger) beroep tegen het uiteindelijke boetebesluit in de kartonkartelzaak stelde IP onder andere dat de mogelijkheid van de AGCM de termijn steeds te verlengen – waardoor deze geen ‘dwingend’ karakter’ heeft – in strijd is met artikelen 41 en 47 van het Handvest en artikel 6 EVRM voor zover de AGCM alsnog haar boetebevoegdheid zou uitoefenen.
Met verwijzing naar vaste jurisprudentie benadrukt het HvJEU dat nationale mededingingsautoriteiten de termijn voor de beëindiging van de onderzoeksfase moeten kunnen verlengen wanneer dat nodig is om doeltreffende en afschrikkende sancties op te leggen voor mededingingsinbreuken. Deze verlenging mag echter niet tot gevolg hebben dat de redelijke termijn wordt overschreden, hetgeen per geval moet worden beoordeeld. Deze verlenging mag in ieder geval niet leiden tot een schending van de grondrechten van de betrokken ondernemingen. In dat kader is van belang dat (i) de termijnverlenging zo spoedig mogelijk aan de betrokken onderneming wordt medegedeeld en een nieuwe termijn wordt vastgesteld, (ii) de termijnverlenging naar behoren wordt gemotiveerd, (iii) de termijnverlenging aan rechterlijke toetsing kan worden onderworpen, en (iv) de absolute maximumtermijn die lidstaten met eerbiediging van het gelijkwaardigheids- en doeltreffendheidsbeginsel vaststellen, in acht wordt genomen. Onder die omstandigheden verzet artikel 47 van het Handvest zich niet tegen een dergelijke nationale regel, aldus het HvJEU.
Gerecht verwerpt beroep tegen boetebesluit Commissie in ethanolbenchmarkkartel; hybride schikkingsprocedure niet in strijd met vermoeden van onschuld
Gerecht van de Europese Unie, arrest van 21 januari 2026
Het Gerecht van de Europese Unie (“Gerecht”) heeft het beroep verworpen van de Zweedse landbouwcoöperatie Lantmännen ek för en Lantmännen Biorefineries AB (“Lantmännen”) tegen het besluit van de Commissie in de zaak over de manipulatie van prijsbenchmarks op de Europese ethanolmarkt. De Commissie had Lantmännen een boete van ruim € 47 miljoen opgelegd wegens deelname aan een kartel gericht op het kunstmatig beïnvloeden van de door S&P Global Platts gepubliceerde prijsindexen voor ethanol.
De zaak speelde zich af in het kader van een zogenoemde hybride procedure, waarbij de Commissie achtereenvolgens een schikkingsbesluit vaststelde ten aanzien van Abengoa – de enige onderneming die uiteindelijk tot een schikking bereid was – en vervolgens een besluit in de gewone procedure ten aanzien van Lantmännen. Alcogroup, de derde betrokken onderneming, zag de procedure tegen haar gestaakt omdat de Commissie het bewijs voor haar deelname aan de inbreuk na maart 2013 ontoereikend achtte.
Lantmännen voerde twee middelen aan: schending van het vermoeden van onschuld door zowel de keuze voor de hybride procedure als de formulering van het schikkingsbesluit, en schending van het vereiste van objectieve onpartijdigheid. Het Gerecht verwerpt beide middelen. Het gebruik van een hybride procedure met slechts één schikkende partij levert op zichzelf geen schending op van het vermoeden van onschuld. Bepalend is of het schikkingsbesluit zorgvuldig is geformuleerd. Dat was hier het geval: de Commissie verwees consequent naar “andere partijen bij het onderzoek” en benadrukte meerdere malen dat hun aansprakelijkheid niet werd vastgesteld. De verwijzingen naar Lantmännen waren objectief noodzakelijk om de collectieve aard van de inbreuk te beschrijven en bevatten geen juridische kwalificatie van haar gedrag.
Ten aanzien van de onpartijdigheid oordeelt het Gerecht dat Lantmännen geen concrete aanwijzingen heeft aangedragen voor gegronde twijfel. De omstandigheid dat een schikkingsbesluit ten aanzien van Abengoa was vastgesteld, verplichtte de Commissie niet om ook Lantmännen schuldig te verklaren – zoals het geval van Alcogroup illustreert, stond het de Commissie vrij om na beoordeling van het bewijs tot een andere conclusie te komen.
HvJEU verwerpt hoger beroep van twaalf luchtvaartmaatschappijen in luchtvrachtkartelsaga, alleen boete SAS Cargo Group verlaagd
Hof van Justitie van de Europese Unie, arresten van 26 februari 2026
Op 26 februari 2026 heeft het HvJEU in een reeks van dertien arresten de hoger beroepen verworpen van twaalf luchtvaartmaatschappijen die waren beboet wegens deelname aan een prijskartel op de markt voor luchtvrachtdiensten. Alleen het beroep van SAS Cargo Group wordt gedeeltelijk gehonoreerd, op grond van een rekenfout van het Gerecht bij de vaststelling van de boete.
De zaak gaat terug tot een besluit van de Commissie uit 2010, waarbij meerdere luchtvaartmaatschappijen werden beboet met in totaal circa € 790 miljoen wegens een kartel dat liep van december 1999 tot februari 2006. Het kartel betrof de invoering van brandstof- en veiligheidstoeslagen en de weigering om commissie te betalen aan expediteurs over die toeslagen. Na gedeeltelijke vernietiging door het Gerecht nam de Commissie in 2017 een nieuwe beslissing, waarbij de totale boete werd vastgesteld op € 776 miljoen. Tegen dat besluit gingen de luchtvaarmaatschappijen in beroep bij het Gerecht en vervolgens het HvJEU.
In de nu gewezen arresten verwerpt het HvJEU de voornaamste argumenten van de luchtvaartmaatschappijen. Ten eerste bevestigt het HvJEU de bevoegdheid van de Commissie om het kartel te beboeten voor zover het betrekking heeft op vluchten van derde landen naar de EU. Die bevoegdheid berust op de “qualified effects”-toets: voldoende is dat de gedraging voorzienbare, onmiddellijke en substantiële effecten heeft op de interne markt. Ten tweede handhaaft het HvJEU de kwalificatie van de gedragingen als één enkele voortdurende inbreuk, en bevestigt het dat een luchtvaartmaatschappij aansprakelijk kan worden gehouden voor routes waarop zij zelf niet opereert, mits zij heeft bijgedragen aan de gemeenschappelijke doelstellingen van het kartel en op de hoogte was van de gedragingen van de andere deelnemers. Ten derde oordeelt het HvJEU dat het verjaringsverweer niet ambtshalve door het Gerecht kan worden opgeworpen, maar door de betrokken partij zelf had moeten worden aangevoerd.
Voor SAS Cargo Group leidt een fout in de boeteberekening wel tot een verlaging. Het Gerecht had ten onrechte omzet uit interne routes binnen één staat meegenomen in de berekeningsgrondslag om gelijke behandeling met de andere luchtvaartmaatschappijen te waarborgen, terwijl niet vaststond dat die andere luchtvaartmaatschappijen daadwerkelijk anders waren behandeld. Het HvJEU corrigeert dit en stelt de boete voor SAS Cargo Group op een lager bedrag vast.
ACM oordeelt positief over palletretoursysteem metselbakstenensector
Autoriteit Consument & Markt, publicatie van 12 januari 2026
Ter verduurzaming van het gebruik van pallets in de metselbaksteensector, is een groep van zeven metselbaksteenfabrikanten voornemens een statiegeld- en retoursysteem op te zetten voor duurzaam geproduceerde, herbruikbare pallets. De ACM heeft dit initiatief informeel beoordeeld op basis van haar Beleidsregel Toezicht ACM op duurzaamheidsafspraken (“Beleidsregel”) en voorziet op dit moment geen concurrentieproblemen.
Het initiatief houdt in dat metselbaksteenfabrikanten gezamenlijk een coöperatie oprichten om een gestandaardiseerd retoursysteem voor pallets te creëren, waarbij houten pallets worden vervangen door duurzame, herbruikbare pallets van 100% gerecycled kunststof die met groene stroom worden geproduceerd. De coöperatie wordt eigenaar van de palletpool en schakelt een onafhankelijke poolingpartner in voor het beheer, de distributie en retourlogistiek, waarbij een statiegeldsysteem wordt gebruikt om het retourneren van de pallets te stimuleren. Deelnemers betalen gezamenlijk voor de aanschaf en instandhouding van het systeem, terwijl schaalvoordelen, efficiënter transport en hergebruik zouden moeten zorgen voor lagere kosten en een vermindering van afval en CO₂-uitstoot binnen de sector. Het systeem is in eerste instantie gericht op de Nederlandse afzetmarkt.
Volgens de ACM streeft het initiatief een duurzaamheidsdoel na zoals bedoeld in de Beleidsregel en leidt het naar verwachting niet tot een merkbare beperking van de concurrentie. Deelname aan het initiatief staat open voor alle, waaronder buitenlandse, metselfabrikanten en vindt vrijwillig plaats. Ook wordt er geen concurrentiegevoelige informatie uitgewisseld. Ten aanzien van de concurrentie op pallets voorziet de ACM ook geen problemen: het initiatief zou niet leiden tot inkoopmacht ten opzichte van palletfabrikanten en waarborgt de concurrentie op het palletproductiecontract door eens in de vijf jaar opnieuw te contracteren met palletfabrikanten en poolingpartners. Wel stelt de ACM als voorwaarde aan de mededingingsrechtelijke toelaatbaarheid van het initiatief dat het de prikkel tot verdere innovatie en verduurzaming van pallets niet mag wegnemen.
Verder zou de concurrentie ten aanzien van metselbakstenen niet negatief worden beïnvloed. Het initiatief zou leiden tot kwaliteitsverbetering en kostenbesparingen op de productie van pallets en de ACM verwacht dat deze besparingen zich zullen uiten in lagere prijzen voor afnemers van metselbakstenen. Omdat de pallets slechts een klein deel uitmaken van de totale kosten van een pallet inclusief bakstenen, verwacht de ACM bovendien niet dat de kosten van metselbaksteenfabrikanten zouden harmoniseren.
Afslagenbeleid Zilveren Kruis niet strijdig met vrij verkeer- en mededingingsregels
Hoge Raad, arrest van 13 februari 2026
De Hoge Raad heeft op 13 februari 2026 bevestigd dat het door de Zilveren Kruis Zorgverzekeringen N.V. (“Zilveren Kruis”) gehanteerde afslagenbeleid niet in strijd is met het vrij verkeer van goederen en/of het kartelverbod. De zaak betrof het geneesmiddel Imbruvica, dat op de Nederlandse markt wordt gebracht door zowel Janssen-Cilag International N.V. (“Janssen-Cilag”), de enige producent van dit geneesmiddel, als paralleldistributeur Eureco-Pharma B.V. (“Eureco-Pharma”). In 2019 maakte Janssen-Cilag afspraken met zorgverzekeraars dat Imbruvica zonder afslag kon worden gedeclareerd, waarna zij via nacalculatie een korting aan zorgverzekeraars betaalde, mits deze Imbruvica rechtstreeks bij haar werd ingekocht (de “kortingsafspraak”). Zilveren Kruis paste in de jaren daaropvolgend geen afslag toe bij rechtstreekse inkoop, maar wel (tot 49%) bij parallelinkoop, waardoor ziekenhuizen niet langer bij Eureco-Pharma inkochten en diens marktaandeel tot nul daalde. Eureco-Pharma stelde dat deze gang van zaken in strijd was met artikel 34 VWEU dan wel artikel 101 VWEU en/of 6 Mw.
Artikel 34 VWEU is in beginsel gericht is tot de overheden van lidstaten. Volgens Eureco-Pharma zou deze bepaling desalniettemin van toepassing moeten zijn op Zilveren Kruis, wegens haar (semi)publieke karakter: zij biedt een verplichte, op solidariteit gebaseerde basisverzekering aan, opereert binnen een sterk wettelijk gereguleerd stelsel, staat onder overheidstoezicht en wordt deels met publieke middelen gefinancierd. De Hoge Raad verwerpt deze argumenten. Gelet op de privaatrechtelijke insteek van het Nederlands zorgstelsel, kan het afslagenbeleid van Zilveren Kruis niet worden aangemerkt als een overheidsmaatregel in de zin van artikel 34 VWEU. Het afslagenbeleid vormt onderdeel van de privaatrechtelijke inkooprelatie tussen zorgverzekeraars en zorgaanbieders; de overheid oefent hier geen invloed op uit. Ook het betoog van Eureco-Pharma dat een private partij reeds onder de werkingssfeer van artikel 34 VWEU valt wanneer zij daadwerkelijk in staat is de markttoegang te belemmeren, wordt verworpen. Volgens de Hoge Raad vindt dit standpunt geen steun in de jurisprudentie van het HvJEU. Nu hierover redelijkerwijs geen twijfel bestaat, ziet de Hoge Raad geen aanleiding om prejudiciële vragen aan het HvJEU te stellen.
Volgens de Hoge Raad was de kortingsafspraak tussen Zilveren Kruis en Janssen-Cilag verder niet in strijd met van artikel 101 VWEU dan wel 6 Mw. Uit de Leidraad gezamenlijke inkoop geneesmiddelen van de ACM blijkt namelijk dat dergelijke afspraken niet strijdig worden geacht met artikel 101 VWEU dan wel 6 Mw. Op zichzelf is er derhalve niets mis is met de gemaakte afspraken tussen Zilveren Kruis en Janssen-Cilag, aldus de Hoge Raad.
Ook in de verticale relatie tussen Zilveren Kruis en zorgaanbieders ziet de Hoge Raad geen mededingingsrechtelijke problemen. De Hoge Raad overweegt dat niet is komen vast te staan dat het afslagenbeleid van Zilveren Kruis onderdeel is geworden van de rechtsverhouding tussen Zilveren Kruis en zorgaanbieders door hun (uitdrukkelijke of stilzwijgende) instemming. Het enkele feit dat zorgaanbieders Imbruvica alleen nog bij Janssen-Cilag afnamen en niet langer bij Eureco-Pharma, maakt an sich niet dat er sprake was van instemming, waardoor er geen sprake was van een overeenkomst of onderling afgestemde gedraging als bedoeld in artikel 101 VWEU en 6 Mw. Volgens de Hoge Raad hadden de zorgaanbieders namelijk bedrijfseconomisch gezien geen andere keuze dan af te nemen bij Janssen-Cilag.
Rechtbank Amsterdam geeft fout toe: na Metro-criteria volgt daadwerkelijke beoordeling selectief distributiestelsel HP
Rechtbank Amsterdam, uitspraak van 11 februari 2026
Op 11 februari 2026 heeft de rechtbank Amsterdam de vorderingen van 123inkt afgewezen in haar geschil met HP over het selectieve distributiestelsel dat HP hanteert voor de verkoop van haar producten. 123inkt stelde dat dit stelsel in strijd is met het kartelverbod van artikel 101 lid 1 VWEU en dat HP misbruik maakt van haar economische machtspositie. In de zaak gaat het onder andere om inktcartridges, die door 123inkt worden verkocht.
In een eerder tussenvonnis uit 2024 had de rechtbank al geoordeeld dat het selectieve distributiestelsel van HP niet voldoet aan de Metro-criteria voor kwalitatieve selectieve distributie. Dat betekent echter niet automatisch dat sprake is van een verboden beperking.
De rechtbank oordeelt nu dat zij in het tussenvonnis een cruciale stap heeft overgeslagen: ook bij een stelsel dat niet aan de Metro-criteria voldoet, moet worden beoordeeld of dat stelsel ertoe strekt (of tot gevolg heeft) dat de mededinging wordt beperkt. De rechtbank sluit zich daarbij aan bij het door het Britse Competition Appeal Tribunal in de Up and Running-zaak uitgewerkte beoordelingskader.
De rechtbank concludeert dat het aan 123inkt is om te stellen en te onderbouwen dat het selectieve distributiestelsel een inbreuk maakt op het mededingingsrecht. Zij had slechts volstaan met de stelling dat elk selectief distributiestelsel per definitie mededingingsbeperkend is, maar was noch ingegaan op de bewoordingen van de overeenkomst, noch op de juridische en economische context. Ook tijdens de mondelinge behandeling heeft 123inkt geen van deze argumenten aangevoerd. Omwille van de afwezigheid van de argumenten van 123inkt en de conclusie uit het tussenvonnis dat er geen aanwijzingen zijn dat de aard van het selectieve distributiestelsel van HP schadelijk is voor mededinging, wijst de rechtbank de vorderingen van 123inkt af.
Kartelschaderichtlijn van toepassing op vorderingen tot inzage bewijsmateriaal
Hof van Justitie van de Europese Unie, arrest van 29 januari 2026
Op 29 januari 2026 heeft het HvJEU bevestigd dat artikel 5 van de Kartelschaderichtlijn van toepassing is op voorafgaande vorderingen die ertoe strekken toegang tot bewijsmateriaal te verkrijgen voordat een schadevergoedingsvordering wegens een inbreuk op het mededingingsrecht wordt ingesteld. Deze vraag rees in een zaak waarin de Commissie had vastgesteld dat Meliá Hotels International (“Meliá”) het mededingingsrecht had geschonden door in verticale overeenkomsten beperkingen op te leggen aan welke consumenten haar hotelaanbod te zien kregen op basis van hun nationaliteit en woonplaats. Naar aanleiding daarvan stelde Associação Ius Omnibus in Portugal een vordering in om toegang te verkrijgen tot documenten van Meliá, met het oog op het vaststellen en onderbouwen van mogelijke schade van consumenten en het voorbereiden van een collectieve schadevordering.
Het feit dat artikel 5 van de Kartelschaderichtlijn aldus wordt uitgelegd dat ook voorafgaande vorderingen tot toegang tot bewijsmateriaal daaronder vallen, strookt volgens het HvJEU met het doel van de richtlijn om effectieve handhaving van het mededingingsrecht te waarborgen en informatieasymmetrie te verminderen. Een besluit van de Commissie waarin een mededingingsinbreuk is vastgesteld, is op zichzelf echter niet voldoende om de aannemelijkheid van een schadevordering aan te tonen, aangezien daarmee de schade en het causaal verband nog niet vaststaan. Daarbij is niet relevant of er sprake is van een doelbeperking of dat het besluit is genomen in het kader van een schikkingsprocedure. Het HvJEU oordeelde verder dat voor de aannemelijkheid van een schadevordering in de zin van artikel 5, lid 1, van de Kartelschaderichtlijn geen hoge bewijsdrempel geldt. De verzoeker hoeft niet aan te tonen dat het waarschijnlijker is dat aan de voorwaarden van een inbreuk, schade en het causaal verband is voldaan dan dat dit niet zo is. Het volstaat dat hij, op basis van de feiten en het bewijs waarover hij redelijkerwijs beschikt, de rechter ervan overtuigt dat de veronderstelling dat aan deze voorwaarden is voldaan redelijkerwijs opgaat.
Rechtbank Amsterdam komt toe aan begroting schade in follow-on zaak tegen Heineken/AB wegens misbruik van machtspositie op Griekse biermarkt
Rechtbank Amsterdam, uitspraak van 18 februari 2026
De rechtbank Amsterdam heeft op 18 februari 2026 een tussenvonnis gewezen in de schadevergoedingsprocedure die de Griekse bierbrouwerij MTB heeft ingesteld tegen AB en haar Nederlandse moedervennootschap Heineken. MTB vordert € 82 miljoen wegens misbruik van machtspositie op de Griekse biermarkt gedurende de periode van 1998 – 2014, een inbreuk die eerder door de Griekse mededingingsautoriteit is vastgesteld (zie CF Q4 2024).
De rechtbank geeft MTB grotendeels gelijk in haar schadebegroting. Zij acht aannemelijk dat MTB in de situatie zonder inbreuk drie jaar eerder dezelfde verkoopgroei had bereikt, hogere prijzen had kunnen hanteren en lagere kosten had gehad. De alternatieve benadering van AB en Heineken’s deskundige CRA – waarbij MTB’s groei wordt vergeleken met nieuwkomers op andere Europese biermarkten – acht de rechtbank niet bruikbaar, nu het vastgestelde misbruik impliceert dat MTB zonder inbreuk nog sneller had kunnen groeien.
Op één punt wijkt de rechtbank af. De counterfactual-prijs die MTB hanteert, is mede beïnvloed door de Griekse accijnsverhoging van 2016, waarvoor het causaal verband met de inbreuk ontbreekt. AB en Heineken hebben reeds een alternatieve berekening gemaakt waarbij de accijnsverhoging buiten beschouwing wordt gelaten, uitkomend op een hoofdsom van circa € 43 miljoen. Omdat MTB zich hierover nog niet heeft kunnen uitspreken, krijgen partijen de gelegenheid zich hierover schriftelijk uit te laten. De zaak wordt verder aangehouden in afwachting van het nog te wijzen arrest van de Hoge Raad over de rechtsmacht ten aanzien van de vorderingen tegen AB.
CBb wijst beroepen Youca af: definitieve einde ex ante telecomreguleringstijdperk
College van Beroep voor het bedrijfsleven, uitspraken van 10 februari 2026
Het CBb heeft op 10 februari 2026 de beroepen van telecombedrijf Youca tegen een drietal telecombesluiten van de ACM afgewezen. Youca is een telecombedrijf opgericht met als doel om internetdiensten aan te bieden over het kabelnetwerk van VodafoneZiggo (“VFZ”).
In de eerste plaats had Youca beroep ingesteld tegen het ‘Marktanalysebesluit lokale toegang’ van de ACM van 12 december 2023, waarin de ACM tot de conclusie kwam dat op geen van de afgebakende telecommarkten sprake is van een risico op aanmerkelijke marktmacht (“AMM”) waardoor er geen aanleiding bestond om KPN en/of VFZ te verplichten hun netwerk open te stellen. Youca was het hier niet mee eens en voerde onder meer aan dat de ACM de bindend verklaarde toezeggingen van KPN en Glaspoort om wholesaletoegang te blijven bieden, niet had mogen betrekken in de marktanalyse en daarnaast überhaupt ontoereikend zijn. Het CBb is het echter met de ACM eens dat het toezeggingsbesluit, hoewel het een mededingingsrechtelijk instrument is, een feitelijk gegeven betreft dat de ACM als kenmerk van de markt dient mee te nemen. Ook het argument van Youca dat de ACM ten onrechte heeft geconcludeerd dat VFZ niet over AMM beschikt, wordt verworpen. De ACM constateerde dat op Markt IV, waarin naast een kabelnetwerk alleen het kopernetwerk van KPN aanwezig is, VFZ weliswaar een relatief groot marktaandeel heeft en bepaalde concurrentievoordelen geniet, maar er in de komende vijf jaar grootschalig open glasvezel zal worden uitgerold in Nederland. Nu vanuit het perspectief van de consument glasvezel en kabel gelijk zijn te stellen, verwacht de ACM dat Markt IV binnen de reguleringsperiode concurrerend zal worden. Het CBb benadrukt dat AMM-regulering een prospectieve aard kent en er een mate van onzekerheid is over de marktontwikkeling. De ACM heeft de positie van VodafoneZiggo op de retailmarkt niet onderschat zodat geen sprake is van een gebrekkige analyse van de retailmarkt.
In de tweede plaats stelde Youca beroep in tegen twee afwijzingsbesluiten van de ACM. Youca had de ACM om toegang verzocht tot het kabelnetwerk van VFZ in Amsterdam op basis van artikel 6.3 eerste en derde lid Telecommunicatiewet (“Tw”), ook wel symmetrische toegang genoemd. Hoewel de ACM vaststelde dat sprake is van replicatiebelemmeringen, zou het opleggen van toegangsverplichtingen onevenredig zijn dan wel niet voldoen aan de voorwaarde dat sprake is van een “situatie die zal leiden tot aanzienlijke gevolgen voor eindgebruikers wat betreft keuze, prijs en kwaliteit”. De ACM had de verzoeken daarom afgewezen.
Wat betreft het eerste afwijzingsbesluit (artikel 6.3 lid 1 Tw) voert Youca aan dat de ACM op onjuiste gronden de multitap als het eerste punt van samenkomst (“EPVS”) heeft gekwalificeerd. Het CBb oordeelt echter dat dit aansluit bij de BEREC-richtsnoeren die stellen dat het dichtst bij de eindgebruiker gelegen punt waar volledige fysieke ontbundeling mogelijk is, moet worden gekozen. Het feit dat het toegankelijk maken van de multitaps in Amsterdam hoge kosten meebrengt voor VFZ en Youca geen business case heeft vanaf de multitaps (maar alleen vanaf een hoger punt in het kabelnetwerk) is niet relevant bij het bepalen van de EPVS. Deze aspecten leidde echter wel tot de conclusie dat het opleggen van toegangsverplichtingen tot de multitaps onevenredig is.
Wat betreft het tweede afwijzingsbesluit (artikel 6.3 lid 3 Tw) meent Youca dat de ACM zich ten onrechte heeft gebaseerd op het Marktanalysebesluit lokale toegang. Het CBb onderschrijft echter het argument van de ACM dat in het kader van symmetrische regulering niet alleen de actuele marktsituatie relevant is, maar ook prospectieve elementen bevat. De ACM concludeerde dat haar concurrentieanalyse over Markt IV in het Marktanalysebesluit ook specifiek geldt in Amsterdam en de replicatiebelemmeringen in Amsterdam dus geen aanzienlijke gevolgen meebrengen voor eindgebruikers in Amsterdam, hetgeen vereist is om VFZ te verplichten tot het bieden van symmetrische toegang.
Afdeling vernietigt krimpbesluit Schiphol
Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, uitspraak van 11 maart 2026
Na het arrest van de Hoge Raad in 2024 en het (deels) negatieve advies van de Europese Commissie in 2025 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (“Afdeling”) de krimpplannen op Schiphol opnieuw een halt toegeroepen.
Op 6 mei 2025 publiceerde de minister van IenW het koninklijk besluit met de wijziging van het Luchthavenverkeerbesluit Schiphol (“LVB”), waarmee hij op basis van artikel 8.17, vijfde lid van de Wet Luchtvaart (“Wlv”) een plafond van 478.000 vliegtuigbewegingen (“vtb’s”) per jaar (waarvan 27.000 in de nacht) vastlegde. Dit betrof een separate, versnelde wijziging van het bestaande LVB in afwachting van de vastlegging van een integraal nieuw LVB zoals vastgesteld in het kader van de balanced approach-procedure (zie voor verdere achtergrond en het eerdere procesverloop onze CF Q3 2024 en onze blog).
Verschillende luchtvaartmaatschappijen, brancheorganisaties, gemeenten en individuele appellanten kwamen op tegen het koninklijk besluit. Zij stelden onder meer dat artikel 8.17, vijfde lid Wlv – dat verplicht tot het opnemen van grenswaarden voor geluidbelasting op handhavingspunten (ook wel: ‘geluidsemmertjes’) – geen grondslag biedt voor een vtb-plafond. De Afdeling oordeelt echter dat artikel 8.17, eerste lid Wlv de minister een ruime bevoegdheid geeft om regels over geluidbelasting te stellen, waarvan het vijfde lid slechts een nadere uitwerking is. Ook was geen passende beoordeling of plan- of projectmilieueffectrapportage vereist, omdat het wijzigingsbesluit als zodanig geen kaderstellend plan vormt.
Wel acht de Afdeling de motivering van het vtb-plafond gebrekkig. Ten eerste miskent de minister volgens de Afdeling het karakter van de wettelijke grenswaardesystematiek: een maximumaantal vtb’s legt de maximale geluidbelasting op zichzelf niet vast, aangezien die kan fluctueren afhankelijk van onder andere het type toestel (vlootvernieuwing) en baangebruik. Ten tweede staat het vtb-plafond van 478.000 op gespannen voet met de grenswaarden in het huidige LVB, die volgens de minister zelf slechts ruimte laten voor 400.000 tot 420.000 vtb’s. Het hogere plafond van 478.000 vtb’s is in de praktijk enkel mogelijk door toepassing van het nooit wettelijk verankerde Nieuwe Normen- en Handhavingsstelsel (“NNHS”), waarin overschrijding van grenswaarden op de handhavingspunten wordt gedoogd zolang wordt gevlogen volgens strikt preferentieel baangebruik, met een maximum aantal vtb’s van 500.000 per gebruiksjaar (ook wel: anticiperend handhaven). Nu de handhavingspunten met het koninklijk besluit niet zijn gewijzigd, zijn het vtb-plafond en het stelsel van handhavingspunten niet met elkaar te verenigen: óf de grenswaarden op de handhavingspunten worden bij 478.000 vtb’s overschreden, óf het vtb-plafond kan niet worden benut om overschrijding van die grenswaarden te voorkomen, terwijl dat aantal wel is toegestaan. Nu het NNHS nooit wettelijk is verankerd, heeft de minister dit stelsel ten onrechte als referentiekader gebruikt om te onderbouwen dat met 478.000 vtb’s de geluidbelasting zal afnemen (of in ieder geval gelijkwaardig zal blijven), zoals vereist op grond van artikel 8.17, zevende lid Wlv.
Al met al vernietigt de Afdeling het besluit wegens onzorgvuldige voorbereiding en gebrekkige motivering. Omdat over het maximum aantal nachtvluchten geen discussie bestond, treft zij wel een voorlopige voorziening waardoor het maximum van 27.000 nachtbewegingen per gebruiksjaar voorlopig in stand blijft, tot de inwerkingtreding van de algehele LVB-wijziging.
Rechtbank houdt boete Epic Games voor onder andere ‘dark patterns’ in Fortnite in stand
Rechtbank Rotterdam, uitspraak van 14 januari 2026
Op 14 januari 2026 heeft rechtbank Rotterdam het beroep van gameontwikkelaar Epic Games (“Epic”) ongegrond verklaard. Epic had beroep ingesteld tegen de door de ACM opgelegde boete wegens verschillende overtredingen van de Wet handhaving consumentenbescherming. In het bestreden boetebesluit constateerde de ACM dat Epic drie overtredingen had begaan in haar videospel Fortnite (zie CF Q3 2024). De eerste overtreding betrof het tonen van aflopende timers bij producten in de bij het spel ingebouwde productwinkel, terwijl die timers feitelijk onjuist waren: producten bleven langer beschikbaar dan werd gesuggereerd. Tegen deze overtreding heeft Epic geen beroep ingesteld.
De tweede overtreding zag op agressieve handelspraktijken jegens kinderen. Volgens de ACM werden kinderen tijdens het spelen van Fortnite via reclame-uitingen rechtstreeks aangezet tot het doen van aankopen (in strijd met artikel 6:193b, derde lid, aanhef onder b, en artikel 6:193i BW). De rechtbank volgt de ACM in haar oordeel dat de combinatie van taalgebruik (zoals “Check it out” of “Grab it)” en de opmaak van reclame-uitingen kwalificeert als het rechtstreeks aanzetten tot aankoop. Epic voerde aan dat de ACM bij het begrip ‘kind’ ten onrechte uitging van een homogene groep tot 18 jaar, terwijl volgens haar een onderscheid had moeten worden gemaakt tussen kinderen tot en met 15 jaar en jongeren van 16 en 17 jaar. Wat daarvan ook zij, overweegt de rechtbank dat ten aanzien van de groep tot en met 15 jaar in ieder geval sprake blijft van een overtreding. Dat zou hooguit kunnen leiden tot een boeteverlaging vanwege het wegvallen van de groep 16–17 jaar. Omdat Epic echter geen beroep heeft ingesteld tegen de hoogte van de boete, wordt haar beroep ook op dit punt ongegrond verklaard.
Ten derde constateerde de ACM dat Epic in strijd had gehandeld met haar professionele toewijding (artikel 6:193a, aanhef en onder f en tweede lid, BW) door het gebruik van zogenoemde ‘dark patterns’. Volgens de ACM maakte Epic misbruik van gedragsvalkuilen van consumenten, onder meer door onduidelijkheid te creëren over het aanbod en door tijdsdruk te gebruiken om kunstmatige schaarste te suggereren. Anders dan Epic betoogde, oordeelt de rechtbank dat de ACM voldoende heeft gemotiveerd dat dit handelen in strijd is met de professionele toewijding. Dat in de door de ACM aangehaalde Richtsnoeren oneerlijke handelspraktijken wordt gesproken over “gegevensgestuurde personalisatie en dark patterns”, betekent volgens de rechtbank niet dat deze richtsnoeren geen grondslag kunnen bieden voor een beoordeling die uitsluitend ziet op dark patterns. Ook het causaal verband is door de ACM voldoende onderbouwd: mede op basis van studies en literatuur heeft zij aannemelijk gemaakt dat de handelspraktijken van Epic het economische gedrag van kinderen wezenlijk kunnen verstoren.
Tot slot oordeelt de rechtbank dat er een juridische basis bestond voor het opleggen van een bindende aanwijzing door de ACM, nu sprake was van een overtreding van artikel 6:193b, tweede lid, BW. Ook de inhoud van de aanwijzingen – die onder meer betrekking hebben op de timers en de vormgeving van de productwinkel in Fortnite – is volgens de rechtbank voldoende gemotiveerd. Het beroep van Epic wordt daarmee volledig ongegrond verklaard.
ACM verklaart toezeggingsbesluit Seats and Sofas bindend
Autoriteit Consument & Markt, besluit van 16 maart 2026
Op 16 maart 2026 verklaarde de ACM de toezeggingen van meubelketen Seats and Sofas bindend. Deze toezeggingen volgen op een onderzoek naar de naleving van artikel 7:21 BW, dat verkopers verplicht consumenten kosteloos herstel, vervanging of restitutie te bieden bij non-conformiteit. Uit een ‘attendering’ van de Consumentenbond, meldingen op ConsuWijzer en een oordeel van de Reclame Code Commissie bleek dat dat Seats and Sofas consumenten liet betalen voor transport (€ 75) of een monteur aan huis (€ 49,95) wanneer zij aanspraak maakten op wettelijke garantie, dan wel consumenten verplichtte hun bank zelf naar een filiaal te brengen. Op 26 november 2025 stelde de ACM Seats and Sofas op de hoogte van haar voornemen een boeterapport op te maken. Seats and Sofas deed daarop een toezeggingsaanvraag met een breed pakket aan maatregelen. In de kern zien de toezeggingen op aanpassing van de algemene voorwaarden met expliciete verwijzing naar de wettelijke garantie van ten minste twee jaar, het voortaan kosteloos ophalen van banken bij servicemeldingen, en het opleiden van medewerkers over de consumentenregelgeving. Consumenten waarbij in de periode van 18 september 2023 tot 18 september 2025 ten onrechte kosten in rekening zijn gebracht worden volledig gecompenseerd. Ten behoeve van controleerbaarheid zal Seats and Sofas na iedere serviceprocedure een questionnaire sturen aan de betrokken consument en twee keer halfjaarlijks een extern klanttevredenheidsonderzoek laten uitvoeren, waarvan de uitkomsten met de ACM worden gedeeld.
Mede nu benadeelde consumenten worden gecompenseerd, acht de ACM het bindend verklaren van deze toezeggingen op grond van artikel 12h Instellingswet ACM doelmatiger dan het voortzetten van de boeteprocedure. Het besluit heeft een looptijd van twee jaar.
Eén boete voor zestien oneerlijke handelspraktijken in de voedselvoorzieningsketen toegestaan, mits sanctie doeltreffend blijft
Hof van Justitie van de Europese Unie, arrest van 29 januari 2026
Het HvJEU heeft op 29 januari 2026 arrest gewezen over de vraag of Richtlijn (EU) 2019/633 inzake oneerlijke handelspraktijken in de landbouw- en voedselvoorzieningsketen verbiedt dat meerdere verboden betalingsverzoeken aan verschillende leveranciers als één enkele inbreuk worden behandeld en met één boete worden bestraft onder nationaal recht.
De zaak gaat om een Oostenrijkse levensmiddelendetailhandelaar die naar eigen zeggen sterk economisch getroffen was door de gevolgen van de COVID-19-pandemie. In het kader van herstructurering heeft zij in mei 2023 zestien leveranciers verzocht een bijdrage te betalen voor haar interne ‘transformatieproces’. Deze betalingsverzoeken hielden geen verband met de daadwerkelijke inkoop van producten, en waren daarmee verboden onder de nationale omzetting van artikel 3 lid 1 onder d van Richtlijn (EU) 2019/633. De Oostenrijkse mededingingsautoriteit (Bundeswettbewerbsbehörde, “BWB”) zag elk van de zestien betalingsverzoeken als afzonderlijke inbreuken, en diende zestien afzonderlijke boetevorderingen in. De detailhandelaar stelde daartegenover dat alle zestien boetevorderingen zagen op dezelfde feitelijke situatie en dat behandeling als zestien afzonderlijke inbreuken in strijd zou zijn met het ne bis in idem-beginsel.
Het Oberlandesgericht Wien stelde vervolgens prejudiciële vragen aan het HvJEU. De kernvraag was of Richtlijn (EU) 2019/633 eraan in de weg staat dat nationale rechters dergelijke gedragingen samenvoegen tot één enkele inbreuk met één boete, waarbij het Oostenrijkse recht een maximum van € 500.000 hanteert.
Het HvJEU beantwoordt die vraag ontkennend, maar verbindt daar een belangrijke voorwaarde aan. Omdat Richtlijn (EU) 2019/633 is gebaseerd op minimale harmonisatie, laat zij lidstaten in beginsel vrij om te bepalen hoe meerdere verboden gedragingen worden gekwalificeerd. Het ne bis in idem-beginsel verplicht daar niet toe en verbiedt het ook niet: dat beginsel vereist dat de materiële feiten identiek zijn, en betalingsverzoeken aan verschillende leveranciers zijn weliswaar gelijkaardig maar niet dezelfde feiten. Ook het mededingingsrechtelijke concept van de “één enkele voortdurende inbreuk” is hier niet van toepassing, nu de richtlijn een andere rechtsgrondslag en logica heeft dan het mededingingsrecht.
De voorwaarde die het HvJEU stelt is dat de bevoegde autoriteit of rechter over voldoende beoordelingsruimte moet beschikken om een sanctie op te leggen die doeltreffend, evenredig en afschrikkend is. Dat kan in het gedrang komen wanneer het nationale boetemaximum beduidend lager ligt dan het financiële voordeel dat de overtreder beoogde te behalen. Het HvJEU draagt de verwijzende rechter op dit concreet te toetsen door het beoogde gewin af te zetten tegen het maximum van € 500.000.
Alternatief aanbod Kings Online voor OV-chipkaart misleidend
De kortgedingrechter heeft de vordering van de eigenaar van de OV-chipkaart (Trans Link Systems B.V.) en de Vereniging Reizigers Openbaar Vervoer (Rover) om de exploitatie van de website www.reisproductenaanvragen.nl te staken, toegewezen. Op deze website van Kings Online B.V. konden consumenten voor € 37,50 een persoonlijke OV-chipkaart aanvragen, terwijl dit rechtstreeks via Translink slechts € 7,50 kost. De rechtbank was het eens met eisers dat Kings Online consumenten misleidde door niet duidelijk aan te geven dat zij een bemiddelingsdienst leverde.
Allereerst wekten de marketing (gesponseerde reclame op Google Search) en de vormgeving ten onrechte de indruk dat de website gelieerd was aan Translink. Bovendien oordeelde de kortgedingrechter dat er geen wezenlijke voordelen voor de consument aanwezig waren bij het gebruik van de bemiddelingsdienst, waarvoor Kings Online € 30,- (extra) in rekening bracht. Kings Online heeft onvoldoende aangetoond dat het controleren van de aanvraag, de gebruiksvriendelijkheid van de website en haar klantenservice wezenlijk beter zijn dan die van de website van Translink zelf. Om die reden is de rechter het eens met eisers dat, de gehele consumentenreis in samenhang bezien, de consument geen geïnformeerd besluit kon nemen over zijn bereidheid om € 30,- extra te betalen voor de bemiddelingsdienst. Wanneer een handelspraktijk ertoe leidt dat de consument een beslissing neemt of kan nemen die hij anders niet zou hebben genomen, is er sprake van misleiding.
Interessant in deze zaak is dat private partijen zich beroepen op wetgeving over oneerlijke handelspraktijken die primair tot doel heeft de consument te beschermen. Hoewel Rover een beperkt aantal leden heeft, werd de vereniging als belangenorganisatie voldoende representatief bevonden door de rechter om op te komen voor alle gebruikers van het OV. Ook Translink heeft volgens de rechter een procesbelang omdat de oneerlijke handelspraktijk van Kings Online een negatief effect kan hebben op de waardering en het vertrouwen van consumenten in de OV-chipkaart. In algemene zin kan een oneerlijke handelspraktijk dus ook een onrechtmatige daad opleveren tegenover bedrijven, bijvoorbeeld concurrenten, aldus de rechter.
Voor al uw vragen met betrekking tot (EU) mededingingsrecht helpt bureau Brandeis u graag verder. U kunt ons bereiken via onderstaande links.
Bas Braeken – Jade Versteeg – Timo Hieselaar – Demi van den Berg – Joost van Belois – Lisanne Kooijman










